Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:64
2025-01-14
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.337.631_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:64 → ECLI:NL:RBZWB:2023:8184
Inhoudsindicatie
Geschil over de hoogte van de door een eigenaar van een bungalow op een vakantiepark te betalen parkbijdrage voor diensten en service. Door bestendige gedragingen van partijen is sprake van een overeenkomst die inhoudt dat de exploitant bepaalde diensten en service dient te verlenen en dat de bungaloweigenaar een bepaalde parkbijdrage dient te betalen. Omdat over de hoogte van de parkbijdrage niets is afgesproken vertoont de overeenkomst tussen partijen in zoverre een leemte. Die leemte moet worden ingevuld op grond van de tussen partijen te betrachten redelijkheid en billijkheid
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.620 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.631/01
arrest van 14 januari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.G. Hop te Dreischor, gemeente Schouwen-Duiveland,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer te [woonplaats] ,
op het bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 8 maart 2023, 30 augustus 2023 en 22 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9959544 \ CV EXPL 22-1912)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en eiswijziging;
de akte inbreng producties van [appellante] met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de bij brief van 15 november 2024 door [appellante] toegezonden producties 6 tot en met 9, die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort
[appellante] is eigenaar en exploitant van een vakantiepark in Zeeland. [geïntimeerde] is eigenaar van drie van de 47 kavels met bungalow op dat vakantiepark. [geïntimeerde] maakt gebruik van enkele diensten en service die [appellante] op het vakantiepark verstrekt. Voor die diensten en service brengt [appellante] jaarlijks kosten in rekening in de vorm van een parkbijdrage. [appellante] en [geïntimeerde] hebben over de hoogte van die parkbijdrage niets afgesproken. Daarom moet de hoogte van de door [geïntimeerde] te betalen parkbijdrage door [appellante] worden begroot aan de hand van haar boekhouding, mede met inachtneming van de tussen partijen over en weer te betrachten redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] heeft zekeringen in zijn bungalows die samen een hoger aantal Ampère hebben dan de zekering die [appellante] in een kast buiten de bungalows heeft aangebracht. [geïntimeerde] heeft ook zonnepanelen op het dak van zijn bungalows. Dit alles mag alleen als dit geen schade of gevaar oplevert voor het elektranetwerk van [appellante] .
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Het hof stelt in dit hoger beroep de volgende feiten vast.
3.1.1.
Op 13 maart 2019 is [bedrijf A] eigenaar geworden van de grond waarop zich al sinds de jaren ’60 een camping bevindt onder de naam ‘ [naam A] ’. In 1992 zijn 47 zich op de camping bevindende bouwkavels verkocht aan derden zoals [geïntimeerde] , die daarop een vakantiewoning hebben gebouwd. Daarbij is bij erfdienstbaarheden geregeld dat de eigenaren van deze kavels een recht van overpad hebben over de bestaande wegen van de camping van en naar de uitgang en dat de grondeigenaar van de camping een erfdienstbaarheid heeft voor het leggen, hebben, houden, onderhouden en repareren van kabels en/of leidingen ten dienste van de voorziening van gas, elektriciteit, water en riolering op de grond van de kaveleigenaar.
3.1.2.
Artikel 10 van de Gedragsregels en Serviceovereenkomst van camping [naam A] luidde als volgt:
“10.
Nutsvoorzieningen:
ELEKTRA: Op uw plaats heeft u de beschikking over 10 Ampère stroom, dat is (theoretisch) 2200 Watt. Voor een normaal gebruik met koelkast(en), TV, verlichting e.d. is dit meer dan voldoende.
Het is af te raden om in uw vakantieverblijf stoppen met een hogere waarde dan 10 Ampère te gebruiken. Als de totale waarde van de stoppen die u binnen gebruikt groter is dan 10 Ampère wordt het steeds waarschijnlijker dat bij een storing uw eigen stop heel blijft, maar de stop in onze terreininstallatie springt.
Als door uw schuld een zekering of aardlekschakelaar in de terreininstallatie springt kunnen wij u f 5,- berekenen.
De elektrische installatie is (vanaf de toevoerzijde gezien) tot en met de KWH meter eigendom van de ondernemer. Na de KWH meter is de recreant verantwoordelijk voor de elektrische installatie in de bungalow. (…)”
3.1.3.
De exploitatie van de camping [naam A] is vanaf 1 april 2019 in handen van [appellante] . Per 15 juli 2020 heeft [appellante] de grond van [bedrijf A] gekocht en in eigendom verkregen. Per die datum is [appellante] zowel eigenaar van de grond, als exploitant van de camping. De naam van de camping is gewijzigd in ‘ [vakantiepark A] ’ (hierna: het vakantiepark).
3.1.4.
Het vakantiepark bestaat uit verscheidende delen: grondstukken ten behoeve van recreatief gebruik als camping met jaarplaatsen en plaatsen voor kort verblijf (in totaal ongeveer 350 plekken om te kamperen) en een chaletpark. In het midden van het terrein is het deel gelegen met 47 kavels met bungalows die in eigendom toebehoren aan bungaloweigenaren. Zes kavels hiervan zijn eigendom van [appellante] . Deze laatste kavels worden door [appellante] zelf verhuurd aan derden voor recreatie.
3.1.5.
[geïntimeerde] is sinds 1993 eigenaar van de kavel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding A] (thans bungalow nr. 82), sinds 2005 eveneens eigenaar van [kadastrale aanduiding B] (bungalow nr. 72) en sinds 2021 ook eigenaar van [kadastrale aanduiding C] (bungalow nr. 10).
3.1.6.
[appellante] heeft de parkbijdrage per bungalow vastgesteld op € 770,- voor 2019, € 1.050,- voor 2020, € 1.125,- voor 2021, € 1.170,- voor 2022 en € 1.287,- voor 2023. Alle bedragen zijn inclusief btw. [geïntimeerde] heeft de parkbijdrage voor 2019 voldaan.
[geïntimeerde] en diverse andere bungalowbewoners betwisten de hoogte van de met ingang van 2020 door [appellante] doorgevoerde verhoging van de parkbijdrage en de kosten van leveranties van diensten. Overleg over de hoogte van de parkbijdrage en het tarief van de nutsvoorzieningen dat vanaf 2019 regelmatig heeft plaats gevonden, zowel tussen (de bestuurder van) [appellante] , de vereniging van bungaloweigenaren, individuele bungalowbewoners alsmede de bij deze zaak betrokken advocaten leverde geen oplossing op. Daarnaast twisten [appellante] en [geïntimeerde] over de hoogte van het aantal Ampère dat de zekeringen in de bungalows van [geïntimeerde] in totaal mag bedragen.
3.1.7.
In de eerste helft van 2024 heeft [appellante] buiten de bungalows elektrakasten met een zekering van 16 ampère per bungalow aangelegd. [appellante] heeft ook vanaf die kasten naar de bungalows nieuwe en zwaardere elektrakabels aangelegd.
