Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3362

2025-11-25 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.345.999_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-25
Publicatiedatum
2025-11-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.345.999_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1275; AR-Updates.nl 2026-1275; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/270; JAR 2026/234

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Partijen hadden de intentie om na het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, een nieuwe overeenkomst te sluiten voor één jaar. De werknemer heeft de voorwaarden ten onrechte ter discussie gesteld. Er is geen wilsovereenstemming over een nieuwe overeenkomst. Er is ook geen stilzwijgende voortzetting. Geen onrechtmatig afbreken van onderhandelingen. Hoger beroep van https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5502

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.451 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.345.999/01




arrest van 25 november 2025




in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. N. der Kinderen te 's-Hertogenbosch,



tegen




Albert Heijn B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Albert Heijn,
advocaat: mr. D.E.J. van Wijk te Amsterdam,



op het bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 juni 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en Albert Heijn als gedaagde.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10721236 \ CV EXPL 23-3891)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 13 december 2023.






2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord;


de op 23 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.





2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.







3De beoordeling



Samenvatting




3.1.

[appellant] was in dienst van Albert Heijn. Uit de toepasselijke cao volgde dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. [appellant] heeft ruimschoots voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd gevraagd of hij nog een jaar kon blijven werken. Albert Heijn stond daar positief tegenover. Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd stilzwijgend is voortgezet en/of er een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter vond dat dit niet het geval was. Het hoger beroep van [appellant] tegen dat oordeel slaagt niet om de hierna weer te geven redenen. Het hof volgt [appellant] evenmin in zijn standpunt dat Albert Heijn de onderhandelingen niet mocht afbreken.



Feiten





3.2.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.


3.2.1.

[appellant] is op 18 februari 2001 bij de rechtsvoorgangster van Albert Heijn in dienst getreden. [appellant] heeft vervolgens op 19 april 2005 met Albert Heijn een arbeidsovereenkomst gesloten. [appellant] was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker in het Distributiecentrum [A] voor 96 uur per periode van vier weken, tegen een salaris van € 16,46 bruto per uur, te vermeerderen met vakantiebijslag, ploegentoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het personeel van de Distributie-organisatie van Albert Heijn van toepassing verklaard (hierna: de cao).



3.2.2.

In artikel 1.5 van de cao is bepaald:

“Het dienstverband eindigt van rechtswege bij het aanbreken van de AOW-gerechtigde leeftijd van de medewerker”.





3.2.3.

[appellant] heeft per e-mail van 25 oktober 2021 aan zijn teamleidster, [persoon A] , verzocht om een jaar langer bij Albert Heijn te mogen blijven werken (met hetzelfde rooster en op dezelfde arbeidsvoorwaarden).



3.2.4.

Na dit verzoek heeft Albert Heijn op 14 februari 2022 een memo opgesteld voor de Ondernemingsraad, waarin de voorwaarden zijn benoemd voor doorwerken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De voorwaarden luiden als volgt:

“• Een medewerker die na het bereiken van de AOW leeftijd, in aanmerking wil komen voor een nieuwe arbeidsovereenkomst, dient dit 3 maanden voor het bereiken van de AOW-leeftijd, kenbaar te maken bij zijn leidinggevende.


• Goedkeuring voor het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gegeven door de verantwoordelijke voor Logistiek (op dit moment de VP Logistiek).


• Een nieuwe arbeidsovereenkomst kan alleen aansluitend aan de oude overeenkomst worden gesloten.


• Een medewerker komt alleen in aanmerking voor een nieuw dienstverband, wanneer er sprake is van een normale historie ten aanzien van ziekteverzuim.


• Een nieuw dienstverband zal alleen worden afgesloten in de vorm van bepaalde tijd, te weten 1 jaar.


• Een nieuw dienstverband zal worden afgesloten voor maximaal 96 uur. Een medewerker komt daarmee expliciet niet in aanmerking voor RSD conform artikel 7.3 van de cao Logistiek.”.





3.2.5.
Op 25 maart 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , [persoon A] en operationeel manager, [persoon B] . In dit gesprek is de wens van [appellant] besproken om na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd nog een jaar bij Albert Heijn te blijven werken.



