Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:1878

2026-07-14 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.355.441_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.355.441_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opzegging lidmaatschap zweefvliegclub. Bestuur heeft in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, tegenover de betrokken leden in redelijkheid tot een opzegging kunnen komen. Artikel 2:35 lid 2 BW en ECLI:NL:HR:1983:AG4702, NJ 1984, 583.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.513 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.355.441/01




arrest van 14 juli 2026




in de zaak van





1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [appellant sub 1] ,
2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [appellant sub 2] ,
3. [appellant sub 3],wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellant sub 3] ,
appellanten,
gezamenlijk te noemen: [appellanten] ,
advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg,



tegen



de vereniging Koninklijke Luchtmacht Zweefvliegclub De Peel,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Vereniging,
in hoger beroep niet verschenen.




op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 maart 2025, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (hierna: het bestreden vonnis), gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en de Vereniging als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.






1Het geding in hoger beroep


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


het herstelexploot van 17 juni 2025;


het tegen de Vereniging verleende verstek;


de memorie van grieven.





1.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





2De vaststaande feiten


2.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


2.1.1.
De Vereniging heeft ten doel het beoefenen van de zweefvliegsport op vliegbasis De Peel door de leden van de krijgsmacht, met name de Koninklijke Luchtmacht.



2.1.2.
Naast de Vereniging maakt ook Zweefvliegclub Eindhovense Studenten (hierna: ZES) - een studentenvereniging uit Eindhoven – gebruik van vliegbasis De Peel. Deze vliegbasis wordt vanaf 2012 beheerd door de Koninklijke Landmacht (voorheen door de Koninklijke Luchtmacht).



2.1.3.
De Vereniging heeft altijd uitsluitend beschikt over zweefvliegtuigen. Voor hulpmaterieel, personeel, gekwalificeerde technici en faciliteiten is zij steeds afhankelijk van de veel grotere ZES.



2.1.4.

[appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn jarenlang lid (geweest) van de Vereniging. [appellant sub 2] is van 2004 tot 2018 voorzitter van de Vereniging geweest. [appellant sub 2] is majoor-vlieger buiten dienst, [appellant sub 1] is eveneens majoor buiten dienst én Senior Contract Auditor en [appellant sub 3] is werkzaam bij het ministerie van defensie als Systeem Manager Simulatie.



2.1.5.

[persoon A] (hierna: [persoon A] ) is sinds 13 april 2021 voorzitter van de Vereniging. Samen met [appellant sub 1] (penningmeester) en [persoon B] (hierna: [persoon B] ) (secretaris) vormde hij het bestuur van de Vereniging.



2.1.6.
De statuten van de Vereniging vermelden, voor zover van belang, het volgende:


“EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP

Artikel 6


1. Het lidmaatschap eindigt door:


a. de dood van het lid;


b. opzegging door het lid;


c. opzegging door de vereniging; deze kan geschieden wanneer een lid heeft


opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te


voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt,


alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het


lidmaatschap te laten voortduren;


d. ontzetting door de vereniging; deze kan alleen worden uitgesproken wanneer


een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging


handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.


2. Opzegging door de vereniging geschiedt door het bestuur.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of door de vereniging kan slechts


geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een


opzeggingstermijn van vier weken. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk


worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd


kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.


(…).”





2.1.7.
In de e-mail van 5 juni 2023 hebben [appellanten] aan drie hoofdofficieren van de Koninklijke Landmacht, te weten [luitenant-kolonel] , [majoor buiten dienst] en [kolonel] (de laatste twee in cc) het volgende medegedeeld:


“Onderwerp: Problemen binnen de KLuzcDP




Geachte [luitenant-kolonel] ,





Gezien de afwezigheid van de [majoor buiten dienst] richten wij ons tot U.





U bent wellicht op de hoogte van de recente problematiek binnen het bestuur van de


KLuzcDP, inclusief de uitsluiting van leden door de voorzitter, wat een ernstige


belemmering vormt voor hun operationele taken. De penningmeester en twee andere leden


hebben geprobeerd om deze situatie op een respectvolle manier te corrigeren.


