Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:2336

2026-08-14 Strafrecht 20-002902-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
20-002902-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling (feit 1) Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk aan een ander lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, heeft toegebracht. Vragen omtrent betrouwbaarheid verklaring aangever en of de gestelde lichte pijn in het licht van de omstandigheden van het geval van voldoende ernst is om als pijn aangemerkt te kunnen worden in de zin van artikel 300 Sr. Veroordeling wegens bedreiging met zware mishandeling (feit 2) tot taakstraf.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.202 tekens)
Parketnummer : 20-002902-25
Uitspraak : 14 augustus 2026

TEGENSPRAAK


Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch


gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats, van 11 november 2025, parketnummer 03-111883-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers 20-000446-22, 20-002284-21, in de strafzaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres] .





Hoger beroep




Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.





Onderzoek van de zaak




Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 20-002284-21. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 20-002284-21 zal toewijzen, maar de gevangenisstraf voor de duur van 1 maand zal omzetten naar een taakstraf van 120 uren.



De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het haar onder 1 tenlastegelegde en dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 20-002284-21 zal afwijzen.





Vonnis waarvan beroep




Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.





Tenlastelegging



1.zij op of omstreeks 6 september 2024 te Venlo, althans in Nederland,

een ambtenaar, [slachtoffer 1] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij gemeente Venlo),
gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stoten;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht)


2.zij op of omstreeks 6 september 2024 te Venlo, althans in Nederland,[slachtoffer 2] (hoofdagent bij politie Eenheid Limburg)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vreet je vinger op", "Ik bijt je vinger eraf" en/of "Ik bijt je neus eraf!",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)




Vrijspraak feit 1.




Het hof stelt het volgende voorop.



Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr (juncto artikel 304 Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Deze omschrijving geeft aan dat de reikwijdte daarvan is dat mishandeling betreft het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid. Niet is uitgesloten dat zo’n min of meer hevige onlust – die het gevolg is van een op het lichaam van het slachtoffer inwerkende gedraging – bestaat in psychisch leed. Voor bewezenverklaring van een op artikel 300 Sr toegesneden tenlastelegging is vereist dat de betreffende gedraging inwerkt op het lichaam van het slachtoffer. Gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, vallen niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’.



De vraag waartoe het hof zich gesteld ziet is of in casu het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam bewezen kan worden.



Aangever [slachtoffer 1] verklaart hierover:

Ik zag dat de vrouw, ik denk met haar rechter arm, een zwaai naar achter maakte en met een gebalde vuist een klap gaf op mijn rechter sleutelbeen. De klap kwam op de rand van mijn veiligheidsvest en op mijn lichaam. Ik kon net op tijd met mijn hoofd wegduiken waardoor ik de vuist niet in mijn gezicht kreeg. Ik voelde aan mijn sleutelbeen dat ze deze klap met kracht was gegeven. Ik voelde een lichte pijn in mijn sleutelbeen.




Deze vraag valt in twee delen uiteen. De eerste vraag is of de verklaring dat aangever lichte pijn heeft ervaren voldoende betrouwbaar is. Als dat zo is, dan volgt de vraag of de gestelde lichte pijn in het licht van de omstandigheden van het geval van voldoende ernst is om als pijn aangemerkt te kunnen worden in de zin van artikel 300 Sr.



- De betrouwbaarheid



In het proces-verbaal van aangifte heeft aangever een drietal fysieke aanrakingen door aangever gerelateerd in chronologische volgorde:




Ik zei tegen de vrouw dat ik in haar tas ging kijken. Ik hoorde dat de vrouw zei dat dat zeker


niet ging gebeuren. Ik wilde de tas pakken van de vrouw. Ik kreeg uit het niets een


duw op mijn borst. Door de duw werd ik onstabiel. Ik zei tegen de vrouw dat ze


afstand moest houden.


…


Ik greep richting haar telefoon voor de pasjes. Ik voelde uit het niets een


stoot op mijn ribben. Doordat ik een veiligheidsvest draag werd deze stoot verzacht.


Echter voelde ik een direct pijn op mijn rechter ribben.


…


Ik zag dat de vrouw haar fiets oppakte en van ons weg wilde lopen. Ik greep haar bij haar linker schouder en zei tegen haar dat ze moest blijven staan. Ik voelde dat de vrouw zich los rukte van mij en dat ze zich omdraaide. Ik zag dat de vrouw, ik denk met haar rechter arm, een zwaai naar achter maakte en met een gebalde vuist een klap gaf op mijn rechter sleutelbeen. De klap kwam op de rand van mijn veiligheidsvest en op mijn lichaam. Ik kon net op tijd met mijn hoofd wegduiken waardoor ik de vuist niet in mijn gezicht kreeg. Ik voelde aan mijn sleutelbeen dat ze deze klap met kracht was gegeven. Ik voelde een lichte pijn in mijn sleutelbeen. …




Van het incident zijn camerabeelden van cameratoezicht Venlo beschikbaar waarop te zien is dat op enig moment door de camera van afstand op het incident tussen aangever en de verdachte wordt ingezoomd en handelingen zichtbaar worden. In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven (p. 15), zijn anders dan aangever heeft verklaard geen drie, maar is één moment gerelateerd waarop de verdachte aangever fysiek aanraakt. Het hof heeft ter terechtzitting de beelden getoond en besproken. Het hof heeft op de beelden twee momenten van fysieke aanraking kunnen waarnemen:
-een moment (op het rechtsboven in het beeld weergegeven tijdstip 11:50:22 uur; op 1:44 van het filmbestand 20240906_133450) waarop de verdachte met haar linker arm een beweging naar voren richting aangever maakt alsof zij hem iets toestopt of duwt en waarbij aangever lichtelijk naar achteren wijkt;
-een moment (op het rechtsboven in het beeld weergegeven tijdstip 11:51:50 uur; op 3:11 van het filmbestand 20240906_133450) waarop de verdachte (op het moment dat aangever de verdachte probeert vast te pakken) met haar rechterarm een (afwerende) slag naar achteren richting aangever maakt waarbij aangever lichtelijk naar achteren wijkt.



