Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:194
2026-01-29
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.345.105/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHSHE:2026:1649 → ECLI:NL:GHSHE:2026:194
Inhoudsindicatie
Vaststellen hoofdverblijfplaats. Voornemen duo-benoeming bijzondere curatoren.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.489 tekens)
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 29 januari 2026
Zaaknummer: 200.345.105/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/316920 / FA RK 23-1424
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 1] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[de moeder 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 2] ,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis.
Deze procedure gaat over:
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
5De beschikking d.d. 23 januari 2025
Bij die beschikking heeft het hof:
het verzoek van moeder [de moeder 1] afgewezen dat de Raad voor de Rechtsbijstand (Raad voor de Kinderbescherming) gedurende 2 jaar toezicht dient te houden op [minderjarige] ;
de bestreden beschikking van 30 mei 2024 vernietigd voor zover het zorgregeling betreft en het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 17 juni 2021 gewijzigd en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouder bij wie [minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020) niet zijn hoofdverblijfplaats heeft als volgt bepaald:
- eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, met het wisselpunt in [plaats] ;
- schoolvakanties langer dan één week worden evenredig/gelijkwaardig in onderling overleg verdeeld tussen partijen met uitzondering van de Kerstvakantie;
- Kerstmis in de even jaren: [minderjarige] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 1] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 2] ;
- Kerstmis in de oneven jaren: [minderjarige] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 2] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 1] ;
- Zomervakanties: in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste helft (drie weken) bij moeder [de moeder 1] en de tweede helft (drie weken) bij moeder [de moeder 2] , in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste helft bij moeder [de moeder 2] (drie weken) en de tweede helft bij moeder [de moeder 1] (drie weken),;
- iedere woensdag om 18.00 een facetime moment en een keer per veertien dagen op vrijdag om 18.00 uur;
- tijdens bijzondere dagen en overige feestdagen, door partijen in onderling overleg te verdelen;
voorlopig bepaald dat de schoolvakanties van één week of korter in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld;
de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.5.5. is overwogen;
de raad verzocht tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming inschrijving school en het onderdeel van de zorgregeling voor wat betreft de korte schoolvakanties van één week aangehouden tot PRO FORMA 23 mei 2025.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van
- het raadsrapport van 20 mei 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van moeder [de moeder 2] van 3 juni 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van moeder [de moeder 1] van 4 juni 2025;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder [de moeder 1] van 29 augustus 2025;
- het aanvullende raadsrapport van 18 november 2025.
6.2.
Verder is op 14 oktober 2025 een brief binnengekomen van [ex-partner van moeder 2] (hierna: [ex-partner van moeder 2] ), de inmiddels ex-partner van moeder [de moeder 2] .
Op 16 oktober 2025 heeft het hof partijen als volgt bericht:
“Het hof heeft in de hiervoor genoemde zaak op 14 oktober jl. per post een brief ontvangen van [ex-partner van moeder 2] , gericht aan [minderjarige] .
Het hof zal van deze brief geen kennisnemen en de brief vernietigen, aangezien beide partijen een advocaat hebben en nadere stukken door tussenkomst van hun advocaat dienen te worden overgelegd. Bovendien is mw. [ex-partner van moeder 2] geen partij of belanghebbende in deze procedure.”
6.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- moeder [de moeder 1] , bijgestaan door mr. Hendriks;
-moeder [de moeder 2] , bijgestaan door mr. Ten Brummelhuis;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
7De verdere beoordeling
7.1.
De raad heeft in zijn rapport van 20 mei 2025 het hof geadviseerd het de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast te stellen bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] . Daarmee samenhangend adviseert de raad eveneens om hem in (de buurt van) [woonplaats moeder 2] naar school te laten gaan.
7.2.
De raad heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Voor de raad is het op basis van de beschikbare informatie een bijna onmogelijke opgave om een advies te geven over de meest wenselijke hoofdverblijfplaats voor [minderjarige] , wetende dat [minderjarige] van beide ouders houdt en beide ouders zo graag [minderjarige] bij zich willen hebben. Het is echter in deze situatie onoverkomelijk dat er een advies moet worden gegeven, waarbij één van de ouders niet de hoofdopvoeder van [minderjarige] kan zijn.
De raad heeft de volgende afwegingen gemaakt. Wonen in [woonplaats moeder 2] zal betekenen dat [minderjarige] zal opgroeien op de plek waar hij inmiddels al (bijna) een jaar naar school gaat en zich de omgeving al eigen heeft gemaakt. Hij weet nu waar hij aan toe is. Ook zal dit betekenen dat hij dus kan blijven waar hij momenteel al verblijft. In algemene zin zijn kinderen gebaat bij stabiliteit en continuïteit. Voor kinderen is het niet wenselijk dat er drastische veranderingen in hun leefomgeving plaatsvinden. De indruk van de raad is dat de gezinssituatie in [woonplaats moeder 2] op dit moment stabiel en overzichtelijk is en dat [minderjarige] hier veilig opgroeit. De zorg- en contactregeling in de huidige situatie verloopt (praktisch gezien) naar behoren. Het wonen van [minderjarige] in [woonplaats moeder 2] betekent anderzijds dat hij zijn broertje [broertje] en moeder [de moeder 1] meer moeten missen.
Wonen in [woonplaats moeder 1] zal betekenen dat [minderjarige] moeder [de moeder 2] en zijn halfbroertje [halfbroertje] moet gaan missen. Ook zal [minderjarige] in een andere omgeving terechtkomen, een nieuwe woning betrekken (de huidige woning van moeder [de moeder 1] is een tijdelijke woning) en naar een nieuwe school gaan. Hij zal afscheid moeten nemen van zijn vriendjes, voetbal, school en de BSO in [woonplaats moeder 2] , maar ook wel weer nieuwe vriendjes kunnen maken in [woonplaats moeder 1] . In de gezinssituatie van moeder [de moeder 1] en haar partner [partner van moeder 1] (hierna: [partner van moeder 1] ) spelen er enkele factoren die onrustiger dan wel stressvoller zijn dan bij moeder [de moeder 2] , zoals de verbouwing en de scheidingsproblemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner en daarmee samenhangend de problemen in de omgangsregeling van [partner van moeder 1] met haar dochter [dochter van de partner van moeder 1] .
Wat betreft de invloeden van beide (familie)netwerken, kan de raad hierover geen eenduidig antwoord geven. Beide ouders voelen zich ieder gesteund door hun netwerk. In ieder geval hebben zich het afgelopen jaar geen incidenten met het (familie)netwerk voorgedaan, voor zover de raad weet. De eerdere incidenten zijn tijdens de procedure reeds aan bod gekomen. Aangezien het familienetwerk geen neutrale positie in deze situatie heeft, heeft de raad het netwerk van ouders niet benaderd.
Ten slotte komt uit het raadsonderzoek de indruk naar voren dat er vanuit moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] is, dan andersom. Dit is gebaseerd op uitspraken van moeder [de moeder 1] , foto’s, video’s en screenshots van whatsapp berichten die moeder [de moeder 1] heeft gedeeld met de raad. Daarbij staat moeder [de moeder 2] er open voor hulpverlening om de onderlinge communicatie te verbeteren en ziet moeder [de moeder 1] daar inmiddels geen meerwaarde meer in. De bereidheid om te werken aan de onderlinge verstandhouding, lijkt bij moeder [de moeder 2] daarmee op dit moment groter.
Waar de raad in het vorige raadsonderzoek ten tijde van de procedure in eerste aanleg als doorslaggevend argument heeft aangedragen dat [minderjarige] in het gezin bij moeder [de moeder 1] opgroeit met zijn broertje, is dit nu niet meer een doorslaggevend argument, omdat [minderjarige] nu ook bij moeder [de moeder 2] een (half)broertje heeft.
Voor zover de raad kan oordelen over het onderzoek dat door locatie [locatie] is uitgevoerd, is het biologisch ouderschap van moeder [de moeder 1] en biologische broertje [broertje] voor [minderjarige] betekenisvol, maar is dit niet een doorslaggevende factor geweest in het advies. In dit geval moet worden uitgegaan van de juridische positie van beide moeders, en deze is gelijk, aangezien beiden het gezag over [minderjarige] dragen.
De raad concludeert dat het hof voor een moeilijke beslissing staat en bovenal dat [minderjarige] in een verdrietige situatie zit. Beide moeders zijn immers belangrijk voor [minderjarige] . Over beide ouders zijn tijdens het vorige en huidige raadsonderzoek geen concrete zorgen over de opvoedvaardigheden naar voren gekomen. De grootste zorg die de raad heeft, is dat partijen geen vertrouwen in elkaar hebben en dat de strijd om het hoofdverblijf van [minderjarige] verhardt. Er worden screenshots en/of foto’s gemaakt, fragmenten gefilmd of opgenomen en gebruikt tegen elkaar.