Desalniettemin is deze poging noch geaccepteerd, noch omarmd door de voorzitter.





Als gevolg hiervan is er een buitengewone ledenvergadering bijeengeroepen, die afgelopen


vrijdag heeft plaatsgevonden op de Kazerne. (...)





Tijdens deze bijeenkomst hebben drie leden, inclusief de penningmeester, de vergadering


verlaten. Dit vanwege het respectloze en ongepaste gedrag van de voorzitter, die geen blijk


gaf van enige vorm van behoorlijk bestuur of respect voor zijn leden. De onverwachte


introductie van een nieuw lid, waarvan niemand op de hoogte was en die niet stond vermeld


op de ledenlijst of uitnodiging, roept vragen op en wijst op een poging om de stemmen in het


voordeel van de voorzitter te manipuleren.


Vandaag heeft een jurist, na bestudering van de documentatie, geadviseerd de kwestie


juridisch aan te kaarten, aangezien er mogelijk sprake kan zijn van fraude en zelfs strafbare


feiten.





Wij verzoeken dringend om uw bemiddeling om een juridisch conflict te voorkomen. Het zou een betreurenswaardige situatie zijn als er een juridisch geschil zou ontstaan binnen een Defensieclub met een thuisbasis op de LBK.


(...)”




2.1.8.
Bovenstaande e-mail hebben [appellanten] op 13 juni 2023 doorgestuurd aan [persoon A] en [persoon B] . Hierbij hebben zij hen medegedeeld dat zij ‘de huidige problemen die er zijn binnen de KluzcDP met [luitenant-kolonel] hebben besproken’.



2.1.9.

[luitenant-kolonel] heeft in de e-mail van 6 juni 2023 op de onder 2.1.7 genoemde e-mail als volgt gereageerd:


‘Ik ben maar beperkt op de hoogte van wat er speelt binnen de KLuzcDP. [majoor buiten dienst] heeft mij op hoofdlijnen geïnformeerd en de situatie die u in de mail schetst vind ik zeer vervelend. Uw verzoek om te bemiddelen kan ik helaas geen invulling aan geven. Het ontbreekt mij aan tijd en kennis om hier een rol in te spelen. Mogelijk kunt u een beroep doen op de overkoepelende zweefvlieg organisatie binnen het CLSK om te bemiddelen.




Ook ik maak mij zorgen op basis van de door u geschetste situatie. Als vertegenwoordiger van de Object Vergunning Houder (OVH) acht ik het van belang dat alle activiteiten die op de LBK plaatsvinden op een veilige wijze uitgevoerd kunnen worden. Mocht blijken dat de door u geschetste situatie er toe kan leiden dat veilig vliegen niet meer mogelijk is dan voel ik mij genoodzaakt om namens de OVH de zweefvliegactiviteiten te stoppen.





Ik hoop dat u er samen uit gaat komen en dat het programma wat uw verenging voor ogen heeft gewoon doorgang kan vinden.’




2.1.10.
Bij brieven van 5 augustus 2023 heeft de Vereniging het lidmaatschap van [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] opgezegd tegen 7 augustus 2023. Bij alle drie heeft de Vereniging aan de opzegging van het lidmaatschap ten grondslag gelegd, zakelijk samengevat, dat zij in een e-mail van 5 juni 2023 aan drie hoofdofficieren van de Koninklijke Landmacht op misleidende, onjuiste en voor de Vereniging schadelijke wijze hebben bericht over interne omstandigheden binnen de Vereniging. Daarnaast heeft de Vereniging aan de opzegging van het lidmaatschap van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2] en/of [appellant sub 3] sinds 4 juni 2023 de boordpapieren van één van de twee zweefvliegtuigen ten onrechte onder zich hebben/heeft gehouden, zodat sindsdien niet meer met dat vliegtuig gevlogen kon worden. Aan de opzegging van het lidmaatschap van [appellant sub 1] heeft de Vereniging mede ten grondslag gelegd dat [appellant sub 1] , ondanks zijn aftreden als penningmeester op de buitengewone ledenvergadering op 2 juni 2023, heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de overdracht van financiële bescheiden en bestuurshandelingen (betalingen) heeft verricht.






