Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:2210
2026-08-10
Strafrecht
20-000751-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2026:2210 → ECLI:NL:RBLIM:2025:1984 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Veroordeling tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren wegens het meermalen plegen van ontucht, terwijl de verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, met iemand die zich als patiënt/cliënt aan haar hulp en zorg had toevertrouwd. Naast de voorwaardelijke taakstraf heeft het hof als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte geen werkzaamheden zal verrichten als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, gedurende de proeftijd van 5 jaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.645 tekens)
Parketnummer : 20-000751-25
Uitspraak : 10 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-268415-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘werkzaam in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan haar hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook bijzondere voorwaarden verbonden, te weten - kort gezegd - een meldplicht en een behandelverplichting. Daarbij is tevens reclasseringstoezicht gelast. Ten slotte heeft de rechtbank de verdachte voorwaardelijk ontzet uit het recht tot de uitoefening van een beroep als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 5 jaren met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren waarvan 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en dat het hof aan het voorwaardelijke strafdeel als bijzondere voorwaarden zal verbinden een meldplicht in het kader van een reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een verplichting tot meewerken aan een ambulante behandeling, – een en ander conform het opgemaakte advies van de reclassering d.d. 7 februari 2025 - en daarnaast als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod als therapeutisch medewerker of soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 5 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd te bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en behalve voor wat betreft de opgelegde straf. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Naar aanleiding van het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer zal het hof het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende bewijsmiddelen en overwegingen omtrent het bewijs.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling en/of verbetering bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Voor wat betreft de bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende aanvulling:
Het tweede bewijsmiddel (de verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 2 augustus 2024) op pagina 3 onderaan, voorlaatste en laatste regel, van het vonnis wordt aangevuld in die zin dat na de zin:
“U, verbalisant, vraagt mij wie het initiatief daarin nam. Ik denk dat het echt van beiden kwam”,
wordt toegevoegd:
“U, verbalisant, vraagt mij wat pijpen voor mij betekent. Zij heeft mij oraal bevredigd. [verdachte] zette haar mond om mijn penis heen en begon eraan te zuigen”.
Voor wat betreft de bewijsoverwegingen komt het hof tot de hieronder vermelde aanvullingen en/of verbeteringen, waarbij het hof overigens in de overwegingen in het vonnis voor ‘de rechtbank’ telkens leest ‘het hof’ nu het hof die overwegingen van de rechtbank bij dit arrest tot de zijne maakt.
De overweging bovenaan pagina 6 van het vonnis onder ‘De penis van [slachtoffer] in de mond nemen en/of pijpen’, behoeft naar het oordeel van het hof aanvulling door ná de zin die eindigt met “(…) en heeft daarbij consistent en gedetailleerd verklaard.” en vóór de zin die aanvangt met “De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan die verklaring (…)” nog de volgende overweging in te voegen:
“Niet alleen over de door beiden gepleegde seksuele handelingen maar ook over bijvoorbeeld dat de verdachte hem zou hebben gebeld, zowel het aantal keren als de tijdstippen waarop. De verdachte daarentegen heeft haar verklaring een aantal keren bijgesteld op het moment dat zij geconfronteerd werd met wat [slachtoffer] had verklaard. Zo verklaarde zij aanvankelijk dat zij dacht te zijn aangehouden voor zoenen met [slachtoffer] , dat zij ergens snapte dat dat niet kan, maar dat zij het moeilijk vond dat er dan zo’n vervolg kwam. Vervolgens verklaarde de verdachte dat zij eerst hadden gezoend en daarna in de auto aan elkaar hadden gezeten en gefriemeld. Dit was ook het verhaal dat zij in eerste instantie vertelde op haar werk. Uiteindelijk heeft de verdachte toch alle, door [slachtoffer] genoemde, seksuele handelingen bevestigd met uitzondering van het pijpen. Het hof ziet evenwel niet het belang van [slachtoffer] waarom hij louter over dit onderdeel zou liegen en hierover niet naar waarheid zou hebben verklaard. Temeer niet, nu de verdachte daarmee geen ander strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dan haar thans reeds wordt verweten. Daarentegen acht het hof niet uitgesloten dat de verdachte om haar moverende belangen op dit punt van de verfeitelijking volhardt in haar ontkenning, doch daarin gaat het hof net als de rechtbank niet mee.”