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In deze procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg, na wijzigingen van eis, om [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen tot:
A. betaling aan [appellante] van een bedrag € 5.496,54 uit hoofde van niet betaalde facturen ter zake parkbijdrage en nutsvoorziening;
B. betaling aan [appellante] van een bedrag van € 179,- aan wettelijke rente tot en met 1 april 2022 over het onder A genoemde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 5.496,54 vanaf 2 april 2022 tot de dag der algehele voldoening;
C. betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 649,83;
D. [geïntimeerde] te gebieden om in zijn elektrische installatie geen zekeringen van meer dan 10 Ampère te installeren op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-;
E. te verklaren voor recht dat de service-overeenkomst (opgenomen als productie 10 in dit
geding) tussen partijen heeft te gelden zolang [geïntimeerde] (mede-)eigenaar is van een bungalow op [vakantiepark A] ;
F. tot betaling van een bedrag van € 3.381,31 ter zake de deels onbetaald gebleven facturen
met nummers GP2022573 tot en met GP2022575;
G. betaling van de kosten van dit geding alsmede;
H. betaling van de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening
van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten.
3.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [appellante] , kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd. De parkbijdrage die [geïntimeerde] tot 2020 betaalde is veel te laag in verhouding tot de kosten die [appellante] mede ten behoeve van bungaloweigenaren zoals [geïntimeerde] maakt. Uit artikel 10 van de Gedragsregels en Serviceovereenkomst volgt dat de zekering in de bungalows maximaal 10 Ampère mag bedragen. Het overschrijden hiervan door [geïntimeerde] brengt schade voor [appellante] en veiligheidsrisico’s mee. De redelijkheid en billijkheid vergen van [geïntimeerde] dat hij zijn elektragebruik aanpast aan de capaciteit van het elektranetwerk.
3.2.3.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In 4.1. tot en met 4.3. van het tussenvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat de parkbijdrage van € 770,- vanaf 2020 mag worden geïndexeerd aan de hand van het Consumentenprijsindexcijfer (CPI) zoals dat wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] op het punt van de parkbijdrage voor het overige niet toewijsbaar geacht. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellante] met de verwijzing naar lijstjes met posten en bedragen met betrekking tot de jaren 2020 (productie 15) en 2021 (productie 19) geen althans een onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van wat onder ieder van die posten is begrepen en waarom die zijn aan te merken als parkkosten die aan (de bungalows van) [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
In 4.8. tot en met 4.11. van dit tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen de vordering met betrekking tot de in de bungalow van [geïntimeerde] te installeren zekeringen niet toewijsbaar te achten. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellante] onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] door zijn elektraverbruik of door het gebruik van zekeringen van 16 Ampère gevaar veroorzaakt.
3.2.5.
In het eindvonnis van 22 november 2023 heeft de kantonrechter, na de hoogte van de door [geïntimeerde] verschuldigde parkbijdrage en servicekosten te hebben vastgesteld en de door [geïntimeerde] verrichte betalingen daarop in mindering te hebben gebracht, [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 99,58, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis. De kantonrechter heeft het meer of anders door [appellante] gevorderde afgewezen en [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd en haar vordering gewijzigd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en gevorderd om opnieuw recht doende [geïntimeerde] hoofdelijk te veroordelen:
A. tot betaling aan [appellante] van een bedrag € 3.362,41 uit hoofde van niet betaalde facturen inzake de parkbijdrage;
B. tot betaling aan [appellante] van de wettelijke rente vanaf 5 april 2022 over het onder A
genoemde bedrag tot de dag der algehele voldoening;
C. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 461,24;
en
D. [geïntimeerde] te gebieden om in de elektrische installaties in de vakantiebungalows nummers 10 en 82 op het [vakantiepark A] niet meer dan twee zekeringen van ieder
maximaal 10 Ampère per vakantiebungalow te installeren telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per vakantiebungalow per dag met een maximum van € 50.000,-;
E. [geïntimeerde] te gebieden om in de vakantiebungalows nummers 10 en 82 op het [vakantiepark A] geen zonnepanelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] op straffe van verbeurte van een dwangsom per vakantiebungalow van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-;
en
F. bij toewijzing van een of meerdere hierboven genoemde vorderingen [geïntimeerde] ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van beide instanties en;
G. tot betaling van de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
[geïntimeerde] heeft geen processuele bezwaren aangevoerd tegen de wijziging van eis van [appellante] . Het hof acht de wijziging ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Twee geschilpunten
3.5.
Het hof constateert dat de rechtsstrijd tussen partijen in hoger beroep ten opzichte van die in de eerste aanleg beperkter van omvang is. Het hoger beroep betreft twee vragen:
1. Is [geïntimeerde] gehouden de door [appellante] over de jaren 2020 tot en met 2023 aan [geïntimeerde] gefactureerde parkbijdrage te betalen;
2. Mag [appellante] aan [geïntimeerde] verbieden om in zijn vakantiebungalows met nummers 10 en 82 meer dan twee zekeringen van ieder maximaal 10 Ampère per vakantiebungalow te hebben en om op die bungalows geplaatste zonnepanelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] .
Grief 1 van [appellante] ziet op de eerste vraag en grief 2 op de tweede vraag.
Het hof overweegt het volgende.
Ten aanzien van de parkbijdrage
3.6.
Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is nooit mondeling of schriftelijk een overeenkomst gesloten over door [appellante] te verlenen diensten en service enerzijds en een daar tegenover staande door [geïntimeerde] te betalen parkbijdrage anderzijds. Evenmin is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] een dergelijke overeenkomst met een vorige parkeigenaar heeft gesloten en dat [appellante] dat contract zou hebben overgenomen. Wel is tussen partijen door hun bestendige gedragingen over en weer (waaronder het factureren en betalen van de parkbijdrage) een rechtsverhouding ontstaan die kwalificeert als overeenkomst en die inhoudt dat [appellante] gehouden is jegens [geïntimeerde] als bungaloweigenaar een aantal diensten en service te verlenen en dat [geïntimeerde] daarvoor een parkbijdrage dient te betalen. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] dat tussen partijen in 2019 een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat [appellante] voor onbepaalde tijd gehouden is verleende diensten en service tegen een bedrag van € 770,- inclusief btw te betalen. Het enkel eenmalig betalen van een factuur van die hoogte is daartoe onvoldoende. [geïntimeerde] heeft op basis daarvan niet mogen verwachten dat de verleende diensten en service ook voor de daaropvolgende jaren voor dat bedrag zouden worden geleverd door [appellante] . [geïntimeerde] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijk bedrag ook voor de daaropvolgende jaren is overeengekomen.
3.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten en service die [appellante] aan de bungaloweigenaren dient te verlenen de in nummer 10 van de dagvaarding in hoger beroep vermelde diensten en service betreft. Dit zijn:
o Algemene verlichting op het park
o Onderhoud en zo nodig vervanging van wegen en groenvoorzieningen
o Onderhoud en schoonhouden van de milieustraat
o Onderhoud en servicecontract toegangssysteem
o Onderhoud en servicecontract beveiligingscamera’s
o Onderhoud van gas-, water -, en elektraleidingen tot aan de meters (inclusief het verhelpen van storingen)
o Jaarlijkse opname van de meterstanden t.b.v. jaarafrekening inclusief administratieve
verwerking
o Wekelijks ophalen huisvuilzakken welke bij de receptie gekocht zijn (hoogseizoen 2 x per week)
o Afvoeren van klein tuinafval (l x per week op zaterdag) in te leveren bij de milieustraat
o OZB aanslagen i.v.m. algemeen in gebruik zijnde parkeerplaatsen/groenstroken op het
bungalowgedeelte
o Wifi
o CAI
o Toezicht (24/7)
3.8.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat [geïntimeerde] gehouden is een parkbijdrage te betalen en evenmin, zo begrijpt het hof uit nummer 20 van de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , dat de hoogte van die bijdrage afhankelijk is van de kosten die [appellante] voor diensten en service maakt, voor zover die aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen.