3De procedure bij de rechtbank


3.1.

[appellanten] hebben in eerste aanleg, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:


te verklaren voor recht dat de besluiten van 7 augustus 2023 tot ontzetting van het lidmaatschap van [appellanten] als leden van de Vereniging nietig zijn dan wel deze op grond van artikel 2:15 BW te vernietigen;


de Vereniging te verplichten [appellanten] met ingang van de datum van het vonnis als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat de Vereniging in strijd handelt met dit gebod;


de Vereniging te verplichten om binnen veertien dagen na datum van het te wijzen vonnis de volgende rectificatietekst per e-mailbericht te verzenden aan [xx] @kluzdepeel.nl, [xx] @zweefvliegen.nu, [xx] @zweefvliegen.nu, [xx] @zweefvliegen.nl, [xx] @ [xx] .nl, [xx] @onzeluchtmacht.nl, [xx] @ [xx] .nl, [xx] @ [xx] .nl, met een afschrift (middels een cc) daarvan aan de advocaat van eisers ( [xx] @ [xx] .nl):





Geachte lezer,





Eerder hadden wij u bericht in verband met de opzegging van het lidmaatschap van de heren [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en wel op 7 respectievelijk 9 augustus 2023. [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben deze opzegging met succes in rechte aangevochten. Uiteindelijk heeft de rechtbank daarover geoordeeld per vonnis van .... Onderdeel van het vonnis is dat wij u langs deze weg berichten dat de rechtbank, na een uitvoerige bespreking ter zitting en na afweging van alle argumenten over en weer, van oordeel is dat er onvoldoende is gebleken van omstandigheden die opzegging van het lidmaatschap van [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] rechtvaardigen. Een en ander betekent dat het lidmaatschap van deze leden ten onrechte is beëindigd en dat zij nog altijd volwaardig lid zijn van de Vereniging.





Wij voegen hieraan toe dat wij onze verontschuldigingen aanbieden voor door [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] als onnodig grievend ervaren onderdelen van onze eerdere onterechte en onjuiste berichtgeving en van ons aandeel in de gehele gang van zaken. Wij nemen als bestuur de inhoud van het vonnis mee.





Met vriendelijke groet,





Het bestuur van de vereniging Koninklijke Luchtmacht Zweefvliegclub De Peel




op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de Vereniging onverhoopt
geen gehoor geeft aan dit gebod;

te verklaren voor recht dat het bestuursbesluit aangaande het ontslag, althans de

uitschrijving van [appellant sub 1] als penningmeester van de Vereniging nietig is c.q. dit
besluit door uw rechtbank op de voet van art. 2:15 BW te vernietigen;

de Vereniging te verplichten om de uitschrijving van [appellant sub 1] als penningmeester

van de Vereniging binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis bij het
Handelsregister van de Kamer van Koophandel ongedaan te maken en [appellant sub 1] als
penningmeester weer in te schrijven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00
per dag dat wordt nagelaten geheel of gedeeltelijk aan dit gebod gehoor te
geven;

de Vereniging te verplichten om binnen veertien dagen na datum van het vonnis


[appellant sub 1] weer volledig in staat te stellen om zijn functie als penningmeester van de
Vereniging uit te oefenen tot het moment dat hij rechtsgeldig als penningmeester van de Vereniging aftreedt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat niet volledig aan dit gebod gehoor wordt gegeven;

de Vereniging te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de algehele voldoening, en de nakosten.



3.2.
Bij vonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank bij verstek de vorderingen van [appellanten] toegewezen en de Vereniging veroordeeld in de proceskosten.



3.3.
De Vereniging is tegen dit vonnis tijdig in verzet gekomen.



3.4.