Het hof stelt voorts vast dat het deel dat in het vonnis is opgenomen op pagina 6 onder “Zorgrelatie” door de verdediging in hoger beroep niet is betwist. Deze overweging behoeft naar ’s hofs oordeel geen aanvulling.
Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep ten verwere naar voren is gebracht, ziet het hof aanleiding de overwegingen onder ‘Rol van de zorgrelatie in de seksuele handelingen’ op pagina’s 6 onderaan en 7 (tot aan 3.4 ‘De bewezenverklaring) van het vonnis integraal te vervangen door navolgende overwegingen.
“De verdediging heeft aangevoerd dat niet gesproken kan worden van ontucht omdat de zorgrelatie bij de seksuele handelingen geen enkele rol heeft gespeeld, nu bij de seksuele handelingen sprake was van vrijwilligheid en deze door beide partijen gewenst waren, waarbij enige vorm van afhankelijkheid niet van invloed is geweest. De zorgrelatie die er was heeft dan ook geen enkele rol gespeeld bij de seksuele handelingen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat met het bepaalde in artikel 249, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is beoogd strafrechtelijke bescherming te bieden tegen een seksuele benadering van de zijde van hulpverleners. Deze bepaling beschermt de cliënt of patiënt onder meer tegen misbruik van het psychische overwicht dat de hulpverlener heeft of van de afhankelijke positie van de cliënt of patiënt. Dat maakt dat indien er seksuele handelingen plaatsvinden in een dergelijke hulpverlener/cliënt-relatie, het ontuchtige karakter in beginsel wordt aangenomen. Dit is alleen anders indien de relatie tussen de cliënt en de hulpverlener bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, in die zin dat bij de cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. Bij de beantwoording van de vraag of er in dit geval sprake is van een dergelijke uitzondering neemt het hof het volgende in aanmerking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als sociotherapeut werkzaam was bij de buitenhuizen van TBS-kliniek [instelling] , meer in het bijzonder bij [locatie] . Tot haar functie behoorde onder meer het als persoonlijk begeleider bieden van praktische hulp en steun. [locatie] betreft, blijkens de -niet weersproken- toelichting van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, een woonvoorziening, bestaande uit geschakelde woningen, waar kwetsbare mensen op strafrechtelijke titel verblijven en waar ook [slachtoffer] toentertijd verbleef nadat hem een TBS-maatregel met voorwaarden was opgelegd. Kwetsbare mensen met een verstandelijke beperking en psychische problematiek. Op [locatie] is sprake van overloop en wederkerigheid, aldus de advocaat-generaal. Dit betekent dat het personeel dat werkzaam is in het ene gebouw (bijvoorbeeld [locatie a]) , indien nodig, wordt geacht bij te springen in het andere gebouw, (bijvoorbeeld [locatie b] ). Het personeel, waaronder ten tijde van het tenlastegelegde ook de verdachte als hulpverlener van [locatie] , heeft toegang tot alle patiëntendossiers, waarbij het niet uitmaakt in welk gebouw men werkzaam is. Al het personeel is op de hoogte van de achtergrond van de patiënten, zo heeft ook de verdachte verklaard dat zij in de dossiers kon lezen waarom de patiënten er zaten en over wat ze gedaan hadden.
