Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3696

2025-12-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.345.997_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-12-23
Publicatiedatum
2025-12-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.345.997_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst woning. Uitleg finale kwijtingsbeding in vaststellingsovereenkomst. Finale kwijting ook voor gesteld gebrek dat ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog niet aan het licht was gekomen. Bekrachtiging van ECLI:NL:RBZBW:2024:5112.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.330 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.345.997/01




arrest van 23 december 2025




in de zaak van





1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna samen aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. D.D. Senders te Leusden,



tegen





1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna samen aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A.J. Nieuwenhuijse te Terneuzen,



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 juni 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/415019 / HA ZA 23-551 gewezen vonnis van 24 juli 2024.






5Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



het tussenarrest van 3 juni 2025;


de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarbij [appellant] een productie heeft overgelegd.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.






6De verdere beoordeling


6.1.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het tijdens de mondelinge behandeling in het geding brengen van een productie bestaande uit twee foto’s door [appellant] ; volgens [geïntimeerde] betreft het foto’s die al eerder in de procedure in het geding zijn gebracht. Gezien de aard en de zeer beperkte omvang van de productie kon daarvan binnen de beschikbare tijd kennis worden genomen en kon daarop adequaat worden gereageerd, te meer nu met het overleggen van de foto’s slechts een toelichting op de al ingenomen stellingen wordt beoogd. Het hof staat het in het geding brengen van de foto’s daarom toe. Deze maken deel uit van de gedingstukken.



6.2.

Het hof zal voor een goed begrip hierna rov. 3.5.1. tot en met 3.5.4. van het tussenarrest citeren.
“3.5.1. Met grief 1 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de gebreken die [appellant] na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft ontdekt onder de finale kwijting zouden vallen. Taalkundig laat de vaststellingsovereenkomst volgens [appellant] niets te wensen over. De finale kwijting ziet expliciet op “alle onderwerpen van geschil”, dus op alle onderwerpen die partijen op dat moment verdeeld hielden en niet op toekomstige onderwerpen. Er wordt gesproken over onderwerpen in meervoud en dus kan de taalkundige uitleg die de rechtbank heeft gegeven, door ervan uit te gaan dat het onderwerp van geschil is of er wel of geen sprake was van gebreken in de woning, niet juist zijn. Dit is een onderwerp van geschil, dus in enkelvoud. De rechtbank heeft voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst weliswaar de juiste maatstaf verwoord, maar die verkeerd toegepast. De bedoeling van partijen blijkt immers onomstotelijk uit de mailwisseling die vooraf is gegaan aan het sluiten van de veststellingsovereenkomst. Het is uitdrukkelijk de bedoeling geweest om de kwijting te laten zien op alle gebreken waarover partijen in de clinch lagen en dus niet op gebreken waarover zij in de toekomst nog van mening over zouden kunnen gaan verschillen:

8 september 2021 (productie 29)


Indien uw cliënten nog open mochten staan voor een nadere poging om deze kwestie buiten rechte tot een goed einde te brengen, treed ik graag met u in overleg. In dat geval verzoek ik u om bij uw cliënten na te gaan voor welke bedrag zij
maximaal
bereid zijn om


een gerechtelijke procedure, met alle daaraan verbonden kosten en risico's, te voorkomen. Bedoeling is om tot finale kwijting te komen voor alle gebreken, zoals die in de correspondentie worden genoemd.


