Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3436
2025-12-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.342.308_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
hoger beroep van ECLI:NL:RBLIM:2024:2222. Bekrachtiging.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2012:BX7264 Hoge Raad 23-11-2012
- ECLI:NL:HR:2017:404 Hoge Raad 10-03-2017
- ECLI:NL:HR:2007:BA3516 Hoge Raad 29-06-2007
- ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Hoge Raad 06-04-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.443 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.308/01
arrest van 2 december 2025
in de zaak van
de gemeente Voerendaal,
zetelend te Voerendaal,
appellante,
hierna aan te duiden als: de gemeente,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,
tegen
1C.S.C. Ceelen Sport Constructies B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna aan te duiden als: CSC,
advocaat: mr. L.M. Goeree te Zwolle,
2KYBYS B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna aan te duiden als: Kybys
advocaat: mr. F.R.A. Schaaf te Den Haag,
geïntimeerden,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 april 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de gemeente als eiseres en geïntimeerden als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/301473 / HA ZA 22-56)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties A1-A8 en eiswijziging;
de memorie van antwoord van CSC met productie 19;
de memorie van antwoord van Kybys tevens bezwaar tegen de vermeerdering van eis;
de bij H12-formulier van 4 juni 2025 door Kybys toegezonden producties 1 en 2, die Kybys bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
het H10-formulier van CSC met het verzoek de zaak te verwijzen naar de rol voor arrest.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
In overweging 2.1. tot en met 2.10. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep.
3.1.1.
Na door de gemeente gehouden aanbestedingen voor respectievelijk het ontwerpen en het realiseren van twee voetbalvelden bij VV Hellas te [plaats] (gemeente Voerendaal) heeft de gemeente twee overeenkomsten gesloten: met Kybys een overeenkomst van opdracht (advies) voor een bedrag van € 70.672,50 ex BTW en met CSC een overeenkomst van aanneming van werk voor een bedrag van € 1.077.700,00 ex BTW.
3.1.2.
Meer in het bijzonder omvat het project:
- het aanleggen van een ‘Wetraveld’ (wedstrijd en trainingsveld),
- het aanleggen van een kunstgras voetbalveld en
- het aanleggen van overige verbindende infrastructuren.
Hierbij wordt het (bestaande) hoofdveld omgebouwd naar een kunstgrasveld (hierna: veld 1) en wordt ter rechterzijde hiervan een nieuw veld gerealiseerd (hierna: het Wetraveld of veld 2).
3.1.3.
Voorafgaand aan deze aanbestedingen heeft de gemeente onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. (hierna: Sweco) opdracht gegeven tot het verrichten van een cultuurtechnisch onderzoek en een aanlegadvies met betrekking tot het sportpark. Op pagina 5 van 21 onder 2.1.2 (‘Stortplaats’) van de door Sweco opgemaakte adviesrapportage van
14 november 2016 staat onder meer:
“De voetbalvelden op het Sportpark De Schrub te [plaats] zijn aangelegd op een voormalige stortplaats. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de stortplaats vanaf 1949 in gebruik is geweest en in 1975 is gesloten. In de betreffende voormalige kalksteengroeve is volgens de beschikbare informatie huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval gestort.
Uit door de gemeente verstrekte informatie maken wij op dat er na de aanleg in 1980 met een zekere regelmaat, vooral ter plaatse van veld 2, herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. (…) Aangezien de natuurlijke ondergrond als niet zettingsgevoelig is te beschouwen (…) zijn de in het verleden opgetreden zettingen het gevolg van de ligging van de sportvelden op een voormalige stortplaats, waarin ook huisvuil is verwerkt.”
Op pagina 19 van 21 onder 4.5 (‘Afweging en advies’) staat:
“Naast de nodige ruimtelijke afwegingen en mogelijke beperkingen is het van belang om ook rekening te houden met de zettingsgevoeligheid van de ondergrond; het stortmateriaal. Een betrouwbare inschatting van de effecten op het stortmateriaal is echter niet te maken. Wel zijn er mogelijkheden om de invloed en de (mogelijke) effecten te beperken, maar het is niet mogelijk om de zettingsrisico’s tot nul te reduceren. Ter beperking van de risico’s wordt geadviseerd om een kunstgrasveld op basis van een evenwichtconstructie met bims of na een voorbelasting met circa 1,0 m zand op basis van aan standaardconstructie aan te leggen.”
3.1.4.
De werkzaamheden zijn gestart op 22 mei 2018. De oplevering van het werk heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Contactpersoon van de gemeente was de heer [naam 2] . Later is die rol overgenomen door mevrouw [naam 3] en heeft de gemeente [naam 2] als extern adviseur ingeschakeld.
3.1.5.
Op 3 december 2019 heeft de gemeente CSC en Kybys aansprakelijk gesteld, omdat de gemeente ernstige klachten heeft over de kwaliteit van het door CSC en Kybys geleverde werk. In die brief worden met een verwijzing naar een memo van [naam 2] verschillende termijnen gesteld voor de gestelde gebreken, binnen welke de betreffende gebreken moeten zijn hersteld. Op pagina 2 van de brief is onder meer gesteld:
“Op basis van deze constatering sommeert de gemeente Voerendaal u beiden hoofdelijk tot de volgende activiteiten:
1. (…)
2. (…)
3. Het herstellen van de gebreken binnen 15 werkdagen na vandaag. (…).”
Het betreffende memo is door [naam 2] in de hoedanigheid van externe deskundige opgesteld.
3.1.6.
Zowel CSC als Kybys hebben zich in de hierop uitvoerig met de gemeente gevoerde correspondentie op het standpunt gesteld niet aansprakelijk te zijn.
3.1.7.
Op 3 februari 2020 schrijft de gemeente in haar op 4 februari 2020 aan CSC en Kybys verzonden brief:
“De gemeente Voerendaal constateert in deze brief, dat u geen gevolg hebt gegeven aan de ingebrekestelling in onze brief van 3 december 2019. (…).
De gemeente zal dan ook opdracht geven aan een andere partij om de werkzaamheden uit te voeren.
CSC en Kybys worden, aldus voormelde brief, aansprakelijk gehouden voor de volledige
schade die de gemeente door toedoen van CSC en Kybys lijdt.
3.1.8.
Op 5 februari 2021 heeft Kragten B.V. (hierna: Kragten) in opdracht van de gemeente een rapport uitgebracht met als titel ‘Waterproblematiek Sportpark [naam 1] en als ondertitel: ‘Herstelplan: onderzoek, bevindingen en advies’.
3.1.9.
Op 13 april 2022 heeft Crawford & Company B.V. (hierna: Crawford) in opdracht van Kybys een rapport uitgebracht, waarin deze op pagina 1 stelt onderzoek te hebben gedaan naar de aard en omvang van
“deze kwestie, waarbij wij ons met name hebben gericht op hetgeen staat omschreven in de dagvaarding van de zijde van de gemeente voor zover dat verwijst naar het rapport van Kragten.”
3.1.10.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft bij besluit van
7 juli 2020 besloten te procederen tegen CSC en Kybys.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In deze procedure vorderde de gemeente in eerste aanleg dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt om aan de gemeente € 141.268,18 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2022 (de datum van dagvaarding) en te berekenen tot de dag der algehele voldoening;
2. CSC veroordeelt om aan de gemeente € 40.763,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2022 en te berekenen tot de dag der algehele voldoening;
3. CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft de gemeente, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat CSC en Kybys toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenissen, waardoor de gemeente een bedrag van € 141.268,18 aan schade heeft geleden. Ook stelt de gemeente dat zij een bedrag van € 40.763,75 onverschuldigd heeft betaald aan CSC.
3.2.3.
CSC en Kybys hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
3.2.4.
In het vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van de gemeente afgewezen en de gemeente in de proceskosten veroordeeld.
Het hoger beroep
3.3.