Alles afwegende, zijn er volgens de raad op dit moment meer positieve factoren voor het wonen bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] dan bij moeder [de moeder 1] in [woonplaats moeder 1] . Dit maakt dat de raad zal adviseren om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] vast te stellen. Daarmee samen hangt vervolgens eveneens het advies om [minderjarige] in [woonplaats moeder 2] (zijn huidige school) naar school te blijven laten gaan.
7.2.
In het voornoemde V6-formulier van 3 juni 2025 is namens moeder [de moeder 2] aangegeven dat zij kan instemmen met het door de raad gegeven advies.
7.3.
In de bij voornoemd V6-formulier van 4 juni 2025 overgelegde brief is namens moeder [de moeder 1] aangegeven dat zij niet kan instemmen met het door de raad gegeven advies.
Zij voert daartoe, samengevat en voor zover niet reeds in eerdere processtukken naar voren is gebracht, het volgende aan.
Moeder [de moeder 2] is degene die [minderjarige] in een moeilijke situatie heeft gebracht. Zij is namelijk degene die is verhuisd naar [regio] en daardoor de belangen van [minderjarige] heeft geschaad.
Dat het, zoals de raad heeft opgemerkt, voor kinderen niet wenselijk is om drastische veranderingen mee te maken, heeft er in eerste aanleg niet aan in de weg gestaan om het hoofverblijf van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] te bepalen. Bovendien verklaarde de raad tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat het voor een kind geen probleem zou hoeven zijn om op termijn weer van hoofdverblijf en school te wisselen.
Moeder [de moeder 1] betwist dat de situatie bij moeder [de moeder 2] stabiel en veilig is. Er zijn veel ruzies tussen moeder [de moeder 2] en haar partner [ex-partner van moeder 2] . [ex-partner van moeder 2] is pedagoog en werkzaam in de jeugdzorg. Moeder [de moeder 1] heeft vragen over belangenverstrengeling en de professionele integriteit van [ex-partner van moeder 2] . Moeder [de moeder 1] maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] , alsmede het pedagogische handelen van moeder [de moeder 2] . In dit kader wijst moeder [de moeder 1] op het incident waarbij moeder [de moeder 2] [minderjarige] heeft gebeten, als reactie op het feit dat [minderjarige] een ander kindje had gebeten. Anders dan moeder [de moeder 2] tijdens het raadsonderzoek heeft verklaard, ziet moeder [de moeder 1] helemaal niet dat het goed met [minderjarige] gaat (op school). Moeder [de moeder 1] ziet kenmerken van ADHD en/of autisme.
Ten onrechte wordt het belang van het opgroeien bij een biologische ouder niet benoemd en onderschreven. [minderjarige] heeft slechts één biologische ouder. Het opgroeien bij een biologische ouder geeft een gevoel van herkenning en identiteit, emotionele zekerheid en veiligheid. Alleen een biologische ouder, in dit geval moeder [de moeder 1] , wordt in staat geacht om haar ouderlijke rol optimaal uit te oefenen. Ook het feit dat [minderjarige] bij moeder [de moeder 1] een biologisch vol broertje heeft ( [broertje] ) is op geen enkele manier gelijk te stellen met een louter juridisch halfbroertje ( [halfbroertje] ) waar hij totaal geen biologische band mee heeft.
Ten onrechte wordt in het onderzoek betrokken dat moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] heeft, nu in redelijkheid niet van moeder [de moeder 1] verwacht kan worden dat zij er zomaar overheen stapt dat moeder [de moeder 2] [minderjarige] van haar probeert af te pakken.
De signalen die [minderjarige] laat ziet rondom de overdracht maken duidelijk dat hij niet naar moeder [de moeder 2] wil. Hij geeft structureel aan bij moeder [de moeder 1] te willen wonen. Die signalen zijn niet serieus genomen.
7.4.
In de bij voornoemd V6-formulier van 29 augustus 2025 overgelegde brief is namens moeder [de moeder 1] verzocht acht te slaan op de volgende gewijzigde omstandigheden.
De relatie tussen moeder [de moeder 2] en haar partner [ex-partner van moeder 2] is verbroken. [ex-partner van moeder 2] en [halfbroertje] zijn uit de woning vertrokken. [minderjarige] wordt regelmatig opgevangen door de moeder van moeder [de moeder 2] , die daar niet toe in staat kan worden geacht. De moeder van [de moeder 2] spreekt uitsluitend Servisch en heeft lichamelijke en psychische beperkingen.
Moeder [de moeder 2] zal moeten verhuizen naar een andere woonruimte. Misschien zal [minderjarige] ook van school moeten veranderen. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] is het van groot belang dat hij nu geplaatst wordt in een stabiele omgeving en niet wederom wordt blootgesteld aan verhuizingen, relatiebreuken en wisselingen in de opvoedsituatie.
Moeder [de moeder 1] biedt al vijf jaar een stabiele, liefdevolle en veilige thuissituatie, waar [minderjarige] in een vaste gezinssamenstelling opgroeit. Moeder [de moeder 1] kan direct voorzien in structuur, continuïteit en de noodzakelijke medische en schoolse begeleiding.
Namens moeder [de moeder 1] wordt verzocht om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling bij hof, de raad om nader advies te vragen en zich uit te laten of voormelde omstandigheden aanleiding zijn om de afgegeven rapportage en adviezen te herzien.
Het gedrag van [minderjarige] blijkt door de relatiebreuk negatief te zijn beïnvloed. Moeder [de moeder 1] moet [minderjarige] dagelijks en constant corrigeren; hij is extreem druk, heeft altijd een weerwoord, weet het altijd beter, is agressief in het spel, moet altijd het speelgoed hebben waar zijn broertje op dat moment mee speelt, liegt vaak, zoekt ruzie met zijn zus en broer en gebruikt schuttingtaal. Moeder [de moeder 2] laat weten dat [minderjarige] zich op school ook misdraagt.
7.5.
De raad heeft in voormelde brief van 29 augustus 2025 aanleiding gezien om een nader rapport en advies uit te brengen. De raad heeft nadere gesprekken met de ouders gevoerd en de school en BSO als informanten betrokken. In het nadere rapport van 18 november 2025 heeft de raad zijn eerdere advies gehandhaafd.
De raad heeft, vanwege de veranderde situatie aan de zijde van moeder [de moeder 2] , opnieuw de verschillende factoren tegen elkaar afgewogen. Hoewel er veel is veranderd in de situatie van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] , groeit [minderjarige] nog steeds in dezelfde omgeving op ( [woonplaats moeder 2] ) en gaat hij nog steeds nar dezelfde school en BSO. Daarnaast pakt moeder [de moeder 2] adviezen op, zoals het inzetten van (fysio)therapie. Ondanks de relatiebreuk van moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] heeft [minderjarige] nog steeds regelmatig contact met [halfbroertje] en [ex-partner van moeder 2] . Wel is de raad van mening dat moeder [de moeder 2] haar relatiebreuk eerder openbaar had kunnen maken en had moeten vertellen aan moeder [de moeder 1] , gezien de lopende procedure.
Aan de zijde van moeder [de moeder 1] is de verbouwing bijna klaar. De raad verwacht dat er daardoor meer rust komt. De problemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner zijn nog steeds aan de orde. Er zal een beschermingsonderzoek door de raad worden gestart. [partner van moeder 1] geeft aan dat de zorgen met name gericht zijn op haar ex-partner.
Moeder [de moeder 1] heeft haar zorgen geuit over moeder [de moeder 2] als opvoeder. De informanten hebben echter geen zorgen over de emotionele veiligheid van [minderjarige] in beide opvoedsituaties. Aangezien veel aangehaalde incidenten zich binnen de gezinssituatie dan wel tussen ouders onderling hebben afgespeeld, blijft het voor de raad moeilijk om een feitelijk en/of eenduidig beeld te krijgen van wie welk aandeel precies heeft. School en BSO zien een goed verzorgde [minderjarige] en een betrokken ouder. School ziet dezelfde [minderjarige] als vorig jaar, inclusief de zaken die goed gaan en de zaken die nog aandacht nodig hebben.
