Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3697
2025-12-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.346.343_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over de vraag of de door partijen met het oog op de financiële afwikkeling van het einde van hun samenleving gesloten overeenkomst vernietigbaar is. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, heeft het hof te oordelen over de vraag op welke wijze de financiële afwikkeling dient plaats te vinden, ofwel hoe deze overeenkomst uitgelegd dient te worden. Daarnaast ligt de vraag voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met gewijzigde omstandigheden bij een door ex-samenlevers overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2016:2047 Hoge Raad 09-09-2016
- ECLI:NL:HR:2023:963 Hoge Raad 23-06-2023
- ECLI:NL:HR:2025:762 Hoge Raad 16-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (80.087 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.346.343/01
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. A. Zonnenberg te Best,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 mei 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de door partijen met het oog op de financiële afwikkeling van het einde van hun samenleving gesloten overeenkomst vernietigbaar is. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, heeft het hof te oordelen over de vraag op welke wijze de financiële afwikkeling dient plaats te vinden, ofwel hoe deze overeenkomst uitgelegd dient te worden. Daarnaast ligt de vraag voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met gewijzigde omstandigheden bij een door ex-samenlevers overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394579 / HA ZA 23-421)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties 22 tot en met 32;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties 28 tot en met 39;
de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties 33 tot en met 35;
de akte in principaal hoger beroep d.d. 9 oktober 2025 met producties 36 tot en met 40 ;
de mondelinge behandeling, gehouden op 22 oktober 2025,waarbij partijen beiden spreekaantekeningen hebben overgelegd.
2.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de overlegging van stukken die de man aan zijn spreekaantekeningen heeft gehecht, nu deze stukken te laat – te weten pas op de mondelinge behandeling – zijn overgelegd. Het hof heeft daarop beslist dat dit bezwaar gegrond is. De man had deze stukken eerder (tijdig) binnen de in het procesreglement (art. 4.5) genoemde termijn kunnen en moeten overleggen, zodat de vrouw, daarop voorbereid, kon reageren. Aldus maken deze bijlagen aan de spreekaantekeningen geen onderdeel uit van het procesdossier.
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie twee, inmiddels (jong)meerderjarige, kinderen zijn geboren.
Bij notariële akte van 30 juni 2005 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.
In juni 2020 is de relatie tussen partijen onder druk komen te staan.
Bij notariële akte van 1 oktober 2020 hebben partijen een nieuwe samenlevingsovereenkomst gesloten.
Op 24 november 2020 heeft de man de gezamenlijke woning aan [adres A] (hierna: de woning) verlaten.
Partijen hebben de gevolgen van het verbreken van hun relatie geregeld in een door hen op 16 januari 2021 ondertekende overeenkomst (hierna: het convenant) en een ouderschapsplan.
3.2.
In voormelde notariële akte van 1 oktober 2020 is onder meer het volgende opgenomen:
“De verschenen personen verklaren dat:
(…)
-zij voormelde samenlevingsovereenkomst zodanig wensen te wijzigen zodat deze komt te luiden als volgt:
(…)
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
Artikel 5
(...)
4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk is of wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op
de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.
(…)
EINDE SAMENLEVINGSOVEREENKOMST
Artikel 7
1. Deze overeenkomst eindigt:
a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan: de opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij of indien de verblijfplaats van de wederpartij niet bekend is aan het kantoor van ondergetekende notaris dan wel diens opvolger, waarbij een opzegtermijn van ten minste één maand in acht wordt genomen;
b. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen de samenleving feitelijk hebben beëindigd; dit kan blijken uit het zich bij de gemeentelijke basisadministratie inschrijven op een ander adres of uit het feitelijk overgaan tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen.
(…)
PARTNERALIMENTATIE NA VERBREKING RELATIE
Artikel 11
1. Gezien het verschil in inkomen van de verschenen personen en hun overige omstandigheden zijn zij overeengekomen dat [appellante] , voornoemd, jegens [geïntimeerde] , voornoemd, indien deze overeenkomst eindigt door één van de oorzaken in artikel 7 lid l sub a en b vermeld aanspraak kan maken op een uitkering tot levensonderhoud als waren zij gehuwd vanaf dertig juni tweeduizend vijf.
2. De maandelijkse uitkering eindigt:
a. na het verstrijken van een termijn van tien (10) jaren, die aanvangt op de datum van opzegging als bedoeld in artikel 7 lid 1 letter a van deze overeenkomst.
b. indien de alimentatiegerechtigde partij opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenleven met een ander;
c. indien de alimentatiegerechtigde partij, gezien haar aan de samenleving gerelateerde behoefte, op andere wijze in voldoende mate zelf in haar levensonderhoud kan voorzien.”
3.3.
In voornoemd convenant van 16 januari 2021 zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Bijdrage in het levensonderhoud/verzorgingsuitkering
1.1
Op basis van de aldus vastgestelde daadwerkelijke behoefte en draagkracht komen de man en de vrouw overeen, dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2021 maandelijks zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.020,00 bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan. De betalingen van de onderhoudsbijdrage aan de vrouw worden door de man gezien als een dringende morele verplichting. De man voldoet hiermee aan een natuurlijke verbintenis, welke is afgesproken in de samenlevingsovereenkomst. Voormeld bedrag is een brutobedrag. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting en heffingen zijn voor rekening van de alimentatiegerechtigde.
1.2
De in artikel 1.1 vastgestelde onderhoudsbijdrage is gebaseerd op de inkomenssituatie zoals die op ondertekeningdatum van deze overeenkomst bekend is. De man heeft een bruto jaarinkomen uit arbeid van € 128.831,- De vrouw heeft geen inkomen. Onder bruto jaarinkomen verstaan partijen het bruto jaarinkomen, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Met bonussen is geen rekening
gehouden.
1.3
De in artikel 1.1 bepaalde bijdrage in het levensonderhoud zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2022.
1.4
De onderhoudsbijdrage zoals bepaald in artikel 1.1 zal worden toegekend voor een periode van 10 jaar.
(…)
1.8.
Mocht er een aanzienlijke wijziging in het inkomen van één van de partijen plaatsvinden (buiten de schuld van één van de partijen), dan zal de bijdrage in het levensonderhoud opnieuw berekend dienen te worden. De desbetreffende persoon dient de ander daarvan terstond in kennis te stellen.
Artikel 2. De gezamenlijke woning
2.1
Partijen zijn samen eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen aan [adres A] (…)
2.10
Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw.
Partijen doen nu al een beroep op het Besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M. De vrouw kan - rekening houdend met dit besluit - bij de aangifte schenkbelasting gebruik maken van het gematigde tarief voor de schenkbelasting. De belasting zal worden berekend naar het tarief dat geldt voor een verkrijging door een partner als bedoeld in artikel 1a, van de Successiewet.”
De procedure bij de rechtbank
3.4.
De man heeft vorderingen in conventie ingesteld, waaraan hij, voor zover thans van belang, ten grondslag heeft gelegd – kort gezegd – dat de overeenkomsten (het convenant en het ouderschapsplan) van 16 januari 2021 nietig/vernietigbaar zijn. Hij heeft zich daarbij achtereenvolgens beroepen op het bestaan van een geestelijke stoornis, strijd met de goede zeden, misbruik van omstandigheden, benadeling voor meer dan een kwart en strijd met de redelijkheid en billijkheid. Hij voert voorts aan dat hij op grond van artikel 5 lid 4 van het samenlevingscontract d.d. 1 oktober 2020 een vordering op de eenvoudige gemeenschap (van woning) heeft van € 130.000,--. Verder heeft de man aangevoerd dat de overeengekomen alimentatie moet worden gewijzigd omdat deze door een wijziging van omstandigheden niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
3.5.
De vrouw heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie en voorwaardelijke reconventie ingesteld, waarbij zij – kort gezegd – vordert – in conventie – dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen althans dat deze hem moet worden ontzegd. In reconventie vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld tot betaling van een alimentatie van € 2.020,= per maand met ingang van 16 januari 2022 en medewerking aan de verkoop en levering van de woning, op de door haar voorgestane wijze, op straffe van een dwangsom. In voorwaardelijke reconventie (voor het geval de rechtbank het beroep van de man op nietigheid van de overeenkomsten van 16 januari 2021 honoreert) heeft de vrouw vorderingen ingesteld terzake partner- en kinderalimentatie zoals in het petitum van haar conclusie nader aangegeven. De vrouw heeft in conventie en reconventie, kort gezegd, ook gevorderd om de man te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.6.
De rechtbank heeft de vorderingen van de man in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans van belang, de man veroordeeld tot betaling van partneralimentatie ten bedrage van € 2.020,-- per maand met ingang van 16 januari 2021, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2022. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de woning aan het [adres A] moet worden verkocht met inachtneming van art. 2.3 van de overeenkomst van 16 januari 2021 en art. 9 lid 5 van de notariële akte van 1 oktober 2020 en dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van de woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van levering resterende hypothecaire geldlening minus een bedrag van € 130.000,-- aan de vrouw toekomt. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.
De procedure bij het hof
3.7.
De vrouw vordert, “bij arrest, te vernietigen voor zover de grieven strekken het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zoals dat tussen appellante en geïntimeerde op 29 mei 2024 in de zaak met zaaknummer C/0 1/394579 / HA ZA 23-421 in conventie en reconventie is gewezen, en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen binnen om veertien dagen na de datum van het door uw hof te wijzen arrest aan de vrouw te betalen het bedrag van € 130.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het arrest indien en zover de man daarmee in gebreke blijft;
II. te bepalen dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van [de] woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van de levering resterende hypothecaire geldlening aan de vrouw toekomt;
III. met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.”
3.8.
De man vordert “bij uitspraak, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad,
1. het appѐl van de vrouw als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en bij arrest het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man recht heeft op het door hem geïnvesteerde vermogen en hij daardoor een vordering heeft op de vrouw van € 190[.439,94] dan [wel €] 158[.043,06] en de vrouw te veroordelen deze aan de man te betalen, dan wel het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te bekrachtigen [en] de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Bij wijze van incidenteel appel
2. de veroordeling van de man in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 onder 5.3 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 795,36 bruto per maand, vanaf oktober 2023 maandelijks vóóraf te voldoen met betrekking tot de toekomstige termijnen en daarbij te bepalen dat de man het tussen oktober 2023 en de datum van de uitspraak te veel betaalde bijdragen kan verrekenen met enige [sic] bedrag dat de vrouw ten laste van de man toekomt waaronder begrepen toekomstige onderhoudsbijdrage voor de vrouw.
En bij wijze van voorwaardelijk incidenteel appel,
(in geval de vordering van de vrouw wordt toegewezen)
3. de afwijzing in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te vernietigen [sic] onder 5.1 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het scheidingsconvenant van 16 januari 2022 [sic] te vernietigen en de wijze van verdeling te conform punt 89 van dit processtuk.
4. Te bepalen dat ieder der partijen zijn eigen proceskosten draagt in beiden instanties.”
3.9.
De vrouw vordert “bij uitspraak het (voorwaardelijk) incidenteel appel van de man als zijnde ongegrond/onbewezen integraal af te wijzen. Kosten rechtens.”
Vernietiging convenant
3.10.
Het hof zal om proceseconomische redenen eerst beslissen op de (voorwaardelijke) vordering van de man strekkende tot vernietiging van het convenant, aangezien deze vordering het meest verstrekkend is.
3.11.
De man beroept zich – ter onderbouwing van zijn stelling dat het convenant vernietigbaar is – op het bestaan van een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van zijn belangen belette, strijd met de goede zeden, misbruik van omstandigheden, benadeling voor meer een kwart en tot slot op de redelijkheid en billijkheid. Het hof zal deze door de man aangevoerde gronden hieronder puntsgewijs bespreken.
Geestelijke stoornis (art. 3:34 BW)
3.12.
De rechtbank heeft ten aanzien van het beroep van de man op het bestaan van een geestelijke stoornis, het volgende overwogen.
“4.6. Geoordeeld wordt op grond van de door [geïntimeerde] overgelegde producties dat wel aangenomen kan worden dat hij gediagnosticeerd is met PTSS (onder meer productie 6 dagvaarding) maar dat er door [geïntimeerde] onvoldoende is aangevoerd om aan te kunnen nemen dat deze diagnose maakt dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW. De enkele verwijzing naar de rapport van [A] is daartoe onvoldoende. De rechtbank is met [appellante] van oordeel dat er de nodige vraagtekens gesteld kunnen worden bij dit rapport. Vaststaat dat [A] niet de behandelaar van [geïntimeerde] is geweest en dat hij, zo volgt het rapport, zijn rapport vooral gebaseerd heeft op de volgende mededeling van [geïntimeerde] "in januari 2021 tekende u een echtscheidingsconvenant waarin werd geregeld dat u, naar uw huidige mening, buitenproportioneel veel toegaf aan uw ex en uzelf enorm tekort deed". De buitenproportionele afspraken in combinatie met de PTSS maken volgens [A] dat sprake is geweest van een geestelijke stoornis. De rechtbank is van oordeel dat deze subjectieve mededeling van [geïntimeerde] zelf, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is geweest van een geestelijke stoornis. Er zal ook gekeken moeten worden naar andere omstandigheden die een rol speelden bij de totstandkoming van de overeenkomsten.
Zoals dat er een mediator (en notaris) bij betrokken was en dat [geïntimeerde] ruim de tijd heeft gehad de overeenkomst te bekijken voordat hij deze ondertekend heeft. Dat [A] daar rekening mee gehouden heeft, blijkt niet uit zijn rapport. Daarbij kunnen er ook de nodige vraagtekens gezet worden bij de opmerking van [geïntimeerde] dat hij “buitenproportioneel veel toegaf aan uw ex en uzelf enorm tekort deed”. De rechtbank is namelijk van oordeel dat in de overeenkomsten van 16 januari 2021 geen sprake is van buitenproportionele benadeling van [geïntimeerde] (de rechtbank betrekt hierbij de beoordeling onder 4.25 hierna, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] het door hem geïnvesteerde vermogen terugkrijgt). Dit in vergelijking met de
afspraken die partijen op 1 oktober 2020 gemaakt hebben in de samenlevingsovereenkomst. De afspraken zijn grotendeels met elkaar in lijn met uitzondering van de verdeling van de woning. Wat betreft die woning geldt dat de overwaarde bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst ook onderwerp van gesprek geweest is. Dit volgt uit de slotverklaring van de akte (productie 2 dagvaarding). Bij het opstellen van de
overeenkomsten van 16 januari 2021 zijn over de overwaarde afwijkende afspraken, ten gunste van [appellante] gemaakt. Uit de overeenkomst blijkt dat hieraan een morele verplichting van [geïntimeerde] ten grondslag ligt. [geïntimeerde] heeft dit verder niet gemotiveerd weersproken zodat hier vanuit gegaan kan worden. Uit het gespreksverslag van de mediation (productie 5 conclusie van antwoord) blijkt dat ook over de fiscale gevolgen van het toekomen van de gehele overwaarde aan [appellante] gesproken is. Partijen vonden het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst beiden kennelijk redelijk dat de overwaarde in zijn geheel aan [appellante] zou toe komen. Het staat partijen vrij om dit zo af te spreken. Dat [geïntimeerde] wellicht hier achteraf anders tegenaan kijkt maakt dit niet anders. In dit licht bezien is het ook opmerkelijk te noemen dat volgens [geïntimeerde] ten tijde van het ondertekenen van de notariële samenlevingsovereenkomst op 1 oktober 2020 geen sprake was van een geestelijke stoornis terwijl er in deze overeenkomst afwijkende afspraken gemaakt zijn van de eerste samenlevingsovereenkomst die partijen in 2005 gesloten hebben en er op dat moment ook al
PTSS bij hem vastgesteld was. Het feit dat deze afspraken niet gemaakt zijn in het kader van het verbreken van de relatie, zoals [geïntimeerde] stelt, maakt dit niet anders, omdat op dat moment de relatie van partijen ook al in zwaar weer zat.
4.7.
Nu gelet op het voorgaande niet vast is komen te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst op 16 januari 2021, wordt ook niet toegekomen aan de bewijsvermoedens van art. 3:34 lid 1 BW. Vernietiging van de overeenkomst op grond van een geestelijke stoornis is dan ook niet aan de orde.”
3.13.
De man heeft tegen dit oordeel twee grieven (grief 6 en 7) aangevoerd, die er in de kern op neer komen dat er ten tijde van de ondertekening van het convenant bij de man sprake was een geestesstoornis die een redelijke waardering van zijn belangen belette, waardoor het convenant op de voet van art. 3:34 BW voor vernietiging in aanmerking komt.
