Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:2481
2026-09-01
Strafrecht
20-003146-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vijf keer tanken zonder te betalen bij hetzelfde tankstation. Veroordeling ter zake van diefstal, meermalen gepleegd tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:367 Hoge Raad 20-03-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.060 tekens)
Parketnummer : 20-003146-25
Uitspraak : 1 september 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 december 2025, parketnummer 03-252453-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-118210-25, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1993,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstraf heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 25 november 2022 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen
een hoeveelheid benzine ter waarde van € 154,92, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 25 november 2022 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen
opzettelijk
een hoeveelheid benzine ter waarde van € 154,92, in elk geval een hoeveelheid brandstof,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte
en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan [adres 2] , had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen
en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
Uit het procesdossier blijkt dat er aangifte is gedaan namens [bedrijf] ter zake van het tanken zonder te betalen gepleegd op 25 november 2022. Het hof is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging, nu gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat dit feit door de verdachte is begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 10 april 2024 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen enig goed, dat aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, registratienummer PL2300-2025145814, gesloten d.d. 6 oktober 2025, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-72.
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2025 (p. 6 t/m 9), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van aangever [aangever] namens [bedrijf] , [adres 2] :
Op 26 augustus 2025 tankte de man voor 18,43 liter Euro 95 benzine voor 35 euro. Hij tankte een zwarte Smart voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Hij liep naar de kassa gaf hij aan het personeel aan dat hij geen geld bij zich had. Het personeel liet hem een formulier invullen. Ik herkende hem als dezelfde man die dit vaker op deze manier heeft gedaan. Ik zei tegen hem "Dit gaan we niet meer doen" De man vertrok hierop direct zonder te betalen en zonder het formulier schuldbekentenis in te vullen.
De man kan ik als volgt omschrijven:- man;- ongeveer 32 jaar oud;- 165 centimeter lang;- lichte huidskleur;- kort donker haar;- tattoos op beide armen en in zijn nek.Ik ken hem als " [verdachte] ", dit was de achternaam die hij de eerste keer opgaf.
Zijn werkwijze is telkens hetzelfde. Hij tankt voor een bepaald bedrag. Hij zegt bij de kassa van het tankstation dat hij geen geld bij zich heeft en dit later komt betalen. Hij vult een formulier in, maar hij komt vervolgens het bedrag niet betalen. Het gestelde termijn om de schuld te betalen betreft 48 uur. Echter heeft hij zich tot heden nog niet gemeld om zijn schulden te betalen.
Op 10 april 2024 tankte hij voor 10,22 euro aan benzine met een Volkswagen voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe aan de aangifte.
Op 30 mei 2024 tankte hij voor 49,97 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1993
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe aan de aangiften waarop de persoon is te herkennen.
Op 25 juli 2024 tankte hij voor 34,63 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1992
- [adres 4]
Ik voeg een foto toe waarop de persoon is te herkennen.
Op 01 september 2024 tankte hij voor 20,04 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe waarop de persoon is te herkennen.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."
2. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 5 september 2025 (p. 10 t/m 12), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [aangever] :
Op 26 augustus 2025 was ik werkzaam in het [bedrijf] Tankstation aan de [adres 2] . Ik hoorde de werknemer zeggen dat hij niet goed wist hoe hij het formulier in moest vullen met betrekking tot de uitgestelde betaling. Ik keek mee op het formulier en las direct de naam " [verdachte] ". Het is mij bekend dat [verdachte] meermaals bij het tankstation had getankt zonder te betalen.