Het hof stelt voorop dat louter met het bestaan van een hulpverleningsrelatie een zekere mate van afhankelijkheid in beginsel een gegeven is. Van afhankelijkheid was in het onderhavige geval temeer sprake, nu uit het dossier onomstotelijk blijkt dat [slachtoffer] een kwetsbare patiënt was, hem een TBS-maatregel met voorwaarden was opgelegd in verband met een zedendelict, hij vaak seksuele behoeftes had en daarvoor in therapie was gegaan, en de verdachte daarvan als professioneel sociotherapeut op de hoogte was. De verdediging heeft de kwetsbaarheid van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep ook niet betwist, integendeel, ook volgens de verdediging was [slachtoffer] overduidelijk kwetsbaar. Daarbij komt dat eerder op de dag, voorafgaande aan de seksuele handelingen, de verdachte als hulpverleenster nog een gesprek heeft gehad met [slachtoffer] over zijn thuissituatie. Hieruit volgt eveneens de afhankelijkheid van [slachtoffer] van de verdachte. De verdachte wist waarom [slachtoffer] bij [instelling] verbleef, wat zijn kwetsbaarheden waren waaronder zijn -kort gezegd- seksuele driften, en bovendien was er een niet te miskennen leeftijdsverschil van 19 jaren. [slachtoffer] , een jong meerderjarige van 22 jaar, gekend met zedenproblematiek en in dat verband verkerend in een TBS-maatregel met voorwaarden, tegenover de verdachte, een volwassen vrouw van toentertijd 41 jaar die als professioneel hulpverlener [slachtoffer] ten dienste stond. Met deze wetenschap -en bovendien nadat de verdachte gold als gewaarschuwd door een eerdere time-out in de vorm van een non-actiefstelling van haar werk in verband met ontluikende gevoelen voor [slachtoffer] , een haar opgedragen coachingstraject en vervolgens een overplaatsing naar een andere [locatie] - heeft de verdachte desondanks het initiatief genomen en [slachtoffer] bij herhaling uitgenodigd haar te ontmoeten waarbij de haar verweten seksuele handelingen met [slachtoffer] zijn gepleegd.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden waaronder die seksuele handelingen zijn gepleegd geen sprake is geweest van een gelijkwaardige relatie. [slachtoffer] is afhankelijk geweest van de verdachte en deze afhankelijkheid is van invloed geweest op de seksuele relatie tussen [slachtoffer] en de verdachte. De seksuele handelingen dragen daarmee een ontuchtig karakter. Aan dit oordeel doet niet af dat (ook) aan de kant van [slachtoffer] sprake zou zijn geweest van vrijwilligheid. Het karakter van vrijwilligheid wordt weggenomen door de hiervoor beschreven (invloed van) afhankelijkheid. De omstandigheid dat de verdachte op het moment van de seksuele handelingen werkzaam was in een ander gebouw, zogezegd een andere [locatie] , zij het binnen hetzelfde complex van [instelling] , noch de veronderstelling dat de verliefdheid wederzijds was, maakt dat anders. De verdachte heeft gehandeld in strijd met de sociaal-ethische norm, bezien vanuit haar positie, terwijl zij zich juist gezien die positie terughoudend had moeten opstellen toen de ontluikende liefdesgevoelens zich langzaam van haar meester maakten en zich daaraan niet had moeten overgeven.
Gelet op al het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.
Het hof acht bewezen dat de verdachte vanuit haar rol als hulverlener ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd en hij zo bezien haar cliënt was, zodat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard als weergegeven in de bewezenverklaring op pagina 7 onderaan en pagina 8 bovenaan van het vonnis.
De gevoerde verweren in hoger beroep vinden voor het overige weerlegging in het door het hof te bevestigen en hiervoor aangevulde en verbeterde vonnis waarvan beroep en behoeven naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.”
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof subsidiair verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel en haar geen beroepsverbod op te leggen. Voorts is - gelet op deze zaak, de persoonlijke omstandigheden en de onbeperkte termijn bij zedenzaken waardoor de verdachte nimmer een Verklaring omtrent Gedrag zal krijgen - verzocht om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich in de hoedanigheid van sociotherapeut, werkzaam op een locatie waar TBS-patiënten begeleid worden tot terugkeer in de maatschappij, schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een van haar cliënten die aan haar hulp en zorg was toevertrouwd. De verdachte heeft seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, terwijl zij wist dat hij een kwetsbare jongeman was en bekend was met zijn problematiek. Van de verdachte mocht, mede gelet op het grote leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte, dan ook worden verwacht dat zij degene was die de noodzakelijke professionele grenzen in acht zou nemen. Door desondanks seksuele handelingen met hem te verrichten, heeft de verdachte gehandeld in strijd met de door haar te betrachten professionaliteit die het slachtoffer juist bescherming had moeten bieden, waaronder tegen zichzelf en zijn seksuele driften. Daarmee heeft de verdachte niet alleen een morele en sociaal-ethische norm, maar aldus ook een strafrechtelijke grens overschreden. Waar zij hem als hulpverleenster bescherming had moeten bieden, heeft zij uitsluitend haar eigen gevoelens en verlangens vooropgesteld. Dit alles maakt dat sprake is van een ernstig feit en het hoeft geen betoog dat feiten als de onderhavige in de samenleving verontwaardiging oproepen.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juni 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 7 februari 2025 en heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Hoewel het hof de verdachte wil geloven dat wat haar betreft de kans op herhaling nihil is, gezien de gevolgen die de aangifte voor haar hebben gehad, is het hof niet gebleken van enig overtuigend zelfinzicht bij de verdachte. Evenmin is het hof gebleken dat de verdachte begaan is met het lot dat het slachtoffer ten deel is gevallen door zijn ontboezeming omtrent hun seksuele ontmoetingen, waaronder een overplaatsing naar een andere kliniek. Wat betreft haar privéleven heeft de verdachte ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat zij nog samen is met haar man en hulp heeft gehad van een psycholoog en relatietherapeut. Momenteel is zij werkzaam als receptioniste bij een hotel.