De gemeente heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij heeft bij memorie van grieven haar eis vermeerderd en deze tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verminderd. De gemeente heeft - samengevat - geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en gevorderd dat het hof:
- CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt om aan de gemeente een schadevergoeding gelijk aan het loon van Kybys van € 70.672,50 exclusief btw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC daarnaast veroordeelt om aan de gemeente het restantbedrag van de schade (€ 188.609,14 -/- € 70.672,50) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC veroordeelt om aan de gemeente een bedrag van € 40.763,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten van beide instanties.
De wijziging van eis
3.4.
Kybys heeft bezwaar tegen de vermeerdering van eis in de memorie van grieven gemaakt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat:
- de eiswijziging niet op de in het procesreglement voorgeschreven wijze in de titel van het processtuk van de gemeente is aangekondigd,
- de gemeente de gelegenheid heeft gehad om de onderbouwing van haar vordering al in eerste aanleg in het geding te brengen en dat Kybys door deze gang van zaken nodeloos een ronde in het schriftelijk debat verliest en
- wat er aan werkzaamheden is uitgevoerd zich nog steeds aan een beoordeling onttrekt.
3.5.
Het hof wijst het bezwaar van Kybys af. Uit het feit dat Kybys bezwaar heeft gemaakt blijkt dat zij heeft onderkend dat de gemeente haar eis heeft vermeerderd. Zonder nadere toelichting, die door Kybys niet is gegeven, valt niet in te zien hoe zij door het niet vermelden van de eiswijziging in de kop van de memorie van grieven in haar processuele belangen is geschaad. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich mee dat de gemeente in hoger beroep stukken die ook al ten tijde van de procedure in eerste aanleg beschikbaar waren, alsnog in het geding mag brengen (en haar eis op grond daarvan mag wijzigen). Het derde element van het bezwaar is niet tegen de eiswijziging als zodanig gericht, maar betreft een inhoudelijk verweer. Ook dat leidt dus niet tot gegrondverklaring van het bezwaar.
Het hof acht de vermeerdering van eis ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde. Het hof staat deze toe en zal recht doen op de bij memorie van grieven vermeerderde, en voorts ter zitting verminderde eis, zoals hiervoor in rov. 3.3. weergegeven.
Grief 2 en grief 3
3.6.
Het hof zal eerst de grieven 2 en 3 gezamenlijk behandelen en die voor een goed begrip hieronder (met weglating van de alineanummering) citeren.
Grief 2 luidt:
“De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.2. dat op de Gemeente de stel- en bewijslast rust. De Gemeente zou er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat CSC en KYBYS toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen. De Rechtbank stelt dat de deskundige van de zijde van KYBYS (Crawford) erop zou hebben gewezen dat Kragten onvoldoende rekening heeft gehouden met de geldende wettelijke normen. De Rechtbank betrekt in zijn overweging niet de contractuele verplichtingen van partijen.
De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.3. dat op de weg van de Gemeente had gelegen om nader in te gaan op hetgeen CSC en KYBYS hebben ingebracht in verband met de betwisting van de stelling dat zij zouden tekort geschoten. Onvoldoende zou zijn komen vast te staan dat CSC het werk niet goed heeft uitgevoerd en KYBYS daarbij onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend.”
Grief 3 luidt:
“De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.2. dat op de Gemeente de stel- en bewijslast rust.”
3.7.
In de toelichting op de grieven voert de gemeente, kort samengevat, aan dat door partijen is overeengekomen om het plan uit te voeren conform het ontwerp en bestek van Kybys. Niet meer, niet minder, aldus de gemeente. Indien van dat ontwerp en bestek is afgeweken in overeenstemming met de gemeente, dan is er sprake van meer- of minderwerk. Is er geen overeenstemming met de gemeente, dan is sprake van tekortschieten in de nakoming van contractuele afspraken. CSC blijkt zich, aldus de gemeente, niet geconformeerd te hebben aan posten die de gemeente in het bestek heeft opgenomen om wateroverlast en verzakkingen te voorkomen, te weten: (i) de aanleghoogte van het riool, (ii) de aanleghoogtes van de drains, (iii) de hellingshoek van het riool, (iv) de hoeveelheid ontluchtingsdeksels, (v) het voorgeschreven riooltracé, (vi) de materialen voor verbindingen, (vii) de diameters van de verbindingen, (viii) de materiaalsoorten en (ix) de overstortput. Dat risico – dat de gemeente door het opnemen van deze posten in het bestek beoogde te voorkomen – is opgetreden. Daarom is primair de omkeringsregel van toepassing. De omkeringsregel impliceert dat - indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt daarmee – het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan, aldus nog steeds de gemeente. Subsidiair beroept de gemeente zich erop dat het condicio sine qua non verband op grond van feitelijke vermoedens kan worden aangenomen. De aangesprokene kan eventueel tegenbewijs leveren, waarbij de rechter in bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding kan vinden om te oordelen dat op de wederpartij van de benadeelde een verzwaarde motiveringsplicht rust.
3.8.
Volgens CSC rust op de gemeente als degene die zich beroept op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst de bewijslast van haar stellingen. Zij betoogt dat de gemeente ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd wat de gebreken zijn die zij CSC verwijt en waar dit uit zou volgen.
3.9.
Ook Kybys betoogt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feitelijke grondslag van de vordering rusten op de gemeente. Ook in hoger beroep heeft volgens haar te gelden dat de gemeente onvoldoende heeft gesteld om een tekortkoming aan te nemen c.q. onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer namens Kybys en het rapport van Crawford.
3.10.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente stelt dat CSC en Kybys toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenissen en dat zij daardoor schade heeft geleden. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv heeft de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de gemeente, als de partij die zich beroept op rechtsgevolgen (de verplichting tot schadevergoeding) van door haar gestelde feiten of rechten (de gebreken en de toerekenbare tekortkoming), daarvan de stelplicht en bewijslast heeft. In zoverre slagen de grieven niet.
3.11.
Ook het beroep van de gemeente op de zogenoemde omkeringsregel slaagt niet.
De omkeringsregel strekt er volgens vaste rechtspraak toe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264). Aan beoordeling van het bestaan van causaal verband tussen de gestelde schade en de tekortkoming komt het hof pas toe als komt vast te staan dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van CSC en/of Kybys. Uit het oordeel van het hof in rov. 3.21. hierna volgt dat daarvan geen sprake is. De gemeente zou bovendien hebben moeten stellen welk specifiek gevaar zij met het opnemen van de hiervoor in rov. 3.7. onder i tot en met ix opgesomde voorwaarden in het bestek wilde voorkomen; “wateroverlast en verzakkingen” is daarvoor te algemeen, nog daargelaten dat CSC en Kybys gemotiveerd hebben betwist dat dat gevaar zich heeft verwezenlijkt.
3.12.
Ook het beroep op de mogelijkheid van een voorshands bewijsoordeel over het condicio sine qua non verband faalt. De tekortkoming aan de zijde van CSC en Kybys komt zoals hiervoor in 3.11. overwogen niet vast te staan, zodat het hof aan een beoordeling van het causaal verband met de gestelde schade in het geheel niet toekomt.
De grieven 2 en 3 slagen niet.
Kan met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv een toerekenbare tekortkoming van CSC en/of Kybys worden vastgesteld? Grief 1 en grief 4
3.13.
Met grief 1 klaagt de gemeente dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, kort samengevat, het rapport van Kragten zonder inbreng van CSC en Kybys tot stand is gekomen, zodat relevante informatie en input van CSC en Kybys aan Kragten is onthouden. Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat CSC en Kybys niet in verzuim zijn geraakt.
3.14.
Vooruitlopend op de devolutieve werking van het hoger beroep die bij gegrondbevinding van de grieven 1 en/of 4 van de gemeente aan de orde zou komen, zal het hof nu eerst beoordelen of – nu de grieven 2 en 3 falen – met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv kan worden vastgesteld dat CSC en/of Kybys toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van een uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenis. Indien het antwoord op die vraag ontkennend luidt, heeft de gemeente geen belang meer bij de grieven, omdat die dan niet meer tot de beoogde toewijzing van haar vorderingen kunnen leiden.
3.15.