Hij voert daartoe aan dat als vaststaand kan worden aangenomen dat hij een posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS) heeft. Daarmee is sprake van een geestelijke stoornis. Voor de beantwoording van de vraag of de PTSS hem belette te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen, heeft de man dr. [A] (hierna: [A] ) een rapportage laten uitbrengen.
Dat [A] niet zijn behandelaar is, maakt hem niet minder, maar juist méér betrouwbaar. In relatie tot zijn kennis van PTSS kwam [A] tot de conclusie dat de man vanwege de opgelopen trauma's al op jonge leeftijd een persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld, met als gevolg dat de man conflict vermijdende keuzes maakt en de neiging heeft zich afhankelijk op te stellen. De traumatische echtscheiding en breuk met de kinderen reactiveerde en versterkte deze stijl waardoor de man volgens [A] irrationeel en niet wilsbekwaam handelde tijdens het afhandelen van de scheiding.
De mediator had dit moeten opmerken. Daarbij speelde dit tegen de achtergrond waarin als gevolg van COVID een lockdown gold en de man daardoor in een volledig isolement verkeerde en hem door de vrouw werd voorgehouden dat hij welkom zou blijven in de woning als hij haar financieel tegemoet zou komen. Nergens blijkt dat de mediator de man heeft gewezen op de nadelige gevolgen en zij had moeten verifiëren of dit daadwerkelijk was wat partijen wensten en of zij deze afweging goed konden maken.
3.14.
De vrouw verweert zich. Zij is het eens met het oordeel en de motivering van de rechtbank. De vrouw betwist dat sprake was van een geestelijke stoornis. Enkel een arts/psychiater kan/mag oordelen over de vraag of sprake is van een geestelijke stoornis en of die een redelijke afweging van belangen belet. [A] is een psycholoog en kan niet op de stoel van een arts/psychiater gaan zitten.
[A] is enkel door de man geïnstrueerd en baseert zijn conclusies op aannames. Op grond van de redenering van [A] zou de man met zijn PTSS überhaupt geen scheiding kunnen regelen. De man kan met PTSS prima rechtshandelingen verrichten. Los van het feit dat het niet aan [A] is om te oordelen of iemand in staat is rechtshandelingen te verrichten, is [A] de afgelopen jaren meerdere malen tuchtrechtelijk berispt, geschorst en is zijn inschrijving als psycholoog in het BIG-register inmiddels doorgehaald.
De vrouw, de notaris en de mediator hebben in ieder geval niet gemerkt dat de man een geestelijke stoornis zou hebben en al helemaal niet dat hij daardoor niet in staat zou zijn om een samenlevingsovereenkomst te wijzigen, vervolgens de gevolgen van een scheiding te overzien / een samenlevingsovereenkomst af te wikkelen en in dat kader een convenant op te stellen. Van belang is ook nog dat de man de gesprekken leidde en bepalend was. De mediator heeft diverse malen aan de man gevraagd of dit echt was wat hij wilde en of het convenant aan zijn wensen voldeed. De man was zich bewust van de gevolgen. Er staat immers letterlijk dat vanwege een morele verplichting de gehele overwaarde aan de vrouw toekomt, waarna wordt afgesproken dat de schenkbelasting voor rekening van de vrouw komt. In ieder geval mocht de vrouw er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit is wat de man wilde. De vrouw betwist tot slot dat sprake is van een voor de man onvoorstelbaar nadelige regeling.
3.15.1.
Het hof overweegt als volgt. Uit art. 3:34 lid 1 BW volgt dat voor het inroepen van de vernietigbaarheid van het convenant is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende stoornis van de geestvermogens bij de man op het moment van het ondertekenen van het convenant. Het is aan degene die zich op art. 3:34 BW beroept, in dit geval de man, de geestelijke stoornis te stellen en zo nodig te bewijzen.
Dit geldt ook voor de stelling dat vanwege de geestelijke stoornis een met het convenant overeenstemmende wil heeft ontbroken. Op grond van het bewijsvermoeden van art. 3:34 lid 1 BW wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of (ii) indien de verklaring onder invloed van de stoornis is begaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijke gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
3.15.2.
Het hof is van oordeel dat de enkele stelling dat de man gediagnosticeerd is met PTSS, niet betekent dat daarmee sprake is van een geestelijke stoornis in vorenbedoelde zin. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een partij in de regel voldoet aan haar stelplicht dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt (HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047). Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de verklaring van [A] , gz-psycholoog, d.d. 7 november 2022 geen medische verklaring is in vorenbedoelde zin. Vast staat immers dat [A] slechts naar aanleiding van door de man zelf verstrekte inlichtingen achteraf een verklaring heeft opgesteld. Deze verklaring kan daarom niet de conclusie dragen dat sprake is van een geestelijke stoornis zoals bedoeld in art. 3:34 BW.
Ook in hetgeen de man verder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanwijzingen om aan te nemen dat sprake was van een geestelijke stoornis in vorenbedoelde zin. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zullen ook de andere omstandigheden die een rol speelden bij de totstandkoming van het convenant moeten worden beoordeeld. Het hof komt, na een zelfstandige afweging en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis ten tijde van het ondertekenen van het convenant op 16 januari 2021. Nu dit niet is komen vast te staan, wordt ook niet toegekomen aan het bewijsvermoeden van art. 3:34 lid 1 BW en behoeven de in dit kader aangevoerde stellingen en betwistingen geen verdere bespreking.
Strijd met de goede zeden
3.16.
De rechtbank heeft op dit punt als volgt geoordeeld.
“4.9. De rechtbank is van oordeel dat in de overeenkomsten van 16 januari 2021 geen sprake is van dusdanige onevenredige afspraken die maken dat sprake is van strijd met de goede zeden. Hierbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.6. is overwogen. Zoals hiervoor is vastgesteld (daar moet de rechtbank het in dit proces voor houden op grond van de informatie in het dossier) was van een geestelijke stoornis bij [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen sprake. Hij wist dus waarvoor hij tekende (daar moet de rechtbank het voor houden op grond van de informatie in het dossier). Partijen vonden het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst beiden kennelijk redelijk dat de overwaarde in zijn geheel aan [appellante] zou toe komen. In de kern komt het erop neer dat [geïntimeerde] een goed inkomen had; dat hij vond dat hij iets recht te zetten had; dat partijen afspraken maakten alsof zij waren getrouwd; dat zij dit ook in het belang van de kinderen deden; en dat zij wat betreft het huis in het voordeel van [appellante] zijn afgeweken van de wettelijke regels voor huwelijkse gemeenschappen (wat begrijpelijk is in het licht van de voorgaande omstandigheden; zie ook de beslissing onder 4.25 hierna, waardoor de afwijking in sterke mate wordt gerelativeerd). Van een dusdanige onevenredige afspraak die in strijd is met de goede zeden is daarom ook geen sprake. Het staat partijen vrij om dit zo af te spreken. Dat [geïntimeerde] wellicht hier achteraf anders tegenaan kijkt maakt dit niet anders.
4.10.
Nietigheid van de overeenkomst vanwege strijd met de goede zeden is gelet op het voorgaande niet aan de orde.”
3.17.
De man heeft hiertegen vier grieven (grief 8 tot en met 11) aangevoerd. De man stelt dat het convenant moet worden vernietigd wegens strijd met de goede zeden omdat de gemaakte afspraken daarmee in strijd zijn. Daartoe voert hij aan dat partijen het in oktober 2020 volstrekt onredelijk vonden dat de vrouw niets van het in de voorafgaande jaren opgebouwde vermogen zou toekomen. Nog geen drie maanden later wordt deze afspraak wel andersom gemaakt en komt de vrouw niet de helft van het vermogen dat is opgebouwd toe, maar het gehele vermogen dat alleen door, en van het inkomen van, de man is opgebouwd. Daarnaast moet de man maandelijks méér dan de helft van zijn inkomen aan de vrouw betalen voor haar (€ 2.407,24) en de kinderen (€ 1.393,00), terwijl hij ook de woonlasten van de woning waar vrouw woont moet blijven betalen voor zolang als de vrouw dat wil (€ 676,49 per maand [enkel rente en aflossing, de man betaalt daarnaast ook de overige eigenaarslasten]). Het gaat om € 4.476,73 per maand terwijl zijn inkomen € 5.869,68 netto per maand is. De man overkomt hiermee dus precies wat partijen niet redelijk vonden: zonder enig vermogen en of perspectief komt hij op straat staan. Daarbij heeft de man in tegenstelling tot de vrouw wel een inkomen, maar houdt hij daarvan maandelijks niets over en kan hij niet een hypotheek aanvragen zolang hij in de onverdeelde situatie voor wat betreft de woning verkeert.
3.18.
De vrouw betwist dat de afspraken in het convenant in strijd zijn met de goede zeden. Zij is het eens met het oordeel van de rechtbank. De man brengt thans niets nieuws naar voren. Wel geeft hij aan dat partijen het niet redelijk vonden dat de vrouw niets zou krijgen, maar dat het nu wel niet redelijk zou zijn dat de man niets krijgt. De man houdt echter na betaling van zijn onderhoudsverplichtingen voldoende over om te kunnen sparen. Ook is inmiddels gebleken dat hij een woning kan financieren met een waarde van € 780.000,-- die eind april 2025 aan hem wordt geleverd. De man had een goed inkomen en hij vond dat hij iets recht te zetten had. Partijen maakten afspraken alsof zij waren getrouwd. Zij deden dit ook in het belang van de kinderen. Zij zijn wat betreft het huis in het
voordeel van de vrouw afgeweken van de wettelijke regels voor gemeenschappen. Dat is
begrijpelijk in het licht van de omstandigheden. Van strijd met de goede zeden is geen sprake.
3.19.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 3:40 lid 1 BW is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden nietig. De toetsing aan het criterium van strijd met goede zeden moet plaatsvinden aan de hand van in de samenleving als fundamenteel ervaren normen van ongeschreven recht. Het hof is van oordeel dat in het convenant geen sprake is van dusdanige onevenredige afspraken die ertoe leiden dat sprake is van strijd met de goede zeden. In het licht van de omstandigheden, te weten dat de man – anders dan de vrouw die geen inkomen had – een goed inkomen genoot en partijen vonden dat de man hiertoe moreel verplicht was jegens de vrouw (zie art. 2.10 van het convenant: “Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw. (…)”), achtten partijen het kennelijk aangewezen af te wijken van de wettelijke regels. Het staat partijen vrij om dit af te spreken. Dat de man daar thans anders tegenaan kijkt, maakt dit niet anders en maakt het niet in strijd met de goede zeden.
Misbruik van omstandigheden
3.20.
De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen.
“4.12. Van misbruik van omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, door bijzondere omstandigheden, ten opzichte van [appellante] in een zwakkere of geestelijk afhankelijke positie verkeerde vindt de rechtbank niet voldoende onderbouwd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de scheiding op beide partijen een flink impact had en nog steeds heeft. Dat beide partijen, en niet alleen [geïntimeerde] , ten tijde van hun echtscheiding daardoor niet in hun beste doen waren is begrijpelijk. Voor zover de bijzondere omstandigheden waarop [geïntimeerde] doelt gelegen zouden zijn in de vermeende geestelijke stoornis geldt dat gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, deze bijzondere omstandigheden niet aan de orde zijn omdat geen sprake is van een geestelijke stoornis. Voor zover deze bijzondere omstandigheid enkel gelegen zou zijn in de PTSS diagnose geldt dat nergens uit blijkt dat deze diagnose als een bijzondere omstandigheid moet worden gekwalificeerd, dat deze omstandigheid in relevante mate een impact heeft gehad op de besluitvorming rondom de rechtshandeling (in die zin dat [geïntimeerde] daardoor is bewogen om de rechtshandeling te verrichten) en dat [appellante] wist of moest begrijpen wat er aan de hand was en van de omstandigheid misbruik gemaakt heeft. Wat betreft de onevenredigheid van de afspraken wordt ook verwezen naar hetgeen hiervoor overwogen is. In de context van misbruik van omstandigheden is in het bijzonder belangrijk:
- dat de afspraken in de loop van een ruime periode zijn gemaakt onder begeleiding van een
ervaren mediator
- dat er dus, zo moet de rechtbank aannemen bij gebreke van informatie die wijst in een
andere richting, een ruime gelegenheid was om er rustig over na te denken en om vragen te
stellen
- dat het geheel onduidelijk blijft hoe en waarom [appellante] had kunnen/moeten weten/begrijpen dat er met [geïntimeerde] iets aan de hand was (emoties en een moeilijke periode
horen erbij in een dergelijk mediationtraject en zijn dus daarvoor in algemene zin niet
genoeg, terwijl [geïntimeerde] in dit concrete geval niets heeft gepresenteerd dat in een andere
richting wijst).
Dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door [appellante] is dan ook niet vast
komen te staan waardoor vernietiging van de overeenkomsten op grond hiervan ook niet aan
de orde is.”
3.21.
De grieven 12 en 13 van de man hebben in de kern betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het convenant niet voor vernietiging wegens misbruik van omstandigheden in aanmerking komt. De vrouw wist of had kunnen weten dat hij alles toegaf om het haar naar de zin te maken. De situatie die nu werd afgesproken, was precies zoals zij het zelf niet wilde drie maanden eerder. De afspraken zijn (te) snel tot stand gekomen, terwijl de man de klap van het verbreken van de samenleving moest verwerken, er een COVID-lockdown van kracht was en er twee verhuizingen plaatsvonden tijdens de (december)feestdagen. Er hebben ook slechts twee afspraken met de mediator, die niet kundig was, plaatsgevonden.
3.22.
De vrouw is het ook op dit punt eens met het oordeel van de rechtbank. Er was voldoende bedenktijd tussen het opstellen van het convenant en het tekenen daarvan om de afspraken te beoordelen of te laten toetsen door een derde. De man is door zijn werk zeer bedreven in het opstellen en sluiten van contracten waarmee zeer grote financiële belangen (miljoenen) zijn gemoeid. Bovendien heeft hij een advocaat in zijn vriendenkring die hij had kunnen raadplegen. De man heeft de afspraken zelf geïnitieerd en enkel voor de woning zijn partijen afgeweken van de samenlevingsovereenkomst.
3.23.
Het hof overweegt als volgt. Een rechtshandeling is vernietigbaar wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen is (art. 3:44 lid 1 BW). Op grond van art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals de – niet limitatief – in de wet genoemde noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De omstandigheden zijn bijzonder omdat degene die erin verkeert onvrij is en zich als gevolg daarvan in een zwakke positie bevindt waarvan misbruik wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:963 en HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:762). Het hof komt, evenals de rechtbank, op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel dat van misbruik van omstandigheden geen sprake is. Daarbij is mede van belang dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk over en weer gepaard gaat met de nodige emoties. Dat sprake is geweest van ongebruikelijke emoties dan wel omstandigheden waarvan de vrouw wist of moest begrijpen dat deze de man hebben bewogen tot het sluiten van het convenant, terwijl zij hem daarvan had moeten weerhouden, is niet komen vast te staan. Daarbij betrekt het hof hetgeen hiervoor in rov. 3.15.2 is overwogen. De afspraken zijn tot stand gekomen onder begeleiding van een mediator. De man stelt weliswaar de kundigheid van de mediator ter discussie, maar heeft dit niet concreet onderbouwd. Het enkele feit dat de man achteraf bezien niet gelukkig is met het convenant, maakt dit niet anders.
Benadeling voor meer dan een kwart
3.24.
De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:
“4.14. Vooropgesteld wordt dat sprake moet zijn van een benadeling van [geïntimeerde] om toe te komen aan het bewijsvermoeden van art. 3:196 lid 2 BW. Met benadeling wordt bedoeld dat, uitgaande van de juiste waarde van de (gehele) gemeenschap, een deelgenoot in totaal minder toegedeeld heeft gekregen dan waarop hij recht heeft, of dat aan een deelgenoot te weinig is betaald wegens overbedeling. Als een deelgenoot bewust wordt bevoordeeld (schenking), is geen sprake van benadeling. Geoordeeld wordt dat aan het bewijsvermoeden van lid 2 van art. 6:196 BW niet toegekomen wordt omdat in dit geval van benadeling van [geïntimeerde] geen sprake is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben partijen er bewust
voor gekozen om [appellante] te bevoordelen door de volledige overwaarde van de woning aan haar te laten toe komen vanwege een morele verplichting van [geïntimeerde] (de rechtbank verwijst wederom naar 4.25 hierna over de inbreng van [geïntimeerde] ). Er is dus sprake van een bewuste bevoordeling van [appellante] zodat van een benadeling van [geïntimeerde] geen sprake kan zijn. Ten overvloede geldt dat indien er wel sprake zou zijn van een benadeling van meer dan een kwart de rechtbank van oordeel is dat van een dwaling aan de zijde van [geïntimeerde] geen sprake kan zijn. Dat [geïntimeerde] ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst van 16 januari 2021 een onjuiste voorstelling heeft gehad over de waarde van de woning is gesteld noch gebleken. Van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW is dan ook geen sprake.”