Alles afwegende acht het hof een rechterlijk pardon als door de raadsman is bepleit niet passend bij de aard en ernst van hetgeen de verdachte wordt verweten. Wel acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 5 jaren passend en geboden, waarbij het hof de bijzondere voorwaarde stelt zoals hierna omschreven.
Met oplegging van deze voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast zal het hof als bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte gedurende de proeftijd van 5 jaren geen werkzaamheden zal verrichten als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg. Het hof acht aannemelijk dat dit een grote impact zal hebben op het leven van de verdachte, nu zij heeft verklaard dat zij dit werk het liefst van de wereld doet. Het hof is hier niet geheel ongevoelig voor, maar acht van meer gewicht duidelijk te maken dat de gedragingen van de verdachte vergaande consequenties hebben, ook al betekent dit dat de verdachte ander werk zal moeten verrichten. Het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt dit. In hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht omtrent de gevolgen voor de verdachte ziet het hof geen reden om van het stellen van deze bijzondere voorwaarde af te zien.
Gezien de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de hulpverlening die zij in een vrijwillig kader heeft aanvaard, ziet het hof geen aanleiding om daarnaast een meldplicht met een reclasseringstoezicht en een verplichte ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde op te leggen. Voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen voorwaarde als gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof tot slot onvoldoende termen aanwezig.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren geen werkzaamheden zal verrichten als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. J.F.C. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M. van der Horst en mr. J.F.C. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Uitspraak : 10 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-268415-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘werkzaam in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan haar hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook bijzondere voorwaarden verbonden, te weten - kort gezegd - een meldplicht en een behandelverplichting. Daarbij is tevens reclasseringstoezicht gelast. Ten slotte heeft de rechtbank de verdachte voorwaardelijk ontzet uit het recht tot de uitoefening van een beroep als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 5 jaren met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren waarvan 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en dat het hof aan het voorwaardelijke strafdeel als bijzondere voorwaarden zal verbinden een meldplicht in het kader van een reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een verplichting tot meewerken aan een ambulante behandeling, – een en ander conform het opgemaakte advies van de reclassering d.d. 7 februari 2025 - en daarnaast als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod als therapeutisch medewerker of soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 5 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd te bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en behalve voor wat betreft de opgelegde straf. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Naar aanleiding van het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer zal het hof het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende bewijsmiddelen en overwegingen omtrent het bewijs.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling en/of verbetering bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Voor wat betreft de bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende aanvulling:
Het tweede bewijsmiddel (de verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 2 augustus 2024) op pagina 3 onderaan, voorlaatste en laatste regel, van het vonnis wordt aangevuld in die zin dat na de zin:
“U, verbalisant, vraagt mij wie het initiatief daarin nam. Ik denk dat het echt van beiden kwam”,
wordt toegevoegd:
“U, verbalisant, vraagt mij wat pijpen voor mij betekent. Zij heeft mij oraal bevredigd. [verdachte] zette haar mond om mijn penis heen en begon eraan te zuigen”.
Voor wat betreft de bewijsoverwegingen komt het hof tot de hieronder vermelde aanvullingen en/of verbeteringen, waarbij het hof overigens in de overwegingen in het vonnis voor ‘de rechtbank’ telkens leest ‘het hof’ nu het hof die overwegingen van de rechtbank bij dit arrest tot de zijne maakt.