[appellanten] hebben vervolgens hun eis (in conventie) aldus gewijzigd dat onder a. wordt gevorderd voor recht te verklaren dat de besluiten van 7 augustus 2023 tot ontzetting of opzegging van het lidmaatschap van [appellanten] als leden van de Vereniging nietig zijn. Voor het overige hebben zij hun eis gehandhaafd.



3.5.

De Vereniging heeft in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
I. voor recht te verklaren dat zij rechtmatig aan [appellanten] het lidmaatschap heeft opgezegd;
II. voor recht te verklaren dat [appellant sub 1] op 2 juni 2023 is afgetreden als penningmeester van de Vereniging;
III. het verstekvonnis van 5 juni 2024 te vernietigen, althans [appellanten] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering, althans die vordering alsnog af te wijzen;
IV. [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de verzetprocedure en in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien [appellanten] niet binnen tien dagen na het te wijzen vonnis aan hun verplichting hebben voldaan.




3.6.
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.



3.7.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verstekvonnis van 5 juni 2024 vernietigd, in conventie de vorderingen van [appellanten] afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de Vereniging rechtmatig aan [appellanten] het lidmaatschap heeft opgezegd. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat uit de stellingen van partijen naar voren komt dat sprake is van een machtsstrijd binnen de Vereniging, waarbij [appellanten] proberen aan hun vroegere status als voorzitter c.q. lid van het bestuur vast te houden, dat de Vereniging, met name het bestuur van de Vereniging, op deze wijze niet goed kan functioneren en het bestuur de Vereniging niet goed kan besturen. Naar het oordeel van de rechtbank was een redelijk oordelend mens onder de gegeven feiten en omstandigheden tot het besluit gekomen het lidmaatschap van [appellanten] op te zeggen.
De rechtbank heeft vervolgens in conventie en in reconventie [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.






4De beoordeling in hoger beroep


4.1.

[appellanten] voeren tegen het bestreden vonnis tien grieven aan en zij vorderen in hoger beroep, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, hun vorderingen alsnog zal toewijzen en de vorderingen van de Vereniging alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van de Vereniging in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder vorderen zij de Vereniging te veroordelen tot terugbetaling van al wat [appellanten] . naar aanleiding van het bestreden vonnis aan de Vereniging hebben betaald, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening.



4.2.
De Vereniging is in hoger beroep niet verschenen, waarna aan haar verstek is verleend.



4.3.
Het hof stelt voorop dat ook bij verstek in hoger beroep een vordering moet worden afgewezen wanneer deze de rechter ongegrond of onrechtmatig voorkomt (artikel 139 Rv in samenhang met artikel 353 Rv, vgl. HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8504). Verder geldt dat de devolutieve werking van het hoger beroep meebrengt dat de grieven mede moeten worden beoordeeld met inachtneming van de stellingen en verweren die de Vereniging in eerste aanleg heeft ingenomen.



Feitenvaststelling





4.4.
De eerste grief van [appellanten] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten relevante feiten en omstandigheden rondom de bijzondere ledenvergadering van 2 juni 2023 volledig vast te stellen, te wegen en in haar oordeel te betrekken. Volgens [appellanten] is de rechtbank volledig voorbijgegaan aan de kern van het geschil, te weten het feit dat [appellanten] als bestuurs- en/of reguliere leden buiten spel zijn gezet in een intern machtsconflict binnen de Vereniging.



4.5.
Het is aan de rechter om de feiten die tot uitgangspunt dienen bij zijn beoordeling, te selecteren en vast te stellen. Die aldus geselecteerde en vastgestelde feiten moeten juist zijn en volgen uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. [appellanten] betogen met grief 1 echter niet dat de onder 2 van het bestreden vonnis weergegeven feiten onjuist zijn of niet volgen uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. Voor zover zij betogen dat die feitenweergave onvolledig is, stuit dat betoog af op de vrijheid die de rechter heeft bij het selecteren en vaststellen van de vaststaande feiten. Daarbij komt dat hetgeen [appellanten] aan de feitenweergave toegevoegd willen zien geen vaststaande feiten zijn, maar eigen stellingen over het geschil tussen partijen die door de Vereniging zijn betwist. Ook dat staat in de weg aan het slagen van grief 1.