3.25.
De grieven 14 tot en met 16 van de man hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat sprake is van een bewuste bevoordeling van de vrouw, zodat van een benadeling van de man geen sprake kan zijn. Het bewijsvermoeden van art. 3:196 BW brengt mee dat wanneer benadeling voor meer dan een kwart is bewezen, de benadeelde wordt vermoed omtrent de waarde te hebben gedwaald. Hij heeft gedwaald omtrent de waarde van de woning en hij betwist dat hij de benadeling te zijnen laste heeft aanvaard.
3.26.
De vrouw betwist het door de man gestelde. Zij is het eens met het oordeel van de rechtbank. De vrouw benadrukt dat de man afstand deed van zijn helft van de overwaarde. Hij heeft dit aan de vrouw geschonken, waarbij nog expliciet is vermeld wat er met overwaarde wordt bedoeld: de verkoopprijs, minus de hypothecaire geldlening én bijkomende kosten (bv makelaarskosten). Die schenking deed de man bewust en in verband met een morele verplichting.
3.27.
Het hof is, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat geen sprake is van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW. Uit het convenant kan worden afgeleid dat partijen er bewust voor gekozen hebben om de vrouw te bevoordelen door de volledige overwaarde van de woning aan haar te laten toekomen vanwege een morele verplichting (zie art. 2.10 van de overeenkomst van 16 januari 2021), zodat van een benadeling van de man geen sprake is.
Redelijkheid en billijkheid
3.28.
Ter zake het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“4.15. Tot slot heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij op grond van de redelijkheid en billijkheid niet aan de tussen partijen gemaakte afspraken gehouden kan worden. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en beslist van oordeel dat ook een beroep op de redelijkheid en billijkheid niet slaagt en geen reden is voor aanpassing van de overeenkomsten van 16 januari 2021.”
3.29.
De man voert in grief 17 aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ook een beroep op redelijkheid en billijkheid niet slaagt en geen reden is voor aanpassing van de overeenkomst van 16 januari 2021. De man stelt dat hij gelet op de gang van zaken niet aan het convenant kan worden gehouden. Nu dit convenant dusdanig is strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dient deze alsnog te worden vernietigd.
3.30.
De vrouw betwist de stellingen van de man. De afspraken zijn in lijn met de samenlevingsovereenkomst (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat), los van het punt van de helft van de overwaarde die de man op grond van de samenlevingsovereenkomst zou
toekomen en die hij in het convenant aan de vrouw schenkt. Die afspraak is op initiatief van de man gemaakt, in het belang van de vrouw en de kinderen.
3.31.
Het hof is van oordeel dat ook deze grief faalt. Niet kan worden vastgesteld dat toepassing van de overeenkomst van 16 januari 2021 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De man heeft in hoger beroep geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot dat oordeel zouden kunnen leiden.
3.32.
Dit betekent dat er geen grond bestaat voor vernietiging (of buiten toepassing laten) van het convenant, zoals door de man verzocht. Het convenant blijft aldus ongewijzigd in stand.
Vergoedingsrecht man
3.33.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat onder de volledige overwaarde van de woning, zoals opgenomen in het convenant, moet worden verstaan en daarmee of aan de man (eerst) een vergoedingsrecht toekomt en zo ja, wat de hoogte van dat vergoedingsrecht is. De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen.
“4.24 (…) Nu er verder in de overeenkomst ook niets afgesproken is over de verhouding tussen de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 of over opzegging van de samenlevingsovereenkomst gaat de rechtbank ervan uit dat de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 voor zover daarover niets afwijkend is afgesproken in de overeenkomst van 16 januari 2021 nog gelden (afwijkingen op het punt van de verkoop van het huis zijn er niet). (…)
4.25.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat er onder de volledige overwaarde van de woning, zoals opgenomen in de overeenkomst van 16 januari 2021, moet worden verstaan. Dat [geïntimeerde] bij de aanschaf van de gezamenlijke woning een bedrag van € 130.000,00 uit eigen middelen heeft geïnvesteerd in de woning staat verder niet ter discussie. [appellante] is echter van mening dat uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 volgt dat het vergoedingsrecht van [geïntimeerde] is komen te vervallen. [geïntimeerde] heeft dit weersproken. De rechtbank stelt vast dat in de overeenkomst van 16 januari 2021 geen afspraken gemaakt zijn over het bedrag van € 130.000,00. Nu er verder in de overeenkomst ook niets afgesproken is over de verhouding tussen de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 of over opzegging van de samenlevingsovereenkomst gaat de rechtbank ervan uit dat de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 voor zover daarover niets afwijkend is afgesproken in de overeenkomst van 16 januari 2021 nog gelden. De brengt met zich dat [geïntimeerde] op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst een vordering van € 130.000,00 op [appellante] heeft die opeisbaar is bij verkoop van de woning. Vervolgens leest de rechtbank de in de samenlevingsovereenkomst opgenomen slotverklaring zo dat partijen de overwaarde van de woning bij helfte verdelen waarbij het niet uitmaakt wat ieders inbreng was (ongeacht eventuele financiële inbreng van een partij uit diens privévermogen bij de verwerving van voormelde woning). Hieruit kan niet afgeleid worden dat [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van
de vordering die hij op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst heeft. De bepaling wordt zo gelezen dat [geïntimeerde] los van zijn inbreng recht heeft op de helft van de overwaarde. Het zou ook niet logisch zijn om aan te nemen dat [geïntimeerde] met de slotverklaring afstand doet van een vordering, waarom was het dan nodig om in de samenlevingsovereenkomst vast te leggen dat hij een vordering heeft (art. 5 lid 4). Na verkoop van de woning heeft [geïntimeerde] dus recht op een bedrag van € 130.000,00. Het restant van de overwaarde (verkoopprijs -/- openstaande hypotheek -/- € 130.000,00 = restant) komt conform de overeenkomst van 16 januari 2021 volledig aan [appellante] toe.”
3.34.
De vrouw kan zich hiermee niet verenigen. Haar grieven richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat de man na verkoop van de woning, respectievelijk overname door hemzelf, recht heeft op een bedrag van € 130.000,--. Dit heeft namelijk tot gevolg dat niet de volledige overwaarde aan de vrouw toekomt, zoals partijen hebben afgesproken in het convenant, geheel in overeenstemming met de bedoeling van partijen. De vrouw licht haar standpunt, samengevat weergegeven, als volgt toe. Het in de samenlevingsovereenkomst van 30 juni 2005 opgenomen vergoedingsrecht van € 130.000,-- had alleen betrekking op de woning aan de [adres B] . Niet kan worden gezegd dat de man ook € 130.000,-- dan wel een ander bedrag heeft geïnvesteerd in de woning te [adres A] . De vrouw verwijst hiervoor naar de door haar ingebrachte productie 24. Partijen hebben ten tijde van het opstellen van de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 expliciet gesproken over vergoedingsrechten en het artikel “VERGOEDINGSRECHTEN” dat aanvankelijk in de ontwerpakte was opgenomen, is verwijderd en niet meer opgenomen in de uiteindelijke samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020. De vrouw had er in ieder geval gerechtvaardigd op mogen vertrouwen en uit de gedragingen en verklaringen van de man in dat kader redelijkerwijze mogen afleiden, dat de man geen aanspraak meer zou maken op een vergoedingsrecht naast de overeenkomst van 16 januari 2021; het is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid dit alsnog te doen. Omdat de woning hangende deze procedure waarschijnlijk aan de man wordt geleverd, wijzigt de vrouw haar reconventionele vordering aldus dat zij vordert om de man te veroordelen aan de vrouw het bedrag van € 130.000,-- te betalen.
3.35.
De man betwist de stellingen van de vrouw. Primair komt hem een vergoeding toe van € 190.439,94, subsidiair € 158.043,06 dan wel meer subsidiair het door de rechtbank toegekende bedrag van € 130.000,--. Het is van belang acht te slaan op de redenen waarom de aanpassingen in de samenlevingsovereenkomst werden gedaan, namelijk:
1) het feit dat door een onhandige bepaling in de samenlevingsovereenkomst van 2005, in relatie tot het feit dat de man inkomen en vermogen had en de vrouw niet, de overwaarde van de woning waarin partijen woonden, geheel aan de man toekwam;
2) de wens van de man om de vrouw te laten zien hoeveel hij voor haar overhad en haar in een gelijkwaardige positie wilde plaatsen.
Toen partijen samen de woning aan [adres B] kochten, heeft de man € 130.000,-- in die woning geïnvesteerd. Bij verkoop van deze woning, kwam ingevolge de samenlevingsovereenkomst uit 2005, de gehele overwaarde aan de man toe. De man investeerde dit bedrag in de door partijen aangekochte woning aan [adres A] . Toen de relatie van partijen in zwaar weer kwam, wilden partijen niet dat de vrouw in angst zou leven dat zij, wanneer de relatie zou eindigen, zonder enig vermogen op straat kwam te staan. Om die reden pasten partijen de samenlevingsovereenkomst aan. Er is in de samenlevingsovereenkomst van 2020 de uitdrukkelijke slotbepaling opgenomen dat de overwaarde gelijkelijk wordt verdeeld. Dat deze bepaling niets van doen heeft met het recht op vergoeding van de man van zijn inbreng, blijkt wel uit het feit dat art. 5 lid 4 in de (nieuwe) samenlevingsovereenkomst is blijven staan. Daarmee hebben partijen bedoeld het vergoedingsrecht van de man van zijn inbreng die hij vóór het aangaan van de relatie had gerealiseerd van € 130.000,-- te handhaven. Daardoor kon de man aanspraak maken op een vergoeding van het overige door hem geïnvesteerde vermogen. Het belang dat deze bepaling in de samenlevingsovereenkomst is blijven staan. volgt wel uit het feit dat alle overige bepalingen die zien op vergoedingen zoals in een eerder concept opgenomen in artikel 5 zijn verwijderd. Op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst 2020 heeft de primair een vordering op de vrouw van € 190.439,94, subsidiair van € 158.043,06 dan wel meer subsidiair € 130.000,--.
3.36.
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat in de kern een geschil over de uitleg van het convenant. Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van het convenant – op grond waarvan de vrouw haar vordering baseert – te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (onder meer: HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:BM6085). Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/635). Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In het licht van deze maatstaf, daaronder bezien ook de wordingsgeschiedenis van de samenlevingsovereenkomst 2020, is het hof van oordeel dat partijen redelijkerwijze aan de bepalingen van het convenant de betekenis moesten toekennen dat partijen de bedoeling hebben gehad – en dit ook zo mochten begrijpen – dat de man geen vergoedingsrecht (meer) toekomt. Het hof wijst daarbij naar de door vrouw overgelegde producties 25 tot en met 29, waaruit het totstandkomingsproces van de samenlevingsovereenkomst in 2020 blijkt.
In de samenlevingsovereenkomst van 2005 is in art. 2.3 het volgende opgenomen:
“Ingeval partijen ten tijde van de verbreking van de samenlevingsovereenkomst gezamenlijk eigenaar zijn van de door hen bewoonde woning zal deze of de opbrengst ervan verdeeld worden in evenredigheid van ieders kapitaalinbreng bij de verwerving ervan.”
In aanloop naar de samenlevingsovereenkomst 2020 hebben partijen onderling, alsook met de notaris, e-mailcontact gehad. De man e-mailt op 26 augustus 2020 aan de vrouw (productie 25):
“Zoals afgelopen vrijdag 21 augustus jl. doorgenomen en gezamenlijk besproken met notaris mevrouw Van Eeten [Den Bosch], verklaar ik [geïntimeerde] hierbij dat in tegenstelling tot wat clausule 2.3 omschrijft (onderstreping hof) in onze huidige samenlevingsovereenkomst [zie bijgaand], de overwaarde van ons huis gelijkelijk over ons beiden wordt verdeeld in geval van het onverhoopt verbreken van onze relatie. Eea zal op 8 oktober as. worden bekrachtigd bij notaris Van Eeten.”
Op 27 augustus 2020 e-mailt de man, mede namens de vrouw, naar de notaris (productie 26):
“(…) Mbt. de Samenlevingsovereenkomst: in Artikel 2, clausule 3 ["Verbreking"] dient te worden opgenomen dat de overwaarde van ons huis gelijkelijk over beiden wordt verdeeld bij onverhoopt verbreken van de relatie. Ook dient er een clausule opgenomen te worden dat [appellante] dan aanspraak kan maken op partneralimentatie. (…)”
De notaris e-mailt partijen op 10 september 2020, voor zover thans relevant, een ontwerpakte houdende wijziging van de samenlevingsovereenkomst (productie 27). In deze ontwerpakte is expliciet een kopje “VERGOEDINGSRECHTEN” met daaronder art. 5 – dat aldus gaat over vergoedingsrechten – opgenomen. Artikel 6 lid 4, dat is opgenomen onder het kopje “GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING” luidt als volgt:
“Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk is of wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.”
In reactie op deze ontwerpakte e-mailt de man, mede namens de vrouw, voor zover thans relevant, op 16 september 2020 het volgende naar de notaris (productie 28):
“wij kunnen geen clausule terugvinden waarin vermeld wordt dat de overwaarde bij verkoop van onze woning 50/50 over ons beiden wordt verdeeld [zojuist besproken dat dit zal worden opgenomen in de overeenkomst]”
De notaris e-mailt partijen op 29 september 2020 (productie 29) dat hij in vervolg op het telefoongesprek van 23 september 2020 het aangepaste ontwerp van de akte houdende wijziging van de samenlevingsovereenkomst stuurt, alsmede de zogeheten “compare write” versie van dat ontwerp, waarin de wijzigingen ten opzichte van het vorige ontwerp zijn aangegeven. In deze nieuwe ontwerpakte is het kopje “VERGOEDINGSRECHTEN” met daaronder artikel 5 in zijn geheel geschrapt. Door het schrappen hiervan, is de nummering in de nieuwe ontwerpakte aangepast. Het voorheen genummerde artikel 6 lid 4, te vinden onder het kopje “GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING” is daardoor art. 5 lid 4 geworden. Dit artikel is inhoudelijk ongewijzigd gebleven. In de slotbepaling van de ontwerpakte is toegevoegd dat partijen verklaren dat:
“zij gelijkelijk gerechtigd zijn in de woning te [adres A] en overeengekomen zijn gelijkelijk te delen in een eventuele waardestijging van die woning ten opzichte van de verwervingskosten daarvan, dan wel gelijkelijk een eventuele waardedaling van die woning te dragen, ongeacht eventuele financiële inbreng van een partij uit diens privévermogen bij de verwerving van voormelde woning;”
De uiteindelijk door partijen op 1 oktober 2020 ondertekende samenlevingsovereenkomst is conform de door de notaris op 29 september 2020 aan partijen gemailde conceptakte.
In het licht van al het voorgaande, dient de overeenkomst aldus te worden uitgelegd dat partijen redelijkerwijze bedoeld hebben om vergoedingsrechten uit het verleden te laten vervallen. Dit past ook in de lijn van de financiële gelijkwaardigheid die partijen toentertijd voor ogen hadden en sluit ook aan bij het feit dat op het ‘aankoopformulier’ van de notaris (prod. 24) dat zij bij de koop van de woning in [woonplaats] (in eigendom verkregen op 25 september 2017) geen ‘eigen geld’ inbrengen. Hetgeen in art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst 2020 is opgenomen, doet daar niet aan af. In het licht van alle omstandigheden dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op eventuele toekomstige vergoedingsrechten.
Deze uitleg strookt ook met artikel 2.10 van het convenant:
“2.10 Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw.
Partijen doen nu al een beroep op het Besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M. De vrouw kan - rekening houdend met dit besluit - bij de aangifte schenkbelasting gebruik maken van het gematigde tarief voor de schenkbelasting. De belasting zal worden berekend naar het tarief dat geldt voor een verkrijging door een partner als bedoeld in artikel 1a, van de Successiewet.”