9 september 2021 (productie 30)


Zoals eerder geschreven leidt betaling na overeenstemming tot finale kwijting voor alle gebreken, zoals die in de correspondentie worden genoemd. Ik zal dan mijn dossier sluiten en de aangezegde procedure(s) zullen niet plaatsvinden.
Over toekomstige geschillen is eenvoudigweg niet gecorrespondeerd, zodat deze per definitie niet onder de werking van de kwijting voor geschillen waarover gecorrespondeerd is kunnen vallen.
Dat de advocaat van [appellant] het concept van de vaststellingsovereenkomst verzorgd heeft maakt dit niet anders. Ook [geïntimeerde] werd bijgestaan door een advocaat, met wie het concept vooraf is gedeeld. Dat de overeenkomst kort is gehouden heeft te maken met het feit dat beide partijen goed wisten waar zij geschillen over hadden en uitgebreide opsommingen derhalve niet nodig geacht werden. Het was voor iedereen duidelijk dat alles waarover tot dusverre gediscussieerd werd, door middel van deze vaststellingsovereenkomst definitief beslecht zou worden. Een definitieve oplossing dus, zoals de rechtbank terecht opmerkt, maar alleen voor de bekende gebreken. Het uiteindelijk overeengekomen bedrag staat ook in rechtstreeks verband met de gebreken die speelden. Het is niet geloofwaardig dat [appellant] niet alleen de gebreken die alleen al een herstelwaarde/schade van € 41.200,00 vertegenwoordigden zou laten afkopen voor “maar” € 6.000,00 en daarbij ook nog eens alle mogelijke gebreken – hoe ernstig ook – zou accepteren. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om expliciet voor te stellen om de kwijting ook op toekomstige gevallen betrekking te laten hebben. Dat heeft hij echter nooit gedaan, aldus nog steeds [appellant] .



3.5.2.


[geïntimeerde] voert aan dat het geschil, dus het melden van gebreken door [appellant] en het blijven verweren ertegen door [geïntimeerde] , zich afspeelde over een periode van 3,5 jaar, met twee tussenpozen, een van 6 maanden en een van 13 maanden. [appellant] heeft in een periode van 3,5 jaar bewoning steeds weer andere vermeende gebreken genoemd en [geïntimeerde] daarvoor aansprakelijk gesteld. [geïntimeerde] herkende de gebreken niet op basis van de 16 jaar bewoning en heeft telkens gedetailleerd verweer gevoerd. Het geschil bracht de nodige stress met fysieke klachten met zich mee. Daarom is [geïntimeerde] bereid geweest om - om proceseconomische redenen - de zaak te regelen. In het eerste schikkingsvoorstel van [geïntimeerde] op 25 november 2019 staat onder andere te lezen:
“Cliënten gaan niet tot de betaling van de beweerde schade over. De

volgende stap zou zijn dat u namens uw cliënten een procedure entameert


waarin de rechter het hiernavolgende zal beslissen:


- Dat ófwel de vorderingen van uw cliënten direct worden afgewezen


nu er reeds gedurende acht maanden normaal gebruik is geweest


en de beweerde gebreken geen non-conformiteit opleveren vanwege


bovengenoemde jurisprudentie;


- Dat een gerechtelijk deskundige de non-conformiteit eerst zal


dienen te onderzoeken.