Ik deelde [verdachte] mede dat er geen formulier meer werd ingevuld en dat ik de politie ging bellen. Ik zag dat het kentekenbewijs op de toonbank lag en nam deze onder mij als onderpand. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en de winkel verliet. [verdachte] had voor 35 euro aan benzine getankt.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 51 en 52 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 30-05-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 1] 1993Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 49,97Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 56 en 57 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 25-07-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 1] 1992Straat + huisnummer: [adres 4]
Postcode + stad: [adres 4]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 34,63Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 60-61 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 10-04-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: -
Geboortedatum: [geboortedag 2] 1970Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 2]
Automerk: Volkswagen
Brandstofsoort: Benzine
Brandstof totaalbedrag 10,22Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 65-66 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 01-09-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 2] 1970Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 20,04Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2025 (p. 13 en 14), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 1] :
Op 28 augustus 2025 zag ik dat een politie eenheid doende was met de controle van een voertuig. Ik zag dat het voertuig een Smart, zwart van kleur met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] betrof. Het was mij bekend dat dit voertuig gebruikt werd bij een misdrijf, namelijk het tanken zonder te betalen. Het was mij eveneens bekend dat bovengenoemde feiten gepleegd waren door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in het voertuig zat.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2025 (p. 21 en 22), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 2] :
Op 31 augustus 2025 liet collega [verbalisant 1] , mij enkele fotografische afbeeldingen zien van een persoon die verdacht wordt van het meermaals plegen van het tanken zonder te betalen bij het [bedrijf] tankstation gelegen aan [adres 2] .
Ik herken de persoon als de mij ambtshalve zeer bekende [verdachte] . Ik ben als
wijkagent diverse malen betrokken geweest in een casus van huiselijk geweld aan [adres 4]
, het ouderlijke adres van [verdachte] , waarin [verdachte] een hoofdrol
speelde.
Ik heb [verdachte] ook aangehouden voor een zaak van diefstal en heb vaker het gesprek met
[verdachte] gevoerd. In het wijkwerken heb ik [verdachte] vaker staande gehouden c.q. gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet 1994.
Ik herken [verdachte] aan de volgende uiterlijke kenmerken:
- aan zijn Indonesische komaf. Ik weet dat [verdachte] een licht getinte huidskleur heeft
maar dat deze op de zwart/wit foto's niet goed te zien is.
- aan de tatoeages op zijn beide armen
- aan zijn kort gemillimeterd haar, donker van kleur
- aan zijn ronde gelaatsvorm
- aan het litteken dat [verdachte] aan de linkerzijde van zijn voorhoofd heeft
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag 1] 1993
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2025 (p. 23 en 24), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 3] :
Op 31 augustus 2025 sprak ik met collega [verbalisant 1] . Hij vertelde mij dat hij bezig was met een zaak waarin een persoon meerdere malen getankt had zonder te betalen gepleegd aan het [bedrijf] tankstation gelegen aan [adres 2] .
Collega [verbalisant 1] liet mij enkele fotografische afbeeldingen zien van een persoon die verdacht wordt van het plegen van deze strafbare feiten. Deze afbeeldingen waren in zwart/wit afgebeeld.
Ik herken de persoon als de mij ambtshalve zeer bekende [verdachte] .
Ik heb [verdachte] in het verleden al eens aangehouden in een casus waarin hij een
diefstal had gepleegd in z'n ouderlijk huis, dit was destijds aan [adres 4]
. Tevens is hij mij ambtshalve bekend als verdachte in meerdere casuïstieken
vanuit de wijk [wijk] .
Ik herken [verdachte] aan de volgende uiterlijke kenmerken:
-kaal/kort gemillimeterd haar;
-Indonesische uitstraling;
-lichaamsbouw en lengte;
-de tatoeages op z'n linker-en rechterarm;
-litteken aan de linkerzijde van z'n voorhoofd.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag 1] 1993
10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 september 2025 (p. 31-38), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van verdachte:
Dit verhoor is als volgt opgebouwd:
"O": staat voor opmerking verbalisant.
"V": staat voor vraag verbalisant.
"A": staat voor het antwoord van de verdachte.
O: Op 10 april 2024, om 11.08 uur, tankte hij voor 10,22 euro aan benzine met een Volkswagen voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
V: Je hebt wel op de [straatnaam van adres 3 en 4] gewoond.
A: Ja
O: Van het tanken en het moment dat jij het tankstation in loopt zijn foto's gemaakt.
Ik laat je deze nu zien.
V: Wat kan je hier over verklaren?