Rechtsgeldigheid opzeggingsbesluit





4.6.
Blijkens de toelichting op grief 2 (MvG 14-16) komen [appellanten] allereerst op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 1] tijdens de ledenvergadering van 2 juni 2023 zou hebben aangegeven dat zijn functie vacant was.


4.6.1.
Het hof heeft kennis genomen van zowel de (overgelegde) geluidsopname van de vergadering van 2 juni 2023 (productie B bij de verzetdagvaarding) als van de transcriptie van die vergadering (productie 11 bij de verzetdagvaarding. Daarin valt het volgende te horen en te lezen bij het punt ‘Bestuursverkiezing’ :


Vz ([persoon A], hof): Nou, dan gaan we over tot punt 4, bestuursverkiezing. Dan zal er eerst een functie vacant moeten zijn.

[appellant sub 1] ( , hof), is jouw functie vacant?
BE: Ja, mijn functie is vacant.
Vz: OK.
BE: Ik ga met jou niet verder.
Vz: Waarvan akte. Jouw functie is vacant. Dank voor je diensten, [appellant sub 1] .
BE: Alsjeblieft.
Vz: Wie is geïnteresseerd om het penningmeesterschap over te nemen?



Het hof leidt daaruit af dat [appellant sub 1] tijdens de vergadering op de vraag van de voorzitter, [persoon A] , heeft bevestigd dat zijn functie van penningmeester in het bestuur vacant was omdat hij met de voorzitter ‘niet verder wilde’. Die ondubbelzinnige mededeling van [appellant sub 1] (artikel 3:33 BW) heeft het bestuur redelijkerwijs zo mogen opvatten dat [appellant sub 1] als penningmeester ontslag nam en deze bestuursfunctie niet langer wilde vervullen en daarmee heeft bedankt voor het bestuurslidmaatschap in de zin van artikel 11 lid 3 sub b van de statuten (artikel 3: 35 BW). In zoverre faalt de grief.




4.6.2.
Daarnaast (MvG 17-18) klaagt de grief erover dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat er voor het verzenden van de opzeggingsbrieven geen bestuursvergadering heeft plaatsgevonden, en dat de opzeggingsbesluiten bovendien niet door de secretaris zijn ondertekend. Het hof kan [appellanten] daarin niet volgen. Hiertoe acht het hof ten eerste van belang dat het bepaalde in de statuten van de Vereniging en haar huishoudelijk reglement de onderlinge verhoudingen tussen de Vereniging en de bij haar betrokken personen beheersen en regelen. Op grond van artikel 6 lid 2 van de statuten vindt opzegging van het lidmaatschap plaats door het bestuur. Uit de statuten blijkt niet dat aan de opzegging een bestuursvergadering vooraf dient te gaan. Uit de notulen van de buitengewone ledenvergadering van 2 juni 2023 (productie 12 inleidende dagvaarding) blijkt voorts dat op de rondvraag van [persoon A] welke bestuursfuncties vacant waren, alleen [appellant sub 1] heeft aangegeven zijn functie als penningmeester neer te leggen. Hiermee staat vast dat in ieder geval [persoon A] (voorzitter) en [persoon B] (secretaris) hun bestuursfunctie nog steeds vervulden ten tijde van de opzegging van de lidmaatschappen van [appellanten] Daarmee was een meerderheid van het gebruikelijke aantal leden van het bestuur, zijnde drie (artikel 12 lid 1 huishoudelijk reglement) in functie. Weliswaar zijn de opzeggingsbrieven alleen door [persoon A] getekend, maar [persoon B] heeft in zijn e-mail van 28 juni 2024 (productie 31 verzetdagvaarding) verklaard dat [persoon A] en hij gezamenlijk hebben besloten om het lidmaatschap van [appellanten] op te zeggen en dat hij de brieven niet kon tekenen, omdat hij zich op dat moment in Italië bevond. Dit wordt verder niet (gemotiveerd) door [appellanten] bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Naar het oordeel van het hof blijkt zodoende van een op grond van het bepaalde in artikel 12 lid 3, 6 en 7 huishoudelijk reglement rechtsgeldig bestuursbesluit tot opzegging van de lidmaatschappen van [appellanten] Daarbij volgt uit de statuten niet dat voor de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit is vereist dat dit besluit zowel door de voorzitter als door de secretaris is getekend. Ook in zoverre faalt de grief.