Gezien de kosten van een procedure en het feit dat proceskostenveroordelingen slechts beperkt zijn, zijn cliënten bereid, louter en alleen dus om proceseconomische redenen, te investeren in een minnelijke oplossing. Cliënten bieden uw cliënten aan een bedrag te betalen tegen finale kwijting van € 4.000,-.”
Nadat namens [appellant] was geantwoord dat het voorstel niet serieus was aangezien het niet in de richting kwam van € 40.000,00 die nodig was voor de gestelde herstelwerkzaamheden en nadat [geïntimeerde] op 9 januari 2020 nogmaals zijn standpunten kenbaar had gemaakt, bleef het 13 maanden stil. Toen gaf [appellant] aan dat er meer gebreken aan het licht waren gekomen en dat dit reden gaf om wéér een onderzoek te doen. [geïntimeerde] is ditmaal op de uitnodiging om daarbij aanwezig te zijn ingegaan en heeft tijdens en na het onderzoek duidelijk aangevoerd dat de lijst van gebreken steeds langer werd en dat de gebreken gezocht waren en ook gerelateerd aan de toen al 3,5 jaar durende bewoning door [appellant] en gebrek aan onderhoud en/of aangebrachte wijzigingen door [appellant] . Daarop volgde de vraag van de (wederom nieuwe) advocaat van [appellant] wat [geïntimeerde] ’ maximale bereidheid was om een gerechtelijke procedure te voorkomen. Na telefonisch overleg tussen de advocaten werd namens [geïntimeerde] voorgesteld: “Cliënt is bereid € 6.000,- tegen finale kwijting te betalen, doch dan dient er wel een korte vaststellingsovereenkomst te komen.” Maar dat hield volgens de advocaat van [appellant] niet veel in: “Ik zal spoedig wat op schrift stellen. Dat hoeft wat mij betreft niet heel uitgebreid.” De vaststellingsovereenkomst werd getekend en het geschil (‘ [appellant] meldt gebreken, [geïntimeerde] verweert’) was daarmee ten einde.
De rechtbank heeft in het vonnis terecht verwoord dat een van de onderwerpen van geschil was of wel of geen sprake was van gebreken in de woning, gelet op de punten c t/m e van de vaststellingsovereenkomst. Er kon niet anders worden geconcludeerd dan dat ‘alle onderwerpen van geschil’ middels de vaststellingsovereenkomst voor eens en voor altijd afgewikkeld konden worden. Taalkundig laat de overeenkomst hierover dan ook niets te wensen over. De bedoeling was voor [geïntimeerde] ook meer dan duidelijk: rust en wel volledig. Oftewel, finale kwijting. Indien het voor [appellant] zo duidelijk was dat het ‘slechts’ ging om specifieke gebreken waar het geschil voor afgesloten werd, had hij dit specifiek moeten opnemen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .




3.5.3.
Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft geen grief gericht tegen rechtsoverweging (rov.) 5.2. van het vonnis, waarin de rechtbank overweegt welke maatstaf moet worden aangelegd bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Uit hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd valt evenmin af te leiden dat die maatstaf niet juist zou zijn. Ook het hof zal die maatstaf hanteren.



3.5.4.
De vraag hoe een overeenkomst (zoals een vaststellingsovereenkomst) moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. De uitleg is mede afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke kennis van partijen kan worden verwacht. Ook kan betekenis toekomen aan de context van de desbetreffende bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis ervan, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg, de aard van de overeenkomst en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.”




6.3.
In het tussenarrest heeft het hof vervolgens een mondelinge behandeling bepaald, onder andere met het doel om [appellant] in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het geding gebrachte producties.



6.4.

[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling gereageerd op de producties bij de memorie van antwoord. Samengevat en voor zover relevant heeft hij het volgende aangevoerd.
- De brief van [geïntimeerde] ’ advocaat van 25 november 2019 dateert van ver voor de vaststellingsovereenkomst. Hieruit blijkt het standpunt van [geïntimeerde] met betrekking tot de op dat moment aan de orde zijnde gebreken (lees: onderwerpen van geschil) en wordt daarop ingegaan (lekkages badkamers, verstoppingen riolering).
- In de brief van [appellant] advocaat in reactie daarop van 16 december 2019 wordt een verzakte constructie genoemd, maar dat gaat niet om de constructie van de (foutief gemonteerde en enorm doorhangende) verdiepingsvloer die onderwerp van de procedure is, maar om de ondersteuning onder de badkamers. De gevaarlijk doorhangende verdiepingsvloer – met name boven de woonkamer – was op de datum van die brief ook nog helemaal niet bekend en ook niet zichtbaar. Pas lang na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bleek dat op de constructieve vloer houten opvulling was aangebracht om de verzakking van de ondervloer te kunnen opvangen. Uit de opvulling met hout blijkt dat er wetenschap aanwezig was aan de zijde van [geïntimeerde] .
- Het zou in strijd zijn met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als [geïntimeerde] met succes een beroep op de finale kwijting zou kunnen doen.
- Veel later dan november/december 2019 is op initiatief van [appellant] onderhandeld. Toen is duidelijk gesproken over de afbakening van de werking van de finale kwijting. Dat ging over ‘onderwerpen’ en niet over ‘onderwerp’. Uit de overgelegde mailwisseling die geleid heeft tot de vaststellingsovereenkomst blijkt duidelijk dat de finale kwijting niet ongelimiteerd en alles omvattend is geweest, nota bene bevestigd door mr. Hart (hof: de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] ).