In het inleidende gedeelte van de memorie van grieven voert de gemeente, onder overlegging van een e-mail van CSC en een rapportage van 7 januari 2019 van een in opdracht van CSC verricht camera-onderzoek door Pipe Vision, aan, dat uit eigen onderzoek van CSC ook blijkt dat het riool slordig en met de nodige gebreken is aangelegd. CSC heeft volgens de gemeente erkend dat er sprake was/is van een probleem: “Wij verwachten eerder dat de problemen (niet functioneren) ontstaan zijn door een niet passend ontwerp (vuilstort en niveau verschillen).” Dat staat volgens de gemeente dus vast. De gemeente somt vervolgens ook in hoger beroep de in het rapport van Kragten vermelde gebreken op die zij ook in eerste aanleg heeft gesteld (en die de rechtbank in het vonnis heeft weergegeven onder 4.3.1.), te weten dat:
- een aantal leidingen niet op het ontwerptracé gesitueerd zijn;
- een extra leiding is aangebracht;
- er andere materialen zijn gebruikt dan voorgeschreven in het bestek;
- een aantal voorzieningen niet is aangebracht;
- er vier verschillende straatkopkolken zijn toegepast waarvan er vier niet zijn voorzien van
de voorgeschreven ontluchtingsgaten;
- ook de verzamelput niet is aangebracht;
- is vastgesteld dat er een instabiele niet draagkrachtige sportvloer ontstaat met slechte
groeiomstandigheden voor de grasvegetatie;
- het drainagewater niet afgevoerd kan worden als gevolg van de uitvoering van het ontwerp.
Ook herhaalt de gemeente haar stelling dat het werk gebreken vertoonde waar [naam 2] CSC op heeft gewezen (en die door de rechtbank zijn vermeld in het vonnis onder 4.3.3.):
- het riool ligt op tegenschot (van 111.71 naar 111.73 + NAP);
- er ontbreken diverse ontluchtingsdeksels (zoals vereist in het bestek);
- er is afgeweken van het voorgeschreven riooltracé;
- er is een ander soort verbinding gerealiseerd tussen het riool bij het kunstgrasveld en het
oefenveld;
- er is met afwijkende materiaalsoorten gewerkt;
- de lijngoot ter hoogte van het oefenveld is middels een rioolbuis aangesloten op de put,
welke aansluiting op tegenschot is aangelegd;
- het riool bevat deformaties en is voorzien van een kleinere - lees: afwijkende - buisdiameter.
3.16.
Het tekortschieten van Kybys heeft volgens de gemeente met name betrekking op het houden van toezicht en niet op het ontwerp.
3.17.
De gemeente legt bij memorie van grieven ook een aantal andere producties over, waaronder een adviesrapport van Het Gegevenshuis. Dat rapport heeft drie bijlagen, waaronder een inspectierapport van Van der Velden Rioleringsbeheer van 19 november 2019. Daaruit blijkt volgens de gemeente het volgende.
a. Bij het riool gelegen aan de kop van het WETRA- veld is een hoogste BovenkantOnderkantBuis gemeten van 111.31+NAP (een afwijking van 230 mm). Het
aanlegniveau van de drains varieert van 111.27 tot 111.31+NAP (conform overeenkomst).
Het riool richting de buffer is dus 230 mm hoger aangelegd dan hetgeen was
overeengekomen;
b. Het gevolg hiervan is dat het drainagesysteem zich grotendeels vult met afstromend
hemelwater in plaats van het afstromen van dit overtollig water in het buffer-. De
aanleghoogte van de drains is namelijk lager dan de afvoerbuis naar de buffer;
c. Het riool (streng A-B) gelegen aan de kop van het kunstgrasveld ligt met tegenschot (van
111.71 naar 111.73+NAP);
d. Diverse ontluchtingsdeksels ontbreken in het plan;
e. CSC is afgeweken van het voorgeschreven riooltracé;
f. De voorgeschreven verbinding is niet gerealiseerd tussen het riool gelegen nabij het
kunstgrasveld en het riool nabij het oefenveld (streng C-D). Vereist was een verbinding
middels de lijngoot. Gerealiseerd is echter een verbinding middels een rioolbuis die
vernauwd is naar een rond 125 mm;
g. De voorgeschreven materiaalsoorten zijn niet verwerkt. Vereist is een kunststof van
polypropeen. Deze kunststof is beter bestand tegen vervorming. Het gebruik van ander
soorten kunststof materialen is niet gewenst vanwege vaak de geringe dekkingen onder
het maaiveld;
h. De lijngoot ter hoogte van het oefenveld is met een rioolbuis aangesloten op put D. Deze
aansluiting is met tegenschot aangelegd;
i. Het riool tussen put H en het riool gelegen op de kop van het WETRA- veld bevat
anderzijds deformaties;
j. Het riool gelegen aan de kop van het WETRA- veld heeft een kleinere buisdiameter (300
mm) dan voorgeschreven (rond 315mm);
k. Het riool op de kop van het WETRA-veld naar de buffer bevat geen overstortput en is
gebrekkig (getrokken buis, gaten).
Voorts legt de gemeente een e-mail van CSC over, een document ‘kosten van herstel’, een ontwerp en een aangepast ontwerp van Kybys, alsmede een notitie van Kybys.
3.18.
CSC betwist dat de gestelde gebreken blijken uit het inspectierapport van Van der Velden of uit de camera-inspectie (naar het hof begrijpt: de camera-inspectie door Pipe Vision). Volgens haar komen de opgesomde gebreken uit de koker van [naam 2] . CSC merkt op dat de gemeente niet kan volstaan met het enkel overleggen van producties. Zij dient concreet te verwijzen naar de betreffende passages uit producties. Het is niet aan CSC om als een speurhond door de producties te gaan om daaruit de gestelde gebreken te filteren.
3.19.
Kybys betwist onder verwijzing naar haar verweer in eerste aanleg en het door haar daarbij overgelegde rapport van Crawford dat de klachten van de gemeente terecht zijn. Ook Kybys klaagt erover dat de gemeente bij de memorie van grieven producties heeft gevoegd, maar dat de toelichting op en specifieke verwijzing naar die producties ontbreekt of summier is, zodat voor Kybys onduidelijk is waartegen zij zich precies moet verweren.
3.20.
Het hof oordeelt als volgt. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen met zich mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404).
3.21.
De gemeente heeft in hoger beroep de hiervoor onder 3.17. genoemde stukken in het geding gebracht, die samen ruim driehonderd pagina’s beslaan. Zij heeft echter niet althans in onvoldoende mate aangeduid uit welke passage van welke productie de gebreken die zij stelt kunnen blijken. Dat is in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. CSC en Kybys klagen daar terecht over. Voorts is onduidelijk of de gemeente met beide opsommingen (als verwoord in rov. 3.15. en 3.17.) beoogt te stellen dat al hetgeen daarin is opgenomen als gebrek dient te worden aangemerkt. Dat volgens Van der Velden Rioleringsbeheer respectievelijk Kragten sprake is van een gebrek wil, als dat komt vast te staan, niet zonder meer zeggen dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door CSC en/of Kybys. Welke in de opsommingen opgenomen (beweerdelijke) gebreken zijn vervolgens aan te merken als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten? En wie en waarom is volgens de gemeente dan, ten aanzien van dat specifieke gebrek, tekortgeschoten: CSC en/of Kybys? Zeker (en mede) in het licht van de door de gemeente, naar het hof begrijpt, ingenomen stelling dat het ontwerp van Kybis geen gebreken vertoont, had van de gemeente hieromtrent een nadere onderbouwing verwacht mogen worden.
De gemeente heeft aldus ook in hoger beroep haar stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door CSC en Kybys, onvoldoende onderbouwd. Het hof kan daarom niet vaststellen dat er sprake is van gebreken en van een toerekenbare tekortkoming van CSC en/of Kybys. De vorderingen van de gemeente stuiten daarop af. Het hof komt niet toe aan een bewijsopdracht. Daarmee behoeven de grieven 1 en 4 geen bespreking meer.