4.6.3.
Ten slotte wordt betoogd dat wanneer [persoon A] niet ‘de bovengenoemde overvaltechniek’ had toegepast, de motie van wantrouwen naar verwachting een meerderheid van stemmen had gekregen. Daarmee staat vast dat de door [appellanten] tijdens de vergadering van 2 juni 2023 ingediende motie van wantrouwen vanwege het staken van de stemmen niet is aangenomen. [appellanten] stellen weliswaar dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden bij de stemprocedure, onder meer door afgegeven ongeldige volmachten, maar zij gaan er aan voorbij dat ook als de motie van wantrouwen wèl zou zijn aangenomen, dat op zichzelf nog niet zou hebben geleid tot een aftreden van het bestuur. Zoals de rechtbank - niet bestreden - heeft overwogen, is hiervoor nodig dat een voorstel tot het aftreden van het bestuur wordt gedaan en dat dit voorstel vervolgens door de ledenvergadering wordt aangenomen. Een motie van wantrouwen kan immers door het bestuur naast zich neer worden gelegd. Grief 2 faalt.



Inhoudelijke toetsing van het opzeggingsbesluit






4.7.

Grieven 3 tot en met 7 zien op de inhoudelijke toetsing van het opzeggingsbesluit.
Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.



4.7.1.
De Vereniging heeft in eerste aanleg betoogd dat van haar redelijkerwijs niet kan worden gevergd om het lidmaatschap van [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] te laten voortduren. Op grond van artikel 2:35 lid 2 BW geldt dat een vereniging het lidmaatschap kan opzeggen onder meer op de grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. In artikel 6 lid 1 sub c van de statuten van de Vereniging is deze opzeggingsgrond eveneens opgenomen. Hiervan zal onder meer sprake kunnen zijn als een lid in aanmerkelijke mate niet handelt zoals van een redelijk handelend lid mag worden verwacht.



4.7.2.
Bij de rechterlijke toetsing of het opzeggingsbesluit van de Vereniging inhoudelijk in stand kan blijven, geldt verder het uitgangspunt dat het bestuur van een vereniging, binnen de grenzen van wetsbepalingen zoals artikel 2:35 BW en van de statuten, beleidsvrijheid toekomt, waarbij de rechter slechts marginaal kan toetsen. Deze beleidsvrijheid brengt mee dat de beëindiging van een lidmaatschap slechts ontoelaatbaar is, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, tegenover het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen (HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702, NJ 1984, 583). Dit betekent dat de lat hoog ligt en de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of de Vereniging alle bij het besluit in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.



4.7.3.