3.2.6.


[appellant] heeft per e-mail van 19 april 2022 bij [persoon A] geïnformeerd wat de status is van zijn (concept) verlengingscontract en dat het hem handig lijkt dat hij eerst even naar het contract kijkt voordat het wordt gestuurd naar de VP Logistiek. [persoon A] heeft per e-mail van 2 mei 2022 aan [appellant] bericht dat zijn nieuwe contract is aangevraagd. [appellant] heeft hierop per e-mail van 8 mei 2022 – voor zover van belang – als volgt gereageerd:

“Fijn dat je mijn contract hebt aangevraagd. Betekent dat ook dat je duidelijkheid hebt kunnen krijgen over het al dan niet doorlopen van mijn PTN? Bij gebrek aan een uitspraak daarover in de van toepassing zijnde doorwerk-voorwaarden zou je kunnen stellen dat de PTN behouden blijft, omdat ik onder de CAO blijf vallen.”.


[persoon A] heeft hierop per e-mail van gelijke datum als volgt geantwoord:

“Aangezien je een nieuw contract krijgt, behoud je hierbij geen oude rechten. Wel heb je natuurlijk recht op een bepaald percentage toeslag, omdat je op zaterdag werkt”.


[appellant] heeft hierop per e-mail van 10 mei 2022 als volgt gereageerd:

“ [persoon A] , jouw redenering is zeker interessant, maar men zou ook kunnen stellen dat hier sprake is van de algemene AH regeling Doorwerken na het pensioen, waardoor de CAO einddatum van het reguliere contract met een jaar wordt uitgesteld en er dus geen sprake is van een nieuw contract. Op basis van die gedachte zijn dan nog wel wettelijke wijzigingen (…) van toepassing en kunnen dan aan de pensioendatum gebonden gebeurtenissen worden afgewikkeld, maar blijven oude rechten behouden.”.





3.2.7.

Tijdens een gesprek op 21 mei 2022 is aan [appellant] bevestigd dat hij na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd nog 1 jaar mag blijven werken bij Albert Heijn. In het gesprek van 21 mei 2022 is door Albert Heijn aangegeven dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden gesloten. In een mail van 22 mei 2022 heeft [appellant] aan [persoon A] geschreven:

“(…) Het komt erop neer dat zowel de keuze voor een verlenging van de bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als de keuze voor een navolgend contract van bepaalde tijd beide voorkomen. Wat de juiste keuze is hangt af van de bedoelingen van de initiator. Dat is hier de OR ( [persoon C] …). [persoon B] stelde ook al voor om dit bij hem neer te leggen, dus dat komt goed uit en dan zitten we op een lijn. (…)”.


[persoon A] heeft met een e-mail van 23 mei 2022 geantwoord:

“(…) Ik hoor graag van je wat uit het gesprek met [persoon C] komt. (…)


Voor wat betreft de andere vragen:


• Wij hebben inmiddels mondeling al besproken dat jij 1 jaar langer mag blijven na jouw AOW-gerechtigde leeftijd


• Genpact zorgt normaal inderdaad niet op die manier voor de contracten, maar in dit uitzonderlijke geval wel. (…)”.





3.2.8.


[persoon A] heeft, tijdens een vakantie van [appellant] , op 1 juli 2022 het volgende aan [appellant] bericht gemaild:

“(…) Om een nieuw contract te kunnen maken, dien jij eerst uitgeschreven te worden met reden “pensioen”, echter is dit nu niet mogelijk, omdat jij de papieren nog niet retour hebt gestuurd naar het Ahold Delhaize pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft jou deze papieren in Februari al toegestuurd en vervolgens op 8 juni nog eens. Zolang jij deze papieren niet invult en retour stuurt, kan ik jou niet uitschrijven en kan er dus ook nog geen nieuw contract gegenereerd worden. Ik verzoek je dan ook om zo snel mogelijk contact met mij op te nemen.”.

en op 13 juli 2022:

“(..) Zoals ik in mijn vorige mail al aangaf, kunnen wij geen nieuw contract voor jou maken, zolang jij de papieren niet getekend retour hebt gestuurd naar het Ahold Delhaize Pensioenfonds. We hebben hier met allerlei afdelingen bij elkaar bekeken of en hoe we dit op een andere manier kunnen oplossen, maar dat is niet te doen. Voor jou betekent dit concreet
dat jij
niet
mag komen werken
, tot het contract in orde en getekend is. (…)”.