[minderjarige] woont inmiddels anderhalf jaar bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] . Met het handhaven van het advies kan [minderjarige] in een vertrouwde omgeving blijven wonen en naar dezelfde school blijven gaan. [minderjarige] heeft al zoveel veranderingen en onzekerheid in zijn jonge leven meegemaakt, dat het juist van belang is dat hetgeen voor hem bekend is, zoals school, BSO en het wonen in de omgeving van [woonplaats moeder 2] , nu niet verandert. Dit was anders geweest als de raad vast had kunnen stellen dat de opvoedsituatie bij moeder [de moeder 2] onvoldoende is. Die conclusie kan de raad nu niet trekken. Net zoals de raad in het vorige raadsonderzoek heeft opgemerkt, blijven moeder [de moeder 2] en moeder [de moeder 1] over en weer zorgen uiten. Daarbij blijft de indruk bij de raad dat er vanuit moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] is, dan andersom.
7.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft moeder [de moeder 1] aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd.
Moeder [de moeder 1] is van mening dat nog altijd de biologische afstammingsrelatie tussen haar en [minderjarige] en tussen [minderjarige] en zijn broertje [broertje] onderbelicht blijven. De raad heeft de andere kinderen ( [broertje] , [halfbroertje] , en [dochter van de partner van moeder 1] ) niet bij het onderzoek betrokken, maar vervolgens wel de situatie rondom [dochter van de partner van moeder 1] in negatieve zin bij het advies naar het hof betrokken.
De situatie bij moeder [de moeder 2] is niet stabiel gebleken en bovendien is er nu geen sprake meer van dat [minderjarige] bij zijn juridische halfbroertje opgroeit omdat moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] uit elkaar zijn. Moeder [de moeder 1] wil [minderjarige] niet blootstellen aan de wisselende relaties die moeder [de moeder 2] al jaren heeft. Moeder [de moeder 2] had het (naderende) einde van relatie met [ex-partner van moeder 2] eerder aan de raad kenbaar moeten maken. Dat had [ex-partner van moeder 2] als professional ook moeten weten.
Moeder [de moeder 1] betwist dat [partner van moeder 1] [minderjarige] al jaren pijn doet en met een schoen op [minderjarige] heeft gestaan. Dit was een stoeipartij waarbij [minderjarige] werd gekieteld met de tenen.
Moeder [de moeder 1] betwist dat zij [minderjarige] een skelter heeft beloofd als hij zegt dat hij haar wil wonen.
De verbouwing bij moeder [de moeder 1] is voorbij, zodat dit geen stressfactor meer oplevert. Alleen de badkamer is nog niet klaar maar zij kunnen er wonen en douchen. Het leven en de relatie van moeder [de moeder 1] zijn stabiel.
Nu de opvoedsituatie bij de moeders als gelijkwaardig worden beschouwd, had de biologisch band met moeder [de moeder 1] en [broertje] alsmede het feit dat [minderjarige] jaren in gezinsverband met hen heeft geleefd, de doorslag moeten geven.
Moeder [de moeder 1] is bereid te werken aan de onderlinge communicatie met moeder [de moeder 2] . Als het tussen hen beter gaat, staat moeder [de moeder 1] ervoor open om, zoals moeder [de moeder 2] voorstelde, een keer een leuke activiteit met zijn drieën te ondernemen.
7.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft moeder [de moeder 2] aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd.
De raad heeft terecht opgemerkt dat, hoewel de relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] geëindigd is, dit beperkt gevolgen heeft gehad voor [minderjarige] aangezien de onderlinge relaties tussen, [minderjarige] , [de moeder 2] , [ex-partner van moeder 2] en [halfbroertje] goed zijn en er nog veel en fijn contact is.
Een wijziging zou nu verderstrekkende gevolgen voor [minderjarige] hebben dan destijds het geval was, aangezien hij nu een leven heeft in [woonplaats moeder 2] en onder meer van school en BSO zou moeten wisselen. Moeder [de moeder 2] heeft de raad niet tijdens het raadsonderzoek verteld over het einde van de relatie omdat zij en [ex-partner van moeder 2] nog lange tijd hebben geprobeerd er samen uit te komen.
Het klopt dat [minderjarige] maar één biologische moeder heeft, maar dat is inherent aan de situatie waarin er twee moeders zijn. Dat betekent echter niet dat een biologische moeder beter voor een kind kan zorgen dan een juridische moeder.
Moeder [de moeder 2] erkent [minderjarige] te hebben gebeten maar voert aan dat zij niet hard heeft gebeten. Op de vraag van moeder [de moeder 2] aan [minderjarige] of hij het leuk zou vinden als hij zou worden gebeten, antwoordde hij namelijk met ja. Moeder [de moeder 2] wilde hem laten ervaren dat dit niet leuk is.
Bovendien zijn er nog altijd stress-factoren in de situatie bij moeder [de moeder 1] , zoals de verbouwing die nog steeds niet af is en de problemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner.
In het weekend vóór de mondelinge behandeling heeft [minderjarige] moeder [de moeder 2] verteld over een incident tussen hem en [partner van moeder 1] waar hij erg door van slag was. [partner van moeder 1] zou met een voet bovenop hem hebben gestaan. Ook vertelt [minderjarige] regelmatig dat hij in zijn nek geknepen wordt om hem te straffen. Moeder [de moeder 2] heeft geprobeerd hierover te praten met moeder [de moeder 1] maar daar stond zij niet voor open. [minderjarige] heeft het gevoel niet gehoord en gezien te worden.
In verband met nachtdiensten heeft moeder [de moeder 2] slechts een keer per week ’s nachts oppas nodig. Dit wordt gedaan door de beste vriendin van [de moeder 2] of de moeder van [de moeder 2] .
Moeder [de moeder 2] betwist overigens dat zij wisselende relaties heeft en dat zij op dit moment een relatie heeft. Zij heeft goed contact met een collega met wie zij leuke dingen doet zoals uit eten of wandelen. Deze collega is echter getrouwd.
Moeder [de moeder 1] zegt nu voor het eerst bereid te zijn om aan de onderlinge communicatie te werken. Het zou voor [minderjarige] fijn zijn als er voor beide moeders een plek is in zijn leven.
De zorgen die moeder [de moeder 1] heeft over (de situatie bij) moeder [de moeder 2] , worden niet gedeeld door de betrokken professionals.
7.8.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, in aanvulling op de raadsrapporten, het volgende aangevoerd.
Er is nu drie keer onderzoek gedaan, waarbij ook naar de recente veranderingen in de beide situaties is gekeken. De raad ziet twee moeders die de zorg aankunnen. Zij houden allebei veel van [minderjarige] en zij zijn in staat hem op te voeden. Voor [minderjarige] hebben zij een heel ongelukkige situatie gecreëerd door zo ver uit elkaar te gaan wonen.
De raad kan zich de kritiek vanuit het perspectief van moeder [de moeder 1] voorstellen. Andersom zou die kritiek er echter ook zijn geweest. Moeder [de moeder 1] kan er niets aan doen dat de rechtbank destijds het besluit heeft genomen om het hoofdverblijf bij moeder [de moeder 2] te bepalen, maar [minderjarige] woont daar nu en hij gaat daar naar school. Ondanks de recente relatiebreuk van moeder [de moeder 2] is zijn sociale omgeving in stand gebleven. Hoewel [minderjarige] er last van zal hebben dat de relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] is verbroken, heeft moeder [de moeder 2] de stabiliteit kunnen waarborgen. Zij heeft in [woonplaats moeder 2] een nieuw huis gevonden. Dit weegt zwaar mee voor raad.
De raad heeft onderzoek gedaan naar beide gezinssituaties. Het biologisch ouderschap heeft de raad niet laten prevaleren. Hoewel [minderjarige] nu niet meer met zijn juridische halfbroertje opgroeit en bij moeder [de moeder 1] wel met zijn biologische broertje zou opgroeien, heeft de raad andere factoren de doorslag laten geven. Naast de stabiliteit die moeder [de moeder 2] biedt, ziet de raad bij haar meer ruimte voor het zoeken van ondersteuning in de communicatie en het aangaan van de samenwerking. De raad heeft zich ook wat minder op de netwerken gericht, omdat dit externe factoren zijn en het de ouders zijn die voor stabiliteit moeten zorgen. Dat heeft moeder [de moeder 2] gedaan, ondanks het verbreken van de relatie. Als de relatie een jaar later zou zijn verbroken had de raad dat niet kunnen meenemen. De relatie tussen moeder [de moeder 1] en [partner van moeder 1] kan bovendien ook over gaan.
De moeders kunnen de problemen oplossen door dichter bij elkaar te gaan wonen. De afstand wordt alleen maar lastiger als [minderjarige] ouder wordt.
7.9.
Het hof oordeelt als volgt.
In aanvulling op de tussenbeschikking van het hof van 23 januari 2025 staat tussen partijen verder het volgende vast.
[minderjarige] heeft feitelijk sinds mei 2024 zijn hoofdverblijf bij [de moeder 2] .