Tussen partijen staat vast dat er sprake was van een intern conflict binnen de Vereniging. [appellanten] betwisten echter dat het, zoals de rechtbank heeft overwogen, zou gaan om een machtsstrijd binnen de Vereniging, waarbij [appellanten] probeerden om (weer) bestuurders van de Vereniging te worden. Volgens hen ging het hen enkel om het herstel van ‘een ordentelijk en democratisch bestuur’. Uit de stukken en uit wat partijen over en weer (in eerste aanleg) naar voren hebben gebracht, komt echter een heel ander beeld naar voren. Uit de notulen van de buitengewone ledenvergadering van 4 september 2022 blijkt dat [appellant sub 2] een voorstel heeft ingediend tot instelling van een vijfhoofdig bestuur, waarbij, naast [persoon A] als voorzitter, hijzelf als vice-voorzitter en [persoon B] als secretaris, [appellant sub 1] en [appellant sub 3] als respectievelijk penningmeester en commissaris zouden worden benoemd. Uiteindelijk heeft [appellant sub 2] het voorstel tijdens de vergadering niet in stemming willen brengen. Desondanks hebben [appellanten] zich daarna op het standpunt gesteld dat tijdens de vergadering van 4 september 2022 is afgesproken dat er een vijfhoofdig bestuur zou zijn. In hun e-mail van 7 mei 2023 hebben zij [persoon A] en [persoon B] bericht dat er weinig van deze afspraak terecht is gekomen, dat dit heeft geleid tot een bestuurlijke chaos en dat er hiervoor slechts één oplossing is, namelijk de vorming van een vijfhoofdig bestuur met [appellant sub 3] als interim-voorzitter, [appellant sub 2] als vice-voorzitter, [appellant sub 1] als penningmeester, [persoon B] als secretaris en [persoon A] als commissaris. Zij hebben daarom verzocht om zeer binnenkort een ledenvergadering bijeen te roepen.
Vervolgens heeft [appellant sub 2] in de e-mail van 21 mei 2023 het bestuur medegedeeld een ledenvergadering te wensen ‘met als agendapunt het functioneren van het huidig bestuur en waar met name het onbehoorlijk bestuur en disfunctioneren van een bestuurslid ter tafel zal komen’. Voor de daarop door het bestuur bepaalde bijzondere ledenvergadering op 2 juni 2023 hebben [appellanten] op 1 juni 2023 een motie van wantrouwen tegen [persoon A] als voorzitter van het bestuur ingediend.
Nadat de stemming voor deze motie niet tot het door [appellanten] gewenste resultaat heeft geleid, hebben [appellanten] , zonder het bestuur hierover vooraf in te lichten, op 5 juni 2023 aan drie hoofdofficieren van de Koninklijke Landmacht de in rov. 2.1.7 genoemde e-mail gestuurd. Hierin hebben zij onder meer melding gemaakt van uitsluiting van leden door de voorzitter en respectloos en ongepast gedrag van de voorzitter tijdens de bijzondere ledenvergadering op 2 juni 2023 en hebben zij geïnsinueerd dat sprake is van manipulatie van stemmen in het voordeel van de voorzitter en van fraude en strafbare feiten.




4.7.4.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, ongeacht het verloop van de buitengewone algemene ledenvergadering van 2 juni 2023, [appellanten] zich hadden moeten onthouden van het versturen van de e-mail van 5 juni 2023. Dit geldt temeer, nu [appellanten] ook in hoger beroep niet aannemelijk hebben gemaakt dat er aanleiding was om te veronderstellen dat sprake zou zijn van fraude of zelfs strafbare feiten. [appellanten] hebben niet betwist dat, zoals de Vereniging in eerste aanleg heeft aangevoerd, de Vereniging afhankelijk is van de goodwill van de Koninklijke Landmacht om op De Peel te kunnen blijven vliegen. [appellanten] zijn officieren (buiten dienst) van de Koninklijke luchtmacht, van wie mag worden verwacht dat zij zich realiseren dat (ongefundeerde) insinuaties en (valse) beschuldigingen geenszins bijdragen aan instandhouding van deze goodwill en – ernstiger – het gevaar in zich bergen dat de Koninklijke Landmacht de aanwezigheid van de Vereniging op de Peel niet langer zou toestaan. Dat dit een reëel scenario is blijkt wel uit de reactie van [luitenant-kolonel] van 6 juni 2023 op de e-mail van [appellanten] van 5 juni 2023 (zie rov. 2.1.9). [luitenant-kolonel] schrijft daarin dat hij zich zorgen maakte over de door [appellanten] geschetste situatie en dat hij zich genoodzaakt voelde om als Object Vergunning Houder (OVH) de zweefvliegactiviteiten te stoppen als die situatie ertoe zou leiden dat veilig vliegen niet meer mogelijk was.