In dit artikel hebben partijen immers expliciet benoemd op welke wijze de overwaarde van de woning in [woonplaats] berekend dient te worden en hebben zij geen gewag gemaakt van het bestaan van een vergoedingsrecht van de man. Aldus slagen de grieven van de vrouw. Daarmee ligt haar vordering, zoals weergegeven in rov. 3.7 onder I en II, voor toewijzing gereed, met dien verstande dat het hof een termijn van vier weken in acht neemt. Dit houdt tevens in dat de vordering van de man ter zake, zoals hierboven weergegeven in rov. 3.8 onder 1, afgewezen wordt.
Wijziging partneralimentatie
3.37.
De rechtbank heeft over de partneralimentatie het volgende overwogen:
“4.19. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van aanzienlijke wijzigingen zoals opgenomen in art. 1.8. geen sprake is. Wat betreft het inkomen van [geïntimeerde] geldt het volgende. Uit de overeenkomst van 16 januari 2021 blijkt dat partijen bij de berekening van de onderhoudsbijdrage uitgegaan zijn van een bruto jaar inkomen van € 128.831,00 inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Partijen hebben bepaald dat bonussen niet meegenomen worden. Gelet op de door [geïntimeerde] overgelegde specificatie van janauri [sic] 2024 (productie 22) en de door [appellante] ter zitting gemaakte berekening, die niet gemotiveerd weersproken is, is het jaarinkomen van [geïntimeerde] in 2024 € 127.066,28 bruto inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Van een aanzienlijke wijziging van het inkomen van [geïntimeerde] kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden nu het gaat om een vermindering van € 1.764,72. Wat betreft het inkomen van [appellante] geldt dat zij een netto inkomen van € 655,55 per maand ontvangt (productie 15 [appellante] ). Onzeker is hoelang zij dit inkomen nog zal hebben (productie 16 [appellante] ). De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ook aan de zijde van [appellante] niet gesproken kan worden van een aanzienlijke wijziging gelet op de geringe omvang van de inkomsten en de onzekerheid met betrekking tot de toekomst.
4.20.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [appellante] met betrekking tot de betaling van de onderhoudsbijdrage wordt toegewezen zoals gevorderd.”
3.38.
De man keert zich met zijn grieven I t/m V in het incidenteel appel tegen dit oordeel van de rechtbank. De man licht dit als volgt toe. Partijen waren samenlevers. De grondslag voor een onderhoudsverplichting kunnen samenlevers vastleggen in een overeenkomst. Partijen hebben dit vastgelegd in de samenlevingsovereenkomst 2020. Een maand later, in november 2020, verbrak de vrouw alsnog de relatie. Bij de mediator hebben partijen vervolgens afspraken gemaakt over de hoogte van het bedrag dat de vrouw nodig heeft en over de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie. Op grond van de samenlevingsovereenkomst en het convenant, kan de alimentatie worden gewijzigd bij een aanzienlijke wijziging van het inkomen van een van beiden. Volgens de man is er sprake van een aanzienlijke wijzing van zowel zijn inkomen als dat van de vrouw. Voor wat betreft zijn eigen inkomen, stelt de man dat zijn bruto inkomen in het jaar voorafgaand aan het verbreken van de samenleving – te weten in 2019 – € 157.041,-- bedroeg. In 2023 was zijn bruto jaarinkomen € 130.811,--. Dit is een aanzienlijke wijziging waardoor overeenkomstig het convenant de bijdrage voor de vrouw opnieuw dient te worden berekend.
Ook aan de zijde van de vrouw is sprake van een aanzienlijke wijziging. Zij had toen de partneralimentatie werd vastgesteld geen inkomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank had de vrouw een inkomen van € 1.119,38 per maand, exclusief vakantietoeslag. Hoewel de vrouw steeds aanvoert dat dit inkomen onzeker is, is haar contract in het verleden wel verlengd. Daarnaast is er een tekort aan onderwijzend personeel op middelbare scholen. Met de capaciteiten van de vrouw en de inmiddels opgedane werkervaring kan zij ook elders aan de slag. Gelet op de indertijd vastgestelde behoefte van de vrouw van € 2.020,--, zoals blijkt uit productie 34, betaalt de man in 2023 geïndexeerd € 2.128,36. Nu de vrouw in 2023 zelf € 1.333,-- bruto per maand verdiende (inclusief vakantietoeslag; zie productie 36), hoeft de man in 2023 nog maar € 795,36 bruto per maand te voldoen. Voor 2024 moet hij € 844,67 bruto per maand en voor 2025 € 899,57 bruto per maand voldoen. De man wil ook dat het hof bepaalt dat hij de tussen oktober 2023 en de datum van het te wijzen vonnis te veel betaalde bijdragen kan verrekenen met enig bedrag dat de vrouw ten laste van de man toekomt, waaronder begrepen toekomstige onderhoudsbijdragen.
3.39.
De vrouw betwist de stellingen van de man. Uit de overeenkomst van 16 januari 2021 volgt dat partijen voor de berekening van de partneralimentatie zijn uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de man van € 128.831,--, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Er is geen rekening gehouden met bonussen. Dat de man in 2019 een inkomen had van € 157.041,-- is dus niet relevant, want daar is immers niet mee gerekend. Er is – zoals uit het convenant volgt – gerekend met een inkomen van € 128.831,-- bruto per jaar. Dat bedrag is dus leidend voor zijn draagkracht. Het inkomen van de man in 2023 was kennelijk € 130.811 per jaar, en dus nagenoeg gelijk aan het inkomen waarmee is gerekend. Er kan dus niet worden gesproken van een aanzienlijke wijziging in zijn inkomen. Voor zover er al sprake zou zijn van een relevante inkomensverlaging – wat niet zo is – is sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Tot slot is van belang dat de man vanaf april 2025 geen dubbele woonlasten meer heeft en hij thans voor [kind A] geen kinderalimentatie meer hoeft te betalen.
De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ook aan de zijde van de vrouw geen sprake is van een aanzienlijke wijziging. Bij het vaststellen van de partneralimentatie, was de draagkracht van de man de beperkende factor. De vrouw heeft sinds het verbreken van de relatie diverse tijdelijke contracten gehad. Er is nimmer sprake geweest van een bestendige situatie, waarin zij substantieel inkomen had. Haar tijdelijke dienstverband is per 31 juli 2025 geëindigd. Zij zal slechts zeer korte tijd een WW-uitkering ontvangen en heeft de afgesproken partneralimentatie nodig om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw erkent dat zij tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank een inkomen had van € 1.119,-- bruto per maand. De partneralimentatie die is afgesproken, was het bedrag dat de vrouw nodig had naast de woonlasten. De berekening die de man maakt – inhoudende dat hij in 2023 tot en met 2025 achtereenvolgens naar zijn mening nog maar € 795,36, € 844,67 dan wel € 899,57 bruto per maand hoeft te betalen – is dan ook onjuist en onredelijk gezien de welstand van partijen tijdens de relatie.
Voor zover de man een lager bedrag aan partneralimentatie zou moeten betalen, mag de teveel betaalde partneralimentatie niet worden verrekend met toekomstige bedragen. De vrouw heeft thans geen salaris meer. De partneralimentatie die zij tot op heden heeft ontvangen, heeft zij volledig verteerd en de bedragen die zij nog gaat ontvangen heeft zij nodig voor haar levensonderhoud. Het kan in redelijkheid niet van haar worden verlangd dat de man in het verleden “te veel” betaalde partneralimentatie mag gaan verrekenen met toekomstige partneralimentatie van de vrouw, waardoor zij moet gaan interen om rond te kunnen komen.
3.40.1.
Het hof overweegt als volgt.
De grieven van de man lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Allereerst stelt het hof vast dat een wettelijke regeling om partneralimentatie vast te stellen voor ex-samenlevers ontbreekt. Dit laat onverlet dat zij hierover afspraken kunnen maken. Partijen hebben de verplichting van de man om partneralimentatie aan de vrouw te betalen, vastgelegd in art. 11 van de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 en nadien in het convenant. Voor zover in de tekst van art. 11 lid 1 van die samenlevingsovereenkomst een verwijzing naar de wettelijke maatstaven gelezen zou kunnen worden, overweegt het hof dat het bij de uitleg van overeenkomsten niet alleen aankomt op de letterlijke bewoordingen, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekomen en op hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Partijen hebben de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de alimentatieverplichting van de man, nadien vastgelegd in het convenant. Daarbij is niet verwezen naar de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van de in de wet geregelde partneralimentatie en ook overigens zijn in het convenant geen aanwijzingen te vinden dat partijen hierbij hebben willen aansluiten. Het hof wijst in dit verband ook op art. 1.2 van het convenant, waarin is vastgelegd wat partijen onder het bruto jaarinkomen verstaan. Daarbij is expliciet afgeweken van de wettelijke maatstaven (zie ook rov. 3.40.2). Gelet hierop, is het hof van oordeel dat de wettelijke maatstaven niet van toepassing zijn. Het hof zal daarom uitgaan van de maatstaven die partijen samen hebben afgesproken. Ingevolge art. 1.8 van het convenant zal de bijdrage in het levensonderhoud opnieuw berekend dienen te worden, indien er (buiten de schuld van één van de partijen) een aanzienlijke wijziging in het inkomen van één van de partijen plaatsvindt.
Aanzienlijke wijziging inkomen man
3.40.2.
Het hof is van oordeel dat er aan de zijde van de man geen sprake is van een aanzienlijke wijziging. Daartoe is het volgende van belang. Uit art. 1.2 van het convenant blijkt dat partijen voor de berekening van de partneralimentatie aan zijde van de man zijn uitgegaan van een bruto jaarinkomen uit arbeid van € 128.831,--. Partijen verstaan daaronder – aldus art. 1.2 van het convenant –“het bruto jaarinkomen, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Met bonussen is geen rekening gehouden.” Dat het daadwerkelijke inkomen van de man dus hoger was, te weten € 157.041,-- (zoals blijkt uit de door de man overgelegde productie 33), is dan ook niet relevant. Partijen zijn immers bewust uitgegaan van een lager bruto jaarinkomen. Nu het inkomen van de man in 2023 blijkens de door hem overgelegde jaaropgaaf 2023 € 130.811,-- bedraagt, is er van een aanzienlijke wijziging ten opzichte van het jaarinkomen waar partijen bij de vaststelling van de partneralimentatie vanuit zijn gegaan, aldus geen sprake.
Aanzienlijke wijziging inkomen vrouw
3.40.3.
Het hof is van oordeel dat aan de zijde van de vrouw wél sprake is van een aanzienlijke wijziging zoals overeengekomen in art. 1.8 van het convenant. Bij de vaststelling van de partneralimentatie zijn partijen er destijds vanuit gegaan dat de vrouw géén inkomen heeft (zie art. 1.2 van het convenant). Uit de stukken blijkt dat de vrouw met ingang van 17 januari 2022 tot 31 juli 2025 werkzaam is geweest bij het [xx] College, laatstelijk als Onderwijsassistent met een werktijdfactor van 0,3. Uit de jaaropgave 2023 blijkt dat de vrouw in 2023 een fiscaal jaarloon genoot van € 15.485,--. Uit de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening (productie 21) blijkt dat zij voor 2024 – zij rekent immers met de tarieven 2024 – uitgaat van een fiscaal jaarloon van € 16.407,--. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in 2022 aanzienlijk minder inkomen heeft genoten. In dit oordeel heeft het hof betrokken de gegevens die staan vermeld op de overgelegde loonstroken 2023 (“Jaarloon BT € 13.685,-- ”), die normaliter verwijzen naar het inkomen dat in het voorgaande jaar is genoten. Het hof acht dit een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de situatie zoals die was (namelijk: geen inkomen) ten tijde van het sluiten van het convenant. Dit leidt er toe, dat de bijdrage voor wat betreft de periode vanaf oktober 2023 – de man vordert geen wijziging per eerdere datum – opnieuw berekend dient te worden. Anders dan de man, ziet het hof geen aanleiding om ook voor de periode ná 31 juli 2025 – zijnde de periode dat de vrouw geen inkomsten uit arbeid meer geniet – een nieuwe berekening te maken, daarbij uitgaande van enige verdiencapaciteit van de vrouw. Zoals het hof hiervoor in rov. 3.40.1 reeds heeft overwogen, zijn de wettelijke maatstaven niet van toepassing en is in het convenant ook geen aanwijzing te vinden dat rekening dient te worden gehouden met verdiencapaciteit.
Berekening partneralimentatie
3.40.4.
Voor wat betreft de berekening dient aansluiting gezocht te worden bij hetgeen partijen zijn overeengekomen in het convenant. Daarin is bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2021 maandelijks zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.020,-- per maand. Anders dan de vrouw stelt, geven de stukken geen aanleiding te veronderstellen dat haar behoefte destijds hoger lag en de draagkracht van de man de beperkende factor is geweest bij het maken van deze afspraak. Uit het gespreksverslag van de mediator blijkt immers dat de partneralimentatie is berekend en dat de man € 1.688,-- per maand (bruto) aan de vrouw dient te betalen. Overigens acht het hof dat ook weinig relevant, nu niet uitgegaan kan worden van de fictie dat partijen beoogd hebben aan te sluiten bij de wettelijke maatstaven en daarmee bij de gebruikelijke wijze – van toepassing op ex-echtgenoten – van het berekenen van behoefte en draagkracht. Wat betreft de draagkracht van de man staat ook vast dat zij daarbij expliciet van de gebruikelijke berekeningssystematiek zijn afgeweken (zie ook rov. 3.40.2).
Ingangsdatum
3.40.5.
Nu de vordering van de man impliceert dat hij een wijziging van de door hem te betalen partneralimentatie beoogt met ingang van oktober 2023, zal het hof aansluiting zoeken bij deze ingangsdatum. In het licht van de gemaakte afspraken in het convenant, stelt het hof vast dat de aanzienlijke wijziging aan de zijde van de vrouw slechts betrekking heeft op een bepaalde tijd – aan de vrouw is met ingang van 31 juli 2025 ontslag verleend – en dat de in het convenant vastgelegde alimentatieverplichting met ingang van die datum weer herleeft, nu zij met ingang van die datum geen inkomsten meer heeft.
Het hof is van oordeel dat de man de teveel betaalde partneralimentatie in deze periode (1 oktober 203 – 31 juli 2025) – zoals door hem gevorderd – mag verrekenen met het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag van € 130.000,--. De vrouw verzet zich weliswaar tegen verrekening, maar nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw de man – conform het bepaalde in art. 1.8 – op de hoogte heeft gesteld van haar inkomsten, heeft de vrouw welbewust het risico genomen dat zij achteraf wordt geconfronteerd met een wijziging.
3.40.6.
Met inachtneming van de door de man in zijn spreekaantekeningen neergelegde berekening – die zijn grondslag vindt in de toelichting die de man in punt 54 en punt 55 van zijn memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft gegeven en welke berekening op zichzelf door de vrouw niet, althans onvoldoende, is weersproken – becijfert het hof de door de man in de periode 1 oktober 2023 – 31 juli 2025 teveel betaalde partneralimentatie op € 31.540,51.
Proceskosten
3.41.
De vrouw heeft in haar principaal hoger beroep gevorderd om de man te veroordelen in de kosten in beide instanties. Het hof ziet evenwel geen aanleiding om af te wijken van het in art. 237 Rv juncto 353 Rv neergelegde uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
4De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
in conventie en in reconventie:
vernietigt het vonnis waarvan beroep doch uitsluitend voor zover de rechtbank in conventie onder 5.1. ook de vordering van de man ter zake de alimentatie geheel heeft afgewezen en in reconventie voor zover het de beslissingen in rov. 5.3. (alimentatie) en 5.8 (bedrag van € 130.000,--). betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, voor zover het betreft de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 juli 2025 en veroordeelt de man tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van:
- € 795,36 per maand met ingang van 1 oktober 2023 tot 1 januari 2024;
- € 844,67 per maand met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025;
- € 899,57 per maand met ingang van 1 januari 2025 tot 1 augustus 2025;
bepaalt dat de vrouw aan de man binnen vier weken na de datum van dit arrest moet voldoen het door haar in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 juli 2025 teveel ontvangen bedrag aan alimentatie, zijnde € 31.540,51;
bepaalt dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van de levering resterende hypothecaire geldlening aan de vrouw toekomt;
bepaalt dat de man binnen vier weken na de datum van dit arrest het bedrag van € 130.000,-- dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente na de datum vanaf de dag indien en zover de man daarmee in gebreke blijft;
bepaalt dat de man het teveel betaalde bedrag aan alimentatie mag verrekenen met het door hem te betalen bedrag van € 130.000,--;
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank voor het overige;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2025.
griffier rolraadsheer
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.346.343/01
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. A. Zonnenberg te Best,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 mei 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de door partijen met het oog op de financiële afwikkeling van het einde van hun samenleving gesloten overeenkomst vernietigbaar is. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, heeft het hof te oordelen over de vraag op welke wijze de financiële afwikkeling dient plaats te vinden, ofwel hoe deze overeenkomst uitgelegd dient te worden. Daarnaast ligt de vraag voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met gewijzigde omstandigheden bij een door ex-samenlevers overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394579 / HA ZA 23-421)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties 22 tot en met 32;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties 28 tot en met 39;
de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties 33 tot en met 35;
de akte in principaal hoger beroep d.d. 9 oktober 2025 met producties 36 tot en met 40 ;
de mondelinge behandeling, gehouden op 22 oktober 2025,waarbij partijen beiden spreekaantekeningen hebben overgelegd.