6.5.

Het hof citeert hieronder voor een goed begrip nogmaals de relevante passages uit de vaststellingsovereenkomst (zie rov. 3.2.9. van het tussenarrest).

“(…)


In aanmerking nemende dat


(…)



c) [appellant] zich op het standpunt gesteld heeft dat de woning op onderdelen gebrekkig zou zijn en dat [geïntimeerde] ter zake schadeplichtig zou zijn;


d) [geïntimeerde] de aanwezigheid van gebreken en/of aansprakelijkheid daarvoor uitdrukkelijk betwist;


e) Partijen onderhandeld hebben over een oplossing van hun geschil en ter zake tot overeenstemming hebben kunnen komen;



(…)


Partijen verklaren het navolgende overeengekomen te zijn


Bedrag



1. [geïntimeerde] zal aan [appellant] bedrag van EUR 6.000,00 (zegge: zesduizend euro).



(…)


Kwijting



6. Na ontvangst van de volledige betaling binnen de in artikel 2 genoemde termijn, verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting, in die zin dat zij over en weer niet meer te vorderen hebben ter zake de onderwerpen van geschil. (…)


(…)”


6.6.1.
Het hof oordeelt als volgt. [appellant] en [geïntimeerde] hebben elkaar met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst volgens artikel 6 daarvan finale kwijting verleend “in die zin dat zij over en weer niet meer te vorderen hebben ter zake de onderwerpen van geschil.” In de considerans onder c hebben zij overwogen dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat “de woning op onderdelen gebrekkig zou zijn en dat [geïntimeerde] ter zake schadeplichtig zou zijn” en onder d dat “[geïntimeerde] de aanwezigheid van gebreken en/of aansprakelijkheid daarvoor uitdrukkelijk betwist”. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van een zuiver taalkundige uitleg de finale kwijting aldus betrekking heeft op de onderwerpen van geschil, zijnde de aanwezigheid van (niet nader omschreven) gebreken en de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] daarvoor.



6.6.2.
De context en de totstandkomingsgeschiedenis van de aangehaalde bepalingen in de vaststellingsovereenkomst rechtvaardigen niet de andere uitleg die [appellant] eraan geeft, kort weergegeven inhoudende dat alleen finale kwijting is verleend met betrekking tot de tot dan toe aan [geïntimeerde] gemelde gebreken en niet ook voor op dat moment nog niet aan [appellant] bekende gebreken. Het hof neemt bij de uitleg in aanmerking dat beide partijen tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst werden bijgestaan door een jurist of advocaat en dat de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de advocaat van [appellant] . Over die context en totstandkomingsgeschiedenis overweegt het hof het volgende.



6.6.3.
Na een aanvankelijke melding door [appellant] aan [geïntimeerde] per whatsapp van lekkages en een probleem met de elektriciteit op 19 december 2018 en na een ingebrekestelling bij brief van 3 april 2019 (zie rov. 3.2.2. van het tussenarrest) schreef Arag SE Nederland op 7 oktober 2019 namens [appellant] aan [geïntimeerde] dat “(…) cliënten na de verhuizing meerdere gebreken hebben ontdekt, waaronder de lekkages in de badkamers, het niet functioneren van de afvoer van het toilet op de eerste verdieping en problemen met de riolering (onderstreping hof).”; zie ook rov. 3.2.3. van het tussenarrest. [appellant] meldde daarmee, zo heeft [geïntimeerde] mogen begrijpen, niet álle ontdekte gebreken, maar (slechts) een aantal van meerdere gebreken die [appellant] stelde te hebben ontdekt. [geïntimeerde] heeft ook voldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] hem de uitgebreide opsomming van gebreken in de inleidende dagvaarding eerder dan met het uitbrengen van de dagvaarding heeft verstrekt.



