Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:102

2026-01-20 Civiel recht 200.335.531_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-01-20
Publicatiedatum
2026-01-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.335.531_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; JHV 2026/23 met annotatie van mr. E.P.W. Korevaar

Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2025:1393. Deze zaak betreft de nadere huurprijsvaststelling van een strandpaviljoen en in het bijzonder de waarde van het daartoe uitgebrachte Deskundigenadvies.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.310 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH


Team Handelsrecht



zaaknummer 200.335.531/01




arrest van 20 januari 2026




in de zaak van





[XX] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna: de BV,
advocaat: mr. J. Ossewaarde te Middelburg,



tegen





1Strandpaviljoen [YY] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en haar vennoten

2. [geïntimeerde sub 2],
wonende te [vestigingsplaats] ,
3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
hierna: de VOF, [geïntimeerde sub 2] en/of [geïntimeerde sub 3] , tezamen VOF c.s.,
advocaat: mr. J. Mikes te Rotterdam,



als vervolg op het tussenarrest van 20 mei 2025 in het hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 juli 2023 (zaak 9674355 CV EXPL 22-337). Het hof zet de nummering uit het tussenarrest voort.







5Het verdere geding in hoger beroep


5.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- het hiervoor genoemde tussenarrest waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft bepaald met een voorafgaande schriftelijke standpuntbepaling door partijen;
- de mondelinge behandeling, waar:

 partijen zijn verschenen, de BV in de persoon van haar directeur [persoon A] en aan de zijde van de VOF c.s. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ;
 de advocaten de zaak aan de hand van een pleitnotitie hebben bepleit;
 de akte uitlating na tussenarrest van de BV met een productie en de akte uitlating na tussenarrest van VOF c.s. met twee producties zijn toegelaten.




5.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.



5.3
Voor zover hier relevant hebben VOF c.s. bij e-mail van 26 november 2025 geschreven dat zij het in de akte na tussenarrest tegen de BV inzake [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer intrekken.



Kern van de zaak in hoger beroep




5.4
Deze zaak betreft de nadere huurprijsvaststelling van een strandpaviljoen en in het bijzonder de waardering van het daartoe uitgebrachte Deskundigenadvies.





6De beoordeling



Huuropzeggingsprocedure



6.1.1
In het tussenarrest van 20 mei 2025 is overwogen dat de BV op de mondelinge behandeling (ook) zal kunnen reageren op de door VOF c.s. eerst bij het laatste processtuk ingebrachte stellingen en stukken waaruit volgt dat de BV de huurovereenkomst inmiddels bij brief van 31 januari 2024 heeft opgezegd en dat partijen het hof dan tevens dienen te informeren over de actuele stand van zaken.



6.1.2

Op de mondelinge behandeling zegt de BV binnen de beroepstermijn nog hoger beroep te zullen instellen van de op 10 september 2025 door de kantonrechter uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring in, respectievelijk afwijzing van, de door haar op basis van dringend eigen gebruik, slecht huurderschap en/of een belangenafweging gevorderde huurbeëindiging en ontruiming van Strandpaviljoen [nummer] te [vestigingsplaats] (zaak 11310103\CV EXPL 24-3198).
VOF c.s. zeggen dat de BV tegen dat vonnis nu nog geen hoger beroep heeft ingesteld en dat de huurovereenkomst ingevolge artikel 3.3 Huurcontract inmiddels is voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaren.
Het hof overweegt dat dit hier geen verdere bespreking behoeft, omdat in deze zaak uitsluitend dient te worden beslist in het hoger beroep van het beroepen vonnis van 12 juli 2023 (zaak 9674355 CV EXPL 22-337).




Samenvatting van het voorafgaande




6.2.1
In deze zaak volhardt het hof bij de in het tussenarrest gegeven beslissingen en roept kort in herinnering dat dient te worden beslist over de door de kantonrechter in conventie en in reconventie uitgesproken:
- nadere vaststelling van de huurprijs van Strandpaviljoen [nummer] per 2 april 2020 op
€ 93.696,-- per jaar exclusief btw, jaarlijks te indexeren overeenkomstig de huurovereenkomst (dictum 5.1);
- hoofdelijke veroordeling van VOF c.s. tot betaling van de per 2 april 2020 te weinig betaalde huur, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf vonniswijzing (zijnde 12 juli 2023, dictum 5.2);
Voor de nadere huurprijsvaststelling per 2 april 2020 heeft de kantonrechter het Deskundigenadvies d.d. 23 oktober 2021 van deskundige [persoon C] tot uitgangspunt genomen, zij het dat bij de berekening onbestreden is uitgegaan van een oppervlakte van de door partijdeskundige [persoon B] in aanmerking genomen oppervlakte van 442,88 m2.