2.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de overlegging van stukken die de man aan zijn spreekaantekeningen heeft gehecht, nu deze stukken te laat – te weten pas op de mondelinge behandeling – zijn overgelegd. Het hof heeft daarop beslist dat dit bezwaar gegrond is. De man had deze stukken eerder (tijdig) binnen de in het procesreglement (art. 4.5) genoemde termijn kunnen en moeten overleggen, zodat de vrouw, daarop voorbereid, kon reageren. Aldus maken deze bijlagen aan de spreekaantekeningen geen onderdeel uit van het procesdossier.
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie twee, inmiddels (jong)meerderjarige, kinderen zijn geboren.
Bij notariële akte van 30 juni 2005 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.
In juni 2020 is de relatie tussen partijen onder druk komen te staan.
Bij notariële akte van 1 oktober 2020 hebben partijen een nieuwe samenlevingsovereenkomst gesloten.
Op 24 november 2020 heeft de man de gezamenlijke woning aan [adres A] (hierna: de woning) verlaten.
Partijen hebben de gevolgen van het verbreken van hun relatie geregeld in een door hen op 16 januari 2021 ondertekende overeenkomst (hierna: het convenant) en een ouderschapsplan.
3.2.
In voormelde notariële akte van 1 oktober 2020 is onder meer het volgende opgenomen:
“De verschenen personen verklaren dat:
(…)
-zij voormelde samenlevingsovereenkomst zodanig wensen te wijzigen zodat deze komt te luiden als volgt:
(…)
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
Artikel 5
(...)
4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk is of wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op
de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.
(…)
EINDE SAMENLEVINGSOVEREENKOMST
Artikel 7
1. Deze overeenkomst eindigt:
a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan: de opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij of indien de verblijfplaats van de wederpartij niet bekend is aan het kantoor van ondergetekende notaris dan wel diens opvolger, waarbij een opzegtermijn van ten minste één maand in acht wordt genomen;
b. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen de samenleving feitelijk hebben beëindigd; dit kan blijken uit het zich bij de gemeentelijke basisadministratie inschrijven op een ander adres of uit het feitelijk overgaan tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen.
(…)
PARTNERALIMENTATIE NA VERBREKING RELATIE
Artikel 11
1. Gezien het verschil in inkomen van de verschenen personen en hun overige omstandigheden zijn zij overeengekomen dat [appellante] , voornoemd, jegens [geïntimeerde] , voornoemd, indien deze overeenkomst eindigt door één van de oorzaken in artikel 7 lid l sub a en b vermeld aanspraak kan maken op een uitkering tot levensonderhoud als waren zij gehuwd vanaf dertig juni tweeduizend vijf.
2. De maandelijkse uitkering eindigt:
a. na het verstrijken van een termijn van tien (10) jaren, die aanvangt op de datum van opzegging als bedoeld in artikel 7 lid 1 letter a van deze overeenkomst.
b. indien de alimentatiegerechtigde partij opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenleven met een ander;
c. indien de alimentatiegerechtigde partij, gezien haar aan de samenleving gerelateerde behoefte, op andere wijze in voldoende mate zelf in haar levensonderhoud kan voorzien.”
3.3.
In voornoemd convenant van 16 januari 2021 zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Bijdrage in het levensonderhoud/verzorgingsuitkering
1.1
Op basis van de aldus vastgestelde daadwerkelijke behoefte en draagkracht komen de man en de vrouw overeen, dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2021 maandelijks zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.020,00 bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan. De betalingen van de onderhoudsbijdrage aan de vrouw worden door de man gezien als een dringende morele verplichting. De man voldoet hiermee aan een natuurlijke verbintenis, welke is afgesproken in de samenlevingsovereenkomst. Voormeld bedrag is een brutobedrag. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting en heffingen zijn voor rekening van de alimentatiegerechtigde.
1.2
De in artikel 1.1 vastgestelde onderhoudsbijdrage is gebaseerd op de inkomenssituatie zoals die op ondertekeningdatum van deze overeenkomst bekend is. De man heeft een bruto jaarinkomen uit arbeid van € 128.831,- De vrouw heeft geen inkomen. Onder bruto jaarinkomen verstaan partijen het bruto jaarinkomen, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Met bonussen is geen rekening
gehouden.
1.3
De in artikel 1.1 bepaalde bijdrage in het levensonderhoud zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2022.
1.4
De onderhoudsbijdrage zoals bepaald in artikel 1.1 zal worden toegekend voor een periode van 10 jaar.
(…)
1.8.
Mocht er een aanzienlijke wijziging in het inkomen van één van de partijen plaatsvinden (buiten de schuld van één van de partijen), dan zal de bijdrage in het levensonderhoud opnieuw berekend dienen te worden. De desbetreffende persoon dient de ander daarvan terstond in kennis te stellen.
Artikel 2. De gezamenlijke woning
2.1
Partijen zijn samen eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen aan [adres A] (…)
2.10
Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw.
Partijen doen nu al een beroep op het Besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M. De vrouw kan - rekening houdend met dit besluit - bij de aangifte schenkbelasting gebruik maken van het gematigde tarief voor de schenkbelasting. De belasting zal worden berekend naar het tarief dat geldt voor een verkrijging door een partner als bedoeld in artikel 1a, van de Successiewet.”
De procedure bij de rechtbank
3.4.
De man heeft vorderingen in conventie ingesteld, waaraan hij, voor zover thans van belang, ten grondslag heeft gelegd – kort gezegd – dat de overeenkomsten (het convenant en het ouderschapsplan) van 16 januari 2021 nietig/vernietigbaar zijn. Hij heeft zich daarbij achtereenvolgens beroepen op het bestaan van een geestelijke stoornis, strijd met de goede zeden, misbruik van omstandigheden, benadeling voor meer dan een kwart en strijd met de redelijkheid en billijkheid. Hij voert voorts aan dat hij op grond van artikel 5 lid 4 van het samenlevingscontract d.d. 1 oktober 2020 een vordering op de eenvoudige gemeenschap (van woning) heeft van € 130.000,--. Verder heeft de man aangevoerd dat de overeengekomen alimentatie moet worden gewijzigd omdat deze door een wijziging van omstandigheden niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
3.5.
De vrouw heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie en voorwaardelijke reconventie ingesteld, waarbij zij – kort gezegd – vordert – in conventie – dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen althans dat deze hem moet worden ontzegd. In reconventie vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld tot betaling van een alimentatie van € 2.020,= per maand met ingang van 16 januari 2022 en medewerking aan de verkoop en levering van de woning, op de door haar voorgestane wijze, op straffe van een dwangsom. In voorwaardelijke reconventie (voor het geval de rechtbank het beroep van de man op nietigheid van de overeenkomsten van 16 januari 2021 honoreert) heeft de vrouw vorderingen ingesteld terzake partner- en kinderalimentatie zoals in het petitum van haar conclusie nader aangegeven. De vrouw heeft in conventie en reconventie, kort gezegd, ook gevorderd om de man te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.6.
De rechtbank heeft de vorderingen van de man in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans van belang, de man veroordeeld tot betaling van partneralimentatie ten bedrage van € 2.020,-- per maand met ingang van 16 januari 2021, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2022. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de woning aan het [adres A] moet worden verkocht met inachtneming van art. 2.3 van de overeenkomst van 16 januari 2021 en art. 9 lid 5 van de notariële akte van 1 oktober 2020 en dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van de woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van levering resterende hypothecaire geldlening minus een bedrag van € 130.000,-- aan de vrouw toekomt. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.
De procedure bij het hof
3.7.
De vrouw vordert, “bij arrest, te vernietigen voor zover de grieven strekken het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zoals dat tussen appellante en geïntimeerde op 29 mei 2024 in de zaak met zaaknummer C/0 1/394579 / HA ZA 23-421 in conventie en reconventie is gewezen, en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen binnen om veertien dagen na de datum van het door uw hof te wijzen arrest aan de vrouw te betalen het bedrag van € 130.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het arrest indien en zover de man daarmee in gebreke blijft;
II. te bepalen dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van [de] woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van de levering resterende hypothecaire geldlening aan de vrouw toekomt;
III. met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.”
3.8.
De man vordert “bij uitspraak, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad,
1. het appѐl van de vrouw als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en bij arrest het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man recht heeft op het door hem geïnvesteerde vermogen en hij daardoor een vordering heeft op de vrouw van € 190[.439,94] dan [wel €] 158[.043,06] en de vrouw te veroordelen deze aan de man te betalen, dan wel het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te bekrachtigen [en] de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Bij wijze van incidenteel appel
2. de veroordeling van de man in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 onder 5.3 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 795,36 bruto per maand, vanaf oktober 2023 maandelijks vóóraf te voldoen met betrekking tot de toekomstige termijnen en daarbij te bepalen dat de man het tussen oktober 2023 en de datum van de uitspraak te veel betaalde bijdragen kan verrekenen met enige [sic] bedrag dat de vrouw ten laste van de man toekomt waaronder begrepen toekomstige onderhoudsbijdrage voor de vrouw.
En bij wijze van voorwaardelijk incidenteel appel,
(in geval de vordering van de vrouw wordt toegewezen)
3. de afwijzing in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2024 te vernietigen [sic] onder 5.1 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het scheidingsconvenant van 16 januari 2022 [sic] te vernietigen en de wijze van verdeling te conform punt 89 van dit processtuk.
4. Te bepalen dat ieder der partijen zijn eigen proceskosten draagt in beiden instanties.”
3.9.
De vrouw vordert “bij uitspraak het (voorwaardelijk) incidenteel appel van de man als zijnde ongegrond/onbewezen integraal af te wijzen. Kosten rechtens.”
Vernietiging convenant
3.10.
Het hof zal om proceseconomische redenen eerst beslissen op de (voorwaardelijke) vordering van de man strekkende tot vernietiging van het convenant, aangezien deze vordering het meest verstrekkend is.
3.11.
De man beroept zich – ter onderbouwing van zijn stelling dat het convenant vernietigbaar is – op het bestaan van een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van zijn belangen belette, strijd met de goede zeden, misbruik van omstandigheden, benadeling voor meer een kwart en tot slot op de redelijkheid en billijkheid. Het hof zal deze door de man aangevoerde gronden hieronder puntsgewijs bespreken.
Geestelijke stoornis (art. 3:34 BW)
3.12.
De rechtbank heeft ten aanzien van het beroep van de man op het bestaan van een geestelijke stoornis, het volgende overwogen.
“4.6. Geoordeeld wordt op grond van de door [geïntimeerde] overgelegde producties dat wel aangenomen kan worden dat hij gediagnosticeerd is met PTSS (onder meer productie 6 dagvaarding) maar dat er door [geïntimeerde] onvoldoende is aangevoerd om aan te kunnen nemen dat deze diagnose maakt dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW. De enkele verwijzing naar de rapport van [A] is daartoe onvoldoende. De rechtbank is met [appellante] van oordeel dat er de nodige vraagtekens gesteld kunnen worden bij dit rapport. Vaststaat dat [A] niet de behandelaar van [geïntimeerde] is geweest en dat hij, zo volgt het rapport, zijn rapport vooral gebaseerd heeft op de volgende mededeling van [geïntimeerde] "in januari 2021 tekende u een echtscheidingsconvenant waarin werd geregeld dat u, naar uw huidige mening, buitenproportioneel veel toegaf aan uw ex en uzelf enorm tekort deed". De buitenproportionele afspraken in combinatie met de PTSS maken volgens [A] dat sprake is geweest van een geestelijke stoornis. De rechtbank is van oordeel dat deze subjectieve mededeling van [geïntimeerde] zelf, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is geweest van een geestelijke stoornis. Er zal ook gekeken moeten worden naar andere omstandigheden die een rol speelden bij de totstandkoming van de overeenkomsten.
Zoals dat er een mediator (en notaris) bij betrokken was en dat [geïntimeerde] ruim de tijd heeft gehad de overeenkomst te bekijken voordat hij deze ondertekend heeft. Dat [A] daar rekening mee gehouden heeft, blijkt niet uit zijn rapport. Daarbij kunnen er ook de nodige vraagtekens gezet worden bij de opmerking van [geïntimeerde] dat hij “buitenproportioneel veel toegaf aan uw ex en uzelf enorm tekort deed”. De rechtbank is namelijk van oordeel dat in de overeenkomsten van 16 januari 2021 geen sprake is van buitenproportionele benadeling van [geïntimeerde] (de rechtbank betrekt hierbij de beoordeling onder 4.25 hierna, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] het door hem geïnvesteerde vermogen terugkrijgt). Dit in vergelijking met de
afspraken die partijen op 1 oktober 2020 gemaakt hebben in de samenlevingsovereenkomst. De afspraken zijn grotendeels met elkaar in lijn met uitzondering van de verdeling van de woning. Wat betreft die woning geldt dat de overwaarde bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst ook onderwerp van gesprek geweest is. Dit volgt uit de slotverklaring van de akte (productie 2 dagvaarding). Bij het opstellen van de
overeenkomsten van 16 januari 2021 zijn over de overwaarde afwijkende afspraken, ten gunste van [appellante] gemaakt. Uit de overeenkomst blijkt dat hieraan een morele verplichting van [geïntimeerde] ten grondslag ligt. [geïntimeerde] heeft dit verder niet gemotiveerd weersproken zodat hier vanuit gegaan kan worden. Uit het gespreksverslag van de mediation (productie 5 conclusie van antwoord) blijkt dat ook over de fiscale gevolgen van het toekomen van de gehele overwaarde aan [appellante] gesproken is. Partijen vonden het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst beiden kennelijk redelijk dat de overwaarde in zijn geheel aan [appellante] zou toe komen. Het staat partijen vrij om dit zo af te spreken. Dat [geïntimeerde] wellicht hier achteraf anders tegenaan kijkt maakt dit niet anders. In dit licht bezien is het ook opmerkelijk te noemen dat volgens [geïntimeerde] ten tijde van het ondertekenen van de notariële samenlevingsovereenkomst op 1 oktober 2020 geen sprake was van een geestelijke stoornis terwijl er in deze overeenkomst afwijkende afspraken gemaakt zijn van de eerste samenlevingsovereenkomst die partijen in 2005 gesloten hebben en er op dat moment ook al
PTSS bij hem vastgesteld was. Het feit dat deze afspraken niet gemaakt zijn in het kader van het verbreken van de relatie, zoals [geïntimeerde] stelt, maakt dit niet anders, omdat op dat moment de relatie van partijen ook al in zwaar weer zat.
4.7.
Nu gelet op het voorgaande niet vast is komen te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst op 16 januari 2021, wordt ook niet toegekomen aan de bewijsvermoedens van art. 3:34 lid 1 BW. Vernietiging van de overeenkomst op grond van een geestelijke stoornis is dan ook niet aan de orde.”
3.13.
De man heeft tegen dit oordeel twee grieven (grief 6 en 7) aangevoerd, die er in de kern op neer komen dat er ten tijde van de ondertekening van het convenant bij de man sprake was een geestesstoornis die een redelijke waardering van zijn belangen belette, waardoor het convenant op de voet van art. 3:34 BW voor vernietiging in aanmerking komt.
Hij voert daartoe aan dat als vaststaand kan worden aangenomen dat hij een posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS) heeft. Daarmee is sprake van een geestelijke stoornis. Voor de beantwoording van de vraag of de PTSS hem belette te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen, heeft de man dr. [A] (hierna: [A] ) een rapportage laten uitbrengen.