3.9.
Partijen hebben echter nooit afspraken gemaakt over de hoogte van de door [appellante] aan [geïntimeerde] in rekening te brengen parkbijdrage. Nu partijen hierover niets hebben afgesproken en evenmin op basis van gedragingen van partijen de hoogte hiervan kan worden vastgesteld, vertoont de in 3.6. door het hof beschreven overeenkomst tussen partijen in zoverre een leemte. Deze leemte dient op basis van de redelijkheid en billijkheid die de bij de overeenkomst betrokken partijen over en weer jegens elkaar dienen te betrachten te worden ingevuld.
3.10.
Tussen partijen is in geschil hoe die leemte moet worden ingevuld. Of, met andere woorden, hoe moet worden bepaald wat de hoogte is van de door [appellante] gemaakte en aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar toe te rekenen kosten over de jaren 2020 tot en met 2023.
3.11.
[appellante] is de partij die de hoogte van de parkbijdrage over de jaren 2020 tot en met 2023 heeft bepaald en van [geïntimeerde] betaling vordert van facturen over die jaren. Het is daarom aan [appellante] om gegevens aan te reiken die tot het oordeel kunnen leiden dat de door [appellante] in rekening gebrachte bedragen zijn gebaseerd op a) door [appellante] voor diensten en service zoals hierboven opgesomd in 3.7. gemaakte kosten, die b) aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen. Daarbij gelden als voorwaarden dat de kosten voor de desbetreffende diensten en service als redelijk (en niet als buitensporig) kunnen worden beschouwd en dat die kosten in redelijkheid aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen. [appellante] is tot het aanreiken van de benodigde gegevens en het motiveren van de toerekening van kosten in staat, althans behoort daartoe in staat te zijn, nu de benodigde informatie van de gemaakte kosten (mede) aan haar boekhouding kan, althans behoort te kunnen worden ontleend. Op deze wijze dient de hoogte van de parkbijdrage te worden bepaald, waarmee de leemte in de overeenkomst tussen partijen wordt ingevuld.
3.12.
De kantonrechter heeft naar aanleiding van de verwijzing door [appellante] naar lijstjes van posten en bedragen met betrekking tot de jaren 2020 (productie 15) en 2021 (productie 19), geoordeeld dat [appellante] daarmee geen, althans een onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van wat onder ieder van de in 3.7. vermelde posten is begrepen en waarom de vermelde kosten zijn aan te merken als parkkosten die aan (de bungalows van) [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Daarom heeft [appellante] in hoger beroep een rapport van [bedrijf B] (hierna: [bedrijf B] ) van 17 mei 2023 overgelegd. [appellante] betoogt op grond van dat rapport het volgende. De onafhankelijke onderzoeker/deskundige heeft de volledige vrije hand gekregen om de boekhouding van [appellante] te onderzoeken en op basis daarvan en op grond van zijn expertise vast te stellen wat de kosten zijn die [appellante] maakt ten behoeve van de bungaloweigenaren. De onderzoeker heeft daarbij onderscheid gemaakt tussen het tarief dat nodig is om het park in stand te houden en het tarief dat benodigd is om het park in de toekomst te vernieuwen. De tarieven voor het louter in stand houden van het vakantiepark of het doorvoeren van in de toekomst noodzakelijke vernieuwingen en veranderingen komen voor de bungaloweigenaren uit op de volgende bedragen:
Jaar Standhouden Toekomstgericht
2021 € 2.162,00 € 2.810,00
2022 € 2.067,00 € 2.715,00
2023 € 2.273,70 € 2.986,50 CPI 2022:10
Het bedrag dat [appellante] aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht over de periode 2020 tot en met 2023 is al ver beneden de marktconforme prijzen die in andere parken moeten worden betaald en ver onder hetgeen [appellante] gelet op het rapport van [bedrijf B] feitelijk aan kosten blijkt te hebben gemaakt. [appellante] meent op basis van de door haar overgelegde onderdelen van haar boekhouding en de daarbij behorende berekening door [bedrijf B] van hetgeen zij jaarlijks aan kosten maakte ten behoeve van de bungaloweigenaren voldoende te hebben onderbouwd dat de verhogingen over de jaren 2020 tot en met 2023 redelijk waren.
3.13.
[geïntimeerde] heeft voormeld standpunt van [appellante] weersproken.
3.14.
Het hof overweegt het volgende. Met het rapport van [bedrijf B] is niet voldaan aan hetgeen van [appellante] is te vergen, wat het hof hierboven in 3.11 heeft uiteengezet. Bijlage 2 bij het rapport van [bedrijf B] , een onderdeel van de winst en verliesrekening van [appellante] waar in het rapport voor de onderbouwing van uitgaven naar wordt verwezen, bevat posten die in het geheel niet overeenstemmen met de in 3.7. vermelde posten. Een winst- en verliesrekening bevat bovendien onvoldoende informatie om op controleerbare wijze inzicht te verschaffen in bij de parkbijdrage in aanmerking genomen kosten. In het rapport van [bedrijf B] zijn de volgende posten voor het begroten van de parkbijdrage betrokken.
- Kosten Nutsvoorzieningen
- Kosten ophalen vuilnis
- Personeelskosten
- Huisvestingskosten incl. CAI
- Auto en transportkosten
- Verkoop gerelateerde kosten
- Kantoorkosten
- Algemene kosten
- Exploitatiekosten
- Kapitaallasten
In het rapport van [bedrijf B] zijn meer kosten betrokken dan uitsluitend die met betrekking tot de in 3.7. vermelde posten. Het hof ziet geen motivering waarom de kosten van verbruik van gas, water en elektra, die los van de parkbijdrage aan bungaloweigenaren in rekening worden gebracht, tevens in de parkbijdrage mogen worden betrokken. Het hof wijst voorts onder andere op de posten ‘Verkoop gerelateerde kosten’ en ‘Algemene kosten’. Het rapport van [bedrijf B] bevat geen, althans geen inzichtelijke motivering op welke wijze de in het rapport besproken posten betrekking hebben op de in 3.7. vermelde kostenposten op grond waarvan de parkbijdrage voor de bungaloweigenaren moet worden begroot. Het rapport bevat voorts geen deugdelijke motivering waarom het redelijk is een bepaald bedrag aan voor het totale vakantiepark gemaakte kosten aan de bungaloweigenaren toe te rekenen. Voor een enkele post, zoals de post “Kosten ophalen vuilnis’ (afvalverwerking) volstaat mogelijk wel een voor elke kavel gelijk bedrag. Maar voor zover personeelskosten wel aan enige in 3.7. vermelde post zijn toe te rekenen volstaat een dergelijke rekensom niet.
3.15.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de facturen voor de parkbijdrage die [appellante] over 2020 tot en met 2023 aan [geïntimeerde] heeft gezonden een deugdelijke grondslag ontberen en dat de vordering in hoger beroep tot betaling van het onbetaald gelaten deel daarvan niet toewijsbaar is.