6.2.2
Door de grieven 1 tot en met 6 komt de BV op tegen het door de kantonrechter voor de nadere huurprijsvaststelling per 2 april 2020 tot uitgangspunt genomen Deskundigenadvies van deskundige [persoon C] . Waar de BV dat Deskundigenadvies op basis van de pas later opgemaakte rapportage d.d. 5 april 2022 van partijdeskundige [persoon B] bekritiseert, heeft het hof een mondelinge behandeling bepaald om met partijen te bespreken:


het door hen voorgestane vervolg van de procedure;


een mogelijk nader Deskundigenadvies door deskundige [persoon C] ;


een mogelijk nader te bepalen deskundigenonderzoek en -bij voorkeur partijen


eensluidend- wie dan te benoemen als deskundige(n);
welke partij eventuele extra deskundigenkosten geheel of ten dele dient te bevoorschotten;
oftewel: hoe partijen het vervolg van de procedure voor zich zien.



Mondelinge behandeling




6.3.1

Op de mondelinge behandeling zegt de BV dat deskundige [persoon C] niet om een nader Deskundigenadvies dient te worden gevraagd, omdat deskundige [persoon C] onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan en op deskundige [persoon C] inmiddels de schijn van partijdigheid rust. Volgens de BV dient de rapportage van partijdeskundige [persoon B] tot uitgangspunt voor de nadere huurprijsvaststelling te worden genomen.
Voor het geval dat het hof toch tot een nieuw deskundigenonderzoek mocht besluiten, stelt de BV [persoon D] (van [vastgoed bedrijf] te Amsterdam) voor, eventueel aangevuld met een door VOF c.s. voorgestane deskundige.
De BV zegt al kosten te hebben gemaakt voor de inschakeling van partijdeskundige [persoon B] en dat partijen daarom ieder de helft van de door een nieuwe deskundige te rekenen kosten dienen te bevoorschotten, terwijl partijen bij een eventuele benoeming van twee deskundigen ieder de kosten van een door die partij zelf voorgestane deskundige dient te bevoorschotten.




6.3.2

Op de mondelinge behandeling zeggen VOF c.s. dat deskundige [persoon C] niet om een nader Deskundigenadvies dient te worden gevraagd, omdat op basis van diens Deskundigenadvies reeds kan en behoort te worden beslist.
Voor het geval dat het hof dat Deskundigenadvies niet voldoende mocht vinden, zal deskundige [persoon C] nog om een reactie kunnen worden gevraagd. En als het hof toch nog een andere deskundige mocht willen benoemen, wensen VOF c.s. in ieder geval een persoon die geen connecties heeft met de BV en stellen zij (iemand van) Van [Z B.V.] te Leiden voor.
VOF c.s. menen dat de BV de extra deskundigenkosten dienen te bevoorschotten, omdat de BV bezwaren heeft tegen de door de rechter benoemde deskundige [persoon C]




Deskundigenadvies van deskundige [persoon C]




6.4.1
Volgens artikel 7:303 lid 2 BW dient de rechter bij de nadere vaststelling van de huurprijs te letten op het gemiddelde van de huurprijzen van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben voorgedaan in een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag van het instellen van de vordering. Ingevolge die wetsbepaling dient iedere aldus in de vergelijking te betrekken huurprijs te worden herleid volgens de algemene ontwikkeling van het prijspeil sinds de dag waarop die huurprijs gold tot aan die van het instellen van de vordering.