3.2.9.

[appellant] heeft op 17 juli 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.



3.2.10.


[appellant] heeft met een e-mail van 19 juli 2022 (na terugkomst van vakantie) als volgt gereageerd:

“(…) Ik was op vakantie (…)


De papieren voor het AH Pf betreffen het volledig stoppen met werken en het starten van pensioen uitkeringen. Deze papieren zijn voor mij nog niet van toepassing en hebben geen relatie met mijn contract. Andere papieren van het Pf heb ik niet. Omdat eventuele pensioen uitkeringen nu met ruim 80% zouden worden belast en ik dat iets te veel vind, heb ik over uitstel overlegd met verschillende medewerkers van het AH Pf. Wij hebben in maart j.l. al samen afgesproken dat ik de papieren pas opstuur als deze wel van toepassing zijn. Concreet betekent dit dat mijn pensioen pas in de volgende belastingjaren zal worden belast tegen een veel lager percentage. Daar is correspondentie over.


Ondertussen is mijn AOW-datum gepasseerd. Omdat AH nog geen apart doorwerkcontract heeft aangeboden, maar jij en [persoon B] wel hebben laten weten dat ik 1 jaar langer mag werken, betekent dit dat mijn oude contract nu doorloopt en ik op basis daarvan gewoon kan komen werken. Bovendien heeft onze VP Logistics bepaalt in haar voorwaarden dat het doorwerken naadloos moet aansluiten. Donderdag niet komen is dus geen optie.(..) Je hoeft dus geen nieuw contract meer aan te vragen. (…)”.





3.2.11.

[appellant] is op 21 juli 2022 op het werk verschenen, waarna de dienstdoende teamleider hem direct naar huis heeft gestuurd.



3.2.12.


[persoon B] heeft op 22 juli 2022 gemaild:

“Hieronder de reactie vanuit HR (…) waarin zij bevestigt dat je een nieuw contract krijgt met ingangsdatum 18 juli 2022. Dit kan pas worden opgesteld als jouw ondertekende aanvraag is ingediend bij het pensioenfonds. Tot die tijd mag je niet werken ivm verzekering.


Dus graag vandaag actie vanuit jou om eea af te werken bij het pensioenfonds. Kun jij ons bevestigen wanneer jij de ondertekende formulieren hebt ingediend, zodat wij dit kunnen volgen en eventueel kunnen bespoedigen.”.





3.2.13.

Op 28 juli 2022 heeft er tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. Albert Heijn heeft bij brief van gelijke datum aan [appellant] bevestigd dat er geen sprake meer is van een dienstverband bij Albert Heijn en dat het dienstverband is geëindigd op zijn AOW-gerechtigde leeftijd. Tevens heeft Albert Heijn in deze brief aan [appellant] medegedeeld dat zij pas een nieuwe arbeidsovereenkomst kan opmaken nadat zij een bevestiging van het pensioenfonds heeft ontvangen dat [appellant] de betreffende pensioenpapieren ondertekend retour heeft gezonden. Ook is in deze brief vermeld dat [appellant] niet mag werken totdat hij een nieuw contract heeft getekend en dat de uren vanaf 21 juli 2022 tot uiterlijk week 31 van 2022 uit coulance zullen worden betaald, waarbij is benadrukt dat er geen sprake is van daadwerkelijk boeken van BDC-uren omdat er geen dienstverband is.

[appellant] heeft hierop per e-mail van gelijke datum gereageerd en laten weten dat hij op 17 december 2023 met pensioen zal gaan en dat Albert Heijn geen partij is in de uitbetalingen van het pensioenfonds aan hem.