A: Ja dat ben ik
Op 25 juli 2024, om 14.00 uur, tankte hij voor 34,63 euro aan diesel met een Skoda
voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1992
- [adres 4]
V: Wat weet je nog van deze dag?
A: Qua gegevens heb ik verkeerd ingevuld.
Op 01 september 2025 (het hof begrijpt in samenhang met de overige bewijsmiddelen: 2024) tankte hij voor 20,04 euro aan diesel met een
Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
V: Wat weet je nog van deze dag?
A: Ja ik was met een vriend van mij. Ik moest gaan tanken. We hadden allebei geen geld bij ons.
V: Ben je terug gegaan?
A: Nee.
V: Maar dan tank je dus wel en betaal je vervolgens nooit?
A: Nee.
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht d.d. 9 december 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik ben wel vaker naar binnen gegaan om een formulier in te vullen.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich – overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde diefstal, nu op het moment van het wegnemen van de brandstof geen oogmerk bestond tot wederrechtelijke toe-eigening. Dit oogmerk vormde zich pas op een later moment (na het tanken), zodat sprake is van verduistering, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De vraag die voorligt is of het wederrechtelijk toe-eigenen van de brandstof, zoals is ten laste gelegd, het strafbare feit diefstal of verduistering oplevert.
Van diefstal is sprake als de verdachte de brandstof met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wegneemt; dat oogmerk dient hij (reeds) ten tijde van het tanken te hebben. Van verduistering is sprake als de verdachte de brandstof anders dan door misdrijf onder zich heeft en hij zich deze alsnog wederrechtelijk toe-eigent. Van belang hierbij is met name de intentie waarmee de verdachte heeft getankt, alsmede of het tanken als wegnemen of slechts als - anders dan door misdrijf - onder zich krijgen wordt aangemerkt. Of de gedraging diefstal of verduistering oplevert, zal afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval (vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:367).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. Verdachte heeft vijfmaal getankt bij hetzelfde tankstation zonder dat hij de door hem getankte brandstof heeft betaald. De verdachte is zowel op 10 april 2024, 30 mei 2024, 25 juli 2024 als op 1 september 2024 na het tanken naar de kassa gegaan en hij heeft daar een formulier ingevuld waarin hij heeft toegezegd om binnen 48 uur alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Dit heeft de verdachte vervolgens nagelaten. De verdachte heeft in alle gevallen deels onjuiste gegevens ingevuld, zoals een geboortedatum en/of geboortejaar en/of adres. Ook op 26 augustus 2025 heeft de verdachte bij hetzelfde tankstation brandstof getankt en heeft hij bij de kassa aangegeven dat hij geen geld bij zich had. Ook deze rekening heeft de verdachte niet betaald.
Naar oordeel van het hof kan hieruit worden afgeleid dat er sprake is van een patroon van tanken, waarbij telkens na het tanken bij hetzelfde tankstation bij de kassa kenbaar werd gemaakt dat niet kon worden betaald en werd beloofd om terug te komen onder tekening van een schuldbekentenis waarbij telkens deels onjuiste gegevens werden ingevuld terwijl de rekeningen vervolgens onbetaald bleven. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij van plan was te betalen in het licht van die omstandigheden ongeloofwaardig en schuift deze ter zijde. Daarbij heeft het hof ook betrokken dat door of namens verdachte niet aannemelijk is gemaakt dat hij de door hem getankte brandstof inmiddels wel zou hebben betaald.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er kan worden vastgesteld dat de verdachte reeds op het moment van tanken het oogmerk had om de brandstof niet af te rekenen en zich deze wederechtelijk toe te eigenen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op de in het dossier bevindende schuldbekentenissen deels onjuiste gegevens had ingevuld, zoals geboortedatum en/of een ander adres dan zijn BRP-adres, zodat het voor de benadeelde werd bemoeilijkt de verdachte te traceren. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal. De niet onderbouwde stelling van de raadsvrouw dat de verdachte op andere momenten wel zou hebben betaald na zijn tankbeurt bij dit tankstation doet aan het oordeel van het hof niet af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsvrouw van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en primair verzocht aan de verdachte, uitgaande van een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde verduistering, een geheel dan wel deels voorwaardelijke straf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht tot matiging van de onvoorwaardelijke straf. Daartoe is aangevoerd dat de schade beperkt is gebleven en dat de feiten verdeeld over een periode van drie jaar zijn gepleegd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf keer diefstal van brandstof, door te tanken zonder te betalen. Dit gedrag is hinderlijk en zorgt voor ongemak. De uitbater van het benzinestation waar de verdachte de brandstof heeft gestolen, heeft hierdoor financiële schade geleden en overlast van het gedrag van de verdachte ondervonden. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij anderen onnodig op kosten gejaagd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2026, waaruit blijkt dat hij ruim twee maanden voor het begaan van de bewezenverklaarde diefstal gepleegd op 26 augustus 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf die hij bovendien voorafgaand aan de bewezenverklaarde diefstal van 26 augustus 2025 heeft ondergaan. Deze recente eerdere veroordeling en onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Het onderhavige feit is
