Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:13

2026-01-06 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.334.164_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-01-06
Publicatiedatum
2026-01-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.334.164_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incidenteel hoger beroep. Voldoende kenbare grief. Vormvereisten artikel 9.2. Procesreglement civiele dagvaardingszaken hoger beroep Dexia-zaak. Berekening fiscaal voordeel.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.555 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.334.164/01




arrest van 6 januari 2026




in de zaak van




Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: de afnemer,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 september 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 9627169 EL 22-2 gewezen vonnis van 27 juli 2023.






6Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



het tussenarrest van 30 september 2025;


de memorie van antwoord in incidenteel appel.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





7De verdere beoordeling


7.1.
In genoemd tussenarrest heeft het hof de grieven in het principaal appel van Dexia tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter behandeld. Het hof heeft in dat tussenarrest ook overwogen dat de afnemer een incidentele grief heeft opgeworpen, waarop Dexia nog niet heeft gereageerd. Omwille van de leesbaarheid citeert het hof hier de relevante overwegingen van het tussenarrest.



4.36.
De afnemer heeft onder randnummer 7 van de memorie van antwoord een incidentele grief opgeworpen ten aanzien de (vaststelling van de) hoogte van het fiscale voordeel. De afnemer heeft daarbij verwezen naar hetgeen hij in de conclusie van repliek in conventie onder randnummers 74-77 heeft aangevoerd. Dat betreft het volgende.


“Aangezien het er dan om gaat in welke schaal het inkomen viel, wil [geïntimeerde] er op wijzen dat hij in tariefgroep 3 viel (en er dus sprake is van een grotere belastingvrije som (ad, NLG 17.179,-) dan waarvan Dexia uitgaat gezien het door haar als productie 4 bij haar CvA overgelegde document), en dat zijn bruto inkomen NLG 38.322,- bedroeg zodat het ging om een aftrekbare rente die in de eerste en/of tweede schijf zou vallen, die van 37,05% (Ter onderbouwing van het vorenstaande legt [geïntimeerde] productie K.1 over).



De inschatting van Dexia t.a.v. het fiscale voordeel is derhalve onjuist.




[geïntimeerde] betwist derhalve dat hij € 5.074,79 aan fiscaal voordeel genoten heeft. Bij de berekening van het fiscaal voordeel komt [geïntimeerde] uit op een fiscaal voordeel van (€ 3.236,60 x 37,05% =) € 1.199,16 in het jaar 1999 en van (€ 4.721 x 37,95% =) € 1.791,62 in het jaar 2000. Het totaal genoten fiscale voordeel bedraagt derhalve een bedrag van € 2.990,78 aan aftrekbare rente. Vermeerderd met het bedrag aan ingehouden dividend belasting (te weten € 1.095,99) bedraagt het totale bedrag aan fiscaal voordeel € 4.086,77.”




4.37.
Dexia heeft hier nog niet op gereageerd. Het hof overweegt het door de afnemer mede aan de hand van biljetten van een proces gemotiveerde fiscale voordeel voorshands juist te achten. De berekening van de afnemer is overeenkomstig vaste jurisprudentie van het hof op dit punt.



4.38.
Nu Dexia nog niet op de incidentele grief van de afnemer heeft geantwoord zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Dexia, zodat Dexia desgewenst nog kan reageren op de grief van de afnemer over het fiscale voordeel.



7.2.
Dexia heeft in de na voormeld tussenarrest genomen memorie van antwoord in incidenteel appel aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geconstateerd dat de afnemer door middel van een incidentele grief incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Voor zover het hof de grief van de afnemer wel inhoudelijk behandelt, voert Dexia aan dat zij het door haar gestelde en gemotiveerd aangetoonde op dit punt, zoals uiteengezet bij conclusie van dupliek (in conventie) handhaaft. Het fiscale voordeel dat de afnemer heeft genoten en dat bij de vaststelling van de omvang van de schade in aanmerking dient te worden genomen bedraagt € 4.655,65, aldus Dexia.