3.16.
[appellante] heeft bewijs aangeboden van al haar stellingen, waarbij zij wijst op de overgelegde bescheiden en eventueel nader te overleggen bescheiden en/of verklaringen en diverse nader aan te duiden getuigen en/of het overleggen van nadere bescheiden. Een dergelijk aanbod is te algemeen en wordt daarom gepasseerd. Grief 1 faalt.
3.17.
Ten behoeve van [appellante] overweegt het hof nog het volgende. Wat [appellante] voorafgaand aan het verzenden van de factuur voor de parkbijdrage zou kunnen doen is het volgende. [appellante] zou op basis van cijfers uit haar boekhouding een begroting kunnen maken van uitsluitend de kosten die zij in verband met de hierboven in 3.7. vermelde posten redelijkerwijs ten behoeve van de bungaloweigenaren moet maken. Die begroting moet dan wel een inzichtelijke motivering bevatten die controleerbaar is voor de bungaloweigenaren en - indien nodig - voor de rechter. Voor zover de hiervoor bedoelde posten niet uitsluitend het gedeelte betreffen van de bungaloweigenaren zoals [geïntimeerde] maar het gehele park, gaat het in eerste instantie om de totale kosten voor uitsluitend de desbetreffende in 3.7 vermelde post. Vervolgens dient [appellante] te motiveren welk deel van die kostenpost voor het gehele park aan de bungaloweigenaren is toe te rekenen. De hoogte van de voor een post in aanmerking te nemen kosten moet redelijk (dus niet buitensporig) zijn en de toerekening van een deel van de kosten aan de kavels van de bungaloweigenaren moet redelijk zijn. [appellante] kan dit zelf doen of haar accountant daarvoor inschakelen. Een bungaloweigenaar mag betaling van een parkbijdrage die op deze wijze gemotiveerd is vastgesteld in redelijkheid niet zonder goede redenen weigeren. Indien [appellante] vervolgens een op deze wijze vastgestelde parkbijdrage voor een opvolgend jaar wenst te verhogen met louter een indexering op basis van het CPI, is voormelde begroting niet opnieuw van [appellante] te vergen. Een dergelijke verhoging mag [geïntimeerde] in beginsel niet weigeren, mede gelet op hetgeen de kantonrechter hierover heeft beslist en waartegen geen grief is gericht, en hetgeen dus tussen partijen vaststaat.
Ten aanzien van de belasting van het elektranet van [appellante]
3.18.
[appellante] verwijt [geïntimeerde] het volgende. [geïntimeerde] belast het elektriciteitsnetwerk van [appellante] dusdanig dat ten eerste de zekeringen regelmatig ‘springen’ en het gevaar van doorbranden door oververhitting is toegenomen en niet uitgesloten kan worden dat ook voor de andere vakantiebungalows de toevoerleidingen door overbelasting doorbranden, al dan niet met (ernstige) brandschade tot gevolg. Het is daarom geïndiceerd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om maximaal twee 10 Ampère zekeringen te installeren in zijn elektrische installatie opdat de 30 Ampère belasting niet wordt overschreden. De zekering aan de zijde van [appellante] betreft 30 Ampère teneinde piekbelasting op te vangen. Oorspronkelijk waren er per vakantiebungalow ook twee groepen met ieder één zekering van 10 Ampère hetgeen het netwerk aan kan. [geïntimeerde] heeft hier groepen aan toegevoegd en deze groepen voorzien van zekeringen van 16 Ampère (of meer). Er dient terug gegaan te worden naar de oorspronkelijke situatie. Daarnaast heeft [geïntimeerde] op vakantiebungalows nummers 10 en 82 zonder toestemming van [appellante] zonnepanelen geïnstalleerd en is hij voornemens om deze panelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] . Het elektrisch netwerk van [appellante] dat dateert uit beginjaren ’90 is in het geheel niet berekend op het terug leveren van stroom aan het netwerk.
3.19.
[geïntimeerde] betwist dat als gevolg van de zwaarte van de zekeringen in de groepenkasten in de bungalows nummers 10 en 82 of als gevolg van het aansluiten van op die bungalows geplaatste zonnepanelen schade aan of gevaar voor het elektranet van [appellante] wordt veroorzaakt.
3.20.
Het hof overweegt allereerst dat de door [appellante] over de door [geïntimeerde] zelf gebruikte bungalow nummer 72 gemaakte verwijten onbesproken blijven en niet in de beoordeling worden betrokken omdat de vordering van [appellante] niet op deze bungalow ziet. Het hof ziet voorts onvoldoende onderbouwing van [appellante] om haar vordering jegens [geïntimeerde] met betrekking tot de bungalows nummers 10 en 82 toewijsbaar te achten. Daartoe is het volgende redengevend.
Van Hees verklaart het volgende (productie 8 in eerste aanleg).
“Veiligheidsadvies:
Wat zorgen baart, is het feit dat zekeringen bij de verdeler in de meterkast regelmatig
uitvallen door overstroom. Zoals u vermeld, hebben meerdere bewoners op eigen initiatief het aantal groepen en de afzekeringen in de eigen woning verzwaard. Hierdoor gaat bij overstroom niet de zekering bij de bewoner eruit, maar bij uw verdeler. Waarschijnlijk is de aanwezige bekabeling hier destijds ook niet op berekend. Dit kan tot gevaarlijke situaties lelden. Wij adviseren u om hier direct naar te laten kijken.”
[bedrijf C] verklaart daarna op 6 december 2022 (productie 24 in eerste aanleg) dat door verkeerd gebruik van het netwerk in de vorm van overbelasting door 9 bungaloweigenaren de levensduur van de voedingskabel ernstig is verkort en dat deze nu vervangen dienden te worden. Deze verklaring ziet blijkens de verklaring van [bedrijf C] echter op kabels die bij aanleg waren berekend op een stroomgebruik van 1x10 Ampère per bungalow. De situatie is inmiddels gewijzigd door de aanleg van nieuwe sterkere voedingskabels in de eerste helft van 2024. De veiligheid van het elektranet is door nieuwe kabels en een zekeringenkast met zwaardere zekeringen dus verbeterd. Het ontbreekt het hof aan door [appellante] te stellen en op de bungalows nummers 10 en 82 van [geïntimeerde] toegespitste feiten en omstandigheden en concrete en gemotiveerde verklaringen van een deskundig elektricien om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] vanaf nu tot aan de realisatie van de aansluiting van de bungalows met de zekeringen of de zonnepanelen van de nummers 10 en 82 op het netwerk van Stedin (gepland in 2025) gevaar voor of schade aan het netwerk van [appellante] zal veroorzaken vanwege belasting van het elektranet van [appellante] door die bungalows. De vordering ontbeert daarom een deugdelijk grondslag. Grief 2 faalt. Dit alles vrijwaart [geïntimeerde] geenszins voor na de datum van dit arrest door overbelasting aan het van nieuwe kabels en zekeringenkast voorziene elektranet veroorzaakte schade door de (gebruikers van de) bungalows nummers 10 en 82. Indien aan de wettelijke eisen voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is voldaan, is hij ter zake schadeplichtig jegens [appellante] .