Voorts heeft het hof, anders dan aangever heeft verklaard, op de beelden geen instabiliteit van aangever kunnen waarnemen toen hij op enig moment werd aangeraakt. Tot slot is evenmin op de beelden te zien dat aangever – zoals hij in zijn aangifte heeft verklaard – met zijn hoofd wegdook en zo heeft voorkomen dat hij de vuist van aangever in zijn gezicht kreeg. Het hof ziet slechts een lichte beweging van het hoofd en bovenlichaam naar achteren.



Omdat in de verklaring van aangever op voornoemde punten sprake is van enige overdrijving, acht het hof ook de verklaring van aangever dat hij een “lichte pijn” voelde onvoldoende betrouwbaar om tot bewijs te kunnen dienen.



Ook indien wèl wordt uitgegaan van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever dat hij de klap als “lichte pijn” heeft ervaren dan heeft het volgende te gelden:



- Ondergrens pijn



In het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven staat voor zover hier van belang: Ik zag dat de vrouw met haar rechterarm een slaande beweging richting de handhaver maakte. Ik zag dat de vrouw met haar arm deze handhaver raakte op zijn borst.



Omdat het hof de klap op het sleutelbeen op de beelden evenmin heeft kunnen waarnemen, gaat het hof er van uit dat aangever door verdachte is geslagen op de borst. Het hof acht daarmee aannemelijk dat aangever de klap goed heeft kunnen voelen. De vraag is echter of er sprake is van een zodanig gevoel dat gesproken kan worden van pijn in de zin van artikel 300 Sr.



De definitie van pijn volgens de IASP (de International Association for the Study of Pain) en die is overgenomen door de WHO, is: "Een onaangename zintuiglijke en emotionele ervaring die gepaard gaat met – of lijkt op een ervaring die gepaard gaat met – feitelijke of mogelijke weefselschade". Van feitelijke weefselschade is in casu niet gebleken; niet ter terechtzitting, noch uit het dossier. Ten aanzien van mogelijke weefselschade is van belang dat aangever een veiligheidsvest droeg dat juist is bedoeld om weefselschade te voorkomen. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat de impact van een zij- tot achterwaartse beweging van een niet heel gespierd imponerende vrouw, ook blijkens de beelden, relatief beperkt is. Beide omstandigheden, de relatief geringe impact in combinatie met het dragen van een veiligheidsvest door aangever, maken dat het hof ook niet overtuigd is dat de door aangever gestelde – lichte pijn – als pijn kan worden aangemerkt in de zin van artikel 300 Sr.
Ook oordeelt het hof dat op grond van het voorgaande geen sprake is van het opzettelijk benadelen van de gezondheid en het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, althans ook dienaangaande is niet in casu gebleken.



Het hof heeft daarom niet de overtuiging dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde, mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr, juncto artikel 304 Sr, heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.



Dat laat onverlet dat verdachte zich ergerlijk en onbehoorlijk jegens aangever heeft gedragen. Aangever heeft zich, getuige de camerabeelden, uiterst correct en geduldig opgesteld jegens verdachte. De gestelde gedragingen dragen zeker kenmerken van wederspannigheid, maar dat is niet ten laste gelegd.





Bewezenverklaring




Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


2.zij op 6 september 2024 te Venlo, [slachtoffer 2] (hoofdagent bij politie Eenheid Limburg) heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vreet je vinger op", "Ik bijt je vinger eraf" en "Ik bijt je neus eraf!".


Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.





Bewijsmiddelen




Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.





Bewijsoverwegingen




De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde




Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:




bedreiging met zware mishandeling.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.







Strafbaarheid van de verdachte




Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.





Op te leggen sanctie




Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.



De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van een politieagente. Personen met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar gedrag. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.



Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat zij weliswaar eerder voor geweld gerelateerde delicten met politie en justitie in aanraking is gekomen en ter zake ook veroordeeld is en aan een strafbeschikking heeft voldaan, maar niet eerder voor een aan het bewezenverklaarde soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.



Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, passend en geboden.





Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]




De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 375,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00.



De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.



Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet worden ontvangen.








Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 20-000446-22




De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis,, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 24 maart 2023 onder parketnummer 20-000446-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.



Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, dient te worden gelast.





Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 20-002284-21




Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te Limburg van 17 april 2025, tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 november 2022 onder parketnummer 20-002284-21 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, van oordeel, dat – nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt – de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is.



Echter op grond van hetgeen omtrent de verdachte ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, een taakstraf, voor de duur van 120 uren gelasten, indien niet naar behoren verricht te vervangen door een 1 maand hechtenis.





Toepasselijke wettelijke voorschriften




De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.






BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.



Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.




Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.


Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.



Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 maart 2023, parketnummer 20-000446-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.



Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 november 2022 met parketnummer 20-002284-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand, een

taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 1 (één) maand hechtenis.





Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,
en op 14 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.



Mr. A.R. Hartmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.




Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690; HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677 en HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1005, rov. 3.3.2-3.5.3.