6.6.4.

Aldus is tussen partijen in elk geval vanaf 7 oktober 2019 geen sprake geweest van een eenduidige, voor beide partijen voldoende kenbare, afgebakende omschrijving van alle gebreken waarvoor [appellant] [geïntimeerde] (op dat moment) aansprakelijk hield. Bij brief van 22 oktober 2019 heeft [geïntimeerde] in algemene bewoordingen betwist dat sprake is van non-conformiteit en dat de woning niet de eigenschappen zou bezitten die voor normaal gebruik noodzakelijk zijn. [geïntimeerde] schrijft in die brief: “Vooropgesteld dient te worden dat cliënten altijd zonder problemen in de woning hebben gewoond. Van gebreken was geen sprake.” en: “Uw cliënten stellen voorts dat sprake is van non-conformiteit. De woning zou niet over de eigenschappen bezitten die voor normaal gebruik noodzakelijk zijn. Cliënten betwisten dit. Immers, cliënten hebben jarenlang normaal van de woning gebruik kunnen maken. Ook uw cliënten hebben dit.”
Nadat [appellant] bij brief van 18 november 2019 met uitdrukkelijke verwijzing naar de sommatiebrief van 7 oktober 2019 bij zijn vordering had gepersisteerd, heeft [geïntimeerde] bij brief van 25 november 2019 een eerste voorstel voor een minnelijke regeling gedaan. [appellant] wijst er terecht op dat [geïntimeerde] in die brief ingaat op de gebreken die [appellant] in de brief van 18 november 2019 opnieuw aan de orde stelde, maar zoals hiervoor overwogen hoefde [geïntimeerde] niet te begrijpen dat die opsomming volledig was. Daarnaast staat in de brief van 25 november 2019: “Uw cliënten richten hun pijlen vooral op de stellingname dat de woning niet de eigenschappen zou bezitten die voor normaal gebruik noodzakelijk zijn. Cliënten persisteren in hun stelling dat de woning ten tijde van de levering wel degelijk over de eigenschappen beschikte die voor normaal gebruik noodzakelijk zijn.” en: “Gezien de kosten van een procedure en het feit dat proceskostenveroordelingen slechts beperkt zijn, zijn cliënten bereid, louter en alleen dus om proceseconomische reden, te investeren in een minnelijke oplossing. Cliënten bieden uw cliënten aan een bedrag te betalen tegen finale kwijting van € 4.000,-.” [appellant] heeft daaruit naar het oordeel van het hof moeten begrijpen dat [geïntimeerde] , hoewel hij betwistte dat er sprake was van non-conformiteit, bereid was om, “om proceseconomische redenen, te investeren in een minnelijke oplossing” door € 4.000,00 te betalen - en daarmee dat de finale kwijting die deel uitmaakte van het aanbod tot betaling van € 4.000,00 en nadien van € 6.000,00, algeheel en definitief was.




6.6.5.
Het hof verwerpt [appellant] stelling dat het niet geloofwaardig is dat [appellant] niet alleen de gebreken die een schade van € 41.200,00 vertegenwoordigden zou laten afkopen voor “maar” € 6.000,00 en daarbij ook nog eens alle andere mogelijke gebreken zou accepteren. Betaling van een bedrag van € 6.000,00 door een verkoper die steeds heeft betwist dat hij voor enig bedrag aansprakelijk is, is substantieel. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [appellant] heeft mogen begrijpen dat de finale kwijting geen betrekking had op gebreken die mogelijk in de toekomst nog aan het licht zouden komen.



6.6.6.