7.3.
Het hof overweegt dat de afnemer in randnummer 7 van zijn memorie van antwoord te kennen heeft gegeven dat hij wenst dat het hof, anders dan de rechtbank, wel de hoogte van het fiscaal voordeel vaststelt en wel op grond van zijn stellingen hierover in eerste aanleg. De afnemer heeft daarbij vermeld dat het hof het in randnummer 7 aangevoerde zo nodig als incidentele grief kan opvatten. De afnemer heeft op deze wijze voldoende kenbaar gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter over de hoogte van het fiscaal voordeel nu uit de toelichting van de afnemer in randnummer 7 van zijn memorie van antwoord duidelijk blijkt dat hij wenst dat het hof op dit punt een andere beslissing neemt dan de kantonrechter heeft gedaan. Gelet op de duidelijke bewoordingen in randnummer 7 was dit ook voor Dexia voldoende kenbaar, althans behoorde dat voor haar voldoende kenbaar te zijn (vergelijk HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505). Nu de afnemer een voldoende kenbare incidentele grief heeft geformuleerd dient het hof te constateren dat de afnemer incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. De omstandigheid dat enkele voorgeschreven formele vormvereisten, zoals vermeld in artikel 2.9. van het toepasselijke procesreglement, niet zijn nageleefd, doet aan het oordeel van het hof niet af. Deze vormvoorschriften hebben immers niet de strekking afbreuk te doen aan de bovenvermelde, onder andere in voormeld arrest van de Hoge Raad weergegeven beoordelingsmaatstaf. Nu Dexia niet zelf op grond van artikel 347 lid 3 Rv een termijn heeft gevraagd om te antwoorden op de incidentele grief van de afnemer, heeft het hof, het beginsel van hoor en wederhoor in acht nemend, Dexia in de gelegenheid gesteld alsnog een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep te nemen.



7.4.
Het hof overweegt voorts naar aanleiding van de grief van de afnemer het volgende. Het hof heeft in overweging 4.37 van het tussenarrest een voorshands oordeel gegeven over de grief van de afnemer inhoudende dat het door de afnemer mede aan de hand van biljetten van een proces gemotiveerde fiscale voordeel voorshands juist is en dat de berekening van de afnemer overeenkomstig vaste jurisprudentie van het hof op dit punt is.



7.5.
Dexia heeft de grief van de afnemer bestreden als volgt.


“1999


11. Bij conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie d.d. 7 april 2022 (hierna: ‘CvR’) stelt [geïntimeerde] in alinea’s 74 t/m 77 dat hij voor de berekening van het fiscale voordeel in een andere belastingschijf terecht moest komen en legt ter onderbouwing productie K.1 over. Volgens [geïntimeerde] zou het totaal genoten fiscale voordeel, inclusief ingehouden dividendbelasting, uitkomen op EUR 4.086,77. Dexia heeft hier bij conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende akte wijziging eis d.d. 23 juni 2022 (hierna: ‘CvD’) in alinea’s 40 t/m 43 gereageerd op de door [geïntimeerde] overgelegde productie K.1, waaruit blijkt dat zijn bruto jaarinkomen in 1999 NLG 55.501 bedroeg. Aan de hand van deze aanvullende gegevens heeft Dexia het financieel overzicht aangepast, zoals weergegeven in Productie 5 bij CvD.


2000


12. [geïntimeerde] betwist echter nogmaals het bedrag aan aftrekbare rente uit het jaar 2000 en legt in dit verband Productie I bij conclusie van dupliek in reconventie d.d. 21 juli 2022 (hierna: “CvDir”) over. Voor het berekenen van de aftrekbare rente is het evenwel noodzakelijk dat het bruto jaarinkomen van [geïntimeerde] vast komt te staan, dan wel door het overleggen van een biljet van proces dan wel door ander bewijs waaruit dit duidelijk blijkt. Uit de als Productie I bij CvDir overgelegde document volgt het bruto jaarinkomen van [geïntimeerde] in ieder geval niet. Dexia handhaaft om die reden haar stellingen zoals vermeld in alinea’s 40 t/m 43 van de CvD. Aan de hand van het bruto jaarinkomen kan immers worden bepaald in welke belastingschijf [geïntimeerde] valt. Voor het bepalen van de hoogte van de aftrekposten, in dit geval de aftrekbare rente, is dat belastingpercentage van belang. Dit percentage blijkt uit het reeds door Dexia overgelegde overzicht van de belastingtarieven 1997-2000 (productie 4 bij CvA). Pas wanneer de aftrekposten in mindering zijn gebracht op het bruto jaarinkomen van [geïntimeerde] , zal rekening worden gehouden met vrijstellingen en dergelijke. Zo ook met tariefgroep 2, waar [geïntimeerde] naar refereert. Zoals uit bovenstaande blijkt, wordt bij het vaststellen van de hoogte van de aftrekbare rente niet toegekomen aan door [geïntimeerde] genoten vrijstellingen. Het belastbaar inkomen is in tegenstelling tot hetgeen [geïntimeerde] stelt dan ook niet van belang. Dit kan immers ook lager uitvallen door
andersoortige aftrekposten, zoals hypotheekrenteaftrek. Aan de stellingen van [geïntimeerde] dient dan ook voorbij te worden gegaan.”