Conclusie
3.21.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de grieven falen en dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, voor zover die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
- Griffierechten € 349,-
- Salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x € 1.214,-)
- Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- Totaal € 2.955,-
4De uitspraak
Het hof:
wijst de gewijzigde vorderingen van [appellante] af;
bekrachtigt de bestreden vonnissen, voor die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep € 2.955,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, A.L. Bervoets en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.631/01
arrest van 14 januari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.G. Hop te Dreischor, gemeente Schouwen-Duiveland,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer te [woonplaats] ,
op het bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 8 maart 2023, 30 augustus 2023 en 22 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9959544 \ CV EXPL 22-1912)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en eiswijziging;
de akte inbreng producties van [appellante] met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de bij brief van 15 november 2024 door [appellante] toegezonden producties 6 tot en met 9, die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort
[appellante] is eigenaar en exploitant van een vakantiepark in Zeeland. [geïntimeerde] is eigenaar van drie van de 47 kavels met bungalow op dat vakantiepark. [geïntimeerde] maakt gebruik van enkele diensten en service die [appellante] op het vakantiepark verstrekt. Voor die diensten en service brengt [appellante] jaarlijks kosten in rekening in de vorm van een parkbijdrage. [appellante] en [geïntimeerde] hebben over de hoogte van die parkbijdrage niets afgesproken. Daarom moet de hoogte van de door [geïntimeerde] te betalen parkbijdrage door [appellante] worden begroot aan de hand van haar boekhouding, mede met inachtneming van de tussen partijen over en weer te betrachten redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] heeft zekeringen in zijn bungalows die samen een hoger aantal Ampère hebben dan de zekering die [appellante] in een kast buiten de bungalows heeft aangebracht. [geïntimeerde] heeft ook zonnepanelen op het dak van zijn bungalows. Dit alles mag alleen als dit geen schade of gevaar oplevert voor het elektranetwerk van [appellante] .
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Het hof stelt in dit hoger beroep de volgende feiten vast.
3.1.1.
Op 13 maart 2019 is [bedrijf A] eigenaar geworden van de grond waarop zich al sinds de jaren ’60 een camping bevindt onder de naam ‘ [naam A] ’. In 1992 zijn 47 zich op de camping bevindende bouwkavels verkocht aan derden zoals [geïntimeerde] , die daarop een vakantiewoning hebben gebouwd. Daarbij is bij erfdienstbaarheden geregeld dat de eigenaren van deze kavels een recht van overpad hebben over de bestaande wegen van de camping van en naar de uitgang en dat de grondeigenaar van de camping een erfdienstbaarheid heeft voor het leggen, hebben, houden, onderhouden en repareren van kabels en/of leidingen ten dienste van de voorziening van gas, elektriciteit, water en riolering op de grond van de kaveleigenaar.
3.1.2.
Artikel 10 van de Gedragsregels en Serviceovereenkomst van camping [naam A] luidde als volgt:
“10.
Nutsvoorzieningen:
ELEKTRA: Op uw plaats heeft u de beschikking over 10 Ampère stroom, dat is (theoretisch) 2200 Watt. Voor een normaal gebruik met koelkast(en), TV, verlichting e.d. is dit meer dan voldoende.
Het is af te raden om in uw vakantieverblijf stoppen met een hogere waarde dan 10 Ampère te gebruiken. Als de totale waarde van de stoppen die u binnen gebruikt groter is dan 10 Ampère wordt het steeds waarschijnlijker dat bij een storing uw eigen stop heel blijft, maar de stop in onze terreininstallatie springt.
Als door uw schuld een zekering of aardlekschakelaar in de terreininstallatie springt kunnen wij u f 5,- berekenen.
De elektrische installatie is (vanaf de toevoerzijde gezien) tot en met de KWH meter eigendom van de ondernemer. Na de KWH meter is de recreant verantwoordelijk voor de elektrische installatie in de bungalow. (…)”
3.1.3.
De exploitatie van de camping [naam A] is vanaf 1 april 2019 in handen van [appellante] . Per 15 juli 2020 heeft [appellante] de grond van [bedrijf A] gekocht en in eigendom verkregen. Per die datum is [appellante] zowel eigenaar van de grond, als exploitant van de camping. De naam van de camping is gewijzigd in ‘ [vakantiepark A] ’ (hierna: het vakantiepark).
3.1.4.
Het vakantiepark bestaat uit verscheidende delen: grondstukken ten behoeve van recreatief gebruik als camping met jaarplaatsen en plaatsen voor kort verblijf (in totaal ongeveer 350 plekken om te kamperen) en een chaletpark. In het midden van het terrein is het deel gelegen met 47 kavels met bungalows die in eigendom toebehoren aan bungaloweigenaren. Zes kavels hiervan zijn eigendom van [appellante] . Deze laatste kavels worden door [appellante] zelf verhuurd aan derden voor recreatie.
3.1.5.
[geïntimeerde] is sinds 1993 eigenaar van de kavel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding A] (thans bungalow nr. 82), sinds 2005 eveneens eigenaar van [kadastrale aanduiding B] (bungalow nr. 72) en sinds 2021 ook eigenaar van [kadastrale aanduiding C] (bungalow nr. 10).
3.1.6.
[appellante] heeft de parkbijdrage per bungalow vastgesteld op € 770,- voor 2019, € 1.050,- voor 2020, € 1.125,- voor 2021, € 1.170,- voor 2022 en € 1.287,- voor 2023. Alle bedragen zijn inclusief btw. [geïntimeerde] heeft de parkbijdrage voor 2019 voldaan.
[geïntimeerde] en diverse andere bungalowbewoners betwisten de hoogte van de met ingang van 2020 door [appellante] doorgevoerde verhoging van de parkbijdrage en de kosten van leveranties van diensten. Overleg over de hoogte van de parkbijdrage en het tarief van de nutsvoorzieningen dat vanaf 2019 regelmatig heeft plaats gevonden, zowel tussen (de bestuurder van) [appellante] , de vereniging van bungaloweigenaren, individuele bungalowbewoners alsmede de bij deze zaak betrokken advocaten leverde geen oplossing op. Daarnaast twisten [appellante] en [geïntimeerde] over de hoogte van het aantal Ampère dat de zekeringen in de bungalows van [geïntimeerde] in totaal mag bedragen.
3.1.7.
In de eerste helft van 2024 heeft [appellante] buiten de bungalows elektrakasten met een zekering van 16 ampère per bungalow aangelegd. [appellante] heeft ook vanaf die kasten naar de bungalows nieuwe en zwaardere elektrakabels aangelegd.
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In deze procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg, na wijzigingen van eis, om [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen tot:
A. betaling aan [appellante] van een bedrag € 5.496,54 uit hoofde van niet betaalde facturen ter zake parkbijdrage en nutsvoorziening;
B. betaling aan [appellante] van een bedrag van € 179,- aan wettelijke rente tot en met 1 april 2022 over het onder A genoemde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 5.496,54 vanaf 2 april 2022 tot de dag der algehele voldoening;
C. betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 649,83;
D. [geïntimeerde] te gebieden om in zijn elektrische installatie geen zekeringen van meer dan 10 Ampère te installeren op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-;
E. te verklaren voor recht dat de service-overeenkomst (opgenomen als productie 10 in dit
geding) tussen partijen heeft te gelden zolang [geïntimeerde] (mede-)eigenaar is van een bungalow op [vakantiepark A] ;
F. tot betaling van een bedrag van € 3.381,31 ter zake de deels onbetaald gebleven facturen
met nummers GP2022573 tot en met GP2022575;
G. betaling van de kosten van dit geding alsmede;
H. betaling van de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening
van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten.