[ex-partner van moeder 2] is op [geboortedatum] 2025 bevallen van [halfbroertje] .
De zorgregeling zoals het hof die in de beschikking van 23 januari 2025 heeft bepaald, wordt door partijen nageleefd.
De relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] is geëindigd in de zomer van 2025.
[halfbroertje] verblijft bij [ex-partner van moeder 2] . [de moeder 2] en [halfbroertje] zien elkaar geregeld maar er is geen vaste zorgregeling bepaald.
Moeder [de moeder 2] is per 1 november 2025 verhuisd naar een appartement in het centrum van [woonplaats moeder 2] .
7.9.1.
Het hof stelt voorop dat [minderjarige] is geboren uit de gezamenlijke kinderwens van moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] . Moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] beiden de juridische ouder van [minderjarige] en dragen zij het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] . Moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] zijn in die zin gelijkwaardig aan elkaar, zoals in iedere (juridische) ouderrelatie tussen personen (van gelijk of verschillend geslacht) ongeacht of beiden of slechts één van hen biologisch ouder is/zijn van hun gezamenlijke kind(eren). Het hof beschouwt de relatie tussen [minderjarige] en moeder [de moeder 2] als een volwaardige sociale en juridische ouderkind-relatie.
7.9.2.
Het hof stelt verder, evenals de raad, vast dat zowel aan het in stand houden van de huidige situatie, waarbij [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] blijft wonen, als aan het wijzigen van de situatie, waarbij [minderjarige] bij moeder [de moeder 1] in [woonplaats moeder 1] gaat wonen, voor [minderjarige] zowel voor- als nadelen kleven.
Het hof volgt de raad in diens opvatting dat moeder [de moeder 2] meer ruimte aan moeder [de moeder 1] lijkt te geven in het leven van [minderjarige] dan andersom en onderschrijft het belang voor [minderjarige] dat hij met beide moeders onbelast contact mag hebben. Daarin zit een zorg als [minderjarige] in [woonplaats moeder 1] bij moeder [de moeder 1] zou gaan wonen. Bovendien zou een verhuizing naar [woonplaats moeder 1] wederom grote veranderingen in het leven van [minderjarige] betekenen, terwijl hij al veel heeft meegemaakt en op dit moment vooral gebaat is bij rust en duidelijkheid.
In de situatie bij moeder [de moeder 2] is echter recent het nodige veranderd door het verbreken van de relatie met [ex-partner van moeder 2] , die een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige] is. [minderjarige] leeft niet meer in gezinsverband met [ex-partner van moeder 2] en zijn juridische halfbroertje [halfbroertje] . Moeder [de moeder 2] is ook verhuisd. Verder is de opvang van [minderjarige] tijdens de nachtdiensten van moeder [de moeder 2] door anderen in het netwerk van de moeder overgenomen. Het hof heeft dan ook, anders dan de raad, zorgen over de stabiliteit van de situatie bij moeder [de moeder 2] en het feit dat [minderjarige] weer aan een nieuwe situatie moet wennen.
Daar staat tegenover dat hij in de situatie bij moeder [de moeder 1] bij zijn biologische moeder en biologische broertje zou opgroeien. Hoewel het hof, zoals hiervoor is overwogen, de moeders gelijkwaardig aan elkaar acht en [minderjarige] er belang bij heeft dat de band met beide ouders wordt bevorderd, is voor het hof niet duidelijk geworden of er al dan niet voor [minderjarige] een zekere meerwaarde zit in het opgroeien bij zijn biologische moeder en biologische broertje, bezien vanuit zijn ontwikkelperspectief. De raad is daar beperkt op ingegaan in de beantwoording van de onderzoeksvragen. Daarbij komt dat de verbouwing bij moeder [de moeder 1] (bijna) is afgerond, waardoor er in dat opzicht meer rust is ontstaan bij moeder [de moeder 1] thuis. Bovendien hebben moeder [de moeder 1] en [partner van moeder 1] een langdurige relatie en is er ook in dat opzicht sprake van stabiliteit.
7.9.3.
Daarnaast heeft het hof gezien dat beide ouders zich schuldig maken of hebben gemaakt aan het ‘uithoren’ van [minderjarige] en/of het opnemen van zijn uitlatingen, zodat zij dat kunnen gebruiken als bewijs van hun stellingen en zorgen of om dat later met derden te bespreken. Het hof acht dit schadelijk voor [minderjarige] , die loyaal is aan beide ouders, en heeft er zorgen over of [minderjarige] zich vrij voelt om richting zijn ouders zijn mening te uiten. Bovendien is het onder deze omstandigheden moeilijk om de uitlatingen van [minderjarige] te kunnen duiden, bijvoorbeeld hetgeen hij verteld over het bijtincident tussen moeder [de moeder 2] en [minderjarige] , het fysieke incident tussen hem en [partner van moeder 1] en over de ruzies tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] vóór de relatiebreuk. Moeder [de moeder 1] zegt dat [minderjarige] regelmatig verklaart bij haar te willen wonen. Moeder [de moeder 2] zegt dat [minderjarige] zich niet gehoord en gezien voelt.
Het hof maakt zich met de raad zorgen over het feit dat de situatie tussen partijen zich verhard en zij op dit moment slechts met name contact hebben met elkaar via WhatsApp.
Het hof acht het voor [minderjarige] van groot belang dat een neutrale derde namens hem zijn mening en belangen naar voren brengt in deze procedure.
7.9.4.
In al het voorgaande ziet het hof aanleiding om op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot de benoeming van een bijzondere curator over te gaan.
Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechter, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
7.9.5.
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op zijn hoofdverblijf.
Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator zijn belangen behartigt en kan bezien in hoeverre het in stand laten van de huidige situatie dan wel wijzigen van zijn hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige] moet worden geacht, waarbij voor zover mogelijk oog moet zijn voor de beleving/mening van [minderjarige] .
7.9.6.
Gezien de afstand tussen de woonplaatsen van beide moeders, de complexiteit van de zaak, het feit dat direct en indirect door de door het hof te nemen beslissing de belangen van vier minderjarige (stief)kinderen worden geraakt, en de noodzaak om de zaak vanuit verschillende disciplines te benaderen (pedagogisch en juridisch), is het hof voornemens twee bijzondere curatoren te benoemen (duo-benoeming): één bijzondere curator in (de omgeving van) de woonplaats van moeder [de moeder 2] en één bijzondere curator in (de omgeving van) de woonplaats van moeder [de moeder 1] .
7.9.7.
Het hof wil aan de bijzondere curatoren de volgende vragen voorleggen:
Wat betekent het voor [minderjarige] en zijn ontwikkeling als de huidige situatie in stand blijft waarbij hij niet opgroeit bij zijn biologische moeder en (biologische) broertje [broertje] in [woonplaats moeder 1] maar bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] ?
Welke rol speelt zijn juridische halfbroertje [halfbroertje] hierbij?
Wat zijn de ontwikkelperspectieven van [minderjarige] in hetzij [woonplaats moeder 2] dan wel [woonplaats moeder 1] , die in het belang van [minderjarige] zijn met het oog op zijn toekomst?
Bestaat er zicht op hoe de feitelijke verzorgingssituatie van [minderjarige] eruit zal zien, hetzij in [woonplaats moeder 2] dan wel in [woonplaats moeder 1] ? Wie zal er feitelijk zorgdragen voor [minderjarige] ? Zijn dat partijen dan wel derden en zijn er zorgen over wat dat betekent voor [minderjarige] ?
Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] ?
Welke rol speelt het feit dat moeder [de moeder 2] meer ruimte aan moeder [de moeder 1] lijkt te geven in het leven van [minderjarige] dan andersom?
Welke andere zaken zijn de bijzondere curator opgevallen en zijn volgens de bijzondere curator van belang om aan het hof te laten weten?
7.9.8.
Y. Sterenborg-Meekes, h.o.d.n. Meekes Mediation, kantoorhoudende te Hengelo en mr. E.J.A. Roeleven, h.o.d.n. Roeleven Familierecht en Mediation, kantoorhoudende te Heerlen, zijn bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curatoren in een duo-benoeming op te treden.
7.9.9.
Partijen zullen hierbij nog in de gelegenheid worden gesteld op dit voornemen te reageren. Vervolgens zal het hof partijen informeren over het verdere verloop van de procedure.
8De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
verzoekt de advocaten van partijen en de raad om uiterlijk op 19 februari 2026 te reageren op het voornemen van het hof om in de onderhavige procedure twee bijzondere curatoren te benoemen, zoals in deze beschikking is overwogen;
houdt iedere verder beslissing aan tot pro forma 26 februari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 29 januari 2026
Zaaknummer: 200.345.105/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/316920 / FA RK 23-1424
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 1] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[de moeder 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: moeder [de moeder 2] ,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis.