Dat [A] niet zijn behandelaar is, maakt hem niet minder, maar juist méér betrouwbaar. In relatie tot zijn kennis van PTSS kwam [A] tot de conclusie dat de man vanwege de opgelopen trauma's al op jonge leeftijd een persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld, met als gevolg dat de man conflict vermijdende keuzes maakt en de neiging heeft zich afhankelijk op te stellen. De traumatische echtscheiding en breuk met de kinderen reactiveerde en versterkte deze stijl waardoor de man volgens [A] irrationeel en niet wilsbekwaam handelde tijdens het afhandelen van de scheiding.
De mediator had dit moeten opmerken. Daarbij speelde dit tegen de achtergrond waarin als gevolg van COVID een lockdown gold en de man daardoor in een volledig isolement verkeerde en hem door de vrouw werd voorgehouden dat hij welkom zou blijven in de woning als hij haar financieel tegemoet zou komen. Nergens blijkt dat de mediator de man heeft gewezen op de nadelige gevolgen en zij had moeten verifiëren of dit daadwerkelijk was wat partijen wensten en of zij deze afweging goed konden maken.
3.14.
De vrouw verweert zich. Zij is het eens met het oordeel en de motivering van de rechtbank. De vrouw betwist dat sprake was van een geestelijke stoornis. Enkel een arts/psychiater kan/mag oordelen over de vraag of sprake is van een geestelijke stoornis en of die een redelijke afweging van belangen belet. [A] is een psycholoog en kan niet op de stoel van een arts/psychiater gaan zitten.
[A] is enkel door de man geïnstrueerd en baseert zijn conclusies op aannames. Op grond van de redenering van [A] zou de man met zijn PTSS überhaupt geen scheiding kunnen regelen. De man kan met PTSS prima rechtshandelingen verrichten. Los van het feit dat het niet aan [A] is om te oordelen of iemand in staat is rechtshandelingen te verrichten, is [A] de afgelopen jaren meerdere malen tuchtrechtelijk berispt, geschorst en is zijn inschrijving als psycholoog in het BIG-register inmiddels doorgehaald.
De vrouw, de notaris en de mediator hebben in ieder geval niet gemerkt dat de man een geestelijke stoornis zou hebben en al helemaal niet dat hij daardoor niet in staat zou zijn om een samenlevingsovereenkomst te wijzigen, vervolgens de gevolgen van een scheiding te overzien / een samenlevingsovereenkomst af te wikkelen en in dat kader een convenant op te stellen. Van belang is ook nog dat de man de gesprekken leidde en bepalend was. De mediator heeft diverse malen aan de man gevraagd of dit echt was wat hij wilde en of het convenant aan zijn wensen voldeed. De man was zich bewust van de gevolgen. Er staat immers letterlijk dat vanwege een morele verplichting de gehele overwaarde aan de vrouw toekomt, waarna wordt afgesproken dat de schenkbelasting voor rekening van de vrouw komt. In ieder geval mocht de vrouw er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit is wat de man wilde. De vrouw betwist tot slot dat sprake is van een voor de man onvoorstelbaar nadelige regeling.
3.15.1.
Het hof overweegt als volgt. Uit art. 3:34 lid 1 BW volgt dat voor het inroepen van de vernietigbaarheid van het convenant is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende stoornis van de geestvermogens bij de man op het moment van het ondertekenen van het convenant. Het is aan degene die zich op art. 3:34 BW beroept, in dit geval de man, de geestelijke stoornis te stellen en zo nodig te bewijzen.
Dit geldt ook voor de stelling dat vanwege de geestelijke stoornis een met het convenant overeenstemmende wil heeft ontbroken. Op grond van het bewijsvermoeden van art. 3:34 lid 1 BW wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of (ii) indien de verklaring onder invloed van de stoornis is begaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijke gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
3.15.2.
Het hof is van oordeel dat de enkele stelling dat de man gediagnosticeerd is met PTSS, niet betekent dat daarmee sprake is van een geestelijke stoornis in vorenbedoelde zin. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een partij in de regel voldoet aan haar stelplicht dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt (HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047). Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de verklaring van [A] , gz-psycholoog, d.d. 7 november 2022 geen medische verklaring is in vorenbedoelde zin. Vast staat immers dat [A] slechts naar aanleiding van door de man zelf verstrekte inlichtingen achteraf een verklaring heeft opgesteld. Deze verklaring kan daarom niet de conclusie dragen dat sprake is van een geestelijke stoornis zoals bedoeld in art. 3:34 BW.
Ook in hetgeen de man verder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanwijzingen om aan te nemen dat sprake was van een geestelijke stoornis in vorenbedoelde zin. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zullen ook de andere omstandigheden die een rol speelden bij de totstandkoming van het convenant moeten worden beoordeeld. Het hof komt, na een zelfstandige afweging en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis ten tijde van het ondertekenen van het convenant op 16 januari 2021. Nu dit niet is komen vast te staan, wordt ook niet toegekomen aan het bewijsvermoeden van art. 3:34 lid 1 BW en behoeven de in dit kader aangevoerde stellingen en betwistingen geen verdere bespreking.
Strijd met de goede zeden
3.16.
De rechtbank heeft op dit punt als volgt geoordeeld.
“4.9. De rechtbank is van oordeel dat in de overeenkomsten van 16 januari 2021 geen sprake is van dusdanige onevenredige afspraken die maken dat sprake is van strijd met de goede zeden. Hierbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.6. is overwogen. Zoals hiervoor is vastgesteld (daar moet de rechtbank het in dit proces voor houden op grond van de informatie in het dossier) was van een geestelijke stoornis bij [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen sprake. Hij wist dus waarvoor hij tekende (daar moet de rechtbank het voor houden op grond van de informatie in het dossier). Partijen vonden het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst beiden kennelijk redelijk dat de overwaarde in zijn geheel aan [appellante] zou toe komen. In de kern komt het erop neer dat [geïntimeerde] een goed inkomen had; dat hij vond dat hij iets recht te zetten had; dat partijen afspraken maakten alsof zij waren getrouwd; dat zij dit ook in het belang van de kinderen deden; en dat zij wat betreft het huis in het voordeel van [appellante] zijn afgeweken van de wettelijke regels voor huwelijkse gemeenschappen (wat begrijpelijk is in het licht van de voorgaande omstandigheden; zie ook de beslissing onder 4.25 hierna, waardoor de afwijking in sterke mate wordt gerelativeerd). Van een dusdanige onevenredige afspraak die in strijd is met de goede zeden is daarom ook geen sprake. Het staat partijen vrij om dit zo af te spreken. Dat [geïntimeerde] wellicht hier achteraf anders tegenaan kijkt maakt dit niet anders.
4.10.
Nietigheid van de overeenkomst vanwege strijd met de goede zeden is gelet op het voorgaande niet aan de orde.”
3.17.
De man heeft hiertegen vier grieven (grief 8 tot en met 11) aangevoerd. De man stelt dat het convenant moet worden vernietigd wegens strijd met de goede zeden omdat de gemaakte afspraken daarmee in strijd zijn. Daartoe voert hij aan dat partijen het in oktober 2020 volstrekt onredelijk vonden dat de vrouw niets van het in de voorafgaande jaren opgebouwde vermogen zou toekomen. Nog geen drie maanden later wordt deze afspraak wel andersom gemaakt en komt de vrouw niet de helft van het vermogen dat is opgebouwd toe, maar het gehele vermogen dat alleen door, en van het inkomen van, de man is opgebouwd. Daarnaast moet de man maandelijks méér dan de helft van zijn inkomen aan de vrouw betalen voor haar (€ 2.407,24) en de kinderen (€ 1.393,00), terwijl hij ook de woonlasten van de woning waar vrouw woont moet blijven betalen voor zolang als de vrouw dat wil (€ 676,49 per maand [enkel rente en aflossing, de man betaalt daarnaast ook de overige eigenaarslasten]). Het gaat om € 4.476,73 per maand terwijl zijn inkomen € 5.869,68 netto per maand is. De man overkomt hiermee dus precies wat partijen niet redelijk vonden: zonder enig vermogen en of perspectief komt hij op straat staan. Daarbij heeft de man in tegenstelling tot de vrouw wel een inkomen, maar houdt hij daarvan maandelijks niets over en kan hij niet een hypotheek aanvragen zolang hij in de onverdeelde situatie voor wat betreft de woning verkeert.
3.18.
De vrouw betwist dat de afspraken in het convenant in strijd zijn met de goede zeden. Zij is het eens met het oordeel van de rechtbank. De man brengt thans niets nieuws naar voren. Wel geeft hij aan dat partijen het niet redelijk vonden dat de vrouw niets zou krijgen, maar dat het nu wel niet redelijk zou zijn dat de man niets krijgt. De man houdt echter na betaling van zijn onderhoudsverplichtingen voldoende over om te kunnen sparen. Ook is inmiddels gebleken dat hij een woning kan financieren met een waarde van € 780.000,-- die eind april 2025 aan hem wordt geleverd. De man had een goed inkomen en hij vond dat hij iets recht te zetten had. Partijen maakten afspraken alsof zij waren getrouwd. Zij deden dit ook in het belang van de kinderen. Zij zijn wat betreft het huis in het
voordeel van de vrouw afgeweken van de wettelijke regels voor gemeenschappen. Dat is
begrijpelijk in het licht van de omstandigheden. Van strijd met de goede zeden is geen sprake.
3.19.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 3:40 lid 1 BW is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden nietig. De toetsing aan het criterium van strijd met goede zeden moet plaatsvinden aan de hand van in de samenleving als fundamenteel ervaren normen van ongeschreven recht. Het hof is van oordeel dat in het convenant geen sprake is van dusdanige onevenredige afspraken die ertoe leiden dat sprake is van strijd met de goede zeden. In het licht van de omstandigheden, te weten dat de man – anders dan de vrouw die geen inkomen had – een goed inkomen genoot en partijen vonden dat de man hiertoe moreel verplicht was jegens de vrouw (zie art. 2.10 van het convenant: “Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw. (…)”), achtten partijen het kennelijk aangewezen af te wijken van de wettelijke regels. Het staat partijen vrij om dit af te spreken. Dat de man daar thans anders tegenaan kijkt, maakt dit niet anders en maakt het niet in strijd met de goede zeden.
Misbruik van omstandigheden
3.20.
De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen.
“4.12. Van misbruik van omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, door bijzondere omstandigheden, ten opzichte van [appellante] in een zwakkere of geestelijk afhankelijke positie verkeerde vindt de rechtbank niet voldoende onderbouwd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de scheiding op beide partijen een flink impact had en nog steeds heeft. Dat beide partijen, en niet alleen [geïntimeerde] , ten tijde van hun echtscheiding daardoor niet in hun beste doen waren is begrijpelijk. Voor zover de bijzondere omstandigheden waarop [geïntimeerde] doelt gelegen zouden zijn in de vermeende geestelijke stoornis geldt dat gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, deze bijzondere omstandigheden niet aan de orde zijn omdat geen sprake is van een geestelijke stoornis. Voor zover deze bijzondere omstandigheid enkel gelegen zou zijn in de PTSS diagnose geldt dat nergens uit blijkt dat deze diagnose als een bijzondere omstandigheid moet worden gekwalificeerd, dat deze omstandigheid in relevante mate een impact heeft gehad op de besluitvorming rondom de rechtshandeling (in die zin dat [geïntimeerde] daardoor is bewogen om de rechtshandeling te verrichten) en dat [appellante] wist of moest begrijpen wat er aan de hand was en van de omstandigheid misbruik gemaakt heeft. Wat betreft de onevenredigheid van de afspraken wordt ook verwezen naar hetgeen hiervoor overwogen is. In de context van misbruik van omstandigheden is in het bijzonder belangrijk:
- dat de afspraken in de loop van een ruime periode zijn gemaakt onder begeleiding van een
ervaren mediator
- dat er dus, zo moet de rechtbank aannemen bij gebreke van informatie die wijst in een
andere richting, een ruime gelegenheid was om er rustig over na te denken en om vragen te
stellen
- dat het geheel onduidelijk blijft hoe en waarom [appellante] had kunnen/moeten weten/begrijpen dat er met [geïntimeerde] iets aan de hand was (emoties en een moeilijke periode
horen erbij in een dergelijk mediationtraject en zijn dus daarvoor in algemene zin niet
genoeg, terwijl [geïntimeerde] in dit concrete geval niets heeft gepresenteerd dat in een andere
richting wijst).
Dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door [appellante] is dan ook niet vast
komen te staan waardoor vernietiging van de overeenkomsten op grond hiervan ook niet aan
de orde is.”
3.21.
De grieven 12 en 13 van de man hebben in de kern betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het convenant niet voor vernietiging wegens misbruik van omstandigheden in aanmerking komt. De vrouw wist of had kunnen weten dat hij alles toegaf om het haar naar de zin te maken. De situatie die nu werd afgesproken, was precies zoals zij het zelf niet wilde drie maanden eerder. De afspraken zijn (te) snel tot stand gekomen, terwijl de man de klap van het verbreken van de samenleving moest verwerken, er een COVID-lockdown van kracht was en er twee verhuizingen plaatsvonden tijdens de (december)feestdagen. Er hebben ook slechts twee afspraken met de mediator, die niet kundig was, plaatsgevonden.
3.22.
De vrouw is het ook op dit punt eens met het oordeel van de rechtbank. Er was voldoende bedenktijd tussen het opstellen van het convenant en het tekenen daarvan om de afspraken te beoordelen of te laten toetsen door een derde. De man is door zijn werk zeer bedreven in het opstellen en sluiten van contracten waarmee zeer grote financiële belangen (miljoenen) zijn gemoeid. Bovendien heeft hij een advocaat in zijn vriendenkring die hij had kunnen raadplegen. De man heeft de afspraken zelf geïnitieerd en enkel voor de woning zijn partijen afgeweken van de samenlevingsovereenkomst.
3.23.
Het hof overweegt als volgt. Een rechtshandeling is vernietigbaar wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen is (art. 3:44 lid 1 BW). Op grond van art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals de – niet limitatief – in de wet genoemde noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De omstandigheden zijn bijzonder omdat degene die erin verkeert onvrij is en zich als gevolg daarvan in een zwakke positie bevindt waarvan misbruik wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:963 en HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:762). Het hof komt, evenals de rechtbank, op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel dat van misbruik van omstandigheden geen sprake is. Daarbij is mede van belang dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk over en weer gepaard gaat met de nodige emoties. Dat sprake is geweest van ongebruikelijke emoties dan wel omstandigheden waarvan de vrouw wist of moest begrijpen dat deze de man hebben bewogen tot het sluiten van het convenant, terwijl zij hem daarvan had moeten weerhouden, is niet komen vast te staan. Daarbij betrekt het hof hetgeen hiervoor in rov. 3.15.2 is overwogen. De afspraken zijn tot stand gekomen onder begeleiding van een mediator. De man stelt weliswaar de kundigheid van de mediator ter discussie, maar heeft dit niet concreet onderbouwd. Het enkele feit dat de man achteraf bezien niet gelukkig is met het convenant, maakt dit niet anders.
Benadeling voor meer dan een kwart
3.24.
De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:
“4.14. Vooropgesteld wordt dat sprake moet zijn van een benadeling van [geïntimeerde] om toe te komen aan het bewijsvermoeden van art. 3:196 lid 2 BW. Met benadeling wordt bedoeld dat, uitgaande van de juiste waarde van de (gehele) gemeenschap, een deelgenoot in totaal minder toegedeeld heeft gekregen dan waarop hij recht heeft, of dat aan een deelgenoot te weinig is betaald wegens overbedeling. Als een deelgenoot bewust wordt bevoordeeld (schenking), is geen sprake van benadeling. Geoordeeld wordt dat aan het bewijsvermoeden van lid 2 van art. 6:196 BW niet toegekomen wordt omdat in dit geval van benadeling van [geïntimeerde] geen sprake is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben partijen er bewust
voor gekozen om [appellante] te bevoordelen door de volledige overwaarde van de woning aan haar te laten toe komen vanwege een morele verplichting van [geïntimeerde] (de rechtbank verwijst wederom naar 4.25 hierna over de inbreng van [geïntimeerde] ). Er is dus sprake van een bewuste bevoordeling van [appellante] zodat van een benadeling van [geïntimeerde] geen sprake kan zijn. Ten overvloede geldt dat indien er wel sprake zou zijn van een benadeling van meer dan een kwart de rechtbank van oordeel is dat van een dwaling aan de zijde van [geïntimeerde] geen sprake kan zijn. Dat [geïntimeerde] ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst van 16 januari 2021 een onjuiste voorstelling heeft gehad over de waarde van de woning is gesteld noch gebleken. Van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW is dan ook geen sprake.”
3.25.