3.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [appellante] , kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd. De parkbijdrage die [geïntimeerde] tot 2020 betaalde is veel te laag in verhouding tot de kosten die [appellante] mede ten behoeve van bungaloweigenaren zoals [geïntimeerde] maakt. Uit artikel 10 van de Gedragsregels en Serviceovereenkomst volgt dat de zekering in de bungalows maximaal 10 Ampère mag bedragen. Het overschrijden hiervan door [geïntimeerde] brengt schade voor [appellante] en veiligheidsrisico’s mee. De redelijkheid en billijkheid vergen van [geïntimeerde] dat hij zijn elektragebruik aanpast aan de capaciteit van het elektranetwerk.
3.2.3.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In 4.1. tot en met 4.3. van het tussenvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat de parkbijdrage van € 770,- vanaf 2020 mag worden geïndexeerd aan de hand van het Consumentenprijsindexcijfer (CPI) zoals dat wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] op het punt van de parkbijdrage voor het overige niet toewijsbaar geacht. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellante] met de verwijzing naar lijstjes met posten en bedragen met betrekking tot de jaren 2020 (productie 15) en 2021 (productie 19) geen althans een onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van wat onder ieder van die posten is begrepen en waarom die zijn aan te merken als parkkosten die aan (de bungalows van) [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
In 4.8. tot en met 4.11. van dit tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen de vordering met betrekking tot de in de bungalow van [geïntimeerde] te installeren zekeringen niet toewijsbaar te achten. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellante] onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] door zijn elektraverbruik of door het gebruik van zekeringen van 16 Ampère gevaar veroorzaakt.
3.2.5.
In het eindvonnis van 22 november 2023 heeft de kantonrechter, na de hoogte van de door [geïntimeerde] verschuldigde parkbijdrage en servicekosten te hebben vastgesteld en de door [geïntimeerde] verrichte betalingen daarop in mindering te hebben gebracht, [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 99,58, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis. De kantonrechter heeft het meer of anders door [appellante] gevorderde afgewezen en [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd en haar vordering gewijzigd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en gevorderd om opnieuw recht doende [geïntimeerde] hoofdelijk te veroordelen:
A. tot betaling aan [appellante] van een bedrag € 3.362,41 uit hoofde van niet betaalde facturen inzake de parkbijdrage;
B. tot betaling aan [appellante] van de wettelijke rente vanaf 5 april 2022 over het onder A
genoemde bedrag tot de dag der algehele voldoening;
C. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 461,24;
en
D. [geïntimeerde] te gebieden om in de elektrische installaties in de vakantiebungalows nummers 10 en 82 op het [vakantiepark A] niet meer dan twee zekeringen van ieder
maximaal 10 Ampère per vakantiebungalow te installeren telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per vakantiebungalow per dag met een maximum van € 50.000,-;
E. [geïntimeerde] te gebieden om in de vakantiebungalows nummers 10 en 82 op het [vakantiepark A] geen zonnepanelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] op straffe van verbeurte van een dwangsom per vakantiebungalow van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-;
en
F. bij toewijzing van een of meerdere hierboven genoemde vorderingen [geïntimeerde] ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van beide instanties en;
G. tot betaling van de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
[geïntimeerde] heeft geen processuele bezwaren aangevoerd tegen de wijziging van eis van [appellante] . Het hof acht de wijziging ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Twee geschilpunten
3.5.
Het hof constateert dat de rechtsstrijd tussen partijen in hoger beroep ten opzichte van die in de eerste aanleg beperkter van omvang is. Het hoger beroep betreft twee vragen:
1. Is [geïntimeerde] gehouden de door [appellante] over de jaren 2020 tot en met 2023 aan [geïntimeerde] gefactureerde parkbijdrage te betalen;
2. Mag [appellante] aan [geïntimeerde] verbieden om in zijn vakantiebungalows met nummers 10 en 82 meer dan twee zekeringen van ieder maximaal 10 Ampère per vakantiebungalow te hebben en om op die bungalows geplaatste zonnepanelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] .
Grief 1 van [appellante] ziet op de eerste vraag en grief 2 op de tweede vraag.
Het hof overweegt het volgende.
Ten aanzien van de parkbijdrage
3.6.
Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is nooit mondeling of schriftelijk een overeenkomst gesloten over door [appellante] te verlenen diensten en service enerzijds en een daar tegenover staande door [geïntimeerde] te betalen parkbijdrage anderzijds. Evenmin is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] een dergelijke overeenkomst met een vorige parkeigenaar heeft gesloten en dat [appellante] dat contract zou hebben overgenomen. Wel is tussen partijen door hun bestendige gedragingen over en weer (waaronder het factureren en betalen van de parkbijdrage) een rechtsverhouding ontstaan die kwalificeert als overeenkomst en die inhoudt dat [appellante] gehouden is jegens [geïntimeerde] als bungaloweigenaar een aantal diensten en service te verlenen en dat [geïntimeerde] daarvoor een parkbijdrage dient te betalen. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] dat tussen partijen in 2019 een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat [appellante] voor onbepaalde tijd gehouden is verleende diensten en service tegen een bedrag van € 770,- inclusief btw te betalen. Het enkel eenmalig betalen van een factuur van die hoogte is daartoe onvoldoende. [geïntimeerde] heeft op basis daarvan niet mogen verwachten dat de verleende diensten en service ook voor de daaropvolgende jaren voor dat bedrag zouden worden geleverd door [appellante] . [geïntimeerde] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijk bedrag ook voor de daaropvolgende jaren is overeengekomen.
3.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten en service die [appellante] aan de bungaloweigenaren dient te verlenen de in nummer 10 van de dagvaarding in hoger beroep vermelde diensten en service betreft. Dit zijn:
o Algemene verlichting op het park
o Onderhoud en zo nodig vervanging van wegen en groenvoorzieningen
o Onderhoud en schoonhouden van de milieustraat
o Onderhoud en servicecontract toegangssysteem
o Onderhoud en servicecontract beveiligingscamera’s
o Onderhoud van gas-, water -, en elektraleidingen tot aan de meters (inclusief het verhelpen van storingen)
o Jaarlijkse opname van de meterstanden t.b.v. jaarafrekening inclusief administratieve
verwerking
o Wekelijks ophalen huisvuilzakken welke bij de receptie gekocht zijn (hoogseizoen 2 x per week)
o Afvoeren van klein tuinafval (l x per week op zaterdag) in te leveren bij de milieustraat
o OZB aanslagen i.v.m. algemeen in gebruik zijnde parkeerplaatsen/groenstroken op het
bungalowgedeelte
o Wifi
o CAI
o Toezicht (24/7)
3.8.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat [geïntimeerde] gehouden is een parkbijdrage te betalen en evenmin, zo begrijpt het hof uit nummer 20 van de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , dat de hoogte van die bijdrage afhankelijk is van de kosten die [appellante] voor diensten en service maakt, voor zover die aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen.
3.9.