7.6.
Het hof onderschrijft het standpunt van Dexia, samengevat inhoudende dat voor het bepalen van de hoogte van het fiscaal voordeel het bruto jaarinkomen als uitgangspunt moet worden genomen niet. Het hof heeft over de wijze waarop de hoogte van het fiscaal voordeel dient te worden bepaald in zijn arrest van 16 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1327) het volgende overwogen.


"Om te bepalen wat het genoten fiscaal voordeel als gevolg van de renteaftrek in verband met de effectenleaseovereenkomst is, dient dan in gevallen waarin de Wet IB 1964 van toepassing is (tot 1 januari 2001) de volgende rekensom te worden gemaakt. Het bruto inkomen dient te worden verminderd met de zonder de effectenleaseovereenkomst reeds bestaande aftrekposten. Dat resulteert in het belastbaar inkomen. Het ‘stipinkomen’ is het belastbaar inkomen minus het inkomen voor toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve en voor verrekening van verliezen (gerechtshof Amsterdam 01-03-1991, ECLI:NL:GHAMS:1991:BH0037). Het ‘stipinkomen’ is dan ook uitsluitend gelijk aan het belastbaar inkomen indien geen sprake is van fiscale oudedagsreserve en verrekening van verliezen. Het belastbaar inkomen dient vervolgens te worden verminderd met de toepasselijke belastingvrije som die wordt bepaald door de toepasselijke tariefgroep. Tot slot dient de post ‘aftrekbare rente in verband met de effectenleaseovereenkomst’ bij de uitkomst daarvan te worden opgeteld. Zo is vast te stellen welk belastingtarief (of tarieven indien een tariefgrens gedeeltelijk wordt overschreden) op de uitkomst van deze rekensom van toepassing is en wat het fiscaal voordeel is."




7.7.
Hieruit volgt dat op basis van het belastbaar inkomen de hoogte van het fiscaal voordeel kan worden bepaald. De afnemer heeft de hoogte van zijn belastbaar inkomen met de door Dexia genoemde producties onderbouwd. De afnemer heeft vervolgens, zo overwoog het hof in het tussenarrest, de hoogte van het fiscaal voordeel overeenkomstig de in het arrest van 16 april 2024 beschreven methodiek bepaald. Dexia heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel geen feiten of omstandigheden aangevoerd die grond bieden de berekeningen van de afnemer onjuist te achten. De slotsom is dat de incidentele grief van de afnemer slaagt.



7.8.
Uit voorgaande overwegingen en de overwegingen uit het tussenarrest volgt dat de grieven van Dexia in principaal hoger beroep falen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden en dat de grief van de afnemer in incidenteel hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover daarbij in overweging 5.2. de hoogte van het fiscaal voordeel niet concreet is bepaald. In zoverre zal het hof deze beslissing aanvullen en opnieuw recht doen. Het bestreden vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.


7.9.
Dexia is aan te merken als de in het principaal en incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg (in conventie) terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep. Deze kosten aan de zijde van de afnemer worden in principaal hoger beroep begroot op € 343,-- aan griffierecht en op (1 punt x tarief II € 1.214,--) € 1.214,-- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals door de afnemer gevorderd. Voor het incidentele hoger beroep neemt het hof geen salaris advocaat in aanmerking gelet op de zeer beperkte bewoordingen van de incidentele grief in randnummer 7 met in hoofdzaak een verwijzing naar processtukken in eerste aanleg.



7.10.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Daarom zal het hof de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden (ECLI:NL:HR:2022:853).






8De uitspraak


Het hof:



vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij in overweging 5.2. de hoogte van het fiscaal voordeel niet concreet is bepaald;



in zoverre opnieuw recht doende:



veroordeelt Dexia om aan de afnemer te betalen de schade, vermeerderd met de
wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.15. (van het bestreden vonnis), waarbij de hoogte van het bij de berekening van de schade in aanmerking te nemen fiscaal voordeel wordt bepaald op een bedrag van € 4.086,77;



bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;



veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de afnemer op € 343,-- aan griffierecht en op € 1.214,-- voor salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;



verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.




Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 januari 2026.




griffier rolraadsheer