Deze procedure gaat over:
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
5De beschikking d.d. 23 januari 2025
Bij die beschikking heeft het hof:
het verzoek van moeder [de moeder 1] afgewezen dat de Raad voor de Rechtsbijstand (Raad voor de Kinderbescherming) gedurende 2 jaar toezicht dient te houden op [minderjarige] ;
de bestreden beschikking van 30 mei 2024 vernietigd voor zover het zorgregeling betreft en het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 17 juni 2021 gewijzigd en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouder bij wie [minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020) niet zijn hoofdverblijfplaats heeft als volgt bepaald:
- eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, met het wisselpunt in [plaats] ;
- schoolvakanties langer dan één week worden evenredig/gelijkwaardig in onderling overleg verdeeld tussen partijen met uitzondering van de Kerstvakantie;
- Kerstmis in de even jaren: [minderjarige] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 1] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 2] ;
- Kerstmis in de oneven jaren: [minderjarige] verblijft in de eerste week (inclusief beide Kerstdagen) bij moeder [de moeder 2] en de tweede week (inclusief Oud & Nieuw) bij moeder [de moeder 1] ;
- Zomervakanties: in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste helft (drie weken) bij moeder [de moeder 1] en de tweede helft (drie weken) bij moeder [de moeder 2] , in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste helft bij moeder [de moeder 2] (drie weken) en de tweede helft bij moeder [de moeder 1] (drie weken),;
- iedere woensdag om 18.00 een facetime moment en een keer per veertien dagen op vrijdag om 18.00 uur;
- tijdens bijzondere dagen en overige feestdagen, door partijen in onderling overleg te verdelen;
voorlopig bepaald dat de schoolvakanties van één week of korter in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld;
de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.5.5. is overwogen;
de raad verzocht tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming inschrijving school en het onderdeel van de zorgregeling voor wat betreft de korte schoolvakanties van één week aangehouden tot PRO FORMA 23 mei 2025.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van
- het raadsrapport van 20 mei 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van moeder [de moeder 2] van 3 juni 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van moeder [de moeder 1] van 4 juni 2025;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder [de moeder 1] van 29 augustus 2025;
- het aanvullende raadsrapport van 18 november 2025.
6.2.
Verder is op 14 oktober 2025 een brief binnengekomen van [ex-partner van moeder 2] (hierna: [ex-partner van moeder 2] ), de inmiddels ex-partner van moeder [de moeder 2] .
Op 16 oktober 2025 heeft het hof partijen als volgt bericht:
“Het hof heeft in de hiervoor genoemde zaak op 14 oktober jl. per post een brief ontvangen van [ex-partner van moeder 2] , gericht aan [minderjarige] .
Het hof zal van deze brief geen kennisnemen en de brief vernietigen, aangezien beide partijen een advocaat hebben en nadere stukken door tussenkomst van hun advocaat dienen te worden overgelegd. Bovendien is mw. [ex-partner van moeder 2] geen partij of belanghebbende in deze procedure.”
6.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- moeder [de moeder 1] , bijgestaan door mr. Hendriks;
-moeder [de moeder 2] , bijgestaan door mr. Ten Brummelhuis;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
7De verdere beoordeling
7.1.
De raad heeft in zijn rapport van 20 mei 2025 het hof geadviseerd het de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast te stellen bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] . Daarmee samenhangend adviseert de raad eveneens om hem in (de buurt van) [woonplaats moeder 2] naar school te laten gaan.
7.2.
De raad heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Voor de raad is het op basis van de beschikbare informatie een bijna onmogelijke opgave om een advies te geven over de meest wenselijke hoofdverblijfplaats voor [minderjarige] , wetende dat [minderjarige] van beide ouders houdt en beide ouders zo graag [minderjarige] bij zich willen hebben. Het is echter in deze situatie onoverkomelijk dat er een advies moet worden gegeven, waarbij één van de ouders niet de hoofdopvoeder van [minderjarige] kan zijn.
De raad heeft de volgende afwegingen gemaakt. Wonen in [woonplaats moeder 2] zal betekenen dat [minderjarige] zal opgroeien op de plek waar hij inmiddels al (bijna) een jaar naar school gaat en zich de omgeving al eigen heeft gemaakt. Hij weet nu waar hij aan toe is. Ook zal dit betekenen dat hij dus kan blijven waar hij momenteel al verblijft. In algemene zin zijn kinderen gebaat bij stabiliteit en continuïteit. Voor kinderen is het niet wenselijk dat er drastische veranderingen in hun leefomgeving plaatsvinden. De indruk van de raad is dat de gezinssituatie in [woonplaats moeder 2] op dit moment stabiel en overzichtelijk is en dat [minderjarige] hier veilig opgroeit. De zorg- en contactregeling in de huidige situatie verloopt (praktisch gezien) naar behoren. Het wonen van [minderjarige] in [woonplaats moeder 2] betekent anderzijds dat hij zijn broertje [broertje] en moeder [de moeder 1] meer moeten missen.
Wonen in [woonplaats moeder 1] zal betekenen dat [minderjarige] moeder [de moeder 2] en zijn halfbroertje [halfbroertje] moet gaan missen. Ook zal [minderjarige] in een andere omgeving terechtkomen, een nieuwe woning betrekken (de huidige woning van moeder [de moeder 1] is een tijdelijke woning) en naar een nieuwe school gaan. Hij zal afscheid moeten nemen van zijn vriendjes, voetbal, school en de BSO in [woonplaats moeder 2] , maar ook wel weer nieuwe vriendjes kunnen maken in [woonplaats moeder 1] . In de gezinssituatie van moeder [de moeder 1] en haar partner [partner van moeder 1] (hierna: [partner van moeder 1] ) spelen er enkele factoren die onrustiger dan wel stressvoller zijn dan bij moeder [de moeder 2] , zoals de verbouwing en de scheidingsproblemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner en daarmee samenhangend de problemen in de omgangsregeling van [partner van moeder 1] met haar dochter [dochter van de partner van moeder 1] .
Wat betreft de invloeden van beide (familie)netwerken, kan de raad hierover geen eenduidig antwoord geven. Beide ouders voelen zich ieder gesteund door hun netwerk. In ieder geval hebben zich het afgelopen jaar geen incidenten met het (familie)netwerk voorgedaan, voor zover de raad weet. De eerdere incidenten zijn tijdens de procedure reeds aan bod gekomen. Aangezien het familienetwerk geen neutrale positie in deze situatie heeft, heeft de raad het netwerk van ouders niet benaderd.
Ten slotte komt uit het raadsonderzoek de indruk naar voren dat er vanuit moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] is, dan andersom. Dit is gebaseerd op uitspraken van moeder [de moeder 1] , foto’s, video’s en screenshots van whatsapp berichten die moeder [de moeder 1] heeft gedeeld met de raad. Daarbij staat moeder [de moeder 2] er open voor hulpverlening om de onderlinge communicatie te verbeteren en ziet moeder [de moeder 1] daar inmiddels geen meerwaarde meer in. De bereidheid om te werken aan de onderlinge verstandhouding, lijkt bij moeder [de moeder 2] daarmee op dit moment groter.
Waar de raad in het vorige raadsonderzoek ten tijde van de procedure in eerste aanleg als doorslaggevend argument heeft aangedragen dat [minderjarige] in het gezin bij moeder [de moeder 1] opgroeit met zijn broertje, is dit nu niet meer een doorslaggevend argument, omdat [minderjarige] nu ook bij moeder [de moeder 2] een (half)broertje heeft.
Voor zover de raad kan oordelen over het onderzoek dat door locatie [locatie] is uitgevoerd, is het biologisch ouderschap van moeder [de moeder 1] en biologische broertje [broertje] voor [minderjarige] betekenisvol, maar is dit niet een doorslaggevende factor geweest in het advies. In dit geval moet worden uitgegaan van de juridische positie van beide moeders, en deze is gelijk, aangezien beiden het gezag over [minderjarige] dragen.
De raad concludeert dat het hof voor een moeilijke beslissing staat en bovenal dat [minderjarige] in een verdrietige situatie zit. Beide moeders zijn immers belangrijk voor [minderjarige] . Over beide ouders zijn tijdens het vorige en huidige raadsonderzoek geen concrete zorgen over de opvoedvaardigheden naar voren gekomen. De grootste zorg die de raad heeft, is dat partijen geen vertrouwen in elkaar hebben en dat de strijd om het hoofdverblijf van [minderjarige] verhardt. Er worden screenshots en/of foto’s gemaakt, fragmenten gefilmd of opgenomen en gebruikt tegen elkaar.