De overweging bovenaan pagina 6 van het vonnis onder ‘De penis van [slachtoffer] in de mond nemen en/of pijpen’, behoeft naar het oordeel van het hof aanvulling door ná de zin die eindigt met “(…) en heeft daarbij consistent en gedetailleerd verklaard.” en vóór de zin die aanvangt met “De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan die verklaring (…)” nog de volgende overweging in te voegen:
“Niet alleen over de door beiden gepleegde seksuele handelingen maar ook over bijvoorbeeld dat de verdachte hem zou hebben gebeld, zowel het aantal keren als de tijdstippen waarop. De verdachte daarentegen heeft haar verklaring een aantal keren bijgesteld op het moment dat zij geconfronteerd werd met wat [slachtoffer] had verklaard. Zo verklaarde zij aanvankelijk dat zij dacht te zijn aangehouden voor zoenen met [slachtoffer] , dat zij ergens snapte dat dat niet kan, maar dat zij het moeilijk vond dat er dan zo’n vervolg kwam. Vervolgens verklaarde de verdachte dat zij eerst hadden gezoend en daarna in de auto aan elkaar hadden gezeten en gefriemeld. Dit was ook het verhaal dat zij in eerste instantie vertelde op haar werk. Uiteindelijk heeft de verdachte toch alle, door [slachtoffer] genoemde, seksuele handelingen bevestigd met uitzondering van het pijpen. Het hof ziet evenwel niet het belang van [slachtoffer] waarom hij louter over dit onderdeel zou liegen en hierover niet naar waarheid zou hebben verklaard. Temeer niet, nu de verdachte daarmee geen ander strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dan haar thans reeds wordt verweten. Daarentegen acht het hof niet uitgesloten dat de verdachte om haar moverende belangen op dit punt van de verfeitelijking volhardt in haar ontkenning, doch daarin gaat het hof net als de rechtbank niet mee.”
Het hof stelt voorts vast dat het deel dat in het vonnis is opgenomen op pagina 6 onder “Zorgrelatie” door de verdediging in hoger beroep niet is betwist. Deze overweging behoeft naar ’s hofs oordeel geen aanvulling.
Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep ten verwere naar voren is gebracht, ziet het hof aanleiding de overwegingen onder ‘Rol van de zorgrelatie in de seksuele handelingen’ op pagina’s 6 onderaan en 7 (tot aan 3.4 ‘De bewezenverklaring) van het vonnis integraal te vervangen door navolgende overwegingen.
“De verdediging heeft aangevoerd dat niet gesproken kan worden van ontucht omdat de zorgrelatie bij de seksuele handelingen geen enkele rol heeft gespeeld, nu bij de seksuele handelingen sprake was van vrijwilligheid en deze door beide partijen gewenst waren, waarbij enige vorm van afhankelijkheid niet van invloed is geweest. De zorgrelatie die er was heeft dan ook geen enkele rol gespeeld bij de seksuele handelingen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat met het bepaalde in artikel 249, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is beoogd strafrechtelijke bescherming te bieden tegen een seksuele benadering van de zijde van hulpverleners. Deze bepaling beschermt de cliënt of patiënt onder meer tegen misbruik van het psychische overwicht dat de hulpverlener heeft of van de afhankelijke positie van de cliënt of patiënt. Dat maakt dat indien er seksuele handelingen plaatsvinden in een dergelijke hulpverlener/cliënt-relatie, het ontuchtige karakter in beginsel wordt aangenomen. Dit is alleen anders indien de relatie tussen de cliënt en de hulpverlener bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, in die zin dat bij de cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. Bij de beantwoording van de vraag of er in dit geval sprake is van een dergelijke uitzondering neemt het hof het volgende in aanmerking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als sociotherapeut werkzaam was bij de buitenhuizen van TBS-kliniek [instelling] , meer in het bijzonder bij [locatie] . Tot haar functie behoorde onder meer het als persoonlijk begeleider bieden van praktische hulp en steun. [locatie] betreft, blijkens de -niet weersproken- toelichting van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, een woonvoorziening, bestaande uit geschakelde woningen, waar kwetsbare mensen op strafrechtelijke titel verblijven en waar ook [slachtoffer] toentertijd verbleef nadat hem een TBS-maatregel met voorwaarden was opgelegd. Kwetsbare mensen met een verstandelijke beperking en psychische problematiek. Op [locatie] is sprake van overloop en wederkerigheid, aldus de advocaat-generaal. Dit betekent dat het personeel dat werkzaam is in het ene gebouw (bijvoorbeeld [locatie a]) , indien nodig, wordt geacht bij te springen in het andere gebouw, (bijvoorbeeld [locatie b] ). Het personeel, waaronder ten tijde van het tenlastegelegde ook de verdachte als hulpverlener van [locatie] , heeft toegang tot alle patiëntendossiers, waarbij het niet uitmaakt in welk gebouw men werkzaam is. Al het personeel is op de hoogte van de achtergrond van de patiënten, zo heeft ook de verdachte verklaard dat zij in de dossiers kon lezen waarom de patiënten er zaten en over wat ze gedaan hadden.