bovendien gepleegd in de proeftijd van het voorwaardelijke gedeelte van deze eerdere
veroordeling. Het hof rekent dit de verdachte aan. Ook heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande, met name gelet op verdachtes strafblad en op de aard en ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd in samenhang met de hiervoor genoemde eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Al het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden is. In hetgeen de raadsvrouw bij pleidooi naar voren heeft gebracht, ziet het hof, met name afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit en het aantal gepleegde diefstallen, alsmede de inhoud van diens strafblad, geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf dan wel een deels voorwaardelijke straf op te leggen.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Limburg, locatie Maastricht, van 28 mei 2025 onder parketnummer 03-118210-25. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden dient te worden gelast.
In hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf niet toe te wijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 28 mei 2025, parketnummer 03-118210-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. G.P.N. Robben, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,
en op 1 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Uitspraak : 1 september 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 december 2025, parketnummer 03-252453-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-118210-25, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1993,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstraf heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 25 november 2022 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen
een hoeveelheid benzine ter waarde van € 154,92, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 25 november 2022 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen
opzettelijk
een hoeveelheid benzine ter waarde van € 154,92, in elk geval een hoeveelheid brandstof,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte
en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan [adres 2] , had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen
en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
Uit het procesdossier blijkt dat er aangifte is gedaan namens [bedrijf] ter zake van het tanken zonder te betalen gepleegd op 25 november 2022. Het hof is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging, nu gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat dit feit door de verdachte is begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 10 april 2024 tot en met 28 augustus 2025 te Schinveld, gemeente Beekdaelen enig goed, dat aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, registratienummer PL2300-2025145814, gesloten d.d. 6 oktober 2025, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-72.
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2025 (p. 6 t/m 9), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van aangever [aangever] namens [bedrijf] , [adres 2] :
Op 26 augustus 2025 tankte de man voor 18,43 liter Euro 95 benzine voor 35 euro. Hij tankte een zwarte Smart voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Hij liep naar de kassa gaf hij aan het personeel aan dat hij geen geld bij zich had. Het personeel liet hem een formulier invullen. Ik herkende hem als dezelfde man die dit vaker op deze manier heeft gedaan. Ik zei tegen hem "Dit gaan we niet meer doen" De man vertrok hierop direct zonder te betalen en zonder het formulier schuldbekentenis in te vullen.
De man kan ik als volgt omschrijven:- man;- ongeveer 32 jaar oud;- 165 centimeter lang;- lichte huidskleur;- kort donker haar;- tattoos op beide armen en in zijn nek.Ik ken hem als " [verdachte] ", dit was de achternaam die hij de eerste keer opgaf.
Zijn werkwijze is telkens hetzelfde. Hij tankt voor een bepaald bedrag. Hij zegt bij de kassa van het tankstation dat hij geen geld bij zich heeft en dit later komt betalen. Hij vult een formulier in, maar hij komt vervolgens het bedrag niet betalen. Het gestelde termijn om de schuld te betalen betreft 48 uur. Echter heeft hij zich tot heden nog niet gemeld om zijn schulden te betalen.