3.2.14.
Albert Heijn heeft bij brief van 5 augustus 2022 aan [appellant] bericht dat zijn dienstverband met ingang van 17 juli 2022 eindigt en informatie verstrekt over arbeidsvoorwaarden die gelden bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft hierop per e-mail van 6 augustus 2022 gereageerd en onder andere vermeld dat het Ahold Pensioenfonds aan hem heeft bevestigd dat hij het formulier nog niet hoeft in te leveren en dat zijn pensioen later zal ingaan.



3.2.15.

Op 9 augustus 2022 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden.
Op 12 augustus 2022 heeft [persoon D] (sitemanager) aan [appellant] gemaild:

“(…) In het gesprek heb ik aangegeven dat je gebruik kunt maken van het aanbod om met een nieuw BT contract van een jaar te kunnen starten in DC [A] . Je geeft aan dat je geen gebruik wilt maken van dit aanbod (nieuw BT contract voor 1 jaar) om je werkzaamheden voort te zetten. (…)”.


[appellant] heeft met een e-mail diezelfde dag als volgt gereageerd:

“(..)Persoonlijk ben ik nog even van mening dat mijn dienstverband van voor mijn AOW datum (bij gebrek aan een nieuw contract) doorloopt en dat ik daarom gewoon kan komen werken voor mijn salaris. Als je met een nieuw contract komt, dat een naadloze en ongewijzigde voortzetting is van mijn oude contract, dan is er wat mij betreft geen bezwaar om dit te tekenen, mits dit niet leidt tot problemen met het AH Pensioenfonds, dus dat zou expliciet vermeld moeten worden op het nieuwe contract. Jouw bewering dat ik niet wil doorwerken is dus onjuist.


(..) Het tijdelijk reserveren van iemands pensioen mag niet van de belastingdienst en is dus ook niet rechtmatig. Uitstellen mag wel en zou kunnen op basis van artikel 19 sub 15 en 16 van het AH Pensioenreglement. Het pensioenfonds heeft aangegeven dat een beroep op artikel 19 procedureel alleen kan worden gedaan door een van de ondertekenaars van het reglement. Voor mij zou dat de Centrale OR zijn. Ik heb gevraagd of zij dit voor mij willen doen. (…)”.





3.2.16.
Partijen hebben nadien nog op 25 en 26 augustus 2022 (e-mailcorrespondentie tussen [appellant] en [persoon B] ) en op 19 en 20 september 2022 (e-mailcorrespondentie tussen [appellant] en [persoon D] ) over en weer op elkaars standpunten gereageerd. Deze correspondentie komt er samengevat op neer dat Albert Heijn is blijven herhalen dat [appellant] een aanbod heeft gehad om met een nieuw BT contract nog een jaar te blijven werken en dat [appellant] is blijven herhalen dat hij zijn pensioenuitkering wil uitstellen en dat dit ook mogelijk is.



3.2.17.

[appellant] heeft in kort geding tewerkstelling en loon gevorderd. Bij vonnis van 11 april 2023 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen.



Vorderingen






3.3.


[appellant] heeft - samengevat – gevorderd Albert Heijn te veroordelen tot betaling van € 50.573,38 bruto, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en kosten en afgifte van een bruto netto specificatie. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
In hoger beroep heeft [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en (samengevat) gevorderd:
primair:
Albert Heijn te veroordelen tot betaling van het loon vermeerderd met emolumenten en wettelijke verhoging, alsmede tot betaling van gemiste netto vergoedingen, alles vermeerderd met wettelijke rente;
subsidiair:
Albert Heijn te veroordelen tot betaling van € 53.745,14 ter zake schade vermeerderd met wettelijke rente;
en zowel primair als subsidiair: Albert Heijn te veroordelen in de proceskosten.




Totstandkoming nieuwe arbeidsovereenkomst (grieven I tot en met III)





3.4.
Tussen partijen staat vast dat in de cao is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor [appellant] was dat op 17 juli 2022. Volgens [appellant] is al vóór het bereiken van dat moment een nieuwe arbeidsovereenkomst met Albert Heijn tot stand gekomen. Het hof volgt [appellant] niet in dat standpunt om de volgende redenen.


3.4.1.

Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten, afhankelijk is van wat zij jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden (vlg. o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:HR:2009:BH9284).
Een aanvaarding die afwijkt van een aanbod, heeft als een verwerping te gelden (artikel 6:225 BW).