Partijen hebben echter nooit afspraken gemaakt over de hoogte van de door [appellante] aan [geïntimeerde] in rekening te brengen parkbijdrage. Nu partijen hierover niets hebben afgesproken en evenmin op basis van gedragingen van partijen de hoogte hiervan kan worden vastgesteld, vertoont de in 3.6. door het hof beschreven overeenkomst tussen partijen in zoverre een leemte. Deze leemte dient op basis van de redelijkheid en billijkheid die de bij de overeenkomst betrokken partijen over en weer jegens elkaar dienen te betrachten te worden ingevuld.
3.10.
Tussen partijen is in geschil hoe die leemte moet worden ingevuld. Of, met andere woorden, hoe moet worden bepaald wat de hoogte is van de door [appellante] gemaakte en aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar toe te rekenen kosten over de jaren 2020 tot en met 2023.
3.11.
[appellante] is de partij die de hoogte van de parkbijdrage over de jaren 2020 tot en met 2023 heeft bepaald en van [geïntimeerde] betaling vordert van facturen over die jaren. Het is daarom aan [appellante] om gegevens aan te reiken die tot het oordeel kunnen leiden dat de door [appellante] in rekening gebrachte bedragen zijn gebaseerd op a) door [appellante] voor diensten en service zoals hierboven opgesomd in 3.7. gemaakte kosten, die b) aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen. Daarbij gelden als voorwaarden dat de kosten voor de desbetreffende diensten en service als redelijk (en niet als buitensporig) kunnen worden beschouwd en dat die kosten in redelijkheid aan [geïntimeerde] als bungaloweigenaar zijn toe te rekenen. [appellante] is tot het aanreiken van de benodigde gegevens en het motiveren van de toerekening van kosten in staat, althans behoort daartoe in staat te zijn, nu de benodigde informatie van de gemaakte kosten (mede) aan haar boekhouding kan, althans behoort te kunnen worden ontleend. Op deze wijze dient de hoogte van de parkbijdrage te worden bepaald, waarmee de leemte in de overeenkomst tussen partijen wordt ingevuld.
3.12.
De kantonrechter heeft naar aanleiding van de verwijzing door [appellante] naar lijstjes van posten en bedragen met betrekking tot de jaren 2020 (productie 15) en 2021 (productie 19), geoordeeld dat [appellante] daarmee geen, althans een onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van wat onder ieder van de in 3.7. vermelde posten is begrepen en waarom de vermelde kosten zijn aan te merken als parkkosten die aan (de bungalows van) [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Daarom heeft [appellante] in hoger beroep een rapport van [bedrijf B] (hierna: [bedrijf B] ) van 17 mei 2023 overgelegd. [appellante] betoogt op grond van dat rapport het volgende. De onafhankelijke onderzoeker/deskundige heeft de volledige vrije hand gekregen om de boekhouding van [appellante] te onderzoeken en op basis daarvan en op grond van zijn expertise vast te stellen wat de kosten zijn die [appellante] maakt ten behoeve van de bungaloweigenaren. De onderzoeker heeft daarbij onderscheid gemaakt tussen het tarief dat nodig is om het park in stand te houden en het tarief dat benodigd is om het park in de toekomst te vernieuwen. De tarieven voor het louter in stand houden van het vakantiepark of het doorvoeren van in de toekomst noodzakelijke vernieuwingen en veranderingen komen voor de bungaloweigenaren uit op de volgende bedragen:
Jaar Standhouden Toekomstgericht
2021 € 2.162,00 € 2.810,00
2022 € 2.067,00 € 2.715,00
2023 € 2.273,70 € 2.986,50 CPI 2022:10
Het bedrag dat [appellante] aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht over de periode 2020 tot en met 2023 is al ver beneden de marktconforme prijzen die in andere parken moeten worden betaald en ver onder hetgeen [appellante] gelet op het rapport van [bedrijf B] feitelijk aan kosten blijkt te hebben gemaakt. [appellante] meent op basis van de door haar overgelegde onderdelen van haar boekhouding en de daarbij behorende berekening door [bedrijf B] van hetgeen zij jaarlijks aan kosten maakte ten behoeve van de bungaloweigenaren voldoende te hebben onderbouwd dat de verhogingen over de jaren 2020 tot en met 2023 redelijk waren.
3.13.
[geïntimeerde] heeft voormeld standpunt van [appellante] weersproken.
3.14.
Het hof overweegt het volgende. Met het rapport van [bedrijf B] is niet voldaan aan hetgeen van [appellante] is te vergen, wat het hof hierboven in 3.11 heeft uiteengezet. Bijlage 2 bij het rapport van [bedrijf B] , een onderdeel van de winst en verliesrekening van [appellante] waar in het rapport voor de onderbouwing van uitgaven naar wordt verwezen, bevat posten die in het geheel niet overeenstemmen met de in 3.7. vermelde posten. Een winst- en verliesrekening bevat bovendien onvoldoende informatie om op controleerbare wijze inzicht te verschaffen in bij de parkbijdrage in aanmerking genomen kosten. In het rapport van [bedrijf B] zijn de volgende posten voor het begroten van de parkbijdrage betrokken.
- Kosten Nutsvoorzieningen
- Kosten ophalen vuilnis
- Personeelskosten
- Huisvestingskosten incl. CAI
- Auto en transportkosten
- Verkoop gerelateerde kosten
- Kantoorkosten
- Algemene kosten
- Exploitatiekosten
- Kapitaallasten
In het rapport van [bedrijf B] zijn meer kosten betrokken dan uitsluitend die met betrekking tot de in 3.7. vermelde posten. Het hof ziet geen motivering waarom de kosten van verbruik van gas, water en elektra, die los van de parkbijdrage aan bungaloweigenaren in rekening worden gebracht, tevens in de parkbijdrage mogen worden betrokken. Het hof wijst voorts onder andere op de posten ‘Verkoop gerelateerde kosten’ en ‘Algemene kosten’. Het rapport van [bedrijf B] bevat geen, althans geen inzichtelijke motivering op welke wijze de in het rapport besproken posten betrekking hebben op de in 3.7. vermelde kostenposten op grond waarvan de parkbijdrage voor de bungaloweigenaren moet worden begroot. Het rapport bevat voorts geen deugdelijke motivering waarom het redelijk is een bepaald bedrag aan voor het totale vakantiepark gemaakte kosten aan de bungaloweigenaren toe te rekenen. Voor een enkele post, zoals de post “Kosten ophalen vuilnis’ (afvalverwerking) volstaat mogelijk wel een voor elke kavel gelijk bedrag. Maar voor zover personeelskosten wel aan enige in 3.7. vermelde post zijn toe te rekenen volstaat een dergelijke rekensom niet.
3.15.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de facturen voor de parkbijdrage die [appellante] over 2020 tot en met 2023 aan [geïntimeerde] heeft gezonden een deugdelijke grondslag ontberen en dat de vordering in hoger beroep tot betaling van het onbetaald gelaten deel daarvan niet toewijsbaar is.
3.16.
[appellante] heeft bewijs aangeboden van al haar stellingen, waarbij zij wijst op de overgelegde bescheiden en eventueel nader te overleggen bescheiden en/of verklaringen en diverse nader aan te duiden getuigen en/of het overleggen van nadere bescheiden. Een dergelijk aanbod is te algemeen en wordt daarom gepasseerd. Grief 1 faalt.