6.4.2
Met het oog op de objectieve maatstaf van artikel 7:303 lid 2 BW heeft de rechter bij beschikking van 25 februari 2021 een deskundigenonderzoek bepaald en deskundige [persoon C] benoemd. Deskundige [persoon C] heeft op [nummer] juli 2021 een concept-advies uitgebracht met als voorlopig advies een totale gemiddelde huurwaarde per jaar van € 92.134,--. Na partijen de gelegenheid te hebben geboden om daarop te reageren, heeft deskundige [persoon C] op 23 oktober 2021 het definitieve Deskundigenadvies uitgebracht met als advies een huurwaarde van afgerond € 89.700,-- per jaar exclusief btw. Het op negen vergelijkingsobjecten gebaseerde Deskundigenadvies van deskundige [persoon C] tot uitgangspunt nemend, heeft de kantonrechter met inachtneming van een oppervlakte-correctie van 424,38 m2 naar 442,88 m2 de huurprijs van Strandpaviljoen [nummer] per 2 april 2020 vastgesteld op € 93.696,--, jaarlijks te indexeren overeenkomstig de huurovereenkomst. De oppervlakte-correctie als zodanig is onbestreden, maar de BV bekritiseert het Deskundigenadvies van deskundige [persoon C] nu met name op basis van de pas nadien opgemaakte rapportage d.d. 5 april 2022 van partijdeskundige [persoon B] .



6.4.3
Het hof kan er evenwel niet aan voorbijzien dat deskundige [persoon C] beide partijen bij het onderzoek in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen en in het uiteindelijke Deskundigenadvies gemotiveerd heeft gereageerd op de opmerkingen en verzoeken die partijen naar aanleiding van het concept-advies hebben geuit. Dit geldt ook voor de door de BV en haar toenmalige partijdeskundige [persoon E] op het concept-advies gegeven reacties en gedane suggesties met betrekking tot (gehanteerde en/of voorgestelde) referentiepanden, welke voor deskundige [persoon C] zelfs nog aanleiding waren om aanpassingen in het uiteindelijke Deskundigenadvies te verwerken.



6.4.4

De door deskundige [persoon C] uiteindelijk gebruikte negen vergelijkingsobjecten zijn de strandpaviljoens Neptunus te [vestigingsplaats] , Noordduine te [vestigingsplaats] , High Hill te [vestigingsplaats] , Strand90 te [vestigingsplaats] , Kaapduin te [vestigingsplaats] , De Zeebries te [vestigingsplaats] , De Boomerang te [vestigingsplaats] , BLUV te [vestigingsplaats] en strandbar Bombaai te [vestigingsplaats] . Deskundige [persoon C] heeft de selectie van die negen vergelijkingsobjecten in de kern als volgt toegelicht:

“Voor een correcte weging wordt als uitgangspunt genomen de netto te betalen huurprijzen en zijn de te betalen jaarlijkse huurkosten aan SSW geabstraheerd van de huurprijzen van de vergelijkingsobjecten


(…)


Gebruikelijk is het om een advies ex artikel 7:303 BW tenminste te baseren op 4 á 5 referenties. In dit geval kan worden beschikt over de (…)gegevens van een groter aantal strandpaviljoens. Niet één is identiek, maar allemaal hebben ze meerdere kenmerken die het litigieuze object ook heeft.


De deskundige heeft ervoor gekozen om zich niet te beperken door gebruikelijkheden maar eenvoudigweg 9 referenties (strandpaviljoens) te gebruiken. Nadelig is dit zeker niet en het voordeel hiervan is dat de individuele verschillen minder zwaar meewegen in een grotere referentie set.


(…)


Op grond van de gestelde criteria is er uitsluitend gezocht naar vergelijkbare objecten/ strandpaviljoens gesitueerd op/aan het
strand
en gelegen binnen het door de deskundige vastgestelde
kustgebied op Walcheren
. Bij de keuze is zoveel mogelijk rekening gehouden met dezelfde
actieve horecaexploitatie
(strandpaviljoen) alsmede de
loopafstand
van het strandpaviljoen middels duin- op/overgang t.o.v. de openbare dichtst
bijliggende parkeerplaatsen
. Daarnaast is zoveel mogelijk rekening gehouden met
dezelfde oppervlakte, bouwkundige gedaante en onderhoud toestand
. Indien een object afwijkt op oppervlakte, loopafstand en of onderhoudsniveau dan is daarvoor een correctie op de prijs per m2 toegepast.”