Ten overvloede
3.22.
Het hof overweegt ten overvloede nog het volgende.
3.23.
De gemeente heeft gesteld dat de kosten van herstel € 188.609,14 exclusief btw groot zijn. Naar het hof begrijpt vordert de gemeente dat bedrag als schadevergoeding.
3.24.
CSC betwist de hoogte van de schade. De gemeente heeft dat volgens haar onvoldoende onderbouwd en het is niet aan haar om uit de betreffende productie (die is opgeknipt in 8 sub-producties) alle vermeende schadeposten te destilleren. Volgens haar zien de kosten niet op herstelwerkzaamheden, maar op verbeteringen van het Wetraveld. Kybys betwist dat de kosten met betrekking tot het veld kwalificeren als schade. Volgens Kybys onttrekt zich nog steeds aan een beoordeling wat er aan werkzaamheden is uitgevoerd, mede omdat de in de betreffende productie genoemde stukken die een verdere onderbouwing van de vordering zouden moeten opleveren, ontbreken. Voorts beroept Kybys zich op eigen schuld van de gemeente.
3.25.
Ook het verweer tegen de gestelde schade slaagt. De gemeente heeft ten opzichte van de gemotiveerde betwisting door CSC en Kybys niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld dat de werkzaamheden waarvoor zij stelt € 188.609,14 exclusief btw te hebben betaald, nodig waren voor herstel van schade die het gevolg is van aan CSC en/of Kybys toerekenbare tekortkomingen. De gemeente heeft in onvoldoende mate duidelijk gemaakt uit welk deel c.q. welke delen van de door haar overgelegde lijvige productie dat zou blijken. Dat is in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Aan het eigen schuldverweer van Kybys komt het hof niet toe. Dat geldt ook voor het verweer van Kybys dat de gemeente niet heeft onderbouwd dat de schade waarvan zij vergoeding vordert het gevolg is van het gebrek aan toezicht dat de gemeente Kybys verwijt - en dat Kybys betwist.
3.26.
Kybys heeft zich ter afwering van aansprakelijkheid beroepen op de vervaltermijn van artikel 16 van de DNR 2011-2013: indien de opdrachtgever een termijn heeft gesteld om de tekortkomingen weg te nemen gaat de vervaltermijn van twee jaar lopen na het verstrijken van deze hersteltermijn. In de brief van 3 december 2019 geeft de gemeente vijftien werkdagen om de gebreken te herstellen. Vijftien werkdagen na 3 december is 27 december 2019. Vanaf dat moment gaat de termijn van twee jaar lopen, zodat de rechtsvordering uiterlijk op 27 december 2021 had moeten zijn ingesteld. Dat is niet het geval waardoor deze niet ontvankelijk is, aldus Kybys.
3.27.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente heeft in eerste aanleg en in haar memorie van grieven de toepasselijkheid van de DNR betwist, maar dat verweer heeft zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof prijsgegeven. De gemeente heeft onvoldoende betwist dat de vervaltermijn op 27 december 2021 is verstreken. Het beroep daarop van Kybys slaagt dus. Ook daarop stuit de vordering van de gemeente tegen Kybys af.
Grief 5
3.28.
Met haar vijfde grief klaagt de gemeente over het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de gemeente tot betaling van CSC van een bedrag van € 40.763,75 ten titel van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.
3.29.
De gemeente stelt zich primair op het standpunt dat zij voor een som van € 40.763,75 aan termijnen te veel heeft betaald. Aan de betaling ligt geen overeenkomst ten grondslag. De gemeente verwijst naar haar productie 19 in eerste aanleg, een eindafrekening van haar hand. CSC heeft voor een som van € 1.075.504,16 exclusief btw aan termijnen ingediend. De gemeente heeft een som van € 1.116.267,91 aan termijnen voldaan. Het surplus (een som van € 40.763,75) is onverschuldigd betaald. Dat bedrag heeft betrekking op herstel (meerwerk) dat CSC op locatie heeft uitgevoerd. De gemeente heeft dat bedrag voorgeschoten. De CAR-verzekeraar van CSC heeft voor dat bedrag dekking verleend, maar CSC laat na het bedrag aan de gemeente terug te betalen, aldus nog steeds de gemeente. Indien en voor zover er wel sprake zou zijn van een rechtsgrond, dan is CSC toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming. Bij brief van 15 september 2020 is CSC verzocht voornoemde som terug te betalen. Aan dat verzoek is geen gevolg gegeven, aldus de gemeente.
3.30.
CSC betwist dat de berekening van de gemeente die sluit op een bedrag aan te veel betaalde termijnen van € 40.763,75 juist is. De door de gemeente overgelegde door haarzelf gefabriceerde eindafrekening is niet nader onderbouwd en daarom onnavolgbaar. Uit CSC’s bij haar conclusie van antwoord overgelegde conceptfactuur voor termijn 6 volgt dat het door de gemeente als onverschuldigd betaald teruggevorderde bedrag van € 40.582,66 (hof: als negatieve post) verdisconteerd zit in de gefactureerde werkzaamheden en dus in de aanneemsom. In zoverre is dus wel een rechtsgrondslag aanwezig en van een onverschuldigde betaling is geen sprake. De subsidiair gestelde tekortkoming is op geen enkele manier onderbouwd. Kennelijk heeft de gemeente een voorzetje van de rechtbank in het vonnis gevolgd: die overwoog dat als partijen in de context van de aannemingsovereenkomst nadere afspraken hebben gemaakt, de gemeente dan nakoming van die afspraak had moeten vragen. De gemeente specificeert niet om welke tekortkoming het gaat, licht niet toe waarom er verzuim is en ook het causale verband ontbreekt, aldus CSC.
3.31.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente heeft niet betwist dat zij de conceptfactuur voor termijn 6 zoals door CSC overgelegd heeft ontvangen. Uit pagina 15 van die conceptfactuur blijkt dat CSC een negatieve post van € 40.582,66 heeft opgenomen met als omschrijving “Uitkering verzekering conform afspraak”. Dat bedrag heeft CSC aldus op het bedrag dat zij nog van de gemeente te vorderen had in mindering gebracht. Daarmee heeft CSC gemotiveerd betwist dat de gemeente nog een vordering op haar heeft ter zake van herstel (meerwerk) waarvoor de CAR-verzekering dekking zou verlenen. Het had op de weg van de gemeente gelegen om naar aanleiding van deze gemotiveerde betwisting door CSC haar stelling nader te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Dat maakt dat zij haar stelling dat zij onverschuldigd heeft betaald ten opzichte van de betwisting door CSC onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij.
3.32.
De gemeente heeft ook haar subsidiaire grondslag, een toerekenbare tekortkoming, onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat CSC toerekenbaar is tekortgeschoten “in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming” is ten opzichte van de betwisting door CSC onvoldoende. Ook in zoverre heeft de gemeente niet aan haar stelplicht voldaan. Ook grief 5 slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
3.33.
Het hoger beroep van de gemeente slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het hof zal de gemeente als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
3.34.
CSC heeft verzocht de gemeente te veroordelen “in de (werkelijke) proceskosten”. Daarover overweegt het hof als volgt. Een vordering tot veroordeling in de volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de gemeente misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld zijn gesteld noch gebleken. CSC heeft bovendien niet gesteld wat haar werkelijke kosten zijn geweest. Het hof zal de proceskosten, ook die van CSC, daarom vaststellen conform het liquidatietarief.
3.35.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van CSC zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 6.561,00
Salaris advocaat € 8.856,00 (2 punten x tarief VI)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 15.595,00
3.36.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Kybys zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 6.561,00
Salaris advocaat € 4.426,00 (2 punten x tarief IV)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 11.165,00
3.37.