Alles afwegende, zijn er volgens de raad op dit moment meer positieve factoren voor het wonen bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] dan bij moeder [de moeder 1] in [woonplaats moeder 1] . Dit maakt dat de raad zal adviseren om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] vast te stellen. Daarmee samen hangt vervolgens eveneens het advies om [minderjarige] in [woonplaats moeder 2] (zijn huidige school) naar school te blijven laten gaan.
7.2.
In het voornoemde V6-formulier van 3 juni 2025 is namens moeder [de moeder 2] aangegeven dat zij kan instemmen met het door de raad gegeven advies.
7.3.
In de bij voornoemd V6-formulier van 4 juni 2025 overgelegde brief is namens moeder [de moeder 1] aangegeven dat zij niet kan instemmen met het door de raad gegeven advies.
Zij voert daartoe, samengevat en voor zover niet reeds in eerdere processtukken naar voren is gebracht, het volgende aan.
Moeder [de moeder 2] is degene die [minderjarige] in een moeilijke situatie heeft gebracht. Zij is namelijk degene die is verhuisd naar [regio] en daardoor de belangen van [minderjarige] heeft geschaad.
Dat het, zoals de raad heeft opgemerkt, voor kinderen niet wenselijk is om drastische veranderingen mee te maken, heeft er in eerste aanleg niet aan in de weg gestaan om het hoofverblijf van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] te bepalen. Bovendien verklaarde de raad tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat het voor een kind geen probleem zou hoeven zijn om op termijn weer van hoofdverblijf en school te wisselen.
Moeder [de moeder 1] betwist dat de situatie bij moeder [de moeder 2] stabiel en veilig is. Er zijn veel ruzies tussen moeder [de moeder 2] en haar partner [ex-partner van moeder 2] . [ex-partner van moeder 2] is pedagoog en werkzaam in de jeugdzorg. Moeder [de moeder 1] heeft vragen over belangenverstrengeling en de professionele integriteit van [ex-partner van moeder 2] . Moeder [de moeder 1] maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] , alsmede het pedagogische handelen van moeder [de moeder 2] . In dit kader wijst moeder [de moeder 1] op het incident waarbij moeder [de moeder 2] [minderjarige] heeft gebeten, als reactie op het feit dat [minderjarige] een ander kindje had gebeten. Anders dan moeder [de moeder 2] tijdens het raadsonderzoek heeft verklaard, ziet moeder [de moeder 1] helemaal niet dat het goed met [minderjarige] gaat (op school). Moeder [de moeder 1] ziet kenmerken van ADHD en/of autisme.
Ten onrechte wordt het belang van het opgroeien bij een biologische ouder niet benoemd en onderschreven. [minderjarige] heeft slechts één biologische ouder. Het opgroeien bij een biologische ouder geeft een gevoel van herkenning en identiteit, emotionele zekerheid en veiligheid. Alleen een biologische ouder, in dit geval moeder [de moeder 1] , wordt in staat geacht om haar ouderlijke rol optimaal uit te oefenen. Ook het feit dat [minderjarige] bij moeder [de moeder 1] een biologisch vol broertje heeft ( [broertje] ) is op geen enkele manier gelijk te stellen met een louter juridisch halfbroertje ( [halfbroertje] ) waar hij totaal geen biologische band mee heeft.
Ten onrechte wordt in het onderzoek betrokken dat moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] heeft, nu in redelijkheid niet van moeder [de moeder 1] verwacht kan worden dat zij er zomaar overheen stapt dat moeder [de moeder 2] [minderjarige] van haar probeert af te pakken.
De signalen die [minderjarige] laat ziet rondom de overdracht maken duidelijk dat hij niet naar moeder [de moeder 2] wil. Hij geeft structureel aan bij moeder [de moeder 1] te willen wonen. Die signalen zijn niet serieus genomen.
7.4.
In de bij voornoemd V6-formulier van 29 augustus 2025 overgelegde brief is namens moeder [de moeder 1] verzocht acht te slaan op de volgende gewijzigde omstandigheden.
De relatie tussen moeder [de moeder 2] en haar partner [ex-partner van moeder 2] is verbroken. [ex-partner van moeder 2] en [halfbroertje] zijn uit de woning vertrokken. [minderjarige] wordt regelmatig opgevangen door de moeder van moeder [de moeder 2] , die daar niet toe in staat kan worden geacht. De moeder van [de moeder 2] spreekt uitsluitend Servisch en heeft lichamelijke en psychische beperkingen.
Moeder [de moeder 2] zal moeten verhuizen naar een andere woonruimte. Misschien zal [minderjarige] ook van school moeten veranderen. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] is het van groot belang dat hij nu geplaatst wordt in een stabiele omgeving en niet wederom wordt blootgesteld aan verhuizingen, relatiebreuken en wisselingen in de opvoedsituatie.
Moeder [de moeder 1] biedt al vijf jaar een stabiele, liefdevolle en veilige thuissituatie, waar [minderjarige] in een vaste gezinssamenstelling opgroeit. Moeder [de moeder 1] kan direct voorzien in structuur, continuïteit en de noodzakelijke medische en schoolse begeleiding.
Namens moeder [de moeder 1] wordt verzocht om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling bij hof, de raad om nader advies te vragen en zich uit te laten of voormelde omstandigheden aanleiding zijn om de afgegeven rapportage en adviezen te herzien.
Het gedrag van [minderjarige] blijkt door de relatiebreuk negatief te zijn beïnvloed. Moeder [de moeder 1] moet [minderjarige] dagelijks en constant corrigeren; hij is extreem druk, heeft altijd een weerwoord, weet het altijd beter, is agressief in het spel, moet altijd het speelgoed hebben waar zijn broertje op dat moment mee speelt, liegt vaak, zoekt ruzie met zijn zus en broer en gebruikt schuttingtaal. Moeder [de moeder 2] laat weten dat [minderjarige] zich op school ook misdraagt.
7.5.
De raad heeft in voormelde brief van 29 augustus 2025 aanleiding gezien om een nader rapport en advies uit te brengen. De raad heeft nadere gesprekken met de ouders gevoerd en de school en BSO als informanten betrokken. In het nadere rapport van 18 november 2025 heeft de raad zijn eerdere advies gehandhaafd.
De raad heeft, vanwege de veranderde situatie aan de zijde van moeder [de moeder 2] , opnieuw de verschillende factoren tegen elkaar afgewogen. Hoewel er veel is veranderd in de situatie van [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] , groeit [minderjarige] nog steeds in dezelfde omgeving op ( [woonplaats moeder 2] ) en gaat hij nog steeds nar dezelfde school en BSO. Daarnaast pakt moeder [de moeder 2] adviezen op, zoals het inzetten van (fysio)therapie. Ondanks de relatiebreuk van moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] heeft [minderjarige] nog steeds regelmatig contact met [halfbroertje] en [ex-partner van moeder 2] . Wel is de raad van mening dat moeder [de moeder 2] haar relatiebreuk eerder openbaar had kunnen maken en had moeten vertellen aan moeder [de moeder 1] , gezien de lopende procedure.
Aan de zijde van moeder [de moeder 1] is de verbouwing bijna klaar. De raad verwacht dat er daardoor meer rust komt. De problemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner zijn nog steeds aan de orde. Er zal een beschermingsonderzoek door de raad worden gestart. [partner van moeder 1] geeft aan dat de zorgen met name gericht zijn op haar ex-partner.
Moeder [de moeder 1] heeft haar zorgen geuit over moeder [de moeder 2] als opvoeder. De informanten hebben echter geen zorgen over de emotionele veiligheid van [minderjarige] in beide opvoedsituaties. Aangezien veel aangehaalde incidenten zich binnen de gezinssituatie dan wel tussen ouders onderling hebben afgespeeld, blijft het voor de raad moeilijk om een feitelijk en/of eenduidig beeld te krijgen van wie welk aandeel precies heeft. School en BSO zien een goed verzorgde [minderjarige] en een betrokken ouder. School ziet dezelfde [minderjarige] als vorig jaar, inclusief de zaken die goed gaan en de zaken die nog aandacht nodig hebben.
[minderjarige] woont inmiddels anderhalf jaar bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] . Met het handhaven van het advies kan [minderjarige] in een vertrouwde omgeving blijven wonen en naar dezelfde school blijven gaan. [minderjarige] heeft al zoveel veranderingen en onzekerheid in zijn jonge leven meegemaakt, dat het juist van belang is dat hetgeen voor hem bekend is, zoals school, BSO en het wonen in de omgeving van [woonplaats moeder 2] , nu niet verandert. Dit was anders geweest als de raad vast had kunnen stellen dat de opvoedsituatie bij moeder [de moeder 2] onvoldoende is. Die conclusie kan de raad nu niet trekken. Net zoals de raad in het vorige raadsonderzoek heeft opgemerkt, blijven moeder [de moeder 2] en moeder [de moeder 1] over en weer zorgen uiten. Daarbij blijft de indruk bij de raad dat er vanuit moeder [de moeder 1] meer wantrouwen en negativiteit naar moeder [de moeder 2] is, dan andersom.