6.4.5

Anders dan de in opdracht van alleen de BV opgestelde rapportage van partijdeskundige [persoon B] , voldoet het Deskundigenadvies van deskundige [persoon C] naar de wijze van tot stand komen aan de aan een onafhankelijk rapport te stellen eisen. De ingebrachte rapportage van partijdeskundige [persoon B] is in opdracht van alleen de BV opgesteld, zodat [persoon B] in deze zaak niet als onafhankelijke deskundige geldt.
Het Deskundigenadvies voldoet ook naar inhoud aan de aan een onafhankelijk rapport te stellen eisen en maakt voldoende inzichtelijk hoe en op basis waarvan deskundige [persoon C] tot de gerapporteerde bevindingen en conclusies is gekomen.
Voor zover de BV meent dat zij alle door deskundige [persoon C] gebruikte informatie moet kunnen controleren, miskent de BV dat deskundige [persoon C] vanwege zijn deskundigheid en professionele ervaring door de rechter is benoemd en in die hoedanigheid geen getuigenis aflegt van hem bekende feiten, maar na onderzoek op basis van zijn deskundigheid en professionele ervaring heeft gerapporteerd. Voor zover dat volgens de BV en haar partijdeskundige [persoon B] ook op een andere wijze had gekund, laat dit onverlet dat de deskundige [persoon C] binnen de grenzen van zijn taak de nodige vrijheid heeft om onderzoek te doen en te rapporteren op de wijze die hem het beste voorkomt. Blijkens het Deskundigenadvies is de door deskundige [persoon C] toegepaste methode op zijn vakgebied algemeen aanvaard, betrouwbaar en valide. Voor zover de BV onder verwijzing naar de rapportage van partijdeskundige [persoon B] beweert dat daarbij van onjuiste feiten is uitgegaan, ziet het hof enkel hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de door deskundige [persoon C] in het Deskundigenadvies nadrukkelijk beschreven verantwoording van de door hem gebruikte feiten of aan de bruikbaarheid daarvan.
Voor zover de BV zich onder verwijzing naar de rapportage van partijdeskundige [persoon B] niet kan vinden in het Deskundigenadvies, maakt dat verder nog niet dat deskundige [persoon C] zijn taak niet onpartijdig heeft volbracht. Het hof oordeelt dat onvoldoende gebleken is van omstandigheden die duiden op een door de deskundige gekoesterde persoonlijke bevooroordeeldheid of vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van deskundige [persoon C] .
Het Deskundigenadvies van deskundige [persoon C] beantwoordt aan de geformuleerde vraagstelling, is voldoende gemotiveerd, navolgbaar en overtuigend en is toereikend voor de onderhavige nadere huurprijsvaststelling door de rechter.




6.4.6
Bij gebrek aan twijfel aan de deskundigheid van de deskundige, aan de zorgvuldigheid van het uitgevoerde deskundigenonderzoek of aan de deugdelijkheid van het tot stand gebrachte Deskundigenadvies, dient in beginsel van de door deskundige [persoon C] in het Deskundigenadvies gerapporteerde bevindingen en conclusies te worden uitgegaan.



6.5
Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de kantonrechter op basis van het Deskundigenadvies van [persoon C] en met inachtneming van de oppervlakte-correctie van 424,38 m2 naar 442,88 m2, de huurprijs van Strandpaviljoen [nummer] per 2 april 2020 terecht heeft vastgesteld op € 93.696,--, jaarlijks te indexeren overeenkomstig de huurovereenkomst (dictum 5.1). Hiermee falen de grieven 1 tot en met 6.



Grief 7



6.6.1
Grief 7 betreft de door de kantonrechter uitgesproken hoofdelijke veroordeling van VOF c.s. tot betaling van de per 2 april 2020 te weinig betaalde huur, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf vonniswijzing (zijnde 12 juli 2023, dictum 5.2). Door deze grief betoogt de BV dat de wettelijke handelsrente al eerder is gaan lopen, namelijk vanaf 2 april 2020 (peildatum), althans 23 oktober 2021 (datum Deskundigenadvies), [nummer] januari 2022 (datum mail waarin VOF c.s. de BV om instemming met de door deskundige [persoon C] geadviseerde huurprijs verzochten) of 27 januari 2022 (datum inleidende dagvaarding).



6.6.2
Omdat de vertraging in de betaling daarvan eerder niet aan VOF c.s. viel toe te rekenen, oordeelt het hof dat de wettelijke handelsrente over het verschil tussen de door deskundige [persoon C] geadviseerde huurprijs van € 89.700,-- per jaar exclusief btw en de daadwerkelijk betaalde huur eerst verschuldigd is vanaf de inleidende dagvaarding van 27 januari 2022, voor zover het betreft het te weinig betaalde tussen 2 april 2020 en de datum van dagvaarding. Dat is de datum waarop VOF c.s. zelf dienovereenkomstig die nadere huurprijsvaststelling hebben gevorderd. Vanaf de datum van dagvaarding is de wettelijke handelsrente over dit verschil verschuldigd per vervaldatum van elke nieuwe huurtermijn. In zoverre is de hierop betrekking hebbende vordering IV van de BV in reconventie alsnog toewijsbaar.