3.4.2.

[appellant] heeft in oktober 2021 aangegeven dat hij graag nog een jaar langer bij Albert Heijn wilde werken. Bij de winkeltak bestond een doorwerkregeling. Zo’n regeling was er (nog) niet voor het distributiecentrum. In februari 2022 heeft Albert Heijn een doorwerkregeling tot stand gebracht voor het distributiecentrum en tijdens een gesprek op 25 maart 2022 heeft Albert Heijn laten weten dat zij akkoord was met het verzoek van [appellant] om nog een jaar langer te werken.



3.4.3.

Het standpunt van [appellant] komt erop neer dat daarmee overeenstemming bestond over alle essentialia van de overeenkomst, omdat in de doorwerkregeling en in de cao was vastgelegd wat die essentialia waren. Daarover hoefde niet onderhandeld te worden; al die voorwaarden stonden vast en daarover bestond wilsovereenstemming. Het genereren van een nieuw contract was slechts een administratieve handeling. Het hof is van oordeel dat dat laatste op zichzelf juist is (er had niet onderhandeld hoeven worden), maar dat is niet wat er feitelijk is gebeurd. Feitelijk is het zo gegaan dat [appellant] eerst vragen heeft gesteld over de voorwaarden, deze vervolgens ter discussie heeft gesteld en uiteindelijk niet met de voorwaarden heeft willen instemmen.
Het hof overweegt daarover het volgende.



3.4.3.1. Dat Albert Heijn tijdens het gesprek op 25 maart 2022 heeft laten weten dat zij akkoord was met het verzoek van [appellant] om te mogen doorwerken, betekent dat Albert Heijn de intentie had om met [appellant] een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, conform de doorwerkregeling. Albert Heijn ging er inderdaad van uit dat over arbeidsvoorwaarden niet onderhandeld hoefde te worden. Albert Heijn heeft namelijk laten weten dat zij opdracht had gegeven om een nieuw contract op te maken. Klaarblijkelijk wilde [appellant] dat nieuwe contract echter niet zonder meer tekenen, zo blijkt al uit zijn e-mail van 19 april 2022:

“(…) Ik denk ook dat het handig is als ik even naar het contract kijk voordat het door wordt gestuurd naar de VP Logistiek (…)”




3.4.3.2. Uit de e-mails die vóór 17 juli 2022 zijn gewisseld, blijkt dat [appellant] vragen stelde over de PTN toeslag, die een belangrijk onderdeel van zijn loon betrof. Wat begon als een vraag werd gaandeweg een discussie (zie 3.2.6):




[appellant] :

“(..) Fijn dat je mijn contract hebt aangevraagd. Betekent dat ook dat je duidelijkheid hebt kunnen krijgen over het al dan niet doorlopen van mijn PTN? Bij gebrek aan een uitspraak daarover in de van toepassing zijnde doorwerk-voorwaarden zou je kunnen stellen dat de PTN behouden blijft, omdat ik onder de CAO blijf vallen.” (mail van [appellant] van 8 mei 2022);



reactie van Albert Heijn:

“Aangezien je een nieuw contract krijgt, behoud je hierbij geen oude rechten (…)” (mail van Albert Heijn van 8 mei 2022);



reactie van [appellant] :

“(..) [persoon A] , jouw redenering is zeker interessant, maar men zou ook kunnen stellen dat hier sprake is van de algemene AH regeling Doorwerken na het pensioen, waardoor de CAO einddatum van het reguliere contract met een jaar wordt uitgesteld en er dus geen sprake is van een nieuw contract. Op basis van die gedachte zijn dan nog wel wettelijke wijzigingen (…) van toepassing en kunnen dan aan de pensioendatum gebonden gebeurtenissen worden afgewikkeld, maar blijven oude rechten behouden.” (mail van [appellant] van 10 mei 2022).