Op 10 april 2024 tankte hij voor 10,22 euro aan benzine met een Volkswagen voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe aan de aangifte.
Op 30 mei 2024 tankte hij voor 49,97 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1993
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe aan de aangiften waarop de persoon is te herkennen.
Op 25 juli 2024 tankte hij voor 34,63 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1992
- [adres 4]
Ik voeg een foto toe waarop de persoon is te herkennen.
Op 01 september 2024 tankte hij voor 20,04 euro aan diesel met een Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
Ik voeg een foto toe waarop de persoon is te herkennen.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."
2. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 5 september 2025 (p. 10 t/m 12), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [aangever] :
Op 26 augustus 2025 was ik werkzaam in het [bedrijf] Tankstation aan de [adres 2] . Ik hoorde de werknemer zeggen dat hij niet goed wist hoe hij het formulier in moest vullen met betrekking tot de uitgestelde betaling. Ik keek mee op het formulier en las direct de naam " [verdachte] ". Het is mij bekend dat [verdachte] meermaals bij het tankstation had getankt zonder te betalen.
Ik deelde [verdachte] mede dat er geen formulier meer werd ingevuld en dat ik de politie ging bellen. Ik zag dat het kentekenbewijs op de toonbank lag en nam deze onder mij als onderpand. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en de winkel verliet. [verdachte] had voor 35 euro aan benzine getankt.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 51 en 52 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 30-05-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 1] 1993Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 49,97Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 56 en 57 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 25-07-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 1] 1992Straat + huisnummer: [adres 4]
Postcode + stad: [adres 4]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 34,63Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 60-61 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 10-04-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: -
Geboortedatum: [geboortedag 2] 1970Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 2]
Automerk: Volkswagen
Brandstofsoort: Benzine
Brandstof totaalbedrag 10,22Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schuldbekentenis in verband met afgenomen maar niet afgerekende brandstof (als bijlage op pagina’s 65-66 van het dossier) en voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Datum: 01-09-2024Achternaam: [verdachte]
Voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag 2] 1970Straat + huisnummer: [adres 3]
Postcode + stad: [adres 3]
Kenteken: [kenteken 3]
Automerk: Skoda
Brandstofsoort: Diesel
Brandstof totaalbedrag 20,04Afgesproken betaaltermijn: binnen 48 uur op het tankstation
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2025 (p. 13 en 14), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 1] :
Op 28 augustus 2025 zag ik dat een politie eenheid doende was met de controle van een voertuig. Ik zag dat het voertuig een Smart, zwart van kleur met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] betrof. Het was mij bekend dat dit voertuig gebruikt werd bij een misdrijf, namelijk het tanken zonder te betalen. Het was mij eveneens bekend dat bovengenoemde feiten gepleegd waren door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in het voertuig zat.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2025 (p. 21 en 22), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 2] :
Op 31 augustus 2025 liet collega [verbalisant 1] , mij enkele fotografische afbeeldingen zien van een persoon die verdacht wordt van het meermaals plegen van het tanken zonder te betalen bij het [bedrijf] tankstation gelegen aan [adres 2] .
Ik herken de persoon als de mij ambtshalve zeer bekende [verdachte] . Ik ben als
wijkagent diverse malen betrokken geweest in een casus van huiselijk geweld aan [adres 4]
, het ouderlijke adres van [verdachte] , waarin [verdachte] een hoofdrol
speelde.
Ik heb [verdachte] ook aangehouden voor een zaak van diefstal en heb vaker het gesprek met
[verdachte] gevoerd. In het wijkwerken heb ik [verdachte] vaker staande gehouden c.q. gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet 1994.
Ik herken [verdachte] aan de volgende uiterlijke kenmerken:
- aan zijn Indonesische komaf. Ik weet dat [verdachte] een licht getinte huidskleur heeft
maar dat deze op de zwart/wit foto's niet goed te zien is.