De grieven 14 tot en met 16 van de man hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat sprake is van een bewuste bevoordeling van de vrouw, zodat van een benadeling van de man geen sprake kan zijn. Het bewijsvermoeden van art. 3:196 BW brengt mee dat wanneer benadeling voor meer dan een kwart is bewezen, de benadeelde wordt vermoed omtrent de waarde te hebben gedwaald. Hij heeft gedwaald omtrent de waarde van de woning en hij betwist dat hij de benadeling te zijnen laste heeft aanvaard.
3.26.
De vrouw betwist het door de man gestelde. Zij is het eens met het oordeel van de rechtbank. De vrouw benadrukt dat de man afstand deed van zijn helft van de overwaarde. Hij heeft dit aan de vrouw geschonken, waarbij nog expliciet is vermeld wat er met overwaarde wordt bedoeld: de verkoopprijs, minus de hypothecaire geldlening én bijkomende kosten (bv makelaarskosten). Die schenking deed de man bewust en in verband met een morele verplichting.
3.27.
Het hof is, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat geen sprake is van een vernietigbare verdeling op grond van art. 3:196 BW. Uit het convenant kan worden afgeleid dat partijen er bewust voor gekozen hebben om de vrouw te bevoordelen door de volledige overwaarde van de woning aan haar te laten toekomen vanwege een morele verplichting (zie art. 2.10 van de overeenkomst van 16 januari 2021), zodat van een benadeling van de man geen sprake is.
Redelijkheid en billijkheid
3.28.
Ter zake het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“4.15. Tot slot heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij op grond van de redelijkheid en billijkheid niet aan de tussen partijen gemaakte afspraken gehouden kan worden. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en beslist van oordeel dat ook een beroep op de redelijkheid en billijkheid niet slaagt en geen reden is voor aanpassing van de overeenkomsten van 16 januari 2021.”
3.29.
De man voert in grief 17 aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ook een beroep op redelijkheid en billijkheid niet slaagt en geen reden is voor aanpassing van de overeenkomst van 16 januari 2021. De man stelt dat hij gelet op de gang van zaken niet aan het convenant kan worden gehouden. Nu dit convenant dusdanig is strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dient deze alsnog te worden vernietigd.
3.30.
De vrouw betwist de stellingen van de man. De afspraken zijn in lijn met de samenlevingsovereenkomst (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat), los van het punt van de helft van de overwaarde die de man op grond van de samenlevingsovereenkomst zou
toekomen en die hij in het convenant aan de vrouw schenkt. Die afspraak is op initiatief van de man gemaakt, in het belang van de vrouw en de kinderen.
3.31.
Het hof is van oordeel dat ook deze grief faalt. Niet kan worden vastgesteld dat toepassing van de overeenkomst van 16 januari 2021 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De man heeft in hoger beroep geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot dat oordeel zouden kunnen leiden.
3.32.
Dit betekent dat er geen grond bestaat voor vernietiging (of buiten toepassing laten) van het convenant, zoals door de man verzocht. Het convenant blijft aldus ongewijzigd in stand.
Vergoedingsrecht man
3.33.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat onder de volledige overwaarde van de woning, zoals opgenomen in het convenant, moet worden verstaan en daarmee of aan de man (eerst) een vergoedingsrecht toekomt en zo ja, wat de hoogte van dat vergoedingsrecht is. De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen.
“4.24 (…) Nu er verder in de overeenkomst ook niets afgesproken is over de verhouding tussen de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 of over opzegging van de samenlevingsovereenkomst gaat de rechtbank ervan uit dat de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 voor zover daarover niets afwijkend is afgesproken in de overeenkomst van 16 januari 2021 nog gelden (afwijkingen op het punt van de verkoop van het huis zijn er niet). (…)
4.25.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat er onder de volledige overwaarde van de woning, zoals opgenomen in de overeenkomst van 16 januari 2021, moet worden verstaan. Dat [geïntimeerde] bij de aanschaf van de gezamenlijke woning een bedrag van € 130.000,00 uit eigen middelen heeft geïnvesteerd in de woning staat verder niet ter discussie. [appellante] is echter van mening dat uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 volgt dat het vergoedingsrecht van [geïntimeerde] is komen te vervallen. [geïntimeerde] heeft dit weersproken. De rechtbank stelt vast dat in de overeenkomst van 16 januari 2021 geen afspraken gemaakt zijn over het bedrag van € 130.000,00. Nu er verder in de overeenkomst ook niets afgesproken is over de verhouding tussen de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 of over opzegging van de samenlevingsovereenkomst gaat de rechtbank ervan uit dat de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 voor zover daarover niets afwijkend is afgesproken in de overeenkomst van 16 januari 2021 nog gelden. De brengt met zich dat [geïntimeerde] op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst een vordering van € 130.000,00 op [appellante] heeft die opeisbaar is bij verkoop van de woning. Vervolgens leest de rechtbank de in de samenlevingsovereenkomst opgenomen slotverklaring zo dat partijen de overwaarde van de woning bij helfte verdelen waarbij het niet uitmaakt wat ieders inbreng was (ongeacht eventuele financiële inbreng van een partij uit diens privévermogen bij de verwerving van voormelde woning). Hieruit kan niet afgeleid worden dat [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van
de vordering die hij op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst heeft. De bepaling wordt zo gelezen dat [geïntimeerde] los van zijn inbreng recht heeft op de helft van de overwaarde. Het zou ook niet logisch zijn om aan te nemen dat [geïntimeerde] met de slotverklaring afstand doet van een vordering, waarom was het dan nodig om in de samenlevingsovereenkomst vast te leggen dat hij een vordering heeft (art. 5 lid 4). Na verkoop van de woning heeft [geïntimeerde] dus recht op een bedrag van € 130.000,00. Het restant van de overwaarde (verkoopprijs -/- openstaande hypotheek -/- € 130.000,00 = restant) komt conform de overeenkomst van 16 januari 2021 volledig aan [appellante] toe.”
3.34.
De vrouw kan zich hiermee niet verenigen. Haar grieven richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat de man na verkoop van de woning, respectievelijk overname door hemzelf, recht heeft op een bedrag van € 130.000,--. Dit heeft namelijk tot gevolg dat niet de volledige overwaarde aan de vrouw toekomt, zoals partijen hebben afgesproken in het convenant, geheel in overeenstemming met de bedoeling van partijen. De vrouw licht haar standpunt, samengevat weergegeven, als volgt toe. Het in de samenlevingsovereenkomst van 30 juni 2005 opgenomen vergoedingsrecht van € 130.000,-- had alleen betrekking op de woning aan de [adres B] . Niet kan worden gezegd dat de man ook € 130.000,-- dan wel een ander bedrag heeft geïnvesteerd in de woning te [adres A] . De vrouw verwijst hiervoor naar de door haar ingebrachte productie 24. Partijen hebben ten tijde van het opstellen van de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 expliciet gesproken over vergoedingsrechten en het artikel “VERGOEDINGSRECHTEN” dat aanvankelijk in de ontwerpakte was opgenomen, is verwijderd en niet meer opgenomen in de uiteindelijke samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020. De vrouw had er in ieder geval gerechtvaardigd op mogen vertrouwen en uit de gedragingen en verklaringen van de man in dat kader redelijkerwijze mogen afleiden, dat de man geen aanspraak meer zou maken op een vergoedingsrecht naast de overeenkomst van 16 januari 2021; het is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid dit alsnog te doen. Omdat de woning hangende deze procedure waarschijnlijk aan de man wordt geleverd, wijzigt de vrouw haar reconventionele vordering aldus dat zij vordert om de man te veroordelen aan de vrouw het bedrag van € 130.000,-- te betalen.
3.35.
De man betwist de stellingen van de vrouw. Primair komt hem een vergoeding toe van € 190.439,94, subsidiair € 158.043,06 dan wel meer subsidiair het door de rechtbank toegekende bedrag van € 130.000,--. Het is van belang acht te slaan op de redenen waarom de aanpassingen in de samenlevingsovereenkomst werden gedaan, namelijk:
1) het feit dat door een onhandige bepaling in de samenlevingsovereenkomst van 2005, in relatie tot het feit dat de man inkomen en vermogen had en de vrouw niet, de overwaarde van de woning waarin partijen woonden, geheel aan de man toekwam;
2) de wens van de man om de vrouw te laten zien hoeveel hij voor haar overhad en haar in een gelijkwaardige positie wilde plaatsen.
Toen partijen samen de woning aan [adres B] kochten, heeft de man € 130.000,-- in die woning geïnvesteerd. Bij verkoop van deze woning, kwam ingevolge de samenlevingsovereenkomst uit 2005, de gehele overwaarde aan de man toe. De man investeerde dit bedrag in de door partijen aangekochte woning aan [adres A] . Toen de relatie van partijen in zwaar weer kwam, wilden partijen niet dat de vrouw in angst zou leven dat zij, wanneer de relatie zou eindigen, zonder enig vermogen op straat kwam te staan. Om die reden pasten partijen de samenlevingsovereenkomst aan. Er is in de samenlevingsovereenkomst van 2020 de uitdrukkelijke slotbepaling opgenomen dat de overwaarde gelijkelijk wordt verdeeld. Dat deze bepaling niets van doen heeft met het recht op vergoeding van de man van zijn inbreng, blijkt wel uit het feit dat art. 5 lid 4 in de (nieuwe) samenlevingsovereenkomst is blijven staan. Daarmee hebben partijen bedoeld het vergoedingsrecht van de man van zijn inbreng die hij vóór het aangaan van de relatie had gerealiseerd van € 130.000,-- te handhaven. Daardoor kon de man aanspraak maken op een vergoeding van het overige door hem geïnvesteerde vermogen. Het belang dat deze bepaling in de samenlevingsovereenkomst is blijven staan. volgt wel uit het feit dat alle overige bepalingen die zien op vergoedingen zoals in een eerder concept opgenomen in artikel 5 zijn verwijderd. Op grond van art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst 2020 heeft de primair een vordering op de vrouw van € 190.439,94, subsidiair van € 158.043,06 dan wel meer subsidiair € 130.000,--.
3.36.
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat in de kern een geschil over de uitleg van het convenant. Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van het convenant – op grond waarvan de vrouw haar vordering baseert – te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (onder meer: HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:BM6085). Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/635). Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In het licht van deze maatstaf, daaronder bezien ook de wordingsgeschiedenis van de samenlevingsovereenkomst 2020, is het hof van oordeel dat partijen redelijkerwijze aan de bepalingen van het convenant de betekenis moesten toekennen dat partijen de bedoeling hebben gehad – en dit ook zo mochten begrijpen – dat de man geen vergoedingsrecht (meer) toekomt. Het hof wijst daarbij naar de door vrouw overgelegde producties 25 tot en met 29, waaruit het totstandkomingsproces van de samenlevingsovereenkomst in 2020 blijkt.
In de samenlevingsovereenkomst van 2005 is in art. 2.3 het volgende opgenomen:
“Ingeval partijen ten tijde van de verbreking van de samenlevingsovereenkomst gezamenlijk eigenaar zijn van de door hen bewoonde woning zal deze of de opbrengst ervan verdeeld worden in evenredigheid van ieders kapitaalinbreng bij de verwerving ervan.”
In aanloop naar de samenlevingsovereenkomst 2020 hebben partijen onderling, alsook met de notaris, e-mailcontact gehad. De man e-mailt op 26 augustus 2020 aan de vrouw (productie 25):
“Zoals afgelopen vrijdag 21 augustus jl. doorgenomen en gezamenlijk besproken met notaris mevrouw Van Eeten [Den Bosch], verklaar ik [geïntimeerde] hierbij dat in tegenstelling tot wat clausule 2.3 omschrijft (onderstreping hof) in onze huidige samenlevingsovereenkomst [zie bijgaand], de overwaarde van ons huis gelijkelijk over ons beiden wordt verdeeld in geval van het onverhoopt verbreken van onze relatie. Eea zal op 8 oktober as. worden bekrachtigd bij notaris Van Eeten.”
Op 27 augustus 2020 e-mailt de man, mede namens de vrouw, naar de notaris (productie 26):
“(…) Mbt. de Samenlevingsovereenkomst: in Artikel 2, clausule 3 ["Verbreking"] dient te worden opgenomen dat de overwaarde van ons huis gelijkelijk over beiden wordt verdeeld bij onverhoopt verbreken van de relatie. Ook dient er een clausule opgenomen te worden dat [appellante] dan aanspraak kan maken op partneralimentatie. (…)”
De notaris e-mailt partijen op 10 september 2020, voor zover thans relevant, een ontwerpakte houdende wijziging van de samenlevingsovereenkomst (productie 27). In deze ontwerpakte is expliciet een kopje “VERGOEDINGSRECHTEN” met daaronder art. 5 – dat aldus gaat over vergoedingsrechten – opgenomen. Artikel 6 lid 4, dat is opgenomen onder het kopje “GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING” luidt als volgt:
“Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk is of wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.”
In reactie op deze ontwerpakte e-mailt de man, mede namens de vrouw, voor zover thans relevant, op 16 september 2020 het volgende naar de notaris (productie 28):
“wij kunnen geen clausule terugvinden waarin vermeld wordt dat de overwaarde bij verkoop van onze woning 50/50 over ons beiden wordt verdeeld [zojuist besproken dat dit zal worden opgenomen in de overeenkomst]”
De notaris e-mailt partijen op 29 september 2020 (productie 29) dat hij in vervolg op het telefoongesprek van 23 september 2020 het aangepaste ontwerp van de akte houdende wijziging van de samenlevingsovereenkomst stuurt, alsmede de zogeheten “compare write” versie van dat ontwerp, waarin de wijzigingen ten opzichte van het vorige ontwerp zijn aangegeven. In deze nieuwe ontwerpakte is het kopje “VERGOEDINGSRECHTEN” met daaronder artikel 5 in zijn geheel geschrapt. Door het schrappen hiervan, is de nummering in de nieuwe ontwerpakte aangepast. Het voorheen genummerde artikel 6 lid 4, te vinden onder het kopje “GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING” is daardoor art. 5 lid 4 geworden. Dit artikel is inhoudelijk ongewijzigd gebleven. In de slotbepaling van de ontwerpakte is toegevoegd dat partijen verklaren dat:
“zij gelijkelijk gerechtigd zijn in de woning te [adres A] en overeengekomen zijn gelijkelijk te delen in een eventuele waardestijging van die woning ten opzichte van de verwervingskosten daarvan, dan wel gelijkelijk een eventuele waardedaling van die woning te dragen, ongeacht eventuele financiële inbreng van een partij uit diens privévermogen bij de verwerving van voormelde woning;”
De uiteindelijk door partijen op 1 oktober 2020 ondertekende samenlevingsovereenkomst is conform de door de notaris op 29 september 2020 aan partijen gemailde conceptakte.
In het licht van al het voorgaande, dient de overeenkomst aldus te worden uitgelegd dat partijen redelijkerwijze bedoeld hebben om vergoedingsrechten uit het verleden te laten vervallen. Dit past ook in de lijn van de financiële gelijkwaardigheid die partijen toentertijd voor ogen hadden en sluit ook aan bij het feit dat op het ‘aankoopformulier’ van de notaris (prod. 24) dat zij bij de koop van de woning in [woonplaats] (in eigendom verkregen op 25 september 2017) geen ‘eigen geld’ inbrengen. Hetgeen in art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst 2020 is opgenomen, doet daar niet aan af. In het licht van alle omstandigheden dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op eventuele toekomstige vergoedingsrechten.
Deze uitleg strookt ook met artikel 2.10 van het convenant:
“2.10 Als de echtelijke woning verkocht wordt, zal de gehele overwaarde van de woning, welke bestaat uit de verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening én de bijkomende kosten (bijvoorbeeld makelaarskosten), toekomen aan de vrouw (vanwege een morele verplichting). De eventuele schenkbelasting komt voor rekening van de vrouw.
Partijen doen nu al een beroep op het Besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M. De vrouw kan - rekening houdend met dit besluit - bij de aangifte schenkbelasting gebruik maken van het gematigde tarief voor de schenkbelasting. De belasting zal worden berekend naar het tarief dat geldt voor een verkrijging door een partner als bedoeld in artikel 1a, van de Successiewet.”
In dit artikel hebben partijen immers expliciet benoemd op welke wijze de overwaarde van de woning in [woonplaats] berekend dient te worden en hebben zij geen gewag gemaakt van het bestaan van een vergoedingsrecht van de man. Aldus slagen de grieven van de vrouw. Daarmee ligt haar vordering, zoals weergegeven in rov. 3.7 onder I en II, voor toewijzing gereed, met dien verstande dat het hof een termijn van vier weken in acht neemt. Dit houdt tevens in dat de vordering van de man ter zake, zoals hierboven weergegeven in rov. 3.8 onder 1, afgewezen wordt.