3.17.
Ten behoeve van [appellante] overweegt het hof nog het volgende. Wat [appellante] voorafgaand aan het verzenden van de factuur voor de parkbijdrage zou kunnen doen is het volgende. [appellante] zou op basis van cijfers uit haar boekhouding een begroting kunnen maken van uitsluitend de kosten die zij in verband met de hierboven in 3.7. vermelde posten redelijkerwijs ten behoeve van de bungaloweigenaren moet maken. Die begroting moet dan wel een inzichtelijke motivering bevatten die controleerbaar is voor de bungaloweigenaren en - indien nodig - voor de rechter. Voor zover de hiervoor bedoelde posten niet uitsluitend het gedeelte betreffen van de bungaloweigenaren zoals [geïntimeerde] maar het gehele park, gaat het in eerste instantie om de totale kosten voor uitsluitend de desbetreffende in 3.7 vermelde post. Vervolgens dient [appellante] te motiveren welk deel van die kostenpost voor het gehele park aan de bungaloweigenaren is toe te rekenen. De hoogte van de voor een post in aanmerking te nemen kosten moet redelijk (dus niet buitensporig) zijn en de toerekening van een deel van de kosten aan de kavels van de bungaloweigenaren moet redelijk zijn. [appellante] kan dit zelf doen of haar accountant daarvoor inschakelen. Een bungaloweigenaar mag betaling van een parkbijdrage die op deze wijze gemotiveerd is vastgesteld in redelijkheid niet zonder goede redenen weigeren. Indien [appellante] vervolgens een op deze wijze vastgestelde parkbijdrage voor een opvolgend jaar wenst te verhogen met louter een indexering op basis van het CPI, is voormelde begroting niet opnieuw van [appellante] te vergen. Een dergelijke verhoging mag [geïntimeerde] in beginsel niet weigeren, mede gelet op hetgeen de kantonrechter hierover heeft beslist en waartegen geen grief is gericht, en hetgeen dus tussen partijen vaststaat.
Ten aanzien van de belasting van het elektranet van [appellante]
3.18.
[appellante] verwijt [geïntimeerde] het volgende. [geïntimeerde] belast het elektriciteitsnetwerk van [appellante] dusdanig dat ten eerste de zekeringen regelmatig ‘springen’ en het gevaar van doorbranden door oververhitting is toegenomen en niet uitgesloten kan worden dat ook voor de andere vakantiebungalows de toevoerleidingen door overbelasting doorbranden, al dan niet met (ernstige) brandschade tot gevolg. Het is daarom geïndiceerd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om maximaal twee 10 Ampère zekeringen te installeren in zijn elektrische installatie opdat de 30 Ampère belasting niet wordt overschreden. De zekering aan de zijde van [appellante] betreft 30 Ampère teneinde piekbelasting op te vangen. Oorspronkelijk waren er per vakantiebungalow ook twee groepen met ieder één zekering van 10 Ampère hetgeen het netwerk aan kan. [geïntimeerde] heeft hier groepen aan toegevoegd en deze groepen voorzien van zekeringen van 16 Ampère (of meer). Er dient terug gegaan te worden naar de oorspronkelijke situatie. Daarnaast heeft [geïntimeerde] op vakantiebungalows nummers 10 en 82 zonder toestemming van [appellante] zonnepanelen geïnstalleerd en is hij voornemens om deze panelen aan te sluiten op het netwerk van [appellante] . Het elektrisch netwerk van [appellante] dat dateert uit beginjaren ’90 is in het geheel niet berekend op het terug leveren van stroom aan het netwerk.
3.19.
[geïntimeerde] betwist dat als gevolg van de zwaarte van de zekeringen in de groepenkasten in de bungalows nummers 10 en 82 of als gevolg van het aansluiten van op die bungalows geplaatste zonnepanelen schade aan of gevaar voor het elektranet van [appellante] wordt veroorzaakt.
3.20.
Het hof overweegt allereerst dat de door [appellante] over de door [geïntimeerde] zelf gebruikte bungalow nummer 72 gemaakte verwijten onbesproken blijven en niet in de beoordeling worden betrokken omdat de vordering van [appellante] niet op deze bungalow ziet. Het hof ziet voorts onvoldoende onderbouwing van [appellante] om haar vordering jegens [geïntimeerde] met betrekking tot de bungalows nummers 10 en 82 toewijsbaar te achten. Daartoe is het volgende redengevend.
Van Hees verklaart het volgende (productie 8 in eerste aanleg).
“Veiligheidsadvies:
Wat zorgen baart, is het feit dat zekeringen bij de verdeler in de meterkast regelmatig
uitvallen door overstroom. Zoals u vermeld, hebben meerdere bewoners op eigen initiatief het aantal groepen en de afzekeringen in de eigen woning verzwaard. Hierdoor gaat bij overstroom niet de zekering bij de bewoner eruit, maar bij uw verdeler. Waarschijnlijk is de aanwezige bekabeling hier destijds ook niet op berekend. Dit kan tot gevaarlijke situaties lelden. Wij adviseren u om hier direct naar te laten kijken.”
[bedrijf C] verklaart daarna op 6 december 2022 (productie 24 in eerste aanleg) dat door verkeerd gebruik van het netwerk in de vorm van overbelasting door 9 bungaloweigenaren de levensduur van de voedingskabel ernstig is verkort en dat deze nu vervangen dienden te worden. Deze verklaring ziet blijkens de verklaring van [bedrijf C] echter op kabels die bij aanleg waren berekend op een stroomgebruik van 1x10 Ampère per bungalow. De situatie is inmiddels gewijzigd door de aanleg van nieuwe sterkere voedingskabels in de eerste helft van 2024. De veiligheid van het elektranet is door nieuwe kabels en een zekeringenkast met zwaardere zekeringen dus verbeterd. Het ontbreekt het hof aan door [appellante] te stellen en op de bungalows nummers 10 en 82 van [geïntimeerde] toegespitste feiten en omstandigheden en concrete en gemotiveerde verklaringen van een deskundig elektricien om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] vanaf nu tot aan de realisatie van de aansluiting van de bungalows met de zekeringen of de zonnepanelen van de nummers 10 en 82 op het netwerk van Stedin (gepland in 2025) gevaar voor of schade aan het netwerk van [appellante] zal veroorzaken vanwege belasting van het elektranet van [appellante] door die bungalows. De vordering ontbeert daarom een deugdelijk grondslag. Grief 2 faalt. Dit alles vrijwaart [geïntimeerde] geenszins voor na de datum van dit arrest door overbelasting aan het van nieuwe kabels en zekeringenkast voorziene elektranet veroorzaakte schade door de (gebruikers van de) bungalows nummers 10 en 82. Indien aan de wettelijke eisen voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is voldaan, is hij ter zake schadeplichtig jegens [appellante] .
Conclusie
3.21.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de grieven falen en dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, voor zover die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
- Griffierechten € 349,-
- Salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x € 1.214,-)
- Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- Totaal € 2.955,-
4De uitspraak
Het hof:
wijst de gewijzigde vorderingen van [appellante] af;
bekrachtigt de bestreden vonnissen, voor die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep € 2.955,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, A.L. Bervoets en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 januari 2025.
griffier rolraadsheer