- aan de tatoeages op zijn beide armen
- aan zijn kort gemillimeterd haar, donker van kleur
- aan zijn ronde gelaatsvorm
- aan het litteken dat [verdachte] aan de linkerzijde van zijn voorhoofd heeft
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag 1] 1993
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2025 (p. 23 en 24), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas verbalisant [verbalisant 3] :
Op 31 augustus 2025 sprak ik met collega [verbalisant 1] . Hij vertelde mij dat hij bezig was met een zaak waarin een persoon meerdere malen getankt had zonder te betalen gepleegd aan het [bedrijf] tankstation gelegen aan [adres 2] .
Collega [verbalisant 1] liet mij enkele fotografische afbeeldingen zien van een persoon die verdacht wordt van het plegen van deze strafbare feiten. Deze afbeeldingen waren in zwart/wit afgebeeld.
Ik herken de persoon als de mij ambtshalve zeer bekende [verdachte] .
Ik heb [verdachte] in het verleden al eens aangehouden in een casus waarin hij een
diefstal had gepleegd in z'n ouderlijk huis, dit was destijds aan [adres 4]
. Tevens is hij mij ambtshalve bekend als verdachte in meerdere casuïstieken
vanuit de wijk [wijk] .
Ik herken [verdachte] aan de volgende uiterlijke kenmerken:
-kaal/kort gemillimeterd haar;
-Indonesische uitstraling;
-lichaamsbouw en lengte;
-de tatoeages op z'n linker-en rechterarm;
-litteken aan de linkerzijde van z'n voorhoofd.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag 1] 1993
10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 september 2025 (p. 31-38), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van verdachte:
Dit verhoor is als volgt opgebouwd:
"O": staat voor opmerking verbalisant.
"V": staat voor vraag verbalisant.
"A": staat voor het antwoord van de verdachte.
O: Op 10 april 2024, om 11.08 uur, tankte hij voor 10,22 euro aan benzine met een Volkswagen voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
V: Je hebt wel op de [straatnaam van adres 3 en 4] gewoond.
A: Ja
O: Van het tanken en het moment dat jij het tankstation in loopt zijn foto's gemaakt.
Ik laat je deze nu zien.
V: Wat kan je hier over verklaren?
A: Ja dat ben ik
Op 25 juli 2024, om 14.00 uur, tankte hij voor 34,63 euro aan diesel met een Skoda
voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 1] 1992
- [adres 4]
V: Wat weet je nog van deze dag?
A: Qua gegevens heb ik verkeerd ingevuld.
Op 01 september 2025 (het hof begrijpt in samenhang met de overige bewijsmiddelen: 2024) tankte hij voor 20,04 euro aan diesel met een
Skoda voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De gegevens die hij opgaf op het formulier schuldbekentenis bij het [bedrijf] tankstation betrof het volgende:
- [verdachte]
- [geboortedag 2] 1970
- [adres 3]
V: Wat weet je nog van deze dag?
A: Ja ik was met een vriend van mij. Ik moest gaan tanken. We hadden allebei geen geld bij ons.
V: Ben je terug gegaan?
A: Nee.
V: Maar dan tank je dus wel en betaal je vervolgens nooit?
A: Nee.
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht d.d. 9 december 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik ben wel vaker naar binnen gegaan om een formulier in te vullen.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich – overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde diefstal, nu op het moment van het wegnemen van de brandstof geen oogmerk bestond tot wederrechtelijke toe-eigening. Dit oogmerk vormde zich pas op een later moment (na het tanken), zodat sprake is van verduistering, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De vraag die voorligt is of het wederrechtelijk toe-eigenen van de brandstof, zoals is ten laste gelegd, het strafbare feit diefstal of verduistering oplevert.