3.4.3.3. Vanaf 22 mei 2022 beperkte zich dat niet tot het loon, maar stelde [appellant] ook ter discussie of er een nieuw contract voor bepaalde tijd moest volgen, of dat het bestaande contract zou worden verlengd (zie 3.2.7 en 3.2.10), terwijl de doorwerkregeling daarover helder was (daarin staat: ‘een nieuwe arbeidsovereenkomst’):



[appellant] :

“(…) Het komt erop neer dat zowel de keuze voor een verlenging van de bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als de keuze voor een navolgend contract van bepaalde tijd beide voorkomen. Wat de juiste keuze is hangt af van de bedoelingen van de initiator. Dat is hier de OR ( [persoon C] …). [persoon B] stelde ook al voor om dit bij hem neer te leggen, dus dat komt goed uit en dan zitten we op een lijn. (…) (mail van [appellant] van 22 mei 2022);




“(…) Omdat AH nog geen apart doorwerkcontract heeft aangeboden, maar jij en [persoon B] wel hebben laten weten dat ik 1 jaar langer mag werken, betekent dit dat mijn oude contract nu doorloopt en ik op basis daarvan gewoon kan komen werken. Bovendien heeft onze VP Logistics bepaalt in haar voorwaarden dat het doorwerken naadloos moet aansluiten. Donderdag niet komen is dus geen optie.(..) Je hoeft dus geen nieuw contract meer aan te vragen. (…)” (mail van [appellant] van 19 juli 2022).



3.4.3.4. Daarnaast was er discussie over het ouderdomspensioen. Aanvankelijk leek dat slechts een systeemtechnisch probleem te zijn (zie de in 3.2.8 geciteerde e-mails van Albert Heijn aan [appellant] ). Gaandeweg werd het echter een discussiepunt. Het ging erover of het ouderdomspensioen al moest ingaan (zie 3.2.10 en 3.2.15):




[appellant] :

“(…) De papieren voor het AH Pf betreffen het volledig stoppen met werken en het starten van pensioen uitkeringen. Deze papieren zijn voor mij nog niet van toepassing en hebben geen relatie met mijn contract. Andere papieren van het Pf heb ik niet. Omdat eventuele pensioen uitkeringen nu met ruim 80% zouden worden belast en ik dat iets te veel vind, heb ik over uitstel overlegd met verschillende medewerkers van het AH Pf. Wij hebben in maart j.l. al samen afgesproken dat ik de papieren pas opstuur als deze wel van toepassing zijn. (…)”(mail van [appellant] van 19 juli 2022).



Op 9 augustus 2022 hebben partijen met elkaar gesproken. Gelet op de hiervoor geciteerde e-mail was toen inmiddels duidelijk dat het voor wat betreft het ouderdomspensioen niet slechts ging om een administratieve belemmering om een nieuw contract te produceren, maar ook om het probleem dat [appellant] niet wilde dat het ouderdomspensioen zou ingaan en dat wilde hij ook in het nieuwe contract laten vastleggen, zo blijkt uit zijn e-mail van 12 augustus 2022:




“(…), mits dit niet leidt tot problemen met het AH Pensioenfonds, dus dat zou expliciet vermeld moeten worden op het nieuwe contract.


(…) die denkt dat alles opgelost kan worden (…) door mijn pensioen tijdelijk te reserveren op een aparte rekening van het fonds (…) Uitstellen mag wel en zou kunnen op basis van artikel 19 sub 15 en 16 van het AH Pensioenreglement. (…)”




en uit zijn e-mail van 25 augustus 2025:




“(…) Tijdens deze gesprekken is door (…) onderkend dat er al in maart jl. een afspraak is gemaakt tussen mij en het AH Pensioenfonds (…) om mijn pensioen uit te stellen. (…) Wel heb ik [persoon D] schriftelijk laten weten dat ik een contract wil ondertekenen als dit conform onze afspraken is. (…)”




Albert Heijn heeft bij herhaling laten weten dat zij wilde dat [appellant] zijn pensioenpapieren bij het pensioenfonds zou inleveren. Anders dan [appellant] kennelijk meende, had Albert Heijn daar wel degelijk recht en belang bij. Het is niet zo dat Albert Heijn niets te maken heeft met de rechtsrelatie tussen [appellant] en het pensioenfonds, hetgeen [appellant] lijkt te veronderstellen. Het pensioenreglement moet immers worden gezien als een uitwerking van de tussen Albert Heijn en [appellant] geldende pensioenovereenkomst. Uit het pensioenreglement blijkt dat het ouderdomspensioen niet later kon ingaan dan op de AOW-gerechtigde leeftijd en dus niet (zoals [appellant] wilde) uitgesteld kon worden. Ook blijkt daaruit dat het niet meer mogelijk was om de pensioenopbouw nog verder voort te zetten. Dat Albert Heijn is blijven vasthouden aan haar standpunt met betrekking tot het inleveren van de pensioenformulieren, was dus geen onredelijke eis.