6.6.3
Met betrekking tot de correctie door de kantonrechter naar € 93.696,-- per jaar is de vertraging in de betaling van dit aanvullende verschil tussen deze door de kantonrechter vastgestelde huurprijs en de door deskundige [persoon C] geadviseerde huurprijs echter pas toerekenbaar per datum vonniswijzing. Vanaf die datum is de wettelijke handelsrente over het verschil tussen de daadwerkelijke betaalde huur en de door de kantonrechter vastgestelde huur toewijsbaar per vervaldatum van elke vanaf dan te vervallen huurtermijn (zoals door de BV is gevorderd). Grief 7 treft dus slechts voor een beperkt deel doel.



Grief 8





6.7
Nu het hof de door de kantonrechter vastgestelde huurprijs van Strandpaviljoen [nummer] per 2 april 2020 zal bekrachtigen, behoeven de tot huurprijsvaststellingen strekkende vorderingen I van VOF c.s. in conventie en III van de BV in reconventie geen afzonderlijke bespreking meer. Ditzelfde geldt voor de hierop betrekking hebbende grief 8, die in het verlengde ligt van de hiervoor reeds besproken grieven.



Grief 9




6.8
Met grief 9 bouwt de BV voort op de andere grieven. Deze grief ontbeert zelfstandige betekenis.



Slotsom




6.9

Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, passeert het hof wat de BV verder nog te bewijzen aanbiedt.
Het hof komt tot de slotsom dat het beroepen vonnis alleen dient te worden vernietigd voor zover daarbij de gevorderde wettelijke handelsrente voor de periode vanaf 27 januari 2022 tot en met 12 juli 2023 is afgewezen. Het hof zal vordering IV van de BV in reconventie in zoverre alsnog toewijzen door de hierna te noemen aanpassing van het door de kantonrechter uitgesproken dictum 5.2. Het beroepen vonnis dient voor het overige te worden bekrachtigd, ook voor zover daarbij terecht de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie zijn gecompenseerd.
De in dit hoger beroep overwegend in het ongelijk te stellen BV zal in de proceskosten ervan worden veroordeeld, te vermeerderen met de verlangde wettelijke rente hierover. Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van VOF c.s. op:



griffierecht € 783,--


salaris advocaat € 5.532,50 (2,5 punten x tarief IV HB)



nakosten € 178,-- (plus verhoging conform beslissing)



totaal € 6.493,50.
Het hof beslist nu als volgt.






7De uitspraak


Het hof:



vernietigt het beroepen vonnis van 12 juli 2023 alleen voor zover daarbij:

- onder dictum 5.2 VOF c.s. hoofdelijk veroordeeld zijn om aan de BV te betalen een bedrag gelijk

aan het verschil tussen de onder 5.1. per 2 april 2020 vastgestelde huurprijs en de door VOF c.s. betaalde huurprijs, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf de dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele betaling;
en doet in zoverre opnieuw recht:

- veroordeelt VOF c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW:

 vanaf 27 januari 2022 tot aan 12 juli 2023 over verschil tussen de door deskundige [persoon C] geadviseerde huurprijs van € 89.700,-- en de door VOF c.s. daadwerkelijke betaalde huurprijs, steeds met ingang van de vervaldatum van elke na 27 januari 2022 tot aan 12 juli 2023 verschenen huurtermijn tot aan de dag van algehele betaling;
 vanaf 12 juli 2023 over het verschil tussen de onder 5.1. van het vonnis vastgestelde huurprijs per 2 april 2020 en de door VOF c.s. daadwerkelijk betaalde huurprijs, steeds met ingang van de vervaldatum van elke na 12 juli 2023 verschenen huurtermijn tot aan de dag van algehele betaling;
en bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;



veroordeelt de BV tot betaling van de proceskosten van VOF c.s. ten bedrage van € 6.493,50 voor dit hoger beroep, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als de BV de proceskosten niet tijdig voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de BV € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt de BV tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



verklaart de betalingsveroordelingen in dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 januari 2026.




griffier rolraadsheer