[appellant] beroept zich op e-mails van mr. Senden van 8 en 9 september 2021 (zie rov. 3.5.1. van het tussenarrest). Mr. Senden schrijft daarin, voor zover hier van belang: “Bedoeling is om tot finale kwijting te komen voor alle gebreken, zoals die in de correspondentie worden genoemd.” en “Zoals eerder geschreven leidt betaling na overeenstemming tot finale kwijting voor alle gebreken, zoals die in de correspondentie worden genoemd.” Ook die passages behoeven uitleg, met toepassing van de in rov. 3.5.4. van het tussenarrest weergegeven norm (zie ook rov. 6.2.). Zuiver taalkundig uitgelegd staat in de aangehaalde passages, anders dan [appellant] betoogt, niet dat finale kwijting slechts wordt verleend voor de gebreken die in de correspondentie worden genoemd. Er staat dat finale kwijting wordt verleend voor alle gebreken (onderstreping hof) – die (dus: alle) in de correspondentie worden genoemd. [geïntimeerde] heeft aldus mogen begrijpen dat na betaling van een overeen te komen bedrag hem geen nieuwe gebreken meer zouden worden tegengeworpen. Dat stemt ook overeen met hoe [appellant] de finale kwijting in het aanbod van [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen (zie rov. 6.6.5.). Dat mr. Senders, zoals [appellant] in de toelichting op de grief betoogt, heeft bedoeld alleen voor al bekende gebreken finale kwijting overeen te komen, kan [appellant] [geïntimeerde] niet tegenwerpen. Dat had dan duidelijk moeten zijn verwoord. Dat wordt niet anders wanneer het hof in aanmerking neemt dat, zoals [appellant] aanvoert, [geïntimeerde] in januari 2020 inhoudelijk heeft gereageerd op (gestelde gebreken genoemd in) een bouwkundig rapport en dat [geïntimeerde] in maart 2021 per e-mail zijn visie heeft gegeven naar aanleiding van een in zijn bijzijn uitgevoerd bouwkundig onderzoek. Toen was immers nog geen overeenstemming bereikt. Juist vanwege de omstandigheid dat met lange tussenpozen klachten werden geuit en dat de klachten allerlei verschillende onderwerpen betroffen (die in de eerdere correspondentie niet uitputtend waren benoemd), had [appellant] moeten begrijpen dat [geïntimeerde] met de finale kwijting bedoelde dat partijen voor eens en voor altijd een punt zouden zetten achter discussies over wat er wel of niet deugde aan de woning. [appellant] heeft op geen moment een voor [geïntimeerde] voldoende kenbare opsomming van gebreken gegeven waartoe de te verlenen finale kwijting zich zou beperken.



6.6.7.
Het hof komt tot de slotsom dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, [geïntimeerde] de vaststellingsovereenkomst zo heeft begrepen en heeft mogen begrijpen dat partijen elkaar daarin algehele finale kwijting hebben verleend. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen. Daarop stuiten de vorderingen van [appellant] ook in hoger beroep af.



6.6.8.

[appellant] heeft zich niet eerder dan tijdens de mondelinge behandeling bij het hof beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). [geïntimeerde] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het hof honoreert dat bezwaar. Ingevolge de in hoger beroep geldende twee-conclusieregel had [appellant] dat beroep uiterlijk in de memorie van grieven moeten doen. [appellant] heeft niet aangevoerd dat of waarom het hof een uitzondering op die regel zou moeten maken. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.



Conclusie en proceskosten





6.7.
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof zal de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vaststellen op:


griffierecht € 2.053,00


salaris advocaat € 7.144,00 (2,0 punten x tarief V)


nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 9.375,00







7De uitspraak



Het hof:



7.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;



7.2.
veroordeelt [appellant] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 9.375,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



7.3.
verklaart de veroordeling onder 7.2. uitvoerbaar bij voorraad;



7.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.




Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, M. van Ham en M.C.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2025.




griffier rolraadsheer