7.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft moeder [de moeder 1] aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd.
Moeder [de moeder 1] is van mening dat nog altijd de biologische afstammingsrelatie tussen haar en [minderjarige] en tussen [minderjarige] en zijn broertje [broertje] onderbelicht blijven. De raad heeft de andere kinderen ( [broertje] , [halfbroertje] , en [dochter van de partner van moeder 1] ) niet bij het onderzoek betrokken, maar vervolgens wel de situatie rondom [dochter van de partner van moeder 1] in negatieve zin bij het advies naar het hof betrokken.
De situatie bij moeder [de moeder 2] is niet stabiel gebleken en bovendien is er nu geen sprake meer van dat [minderjarige] bij zijn juridische halfbroertje opgroeit omdat moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] uit elkaar zijn. Moeder [de moeder 1] wil [minderjarige] niet blootstellen aan de wisselende relaties die moeder [de moeder 2] al jaren heeft. Moeder [de moeder 2] had het (naderende) einde van relatie met [ex-partner van moeder 2] eerder aan de raad kenbaar moeten maken. Dat had [ex-partner van moeder 2] als professional ook moeten weten.
Moeder [de moeder 1] betwist dat [partner van moeder 1] [minderjarige] al jaren pijn doet en met een schoen op [minderjarige] heeft gestaan. Dit was een stoeipartij waarbij [minderjarige] werd gekieteld met de tenen.
Moeder [de moeder 1] betwist dat zij [minderjarige] een skelter heeft beloofd als hij zegt dat hij haar wil wonen.
De verbouwing bij moeder [de moeder 1] is voorbij, zodat dit geen stressfactor meer oplevert. Alleen de badkamer is nog niet klaar maar zij kunnen er wonen en douchen. Het leven en de relatie van moeder [de moeder 1] zijn stabiel.
Nu de opvoedsituatie bij de moeders als gelijkwaardig worden beschouwd, had de biologisch band met moeder [de moeder 1] en [broertje] alsmede het feit dat [minderjarige] jaren in gezinsverband met hen heeft geleefd, de doorslag moeten geven.
Moeder [de moeder 1] is bereid te werken aan de onderlinge communicatie met moeder [de moeder 2] . Als het tussen hen beter gaat, staat moeder [de moeder 1] ervoor open om, zoals moeder [de moeder 2] voorstelde, een keer een leuke activiteit met zijn drieën te ondernemen.
7.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft moeder [de moeder 2] aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd.
De raad heeft terecht opgemerkt dat, hoewel de relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] geëindigd is, dit beperkt gevolgen heeft gehad voor [minderjarige] aangezien de onderlinge relaties tussen, [minderjarige] , [de moeder 2] , [ex-partner van moeder 2] en [halfbroertje] goed zijn en er nog veel en fijn contact is.
Een wijziging zou nu verderstrekkende gevolgen voor [minderjarige] hebben dan destijds het geval was, aangezien hij nu een leven heeft in [woonplaats moeder 2] en onder meer van school en BSO zou moeten wisselen. Moeder [de moeder 2] heeft de raad niet tijdens het raadsonderzoek verteld over het einde van de relatie omdat zij en [ex-partner van moeder 2] nog lange tijd hebben geprobeerd er samen uit te komen.
Het klopt dat [minderjarige] maar één biologische moeder heeft, maar dat is inherent aan de situatie waarin er twee moeders zijn. Dat betekent echter niet dat een biologische moeder beter voor een kind kan zorgen dan een juridische moeder.
Moeder [de moeder 2] erkent [minderjarige] te hebben gebeten maar voert aan dat zij niet hard heeft gebeten. Op de vraag van moeder [de moeder 2] aan [minderjarige] of hij het leuk zou vinden als hij zou worden gebeten, antwoordde hij namelijk met ja. Moeder [de moeder 2] wilde hem laten ervaren dat dit niet leuk is.
Bovendien zijn er nog altijd stress-factoren in de situatie bij moeder [de moeder 1] , zoals de verbouwing die nog steeds niet af is en de problemen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner.
In het weekend vóór de mondelinge behandeling heeft [minderjarige] moeder [de moeder 2] verteld over een incident tussen hem en [partner van moeder 1] waar hij erg door van slag was. [partner van moeder 1] zou met een voet bovenop hem hebben gestaan. Ook vertelt [minderjarige] regelmatig dat hij in zijn nek geknepen wordt om hem te straffen. Moeder [de moeder 2] heeft geprobeerd hierover te praten met moeder [de moeder 1] maar daar stond zij niet voor open. [minderjarige] heeft het gevoel niet gehoord en gezien te worden.
In verband met nachtdiensten heeft moeder [de moeder 2] slechts een keer per week ’s nachts oppas nodig. Dit wordt gedaan door de beste vriendin van [de moeder 2] of de moeder van [de moeder 2] .
Moeder [de moeder 2] betwist overigens dat zij wisselende relaties heeft en dat zij op dit moment een relatie heeft. Zij heeft goed contact met een collega met wie zij leuke dingen doet zoals uit eten of wandelen. Deze collega is echter getrouwd.
Moeder [de moeder 1] zegt nu voor het eerst bereid te zijn om aan de onderlinge communicatie te werken. Het zou voor [minderjarige] fijn zijn als er voor beide moeders een plek is in zijn leven.
De zorgen die moeder [de moeder 1] heeft over (de situatie bij) moeder [de moeder 2] , worden niet gedeeld door de betrokken professionals.
7.8.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, in aanvulling op de raadsrapporten, het volgende aangevoerd.
Er is nu drie keer onderzoek gedaan, waarbij ook naar de recente veranderingen in de beide situaties is gekeken. De raad ziet twee moeders die de zorg aankunnen. Zij houden allebei veel van [minderjarige] en zij zijn in staat hem op te voeden. Voor [minderjarige] hebben zij een heel ongelukkige situatie gecreëerd door zo ver uit elkaar te gaan wonen.
De raad kan zich de kritiek vanuit het perspectief van moeder [de moeder 1] voorstellen. Andersom zou die kritiek er echter ook zijn geweest. Moeder [de moeder 1] kan er niets aan doen dat de rechtbank destijds het besluit heeft genomen om het hoofdverblijf bij moeder [de moeder 2] te bepalen, maar [minderjarige] woont daar nu en hij gaat daar naar school. Ondanks de recente relatiebreuk van moeder [de moeder 2] is zijn sociale omgeving in stand gebleven. Hoewel [minderjarige] er last van zal hebben dat de relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] is verbroken, heeft moeder [de moeder 2] de stabiliteit kunnen waarborgen. Zij heeft in [woonplaats moeder 2] een nieuw huis gevonden. Dit weegt zwaar mee voor raad.
De raad heeft onderzoek gedaan naar beide gezinssituaties. Het biologisch ouderschap heeft de raad niet laten prevaleren. Hoewel [minderjarige] nu niet meer met zijn juridische halfbroertje opgroeit en bij moeder [de moeder 1] wel met zijn biologische broertje zou opgroeien, heeft de raad andere factoren de doorslag laten geven. Naast de stabiliteit die moeder [de moeder 2] biedt, ziet de raad bij haar meer ruimte voor het zoeken van ondersteuning in de communicatie en het aangaan van de samenwerking. De raad heeft zich ook wat minder op de netwerken gericht, omdat dit externe factoren zijn en het de ouders zijn die voor stabiliteit moeten zorgen. Dat heeft moeder [de moeder 2] gedaan, ondanks het verbreken van de relatie. Als de relatie een jaar later zou zijn verbroken had de raad dat niet kunnen meenemen. De relatie tussen moeder [de moeder 1] en [partner van moeder 1] kan bovendien ook over gaan.
De moeders kunnen de problemen oplossen door dichter bij elkaar te gaan wonen. De afstand wordt alleen maar lastiger als [minderjarige] ouder wordt.
7.9.
Het hof oordeelt als volgt.
In aanvulling op de tussenbeschikking van het hof van 23 januari 2025 staat tussen partijen verder het volgende vast.
[minderjarige] heeft feitelijk sinds mei 2024 zijn hoofdverblijf bij [de moeder 2] .
[ex-partner van moeder 2] is op [geboortedatum] 2025 bevallen van [halfbroertje] .