4.7.5.
Ook in hoger beroep is zodoende voldoende komen vast te staan dat er een machtsstrijd tussen het bestuur enerzijds en [appellanten] anderzijds gaande was, waarbij [appellanten] hoe dan ook probeerden om (weer) het bestuur van de Vereniging te gaan vormen. Dit stond [appellanten] in principe vrij, maar dan wel binnen de regels van de statuten en meer in het bijzonder volgens hetgeen van redelijk handelende leden mag worden verwacht. Het daarbij uitoefenen van druk via het versturen van e-mails aan (relatieve) buitenstaanders met ongefundeerde insinuaties en beschuldigingen, terwijl de Vereniging voor de continuïteit van haar activiteiten afhankelijk is van de goodwill van diezelfde buitenstaanders, kwalificeert naar het oordeel van het hof dan als handelen dat in zodanige mate ingaat tegen hetgeen van een redelijk handelend lid mag worden verwacht dat van de Vereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij het lidmaatschap nog laat voortduren..



4.7.6.

De Vereniging heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het belang van de Vereniging bij het waarborgen van haar voortbestaan als zweefvliegclub die gebruik kan maken van de faciliteiten van vliegbasis De Peel zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van [appellanten] bij voortzetting van het lidmaatschap.
Verder is niet gebleken dat de Vereniging een minder verstrekkend besluit had kunnen nemen om haar voortbestaan te waarborgen. Voldoende aannemelijk is dat door voornoemd handelen van [appellanten] een ernstige, duurzame vertrouwensbreuk tussen hen en het huidige bestuur is ontstaan. Gelet op het toch al kleine aantal leden van de Vereniging (ten tijde van de procedure in eerste aanleg acht) ligt in de rede dat vanwege deze vertrouwensbreuk de Vereniging niet goed kan functioneren en het bestuur de Vereniging niet goed kan besturen bij voortduring van het lidmaatschap van [appellanten]
Voor een (nadere) integrale belangenafweging is, anders dan [appellanten] menen, gelet op het in rov. 4.7.2 genoemde toetsingskader, geen plaats.




4.7.7.
De conclusie is dat de Vereniging in de bovengenoemde omstandigheden in redelijkheid tot haar opzeggingsbesluit heeft kunnen komen. De hiervoor in rov. 3.1 onder a. tot en met c. genoemde vorderingen van [appellanten] zijn daarom niet toewijsbaar. De grieven 3 tot en met 7 falen. Het verwijt van de Vereniging jegens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] over de boordpapieren van een zweefvliegtuig en het verwijt aan [appellant sub 1] dat hij ondanks zijn aftreden heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de overdracht van financiële bescheiden en nog bestuurshandelingen heeft verricht, behoeven hierdoor geen bespreking.




4.8.
Uit het falen van de grieven 2 tot en met 7 volgt ook dat de vorderingen van [appellant sub 1] als hiervoor in rov. 3.1 d. tot en met f. genoemd niet toewijsbaar zijn. Uit artikel 10 lid 1 van de statuten volgt immers dat slechts leden van de Vereniging kunnen worden benoemd tot bestuursleden en daarmee ook tot penningmeester.



Bewijslevering





4.9.

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover [appellanten] de stelplicht (en
bewijslast) hebben, hebben zij geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Aan tegenbewijs wordt evenmin toegekomen, omdat [appellanten] de stellingen van de Vereniging, zoals hiervoor is gebleken, onvoldoende gemotiveerd hebben betwist.




Overige grieven





4.10.
Grieven 8 tot en met 10 zijn zogenaamde veeggrieven zonder zelfstandige betekenis. Deze volgen het lot van de grieven 2 tot en met 7.





5De slotsom


5.1.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.



5.2.

[appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Nu de Vereniging in hoger beroep niet is verschenen en dus geen kosten heeft gemaakt, worden deze aan de zijde van de Vereniging vastgesteld op nihil.





4De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025;



veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep en stelt deze aan de zijde van de Vereniging vast op nihil.



Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, R.A. van der Pol en N. Smies en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2026.



griffier rolraadsheer