Van diefstal is sprake als de verdachte de brandstof met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wegneemt; dat oogmerk dient hij (reeds) ten tijde van het tanken te hebben. Van verduistering is sprake als de verdachte de brandstof anders dan door misdrijf onder zich heeft en hij zich deze alsnog wederrechtelijk toe-eigent. Van belang hierbij is met name de intentie waarmee de verdachte heeft getankt, alsmede of het tanken als wegnemen of slechts als - anders dan door misdrijf - onder zich krijgen wordt aangemerkt. Of de gedraging diefstal of verduistering oplevert, zal afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval (vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:367).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. Verdachte heeft vijfmaal getankt bij hetzelfde tankstation zonder dat hij de door hem getankte brandstof heeft betaald. De verdachte is zowel op 10 april 2024, 30 mei 2024, 25 juli 2024 als op 1 september 2024 na het tanken naar de kassa gegaan en hij heeft daar een formulier ingevuld waarin hij heeft toegezegd om binnen 48 uur alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Dit heeft de verdachte vervolgens nagelaten. De verdachte heeft in alle gevallen deels onjuiste gegevens ingevuld, zoals een geboortedatum en/of geboortejaar en/of adres. Ook op 26 augustus 2025 heeft de verdachte bij hetzelfde tankstation brandstof getankt en heeft hij bij de kassa aangegeven dat hij geen geld bij zich had. Ook deze rekening heeft de verdachte niet betaald.
Naar oordeel van het hof kan hieruit worden afgeleid dat er sprake is van een patroon van tanken, waarbij telkens na het tanken bij hetzelfde tankstation bij de kassa kenbaar werd gemaakt dat niet kon worden betaald en werd beloofd om terug te komen onder tekening van een schuldbekentenis waarbij telkens deels onjuiste gegevens werden ingevuld terwijl de rekeningen vervolgens onbetaald bleven. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij van plan was te betalen in het licht van die omstandigheden ongeloofwaardig en schuift deze ter zijde. Daarbij heeft het hof ook betrokken dat door of namens verdachte niet aannemelijk is gemaakt dat hij de door hem getankte brandstof inmiddels wel zou hebben betaald.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er kan worden vastgesteld dat de verdachte reeds op het moment van tanken het oogmerk had om de brandstof niet af te rekenen en zich deze wederechtelijk toe te eigenen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op de in het dossier bevindende schuldbekentenissen deels onjuiste gegevens had ingevuld, zoals geboortedatum en/of een ander adres dan zijn BRP-adres, zodat het voor de benadeelde werd bemoeilijkt de verdachte te traceren. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal. De niet onderbouwde stelling van de raadsvrouw dat de verdachte op andere momenten wel zou hebben betaald na zijn tankbeurt bij dit tankstation doet aan het oordeel van het hof niet af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsvrouw van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en primair verzocht aan de verdachte, uitgaande van een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde verduistering, een geheel dan wel deels voorwaardelijke straf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht tot matiging van de onvoorwaardelijke straf. Daartoe is aangevoerd dat de schade beperkt is gebleven en dat de feiten verdeeld over een periode van drie jaar zijn gepleegd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf keer diefstal van brandstof, door te tanken zonder te betalen. Dit gedrag is hinderlijk en zorgt voor ongemak. De uitbater van het benzinestation waar de verdachte de brandstof heeft gestolen, heeft hierdoor financiële schade geleden en overlast van het gedrag van de verdachte ondervonden. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij anderen onnodig op kosten gejaagd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2026, waaruit blijkt dat hij ruim twee maanden voor het begaan van de bewezenverklaarde diefstal gepleegd op 26 augustus 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf die hij bovendien voorafgaand aan de bewezenverklaarde diefstal van 26 augustus 2025 heeft ondergaan. Deze recente eerdere veroordeling en onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Het onderhavige feit is
bovendien gepleegd in de proeftijd van het voorwaardelijke gedeelte van deze eerdere
veroordeling. Het hof rekent dit de verdachte aan. Ook heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande, met name gelet op verdachtes strafblad en op de aard en ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd in samenhang met de hiervoor genoemde eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Al het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden is. In hetgeen de raadsvrouw bij pleidooi naar voren heeft gebracht, ziet het hof, met name afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit en het aantal gepleegde diefstallen, alsmede de inhoud van diens strafblad, geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf dan wel een deels voorwaardelijke straf op te leggen.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Limburg, locatie Maastricht, van 28 mei 2025 onder parketnummer 03-118210-25. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden dient te worden gelast.
In hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf niet toe te wijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 28 mei 2025, parketnummer 03-118210-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. G.P.N. Robben, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,
en op 1 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.