De zorgregeling zoals het hof die in de beschikking van 23 januari 2025 heeft bepaald, wordt door partijen nageleefd.
De relatie tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] is geëindigd in de zomer van 2025.
[halfbroertje] verblijft bij [ex-partner van moeder 2] . [de moeder 2] en [halfbroertje] zien elkaar geregeld maar er is geen vaste zorgregeling bepaald.
Moeder [de moeder 2] is per 1 november 2025 verhuisd naar een appartement in het centrum van [woonplaats moeder 2] .
7.9.1.
Het hof stelt voorop dat [minderjarige] is geboren uit de gezamenlijke kinderwens van moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] . Moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] beiden de juridische ouder van [minderjarige] en dragen zij het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] . Moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] zijn in die zin gelijkwaardig aan elkaar, zoals in iedere (juridische) ouderrelatie tussen personen (van gelijk of verschillend geslacht) ongeacht of beiden of slechts één van hen biologisch ouder is/zijn van hun gezamenlijke kind(eren). Het hof beschouwt de relatie tussen [minderjarige] en moeder [de moeder 2] als een volwaardige sociale en juridische ouderkind-relatie.
7.9.2.
Het hof stelt verder, evenals de raad, vast dat zowel aan het in stand houden van de huidige situatie, waarbij [minderjarige] bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] blijft wonen, als aan het wijzigen van de situatie, waarbij [minderjarige] bij moeder [de moeder 1] in [woonplaats moeder 1] gaat wonen, voor [minderjarige] zowel voor- als nadelen kleven.
Het hof volgt de raad in diens opvatting dat moeder [de moeder 2] meer ruimte aan moeder [de moeder 1] lijkt te geven in het leven van [minderjarige] dan andersom en onderschrijft het belang voor [minderjarige] dat hij met beide moeders onbelast contact mag hebben. Daarin zit een zorg als [minderjarige] in [woonplaats moeder 1] bij moeder [de moeder 1] zou gaan wonen. Bovendien zou een verhuizing naar [woonplaats moeder 1] wederom grote veranderingen in het leven van [minderjarige] betekenen, terwijl hij al veel heeft meegemaakt en op dit moment vooral gebaat is bij rust en duidelijkheid.
In de situatie bij moeder [de moeder 2] is echter recent het nodige veranderd door het verbreken van de relatie met [ex-partner van moeder 2] , die een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige] is. [minderjarige] leeft niet meer in gezinsverband met [ex-partner van moeder 2] en zijn juridische halfbroertje [halfbroertje] . Moeder [de moeder 2] is ook verhuisd. Verder is de opvang van [minderjarige] tijdens de nachtdiensten van moeder [de moeder 2] door anderen in het netwerk van de moeder overgenomen. Het hof heeft dan ook, anders dan de raad, zorgen over de stabiliteit van de situatie bij moeder [de moeder 2] en het feit dat [minderjarige] weer aan een nieuwe situatie moet wennen.
Daar staat tegenover dat hij in de situatie bij moeder [de moeder 1] bij zijn biologische moeder en biologische broertje zou opgroeien. Hoewel het hof, zoals hiervoor is overwogen, de moeders gelijkwaardig aan elkaar acht en [minderjarige] er belang bij heeft dat de band met beide ouders wordt bevorderd, is voor het hof niet duidelijk geworden of er al dan niet voor [minderjarige] een zekere meerwaarde zit in het opgroeien bij zijn biologische moeder en biologische broertje, bezien vanuit zijn ontwikkelperspectief. De raad is daar beperkt op ingegaan in de beantwoording van de onderzoeksvragen. Daarbij komt dat de verbouwing bij moeder [de moeder 1] (bijna) is afgerond, waardoor er in dat opzicht meer rust is ontstaan bij moeder [de moeder 1] thuis. Bovendien hebben moeder [de moeder 1] en [partner van moeder 1] een langdurige relatie en is er ook in dat opzicht sprake van stabiliteit.
7.9.3.
Daarnaast heeft het hof gezien dat beide ouders zich schuldig maken of hebben gemaakt aan het ‘uithoren’ van [minderjarige] en/of het opnemen van zijn uitlatingen, zodat zij dat kunnen gebruiken als bewijs van hun stellingen en zorgen of om dat later met derden te bespreken. Het hof acht dit schadelijk voor [minderjarige] , die loyaal is aan beide ouders, en heeft er zorgen over of [minderjarige] zich vrij voelt om richting zijn ouders zijn mening te uiten. Bovendien is het onder deze omstandigheden moeilijk om de uitlatingen van [minderjarige] te kunnen duiden, bijvoorbeeld hetgeen hij verteld over het bijtincident tussen moeder [de moeder 2] en [minderjarige] , het fysieke incident tussen hem en [partner van moeder 1] en over de ruzies tussen moeder [de moeder 2] en [ex-partner van moeder 2] vóór de relatiebreuk. Moeder [de moeder 1] zegt dat [minderjarige] regelmatig verklaart bij haar te willen wonen. Moeder [de moeder 2] zegt dat [minderjarige] zich niet gehoord en gezien voelt.
Het hof maakt zich met de raad zorgen over het feit dat de situatie tussen partijen zich verhard en zij op dit moment slechts met name contact hebben met elkaar via WhatsApp.
Het hof acht het voor [minderjarige] van groot belang dat een neutrale derde namens hem zijn mening en belangen naar voren brengt in deze procedure.
7.9.4.
In al het voorgaande ziet het hof aanleiding om op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot de benoeming van een bijzondere curator over te gaan.
Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechter, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
7.9.5.
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op zijn hoofdverblijf.
Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator zijn belangen behartigt en kan bezien in hoeverre het in stand laten van de huidige situatie dan wel wijzigen van zijn hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige] moet worden geacht, waarbij voor zover mogelijk oog moet zijn voor de beleving/mening van [minderjarige] .
7.9.6.
Gezien de afstand tussen de woonplaatsen van beide moeders, de complexiteit van de zaak, het feit dat direct en indirect door de door het hof te nemen beslissing de belangen van vier minderjarige (stief)kinderen worden geraakt, en de noodzaak om de zaak vanuit verschillende disciplines te benaderen (pedagogisch en juridisch), is het hof voornemens twee bijzondere curatoren te benoemen (duo-benoeming): één bijzondere curator in (de omgeving van) de woonplaats van moeder [de moeder 2] en één bijzondere curator in (de omgeving van) de woonplaats van moeder [de moeder 1] .
7.9.7.
Het hof wil aan de bijzondere curatoren de volgende vragen voorleggen:
Wat betekent het voor [minderjarige] en zijn ontwikkeling als de huidige situatie in stand blijft waarbij hij niet opgroeit bij zijn biologische moeder en (biologische) broertje [broertje] in [woonplaats moeder 1] maar bij moeder [de moeder 2] in [woonplaats moeder 2] ?
Welke rol speelt zijn juridische halfbroertje [halfbroertje] hierbij?
Wat zijn de ontwikkelperspectieven van [minderjarige] in hetzij [woonplaats moeder 2] dan wel [woonplaats moeder 1] , die in het belang van [minderjarige] zijn met het oog op zijn toekomst?
Bestaat er zicht op hoe de feitelijke verzorgingssituatie van [minderjarige] eruit zal zien, hetzij in [woonplaats moeder 2] dan wel in [woonplaats moeder 1] ? Wie zal er feitelijk zorgdragen voor [minderjarige] ? Zijn dat partijen dan wel derden en zijn er zorgen over wat dat betekent voor [minderjarige] ?
Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] ?
Welke rol speelt het feit dat moeder [de moeder 2] meer ruimte aan moeder [de moeder 1] lijkt te geven in het leven van [minderjarige] dan andersom?
Welke andere zaken zijn de bijzondere curator opgevallen en zijn volgens de bijzondere curator van belang om aan het hof te laten weten?
7.9.8.
Y. Sterenborg-Meekes, h.o.d.n. Meekes Mediation, kantoorhoudende te Hengelo en mr. E.J.A. Roeleven, h.o.d.n. Roeleven Familierecht en Mediation, kantoorhoudende te Heerlen, zijn bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curatoren in een duo-benoeming op te treden.
7.9.9.
Partijen zullen hierbij nog in de gelegenheid worden gesteld op dit voornemen te reageren. Vervolgens zal het hof partijen informeren over het verdere verloop van de procedure.
8De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
verzoekt de advocaten van partijen en de raad om uiterlijk op 19 februari 2026 te reageren op het voornemen van het hof om in de onderhavige procedure twee bijzondere curatoren te benoemen, zoals in deze beschikking is overwogen;
houdt iedere verder beslissing aan tot pro forma 26 februari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.