Wijziging partneralimentatie
3.37.
De rechtbank heeft over de partneralimentatie het volgende overwogen:
“4.19. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van aanzienlijke wijzigingen zoals opgenomen in art. 1.8. geen sprake is. Wat betreft het inkomen van [geïntimeerde] geldt het volgende. Uit de overeenkomst van 16 januari 2021 blijkt dat partijen bij de berekening van de onderhoudsbijdrage uitgegaan zijn van een bruto jaar inkomen van € 128.831,00 inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Partijen hebben bepaald dat bonussen niet meegenomen worden. Gelet op de door [geïntimeerde] overgelegde specificatie van janauri [sic] 2024 (productie 22) en de door [appellante] ter zitting gemaakte berekening, die niet gemotiveerd weersproken is, is het jaarinkomen van [geïntimeerde] in 2024 € 127.066,28 bruto inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Van een aanzienlijke wijziging van het inkomen van [geïntimeerde] kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden nu het gaat om een vermindering van € 1.764,72. Wat betreft het inkomen van [appellante] geldt dat zij een netto inkomen van € 655,55 per maand ontvangt (productie 15 [appellante] ). Onzeker is hoelang zij dit inkomen nog zal hebben (productie 16 [appellante] ). De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ook aan de zijde van [appellante] niet gesproken kan worden van een aanzienlijke wijziging gelet op de geringe omvang van de inkomsten en de onzekerheid met betrekking tot de toekomst.
4.20.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [appellante] met betrekking tot de betaling van de onderhoudsbijdrage wordt toegewezen zoals gevorderd.”
3.38.
De man keert zich met zijn grieven I t/m V in het incidenteel appel tegen dit oordeel van de rechtbank. De man licht dit als volgt toe. Partijen waren samenlevers. De grondslag voor een onderhoudsverplichting kunnen samenlevers vastleggen in een overeenkomst. Partijen hebben dit vastgelegd in de samenlevingsovereenkomst 2020. Een maand later, in november 2020, verbrak de vrouw alsnog de relatie. Bij de mediator hebben partijen vervolgens afspraken gemaakt over de hoogte van het bedrag dat de vrouw nodig heeft en over de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie. Op grond van de samenlevingsovereenkomst en het convenant, kan de alimentatie worden gewijzigd bij een aanzienlijke wijziging van het inkomen van een van beiden. Volgens de man is er sprake van een aanzienlijke wijzing van zowel zijn inkomen als dat van de vrouw. Voor wat betreft zijn eigen inkomen, stelt de man dat zijn bruto inkomen in het jaar voorafgaand aan het verbreken van de samenleving – te weten in 2019 – € 157.041,-- bedroeg. In 2023 was zijn bruto jaarinkomen € 130.811,--. Dit is een aanzienlijke wijziging waardoor overeenkomstig het convenant de bijdrage voor de vrouw opnieuw dient te worden berekend.
Ook aan de zijde van de vrouw is sprake van een aanzienlijke wijziging. Zij had toen de partneralimentatie werd vastgesteld geen inkomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank had de vrouw een inkomen van € 1.119,38 per maand, exclusief vakantietoeslag. Hoewel de vrouw steeds aanvoert dat dit inkomen onzeker is, is haar contract in het verleden wel verlengd. Daarnaast is er een tekort aan onderwijzend personeel op middelbare scholen. Met de capaciteiten van de vrouw en de inmiddels opgedane werkervaring kan zij ook elders aan de slag. Gelet op de indertijd vastgestelde behoefte van de vrouw van € 2.020,--, zoals blijkt uit productie 34, betaalt de man in 2023 geïndexeerd € 2.128,36. Nu de vrouw in 2023 zelf € 1.333,-- bruto per maand verdiende (inclusief vakantietoeslag; zie productie 36), hoeft de man in 2023 nog maar € 795,36 bruto per maand te voldoen. Voor 2024 moet hij € 844,67 bruto per maand en voor 2025 € 899,57 bruto per maand voldoen. De man wil ook dat het hof bepaalt dat hij de tussen oktober 2023 en de datum van het te wijzen vonnis te veel betaalde bijdragen kan verrekenen met enig bedrag dat de vrouw ten laste van de man toekomt, waaronder begrepen toekomstige onderhoudsbijdragen.
3.39.
De vrouw betwist de stellingen van de man. Uit de overeenkomst van 16 januari 2021 volgt dat partijen voor de berekening van de partneralimentatie zijn uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de man van € 128.831,--, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Er is geen rekening gehouden met bonussen. Dat de man in 2019 een inkomen had van € 157.041,-- is dus niet relevant, want daar is immers niet mee gerekend. Er is – zoals uit het convenant volgt – gerekend met een inkomen van € 128.831,-- bruto per jaar. Dat bedrag is dus leidend voor zijn draagkracht. Het inkomen van de man in 2023 was kennelijk € 130.811 per jaar, en dus nagenoeg gelijk aan het inkomen waarmee is gerekend. Er kan dus niet worden gesproken van een aanzienlijke wijziging in zijn inkomen. Voor zover er al sprake zou zijn van een relevante inkomensverlaging – wat niet zo is – is sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Tot slot is van belang dat de man vanaf april 2025 geen dubbele woonlasten meer heeft en hij thans voor [kind A] geen kinderalimentatie meer hoeft te betalen.
De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ook aan de zijde van de vrouw geen sprake is van een aanzienlijke wijziging. Bij het vaststellen van de partneralimentatie, was de draagkracht van de man de beperkende factor. De vrouw heeft sinds het verbreken van de relatie diverse tijdelijke contracten gehad. Er is nimmer sprake geweest van een bestendige situatie, waarin zij substantieel inkomen had. Haar tijdelijke dienstverband is per 31 juli 2025 geëindigd. Zij zal slechts zeer korte tijd een WW-uitkering ontvangen en heeft de afgesproken partneralimentatie nodig om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw erkent dat zij tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank een inkomen had van € 1.119,-- bruto per maand. De partneralimentatie die is afgesproken, was het bedrag dat de vrouw nodig had naast de woonlasten. De berekening die de man maakt – inhoudende dat hij in 2023 tot en met 2025 achtereenvolgens naar zijn mening nog maar € 795,36, € 844,67 dan wel € 899,57 bruto per maand hoeft te betalen – is dan ook onjuist en onredelijk gezien de welstand van partijen tijdens de relatie.
Voor zover de man een lager bedrag aan partneralimentatie zou moeten betalen, mag de teveel betaalde partneralimentatie niet worden verrekend met toekomstige bedragen. De vrouw heeft thans geen salaris meer. De partneralimentatie die zij tot op heden heeft ontvangen, heeft zij volledig verteerd en de bedragen die zij nog gaat ontvangen heeft zij nodig voor haar levensonderhoud. Het kan in redelijkheid niet van haar worden verlangd dat de man in het verleden “te veel” betaalde partneralimentatie mag gaan verrekenen met toekomstige partneralimentatie van de vrouw, waardoor zij moet gaan interen om rond te kunnen komen.
3.40.1.
Het hof overweegt als volgt.
De grieven van de man lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Allereerst stelt het hof vast dat een wettelijke regeling om partneralimentatie vast te stellen voor ex-samenlevers ontbreekt. Dit laat onverlet dat zij hierover afspraken kunnen maken. Partijen hebben de verplichting van de man om partneralimentatie aan de vrouw te betalen, vastgelegd in art. 11 van de samenlevingsovereenkomst van 1 oktober 2020 en nadien in het convenant. Voor zover in de tekst van art. 11 lid 1 van die samenlevingsovereenkomst een verwijzing naar de wettelijke maatstaven gelezen zou kunnen worden, overweegt het hof dat het bij de uitleg van overeenkomsten niet alleen aankomt op de letterlijke bewoordingen, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekomen en op hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Partijen hebben de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de alimentatieverplichting van de man, nadien vastgelegd in het convenant. Daarbij is niet verwezen naar de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van de in de wet geregelde partneralimentatie en ook overigens zijn in het convenant geen aanwijzingen te vinden dat partijen hierbij hebben willen aansluiten. Het hof wijst in dit verband ook op art. 1.2 van het convenant, waarin is vastgelegd wat partijen onder het bruto jaarinkomen verstaan. Daarbij is expliciet afgeweken van de wettelijke maatstaven (zie ook rov. 3.40.2). Gelet hierop, is het hof van oordeel dat de wettelijke maatstaven niet van toepassing zijn. Het hof zal daarom uitgaan van de maatstaven die partijen samen hebben afgesproken. Ingevolge art. 1.8 van het convenant zal de bijdrage in het levensonderhoud opnieuw berekend dienen te worden, indien er (buiten de schuld van één van de partijen) een aanzienlijke wijziging in het inkomen van één van de partijen plaatsvindt.
Aanzienlijke wijziging inkomen man
3.40.2.
Het hof is van oordeel dat er aan de zijde van de man geen sprake is van een aanzienlijke wijziging. Daartoe is het volgende van belang. Uit art. 1.2 van het convenant blijkt dat partijen voor de berekening van de partneralimentatie aan zijde van de man zijn uitgegaan van een bruto jaarinkomen uit arbeid van € 128.831,--. Partijen verstaan daaronder – aldus art. 1.2 van het convenant –“het bruto jaarinkomen, inclusief vakantiegeld en toeslag geen leaseauto. Met bonussen is geen rekening gehouden.” Dat het daadwerkelijke inkomen van de man dus hoger was, te weten € 157.041,-- (zoals blijkt uit de door de man overgelegde productie 33), is dan ook niet relevant. Partijen zijn immers bewust uitgegaan van een lager bruto jaarinkomen. Nu het inkomen van de man in 2023 blijkens de door hem overgelegde jaaropgaaf 2023 € 130.811,-- bedraagt, is er van een aanzienlijke wijziging ten opzichte van het jaarinkomen waar partijen bij de vaststelling van de partneralimentatie vanuit zijn gegaan, aldus geen sprake.
Aanzienlijke wijziging inkomen vrouw
3.40.3.
Het hof is van oordeel dat aan de zijde van de vrouw wél sprake is van een aanzienlijke wijziging zoals overeengekomen in art. 1.8 van het convenant. Bij de vaststelling van de partneralimentatie zijn partijen er destijds vanuit gegaan dat de vrouw géén inkomen heeft (zie art. 1.2 van het convenant). Uit de stukken blijkt dat de vrouw met ingang van 17 januari 2022 tot 31 juli 2025 werkzaam is geweest bij het [xx] College, laatstelijk als Onderwijsassistent met een werktijdfactor van 0,3. Uit de jaaropgave 2023 blijkt dat de vrouw in 2023 een fiscaal jaarloon genoot van € 15.485,--. Uit de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening (productie 21) blijkt dat zij voor 2024 – zij rekent immers met de tarieven 2024 – uitgaat van een fiscaal jaarloon van € 16.407,--. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in 2022 aanzienlijk minder inkomen heeft genoten. In dit oordeel heeft het hof betrokken de gegevens die staan vermeld op de overgelegde loonstroken 2023 (“Jaarloon BT € 13.685,-- ”), die normaliter verwijzen naar het inkomen dat in het voorgaande jaar is genoten. Het hof acht dit een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de situatie zoals die was (namelijk: geen inkomen) ten tijde van het sluiten van het convenant. Dit leidt er toe, dat de bijdrage voor wat betreft de periode vanaf oktober 2023 – de man vordert geen wijziging per eerdere datum – opnieuw berekend dient te worden. Anders dan de man, ziet het hof geen aanleiding om ook voor de periode ná 31 juli 2025 – zijnde de periode dat de vrouw geen inkomsten uit arbeid meer geniet – een nieuwe berekening te maken, daarbij uitgaande van enige verdiencapaciteit van de vrouw. Zoals het hof hiervoor in rov. 3.40.1 reeds heeft overwogen, zijn de wettelijke maatstaven niet van toepassing en is in het convenant ook geen aanwijzing te vinden dat rekening dient te worden gehouden met verdiencapaciteit.
Berekening partneralimentatie
3.40.4.
Voor wat betreft de berekening dient aansluiting gezocht te worden bij hetgeen partijen zijn overeengekomen in het convenant. Daarin is bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2021 maandelijks zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.020,-- per maand. Anders dan de vrouw stelt, geven de stukken geen aanleiding te veronderstellen dat haar behoefte destijds hoger lag en de draagkracht van de man de beperkende factor is geweest bij het maken van deze afspraak. Uit het gespreksverslag van de mediator blijkt immers dat de partneralimentatie is berekend en dat de man € 1.688,-- per maand (bruto) aan de vrouw dient te betalen. Overigens acht het hof dat ook weinig relevant, nu niet uitgegaan kan worden van de fictie dat partijen beoogd hebben aan te sluiten bij de wettelijke maatstaven en daarmee bij de gebruikelijke wijze – van toepassing op ex-echtgenoten – van het berekenen van behoefte en draagkracht. Wat betreft de draagkracht van de man staat ook vast dat zij daarbij expliciet van de gebruikelijke berekeningssystematiek zijn afgeweken (zie ook rov. 3.40.2).
Ingangsdatum
3.40.5.
Nu de vordering van de man impliceert dat hij een wijziging van de door hem te betalen partneralimentatie beoogt met ingang van oktober 2023, zal het hof aansluiting zoeken bij deze ingangsdatum. In het licht van de gemaakte afspraken in het convenant, stelt het hof vast dat de aanzienlijke wijziging aan de zijde van de vrouw slechts betrekking heeft op een bepaalde tijd – aan de vrouw is met ingang van 31 juli 2025 ontslag verleend – en dat de in het convenant vastgelegde alimentatieverplichting met ingang van die datum weer herleeft, nu zij met ingang van die datum geen inkomsten meer heeft.
Het hof is van oordeel dat de man de teveel betaalde partneralimentatie in deze periode (1 oktober 203 – 31 juli 2025) – zoals door hem gevorderd – mag verrekenen met het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag van € 130.000,--. De vrouw verzet zich weliswaar tegen verrekening, maar nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw de man – conform het bepaalde in art. 1.8 – op de hoogte heeft gesteld van haar inkomsten, heeft de vrouw welbewust het risico genomen dat zij achteraf wordt geconfronteerd met een wijziging.
3.40.6.
Met inachtneming van de door de man in zijn spreekaantekeningen neergelegde berekening – die zijn grondslag vindt in de toelichting die de man in punt 54 en punt 55 van zijn memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft gegeven en welke berekening op zichzelf door de vrouw niet, althans onvoldoende, is weersproken – becijfert het hof de door de man in de periode 1 oktober 2023 – 31 juli 2025 teveel betaalde partneralimentatie op € 31.540,51.
Proceskosten
3.41.
De vrouw heeft in haar principaal hoger beroep gevorderd om de man te veroordelen in de kosten in beide instanties. Het hof ziet evenwel geen aanleiding om af te wijken van het in art. 237 Rv juncto 353 Rv neergelegde uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
4De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
in conventie en in reconventie:
vernietigt het vonnis waarvan beroep doch uitsluitend voor zover de rechtbank in conventie onder 5.1. ook de vordering van de man ter zake de alimentatie geheel heeft afgewezen en in reconventie voor zover het de beslissingen in rov. 5.3. (alimentatie) en 5.8 (bedrag van € 130.000,--). betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, voor zover het betreft de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 juli 2025 en veroordeelt de man tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van:
- € 795,36 per maand met ingang van 1 oktober 2023 tot 1 januari 2024;
- € 844,67 per maand met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025;
- € 899,57 per maand met ingang van 1 januari 2025 tot 1 augustus 2025;
bepaalt dat de vrouw aan de man binnen vier weken na de datum van dit arrest moet voldoen het door haar in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 juli 2025 teveel ontvangen bedrag aan alimentatie, zijnde € 31.540,51;
bepaalt dat na de verkoop van de woning respectievelijk de overname door de man de gehele overwaarde van woning bestaande uit de verkoopprijs minus de op het moment van de levering resterende hypothecaire geldlening aan de vrouw toekomt;
bepaalt dat de man binnen vier weken na de datum van dit arrest het bedrag van € 130.000,-- dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente na de datum vanaf de dag indien en zover de man daarmee in gebreke blijft;
bepaalt dat de man het teveel betaalde bedrag aan alimentatie mag verrekenen met het door hem te betalen bedrag van € 130.000,--;
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank voor het overige;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2025.
griffier rolraadsheer