CSC heeft geen wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. De door Kybys gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
4.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep van CSC van € 15.595,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de gemeente niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
4.3.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep van Kybys van € 11.165,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de gemeente niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
4.4.
veroordeelt de gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van Kybys als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
4.5.
verklaart de veroordelingen onder 4.2., 4.3. en 4.4. uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, K.J.H. Hoofs en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.308/01
arrest van 2 december 2025
in de zaak van
de gemeente Voerendaal,
zetelend te Voerendaal,
appellante,
hierna aan te duiden als: de gemeente,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,
tegen
1C.S.C. Ceelen Sport Constructies B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna aan te duiden als: CSC,
advocaat: mr. L.M. Goeree te Zwolle,
2KYBYS B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna aan te duiden als: Kybys
advocaat: mr. F.R.A. Schaaf te Den Haag,
geïntimeerden,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 april 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de gemeente als eiseres en geïntimeerden als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/301473 / HA ZA 22-56)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties A1-A8 en eiswijziging;
de memorie van antwoord van CSC met productie 19;
de memorie van antwoord van Kybys tevens bezwaar tegen de vermeerdering van eis;
de bij H12-formulier van 4 juni 2025 door Kybys toegezonden producties 1 en 2, die Kybys bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
het H10-formulier van CSC met het verzoek de zaak te verwijzen naar de rol voor arrest.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
In overweging 2.1. tot en met 2.10. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep.
3.1.1.
Na door de gemeente gehouden aanbestedingen voor respectievelijk het ontwerpen en het realiseren van twee voetbalvelden bij VV Hellas te [plaats] (gemeente Voerendaal) heeft de gemeente twee overeenkomsten gesloten: met Kybys een overeenkomst van opdracht (advies) voor een bedrag van € 70.672,50 ex BTW en met CSC een overeenkomst van aanneming van werk voor een bedrag van € 1.077.700,00 ex BTW.
3.1.2.
Meer in het bijzonder omvat het project:
- het aanleggen van een ‘Wetraveld’ (wedstrijd en trainingsveld),
- het aanleggen van een kunstgras voetbalveld en
- het aanleggen van overige verbindende infrastructuren.
Hierbij wordt het (bestaande) hoofdveld omgebouwd naar een kunstgrasveld (hierna: veld 1) en wordt ter rechterzijde hiervan een nieuw veld gerealiseerd (hierna: het Wetraveld of veld 2).
3.1.3.
Voorafgaand aan deze aanbestedingen heeft de gemeente onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. (hierna: Sweco) opdracht gegeven tot het verrichten van een cultuurtechnisch onderzoek en een aanlegadvies met betrekking tot het sportpark. Op pagina 5 van 21 onder 2.1.2 (‘Stortplaats’) van de door Sweco opgemaakte adviesrapportage van
14 november 2016 staat onder meer:
“De voetbalvelden op het Sportpark De Schrub te [plaats] zijn aangelegd op een voormalige stortplaats. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de stortplaats vanaf 1949 in gebruik is geweest en in 1975 is gesloten. In de betreffende voormalige kalksteengroeve is volgens de beschikbare informatie huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval gestort.
Uit door de gemeente verstrekte informatie maken wij op dat er na de aanleg in 1980 met een zekere regelmaat, vooral ter plaatse van veld 2, herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. (…) Aangezien de natuurlijke ondergrond als niet zettingsgevoelig is te beschouwen (…) zijn de in het verleden opgetreden zettingen het gevolg van de ligging van de sportvelden op een voormalige stortplaats, waarin ook huisvuil is verwerkt.”
Op pagina 19 van 21 onder 4.5 (‘Afweging en advies’) staat:
“Naast de nodige ruimtelijke afwegingen en mogelijke beperkingen is het van belang om ook rekening te houden met de zettingsgevoeligheid van de ondergrond; het stortmateriaal. Een betrouwbare inschatting van de effecten op het stortmateriaal is echter niet te maken. Wel zijn er mogelijkheden om de invloed en de (mogelijke) effecten te beperken, maar het is niet mogelijk om de zettingsrisico’s tot nul te reduceren. Ter beperking van de risico’s wordt geadviseerd om een kunstgrasveld op basis van een evenwichtconstructie met bims of na een voorbelasting met circa 1,0 m zand op basis van aan standaardconstructie aan te leggen.”
3.1.4.
De werkzaamheden zijn gestart op 22 mei 2018. De oplevering van het werk heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Contactpersoon van de gemeente was de heer [naam 2] . Later is die rol overgenomen door mevrouw [naam 3] en heeft de gemeente [naam 2] als extern adviseur ingeschakeld.
3.1.5.
Op 3 december 2019 heeft de gemeente CSC en Kybys aansprakelijk gesteld, omdat de gemeente ernstige klachten heeft over de kwaliteit van het door CSC en Kybys geleverde werk. In die brief worden met een verwijzing naar een memo van [naam 2] verschillende termijnen gesteld voor de gestelde gebreken, binnen welke de betreffende gebreken moeten zijn hersteld. Op pagina 2 van de brief is onder meer gesteld:
“Op basis van deze constatering sommeert de gemeente Voerendaal u beiden hoofdelijk tot de volgende activiteiten:
1. (…)
2. (…)
3. Het herstellen van de gebreken binnen 15 werkdagen na vandaag. (…).”
Het betreffende memo is door [naam 2] in de hoedanigheid van externe deskundige opgesteld.
3.1.6.
Zowel CSC als Kybys hebben zich in de hierop uitvoerig met de gemeente gevoerde correspondentie op het standpunt gesteld niet aansprakelijk te zijn.
3.1.7.
Op 3 februari 2020 schrijft de gemeente in haar op 4 februari 2020 aan CSC en Kybys verzonden brief:
“De gemeente Voerendaal constateert in deze brief, dat u geen gevolg hebt gegeven aan de ingebrekestelling in onze brief van 3 december 2019. (…).
De gemeente zal dan ook opdracht geven aan een andere partij om de werkzaamheden uit te voeren.
CSC en Kybys worden, aldus voormelde brief, aansprakelijk gehouden voor de volledige
schade die de gemeente door toedoen van CSC en Kybys lijdt.
3.1.8.
Op 5 februari 2021 heeft Kragten B.V. (hierna: Kragten) in opdracht van de gemeente een rapport uitgebracht met als titel ‘Waterproblematiek Sportpark [naam 1] en als ondertitel: ‘Herstelplan: onderzoek, bevindingen en advies’.
3.1.9.
Op 13 april 2022 heeft Crawford & Company B.V. (hierna: Crawford) in opdracht van Kybys een rapport uitgebracht, waarin deze op pagina 1 stelt onderzoek te hebben gedaan naar de aard en omvang van
“deze kwestie, waarbij wij ons met name hebben gericht op hetgeen staat omschreven in de dagvaarding van de zijde van de gemeente voor zover dat verwijst naar het rapport van Kragten.”
3.1.10.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft bij besluit van
7 juli 2020 besloten te procederen tegen CSC en Kybys.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In deze procedure vorderde de gemeente in eerste aanleg dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt om aan de gemeente € 141.268,18 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2022 (de datum van dagvaarding) en te berekenen tot de dag der algehele voldoening;
2. CSC veroordeelt om aan de gemeente € 40.763,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2022 en te berekenen tot de dag der algehele voldoening;
3. CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft de gemeente, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat CSC en Kybys toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenissen, waardoor de gemeente een bedrag van € 141.268,18 aan schade heeft geleden. Ook stelt de gemeente dat zij een bedrag van € 40.763,75 onverschuldigd heeft betaald aan CSC.
3.2.3.
CSC en Kybys hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
3.2.4.
In het vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van de gemeente afgewezen en de gemeente in de proceskosten veroordeeld.
Het hoger beroep
3.3.
De gemeente heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij heeft bij memorie van grieven haar eis vermeerderd en deze tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verminderd. De gemeente heeft - samengevat - geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en gevorderd dat het hof:
- CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt om aan de gemeente een schadevergoeding gelijk aan het loon van Kybys van € 70.672,50 exclusief btw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC daarnaast veroordeelt om aan de gemeente het restantbedrag van de schade (€ 188.609,14 -/- € 70.672,50) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC veroordeelt om aan de gemeente een bedrag van € 40.763,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening;
- CSC en Kybys hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten van beide instanties.