Het hof stelt voorop dat louter met het bestaan van een hulpverleningsrelatie een zekere mate van afhankelijkheid in beginsel een gegeven is. Van afhankelijkheid was in het onderhavige geval temeer sprake, nu uit het dossier onomstotelijk blijkt dat [slachtoffer] een kwetsbare patiënt was, hem een TBS-maatregel met voorwaarden was opgelegd in verband met een zedendelict, hij vaak seksuele behoeftes had en daarvoor in therapie was gegaan, en de verdachte daarvan als professioneel sociotherapeut op de hoogte was. De verdediging heeft de kwetsbaarheid van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep ook niet betwist, integendeel, ook volgens de verdediging was [slachtoffer] overduidelijk kwetsbaar. Daarbij komt dat eerder op de dag, voorafgaande aan de seksuele handelingen, de verdachte als hulpverleenster nog een gesprek heeft gehad met [slachtoffer] over zijn thuissituatie. Hieruit volgt eveneens de afhankelijkheid van [slachtoffer] van de verdachte. De verdachte wist waarom [slachtoffer] bij [instelling] verbleef, wat zijn kwetsbaarheden waren waaronder zijn -kort gezegd- seksuele driften, en bovendien was er een niet te miskennen leeftijdsverschil van 19 jaren. [slachtoffer] , een jong meerderjarige van 22 jaar, gekend met zedenproblematiek en in dat verband verkerend in een TBS-maatregel met voorwaarden, tegenover de verdachte, een volwassen vrouw van toentertijd 41 jaar die als professioneel hulpverlener [slachtoffer] ten dienste stond. Met deze wetenschap -en bovendien nadat de verdachte gold als gewaarschuwd door een eerdere time-out in de vorm van een non-actiefstelling van haar werk in verband met ontluikende gevoelen voor [slachtoffer] , een haar opgedragen coachingstraject en vervolgens een overplaatsing naar een andere [locatie] - heeft de verdachte desondanks het initiatief genomen en [slachtoffer] bij herhaling uitgenodigd haar te ontmoeten waarbij de haar verweten seksuele handelingen met [slachtoffer] zijn gepleegd.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden waaronder die seksuele handelingen zijn gepleegd geen sprake is geweest van een gelijkwaardige relatie. [slachtoffer] is afhankelijk geweest van de verdachte en deze afhankelijkheid is van invloed geweest op de seksuele relatie tussen [slachtoffer] en de verdachte. De seksuele handelingen dragen daarmee een ontuchtig karakter. Aan dit oordeel doet niet af dat (ook) aan de kant van [slachtoffer] sprake zou zijn geweest van vrijwilligheid. Het karakter van vrijwilligheid wordt weggenomen door de hiervoor beschreven (invloed van) afhankelijkheid. De omstandigheid dat de verdachte op het moment van de seksuele handelingen werkzaam was in een ander gebouw, zogezegd een andere [locatie] , zij het binnen hetzelfde complex van [instelling] , noch de veronderstelling dat de verliefdheid wederzijds was, maakt dat anders. De verdachte heeft gehandeld in strijd met de sociaal-ethische norm, bezien vanuit haar positie, terwijl zij zich juist gezien die positie terughoudend had moeten opstellen toen de ontluikende liefdesgevoelens zich langzaam van haar meester maakten en zich daaraan niet had moeten overgeven.
Gelet op al het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.