De wijziging van eis
3.4.
Kybys heeft bezwaar tegen de vermeerdering van eis in de memorie van grieven gemaakt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat:
- de eiswijziging niet op de in het procesreglement voorgeschreven wijze in de titel van het processtuk van de gemeente is aangekondigd,
- de gemeente de gelegenheid heeft gehad om de onderbouwing van haar vordering al in eerste aanleg in het geding te brengen en dat Kybys door deze gang van zaken nodeloos een ronde in het schriftelijk debat verliest en
- wat er aan werkzaamheden is uitgevoerd zich nog steeds aan een beoordeling onttrekt.
3.5.
Het hof wijst het bezwaar van Kybys af. Uit het feit dat Kybys bezwaar heeft gemaakt blijkt dat zij heeft onderkend dat de gemeente haar eis heeft vermeerderd. Zonder nadere toelichting, die door Kybys niet is gegeven, valt niet in te zien hoe zij door het niet vermelden van de eiswijziging in de kop van de memorie van grieven in haar processuele belangen is geschaad. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich mee dat de gemeente in hoger beroep stukken die ook al ten tijde van de procedure in eerste aanleg beschikbaar waren, alsnog in het geding mag brengen (en haar eis op grond daarvan mag wijzigen). Het derde element van het bezwaar is niet tegen de eiswijziging als zodanig gericht, maar betreft een inhoudelijk verweer. Ook dat leidt dus niet tot gegrondverklaring van het bezwaar.
Het hof acht de vermeerdering van eis ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde. Het hof staat deze toe en zal recht doen op de bij memorie van grieven vermeerderde, en voorts ter zitting verminderde eis, zoals hiervoor in rov. 3.3. weergegeven.
Grief 2 en grief 3
3.6.
Het hof zal eerst de grieven 2 en 3 gezamenlijk behandelen en die voor een goed begrip hieronder (met weglating van de alineanummering) citeren.
Grief 2 luidt:
“De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.2. dat op de Gemeente de stel- en bewijslast rust. De Gemeente zou er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat CSC en KYBYS toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen. De Rechtbank stelt dat de deskundige van de zijde van KYBYS (Crawford) erop zou hebben gewezen dat Kragten onvoldoende rekening heeft gehouden met de geldende wettelijke normen. De Rechtbank betrekt in zijn overweging niet de contractuele verplichtingen van partijen.
De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.3. dat op de weg van de Gemeente had gelegen om nader in te gaan op hetgeen CSC en KYBYS hebben ingebracht in verband met de betwisting van de stelling dat zij zouden tekort geschoten. Onvoldoende zou zijn komen vast te staan dat CSC het werk niet goed heeft uitgevoerd en KYBYS daarbij onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend.”
Grief 3 luidt:
“De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen in rechtsoverweging 4.4.2. dat op de Gemeente de stel- en bewijslast rust.”
3.7.
In de toelichting op de grieven voert de gemeente, kort samengevat, aan dat door partijen is overeengekomen om het plan uit te voeren conform het ontwerp en bestek van Kybys. Niet meer, niet minder, aldus de gemeente. Indien van dat ontwerp en bestek is afgeweken in overeenstemming met de gemeente, dan is er sprake van meer- of minderwerk. Is er geen overeenstemming met de gemeente, dan is sprake van tekortschieten in de nakoming van contractuele afspraken. CSC blijkt zich, aldus de gemeente, niet geconformeerd te hebben aan posten die de gemeente in het bestek heeft opgenomen om wateroverlast en verzakkingen te voorkomen, te weten: (i) de aanleghoogte van het riool, (ii) de aanleghoogtes van de drains, (iii) de hellingshoek van het riool, (iv) de hoeveelheid ontluchtingsdeksels, (v) het voorgeschreven riooltracé, (vi) de materialen voor verbindingen, (vii) de diameters van de verbindingen, (viii) de materiaalsoorten en (ix) de overstortput. Dat risico – dat de gemeente door het opnemen van deze posten in het bestek beoogde te voorkomen – is opgetreden. Daarom is primair de omkeringsregel van toepassing. De omkeringsregel impliceert dat - indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt daarmee – het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan, aldus nog steeds de gemeente. Subsidiair beroept de gemeente zich erop dat het condicio sine qua non verband op grond van feitelijke vermoedens kan worden aangenomen. De aangesprokene kan eventueel tegenbewijs leveren, waarbij de rechter in bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding kan vinden om te oordelen dat op de wederpartij van de benadeelde een verzwaarde motiveringsplicht rust.
3.8.
Volgens CSC rust op de gemeente als degene die zich beroept op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst de bewijslast van haar stellingen. Zij betoogt dat de gemeente ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd wat de gebreken zijn die zij CSC verwijt en waar dit uit zou volgen.
3.9.
Ook Kybys betoogt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feitelijke grondslag van de vordering rusten op de gemeente. Ook in hoger beroep heeft volgens haar te gelden dat de gemeente onvoldoende heeft gesteld om een tekortkoming aan te nemen c.q. onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer namens Kybys en het rapport van Crawford.
3.10.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente stelt dat CSC en Kybys toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenissen en dat zij daardoor schade heeft geleden. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv heeft de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de gemeente, als de partij die zich beroept op rechtsgevolgen (de verplichting tot schadevergoeding) van door haar gestelde feiten of rechten (de gebreken en de toerekenbare tekortkoming), daarvan de stelplicht en bewijslast heeft. In zoverre slagen de grieven niet.
3.11.
Ook het beroep van de gemeente op de zogenoemde omkeringsregel slaagt niet.
De omkeringsregel strekt er volgens vaste rechtspraak toe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264). Aan beoordeling van het bestaan van causaal verband tussen de gestelde schade en de tekortkoming komt het hof pas toe als komt vast te staan dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van CSC en/of Kybys. Uit het oordeel van het hof in rov. 3.21. hierna volgt dat daarvan geen sprake is. De gemeente zou bovendien hebben moeten stellen welk specifiek gevaar zij met het opnemen van de hiervoor in rov. 3.7. onder i tot en met ix opgesomde voorwaarden in het bestek wilde voorkomen; “wateroverlast en verzakkingen” is daarvoor te algemeen, nog daargelaten dat CSC en Kybys gemotiveerd hebben betwist dat dat gevaar zich heeft verwezenlijkt.
3.12.
Ook het beroep op de mogelijkheid van een voorshands bewijsoordeel over het condicio sine qua non verband faalt. De tekortkoming aan de zijde van CSC en Kybys komt zoals hiervoor in 3.11. overwogen niet vast te staan, zodat het hof aan een beoordeling van het causaal verband met de gestelde schade in het geheel niet toekomt.
De grieven 2 en 3 slagen niet.
Kan met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv een toerekenbare tekortkoming van CSC en/of Kybys worden vastgesteld? Grief 1 en grief 4
3.13.
Met grief 1 klaagt de gemeente dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, kort samengevat, het rapport van Kragten zonder inbreng van CSC en Kybys tot stand is gekomen, zodat relevante informatie en input van CSC en Kybys aan Kragten is onthouden. Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat CSC en Kybys niet in verzuim zijn geraakt.
3.14.
Vooruitlopend op de devolutieve werking van het hoger beroep die bij gegrondbevinding van de grieven 1 en/of 4 van de gemeente aan de orde zou komen, zal het hof nu eerst beoordelen of – nu de grieven 2 en 3 falen – met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv kan worden vastgesteld dat CSC en/of Kybys toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van een uit hun overeenkomst met de gemeente voortvloeiende verbintenis. Indien het antwoord op die vraag ontkennend luidt, heeft de gemeente geen belang meer bij de grieven, omdat die dan niet meer tot de beoogde toewijzing van haar vorderingen kunnen leiden.
3.15.