Het hof acht bewezen dat de verdachte vanuit haar rol als hulverlener ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd en hij zo bezien haar cliënt was, zodat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard als weergegeven in de bewezenverklaring op pagina 7 onderaan en pagina 8 bovenaan van het vonnis.
De gevoerde verweren in hoger beroep vinden voor het overige weerlegging in het door het hof te bevestigen en hiervoor aangevulde en verbeterde vonnis waarvan beroep en behoeven naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.”
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof subsidiair verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel en haar geen beroepsverbod op te leggen. Voorts is - gelet op deze zaak, de persoonlijke omstandigheden en de onbeperkte termijn bij zedenzaken waardoor de verdachte nimmer een Verklaring omtrent Gedrag zal krijgen - verzocht om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich in de hoedanigheid van sociotherapeut, werkzaam op een locatie waar TBS-patiënten begeleid worden tot terugkeer in de maatschappij, schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een van haar cliënten die aan haar hulp en zorg was toevertrouwd. De verdachte heeft seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, terwijl zij wist dat hij een kwetsbare jongeman was en bekend was met zijn problematiek. Van de verdachte mocht, mede gelet op het grote leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte, dan ook worden verwacht dat zij degene was die de noodzakelijke professionele grenzen in acht zou nemen. Door desondanks seksuele handelingen met hem te verrichten, heeft de verdachte gehandeld in strijd met de door haar te betrachten professionaliteit die het slachtoffer juist bescherming had moeten bieden, waaronder tegen zichzelf en zijn seksuele driften. Daarmee heeft de verdachte niet alleen een morele en sociaal-ethische norm, maar aldus ook een strafrechtelijke grens overschreden. Waar zij hem als hulpverleenster bescherming had moeten bieden, heeft zij uitsluitend haar eigen gevoelens en verlangens vooropgesteld. Dit alles maakt dat sprake is van een ernstig feit en het hoeft geen betoog dat feiten als de onderhavige in de samenleving verontwaardiging oproepen.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juni 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 7 februari 2025 en heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Hoewel het hof de verdachte wil geloven dat wat haar betreft de kans op herhaling nihil is, gezien de gevolgen die de aangifte voor haar hebben gehad, is het hof niet gebleken van enig overtuigend zelfinzicht bij de verdachte. Evenmin is het hof gebleken dat de verdachte begaan is met het lot dat het slachtoffer ten deel is gevallen door zijn ontboezeming omtrent hun seksuele ontmoetingen, waaronder een overplaatsing naar een andere kliniek. Wat betreft haar privéleven heeft de verdachte ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat zij nog samen is met haar man en hulp heeft gehad van een psycholoog en relatietherapeut. Momenteel is zij werkzaam als receptioniste bij een hotel.
Alles afwegende acht het hof een rechterlijk pardon als door de raadsman is bepleit niet passend bij de aard en ernst van hetgeen de verdachte wordt verweten. Wel acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 5 jaren passend en geboden, waarbij het hof de bijzondere voorwaarde stelt zoals hierna omschreven.
Met oplegging van deze voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast zal het hof als bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte gedurende de proeftijd van 5 jaren geen werkzaamheden zal verrichten als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg. Het hof acht aannemelijk dat dit een grote impact zal hebben op het leven van de verdachte, nu zij heeft verklaard dat zij dit werk het liefst van de wereld doet. Het hof is hier niet geheel ongevoelig voor, maar acht van meer gewicht duidelijk te maken dat de gedragingen van de verdachte vergaande consequenties hebben, ook al betekent dit dat de verdachte ander werk zal moeten verrichten. Het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt dit. In hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht omtrent de gevolgen voor de verdachte ziet het hof geen reden om van het stellen van deze bijzondere voorwaarde af te zien.
Gezien de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de hulpverlening die zij in een vrijwillig kader heeft aanvaard, ziet het hof geen aanleiding om daarnaast een meldplicht met een reclasseringstoezicht en een verplichte ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde op te leggen. Voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen voorwaarde als gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof tot slot onvoldoende termen aanwezig.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren geen werkzaamheden zal verrichten als sociaal therapeutisch medewerker, dan wel een soortgelijke functie, in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. J.F.C. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M. van der Horst en mr. J.F.C. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.