In het inleidende gedeelte van de memorie van grieven voert de gemeente, onder overlegging van een e-mail van CSC en een rapportage van 7 januari 2019 van een in opdracht van CSC verricht camera-onderzoek door Pipe Vision, aan, dat uit eigen onderzoek van CSC ook blijkt dat het riool slordig en met de nodige gebreken is aangelegd. CSC heeft volgens de gemeente erkend dat er sprake was/is van een probleem: “Wij verwachten eerder dat de problemen (niet functioneren) ontstaan zijn door een niet passend ontwerp (vuilstort en niveau verschillen).” Dat staat volgens de gemeente dus vast. De gemeente somt vervolgens ook in hoger beroep de in het rapport van Kragten vermelde gebreken op die zij ook in eerste aanleg heeft gesteld (en die de rechtbank in het vonnis heeft weergegeven onder 4.3.1.), te weten dat:
- een aantal leidingen niet op het ontwerptracé gesitueerd zijn;
- een extra leiding is aangebracht;
- er andere materialen zijn gebruikt dan voorgeschreven in het bestek;
- een aantal voorzieningen niet is aangebracht;
- er vier verschillende straatkopkolken zijn toegepast waarvan er vier niet zijn voorzien van
de voorgeschreven ontluchtingsgaten;
- ook de verzamelput niet is aangebracht;
- is vastgesteld dat er een instabiele niet draagkrachtige sportvloer ontstaat met slechte
groeiomstandigheden voor de grasvegetatie;
- het drainagewater niet afgevoerd kan worden als gevolg van de uitvoering van het ontwerp.
Ook herhaalt de gemeente haar stelling dat het werk gebreken vertoonde waar [naam 2] CSC op heeft gewezen (en die door de rechtbank zijn vermeld in het vonnis onder 4.3.3.):
- het riool ligt op tegenschot (van 111.71 naar 111.73 + NAP);
- er ontbreken diverse ontluchtingsdeksels (zoals vereist in het bestek);
- er is afgeweken van het voorgeschreven riooltracé;
- er is een ander soort verbinding gerealiseerd tussen het riool bij het kunstgrasveld en het
oefenveld;
- er is met afwijkende materiaalsoorten gewerkt;
- de lijngoot ter hoogte van het oefenveld is middels een rioolbuis aangesloten op de put,
welke aansluiting op tegenschot is aangelegd;
- het riool bevat deformaties en is voorzien van een kleinere - lees: afwijkende - buisdiameter.
3.16.
Het tekortschieten van Kybys heeft volgens de gemeente met name betrekking op het houden van toezicht en niet op het ontwerp.
3.17.
De gemeente legt bij memorie van grieven ook een aantal andere producties over, waaronder een adviesrapport van Het Gegevenshuis. Dat rapport heeft drie bijlagen, waaronder een inspectierapport van Van der Velden Rioleringsbeheer van 19 november 2019. Daaruit blijkt volgens de gemeente het volgende.
a. Bij het riool gelegen aan de kop van het WETRA- veld is een hoogste BovenkantOnderkantBuis gemeten van 111.31+NAP (een afwijking van 230 mm). Het
aanlegniveau van de drains varieert van 111.27 tot 111.31+NAP (conform overeenkomst).
Het riool richting de buffer is dus 230 mm hoger aangelegd dan hetgeen was
overeengekomen;
b. Het gevolg hiervan is dat het drainagesysteem zich grotendeels vult met afstromend
hemelwater in plaats van het afstromen van dit overtollig water in het buffer-. De
aanleghoogte van de drains is namelijk lager dan de afvoerbuis naar de buffer;
c. Het riool (streng A-B) gelegen aan de kop van het kunstgrasveld ligt met tegenschot (van
111.71 naar 111.73+NAP);
d. Diverse ontluchtingsdeksels ontbreken in het plan;
e. CSC is afgeweken van het voorgeschreven riooltracé;
f. De voorgeschreven verbinding is niet gerealiseerd tussen het riool gelegen nabij het
kunstgrasveld en het riool nabij het oefenveld (streng C-D). Vereist was een verbinding
middels de lijngoot. Gerealiseerd is echter een verbinding middels een rioolbuis die
vernauwd is naar een rond 125 mm;
g. De voorgeschreven materiaalsoorten zijn niet verwerkt. Vereist is een kunststof van
polypropeen. Deze kunststof is beter bestand tegen vervorming. Het gebruik van ander
soorten kunststof materialen is niet gewenst vanwege vaak de geringe dekkingen onder
het maaiveld;
h. De lijngoot ter hoogte van het oefenveld is met een rioolbuis aangesloten op put D. Deze
aansluiting is met tegenschot aangelegd;
i. Het riool tussen put H en het riool gelegen op de kop van het WETRA- veld bevat
anderzijds deformaties;
j. Het riool gelegen aan de kop van het WETRA- veld heeft een kleinere buisdiameter (300
mm) dan voorgeschreven (rond 315mm);
k. Het riool op de kop van het WETRA-veld naar de buffer bevat geen overstortput en is
gebrekkig (getrokken buis, gaten).
Voorts legt de gemeente een e-mail van CSC over, een document ‘kosten van herstel’, een ontwerp en een aangepast ontwerp van Kybys, alsmede een notitie van Kybys.
3.18.
CSC betwist dat de gestelde gebreken blijken uit het inspectierapport van Van der Velden of uit de camera-inspectie (naar het hof begrijpt: de camera-inspectie door Pipe Vision). Volgens haar komen de opgesomde gebreken uit de koker van [naam 2] . CSC merkt op dat de gemeente niet kan volstaan met het enkel overleggen van producties. Zij dient concreet te verwijzen naar de betreffende passages uit producties. Het is niet aan CSC om als een speurhond door de producties te gaan om daaruit de gestelde gebreken te filteren.
3.19.
Kybys betwist onder verwijzing naar haar verweer in eerste aanleg en het door haar daarbij overgelegde rapport van Crawford dat de klachten van de gemeente terecht zijn. Ook Kybys klaagt erover dat de gemeente bij de memorie van grieven producties heeft gevoegd, maar dat de toelichting op en specifieke verwijzing naar die producties ontbreekt of summier is, zodat voor Kybys onduidelijk is waartegen zij zich precies moet verweren.
3.20.
Het hof oordeelt als volgt. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen met zich mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404).
3.21.
De gemeente heeft in hoger beroep de hiervoor onder 3.17. genoemde stukken in het geding gebracht, die samen ruim driehonderd pagina’s beslaan. Zij heeft echter niet althans in onvoldoende mate aangeduid uit welke passage van welke productie de gebreken die zij stelt kunnen blijken. Dat is in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. CSC en Kybys klagen daar terecht over. Voorts is onduidelijk of de gemeente met beide opsommingen (als verwoord in rov. 3.15. en 3.17.) beoogt te stellen dat al hetgeen daarin is opgenomen als gebrek dient te worden aangemerkt. Dat volgens Van der Velden Rioleringsbeheer respectievelijk Kragten sprake is van een gebrek wil, als dat komt vast te staan, niet zonder meer zeggen dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door CSC en/of Kybys. Welke in de opsommingen opgenomen (beweerdelijke) gebreken zijn vervolgens aan te merken als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten? En wie en waarom is volgens de gemeente dan, ten aanzien van dat specifieke gebrek, tekortgeschoten: CSC en/of Kybys? Zeker (en mede) in het licht van de door de gemeente, naar het hof begrijpt, ingenomen stelling dat het ontwerp van Kybis geen gebreken vertoont, had van de gemeente hieromtrent een nadere onderbouwing verwacht mogen worden.
De gemeente heeft aldus ook in hoger beroep haar stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door CSC en Kybys, onvoldoende onderbouwd. Het hof kan daarom niet vaststellen dat er sprake is van gebreken en van een toerekenbare tekortkoming van CSC en/of Kybys. De vorderingen van de gemeente stuiten daarop af. Het hof komt niet toe aan een bewijsopdracht. Daarmee behoeven de grieven 1 en 4 geen bespreking meer.
Ten overvloede
3.22.
Het hof overweegt ten overvloede nog het volgende.
3.23.
De gemeente heeft gesteld dat de kosten van herstel € 188.609,14 exclusief btw groot zijn. Naar het hof begrijpt vordert de gemeente dat bedrag als schadevergoeding.
3.24.
CSC betwist de hoogte van de schade. De gemeente heeft dat volgens haar onvoldoende onderbouwd en het is niet aan haar om uit de betreffende productie (die is opgeknipt in 8 sub-producties) alle vermeende schadeposten te destilleren. Volgens haar zien de kosten niet op herstelwerkzaamheden, maar op verbeteringen van het Wetraveld. Kybys betwist dat de kosten met betrekking tot het veld kwalificeren als schade. Volgens Kybys onttrekt zich nog steeds aan een beoordeling wat er aan werkzaamheden is uitgevoerd, mede omdat de in de betreffende productie genoemde stukken die een verdere onderbouwing van de vordering zouden moeten opleveren, ontbreken. Voorts beroept Kybys zich op eigen schuld van de gemeente.
3.25.
Ook het verweer tegen de gestelde schade slaagt. De gemeente heeft ten opzichte van de gemotiveerde betwisting door CSC en Kybys niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld dat de werkzaamheden waarvoor zij stelt € 188.609,14 exclusief btw te hebben betaald, nodig waren voor herstel van schade die het gevolg is van aan CSC en/of Kybys toerekenbare tekortkomingen. De gemeente heeft in onvoldoende mate duidelijk gemaakt uit welk deel c.q. welke delen van de door haar overgelegde lijvige productie dat zou blijken. Dat is in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Aan het eigen schuldverweer van Kybys komt het hof niet toe. Dat geldt ook voor het verweer van Kybys dat de gemeente niet heeft onderbouwd dat de schade waarvan zij vergoeding vordert het gevolg is van het gebrek aan toezicht dat de gemeente Kybys verwijt - en dat Kybys betwist.
3.26.
Kybys heeft zich ter afwering van aansprakelijkheid beroepen op de vervaltermijn van artikel 16 van de DNR 2011-2013: indien de opdrachtgever een termijn heeft gesteld om de tekortkomingen weg te nemen gaat de vervaltermijn van twee jaar lopen na het verstrijken van deze hersteltermijn. In de brief van 3 december 2019 geeft de gemeente vijftien werkdagen om de gebreken te herstellen. Vijftien werkdagen na 3 december is 27 december 2019. Vanaf dat moment gaat de termijn van twee jaar lopen, zodat de rechtsvordering uiterlijk op 27 december 2021 had moeten zijn ingesteld. Dat is niet het geval waardoor deze niet ontvankelijk is, aldus Kybys.
3.27.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente heeft in eerste aanleg en in haar memorie van grieven de toepasselijkheid van de DNR betwist, maar dat verweer heeft zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof prijsgegeven. De gemeente heeft onvoldoende betwist dat de vervaltermijn op 27 december 2021 is verstreken. Het beroep daarop van Kybys slaagt dus. Ook daarop stuit de vordering van de gemeente tegen Kybys af.
Grief 5
3.28.
Met haar vijfde grief klaagt de gemeente over het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de gemeente tot betaling van CSC van een bedrag van € 40.763,75 ten titel van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.
3.29.
De gemeente stelt zich primair op het standpunt dat zij voor een som van € 40.763,75 aan termijnen te veel heeft betaald. Aan de betaling ligt geen overeenkomst ten grondslag. De gemeente verwijst naar haar productie 19 in eerste aanleg, een eindafrekening van haar hand. CSC heeft voor een som van € 1.075.504,16 exclusief btw aan termijnen ingediend. De gemeente heeft een som van € 1.116.267,91 aan termijnen voldaan. Het surplus (een som van € 40.763,75) is onverschuldigd betaald. Dat bedrag heeft betrekking op herstel (meerwerk) dat CSC op locatie heeft uitgevoerd. De gemeente heeft dat bedrag voorgeschoten. De CAR-verzekeraar van CSC heeft voor dat bedrag dekking verleend, maar CSC laat na het bedrag aan de gemeente terug te betalen, aldus nog steeds de gemeente. Indien en voor zover er wel sprake zou zijn van een rechtsgrond, dan is CSC toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming. Bij brief van 15 september 2020 is CSC verzocht voornoemde som terug te betalen. Aan dat verzoek is geen gevolg gegeven, aldus de gemeente.
3.30.
CSC betwist dat de berekening van de gemeente die sluit op een bedrag aan te veel betaalde termijnen van € 40.763,75 juist is. De door de gemeente overgelegde door haarzelf gefabriceerde eindafrekening is niet nader onderbouwd en daarom onnavolgbaar. Uit CSC’s bij haar conclusie van antwoord overgelegde conceptfactuur voor termijn 6 volgt dat het door de gemeente als onverschuldigd betaald teruggevorderde bedrag van € 40.582,66 (hof: als negatieve post) verdisconteerd zit in de gefactureerde werkzaamheden en dus in de aanneemsom. In zoverre is dus wel een rechtsgrondslag aanwezig en van een onverschuldigde betaling is geen sprake. De subsidiair gestelde tekortkoming is op geen enkele manier onderbouwd. Kennelijk heeft de gemeente een voorzetje van de rechtbank in het vonnis gevolgd: die overwoog dat als partijen in de context van de aannemingsovereenkomst nadere afspraken hebben gemaakt, de gemeente dan nakoming van die afspraak had moeten vragen. De gemeente specificeert niet om welke tekortkoming het gaat, licht niet toe waarom er verzuim is en ook het causale verband ontbreekt, aldus CSC.
3.31.
Het hof oordeelt als volgt. De gemeente heeft niet betwist dat zij de conceptfactuur voor termijn 6 zoals door CSC overgelegd heeft ontvangen. Uit pagina 15 van die conceptfactuur blijkt dat CSC een negatieve post van € 40.582,66 heeft opgenomen met als omschrijving “Uitkering verzekering conform afspraak”. Dat bedrag heeft CSC aldus op het bedrag dat zij nog van de gemeente te vorderen had in mindering gebracht. Daarmee heeft CSC gemotiveerd betwist dat de gemeente nog een vordering op haar heeft ter zake van herstel (meerwerk) waarvoor de CAR-verzekering dekking zou verlenen. Het had op de weg van de gemeente gelegen om naar aanleiding van deze gemotiveerde betwisting door CSC haar stelling nader te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Dat maakt dat zij haar stelling dat zij onverschuldigd heeft betaald ten opzichte van de betwisting door CSC onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij.
3.32.
De gemeente heeft ook haar subsidiaire grondslag, een toerekenbare tekortkoming, onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat CSC toerekenbaar is tekortgeschoten “in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming” is ten opzichte van de betwisting door CSC onvoldoende. Ook in zoverre heeft de gemeente niet aan haar stelplicht voldaan. Ook grief 5 slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
3.33.
Het hoger beroep van de gemeente slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het hof zal de gemeente als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
3.34.
CSC heeft verzocht de gemeente te veroordelen “in de (werkelijke) proceskosten”. Daarover overweegt het hof als volgt. Een vordering tot veroordeling in de volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de gemeente misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld zijn gesteld noch gebleken. CSC heeft bovendien niet gesteld wat haar werkelijke kosten zijn geweest. Het hof zal de proceskosten, ook die van CSC, daarom vaststellen conform het liquidatietarief.
3.35.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van CSC zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 6.561,00
Salaris advocaat € 8.856,00 (2 punten x tarief VI)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 15.595,00
3.36.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Kybys zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 6.561,00
Salaris advocaat € 4.426,00 (2 punten x tarief IV)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 11.165,00
3.37.
CSC heeft geen wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. De door Kybys gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
4.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep van CSC van € 15.595,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de gemeente niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
4.3.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep van Kybys van € 11.165,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de gemeente niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
4.4.
veroordeelt de gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van Kybys als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
4.5.
verklaart de veroordelingen onder 4.2., 4.3. en 4.4. uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, K.J.H. Hoofs en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.
griffier rolraadsheer