3.4.4.
Uit het voorgaande volgt dat er geen wilsovereenstemming is ontstaan tussen partijen. [appellant] heeft eerst vragen gesteld, vervolgens de voorwaarden ter discussie gesteld en heeft uiteindelijk geweigerd in te stemmen met hetgeen Albert Heijn hem had aangeboden.



Stilzwijgende voortzetting (grieven IV t/m VI)






3.5.
Tussen partijen staat vast dat in de cao was bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor [appellant] was dat op 17 juli 2022. Volgens [appellant] is de arbeidsovereenkomst na die datum verlengd door een stilzwijgende voortzetting (artikel 7:668 lid 4 BW). De kantonrechter heeft dat standpunt verworpen. De daartegen gerichte grieven slagen niet om de volgende reden.


3.5.1.
Albert Heijn heeft bij herhaling laten weten dat zij een nieuw contract tot stand wilde brengen. Zij heeft gemaild (zie 3.2.8, 3.2.12):



“(…) Om een nieuw contract te kunnen maken, dien jij eerst uitgeschreven te worden met reden “pensioen”, echter is dit nu niet mogelijk, omdat jij de papieren nog niet retour hebt gestuurd naar het Ahold Delhaize pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft jou deze papieren in Februari al toegestuurd en vervolgens op 8 juni nog eens. Zolang jij deze papieren niet invult en retour stuurt, kan ik jou niet uitschrijven en kan er dus ook nog geen nieuw contract gegenereerd worden. Ik verzoek je dan ook om zo snel mogelijk contact met mij op te nemen.” (mail van 1 juli 2022);




“(..) Zoals ik in mijn vorige mail al aangaf, kunnen wij geen nieuw contract voor jou maken, zolang jij de papieren niet getekend retour hebt gestuurd naar het Ahold Delhaize Pensioenfonds. We hebben hier met allerlei afdelingen bij elkaar bekeken of en hoe we dit op een andere manier kunnen oplossen, maar dat is niet te doen. Voor jou betekent dit concreet dat jij niet mag komen werken, tot het contract in orde en getekend is. (…)” (mail van 13 juli 2022);

“(…) Hieronder de reactie vanuit HR (…) waarin zij bevestigt dat je een nieuw contract krijgt met ingangsdatum 18 juli 2022. Dit kan pas worden opgesteld als jouw ondertekende aanvraag is ingediend bij het pensioenfonds. Tot die tijd mag je niet werken ivm verzekering.


Dus graag vandaag actie vanuit jou om eea af te werken bij het pensioenfonds. Kun jij ons bevestigen wanneer jij de ondertekende formulieren hebt ingediend, zodat wij dit kunnen volgen en eventueel kunnen bespoedigen.” (mail van 22 juli 2022);




“(…) Voor jou betekent dit, zoals reeds eerder aan jou gecommuniceerd, dat jij niet mag werken totdat je een nieuw contract hebt getekend en er weer sprake is van een dienstverband bij Albert Heijn (…)” (brief van 28 juli 2022).



Er is dus overduidelijk geen situatie aan de orde geweest dat Albert Heijn [appellant] stilzwijgend heeft laten doorwerken. Albert Heijn heeft bij herhaling ‘tegenspraak’ gegeven.




3.5.2.
Volgens [appellant] blijkt uit de toezegging van Albert Heijn dat zij het salaris met terugwerkende kracht vanaf 18 juli 2022 zou betalen dat de wil van Albert Heijn wel degelijk gericht was op voortzetting. Het hof kan die toezegging niet anders interpreteren dan dat Albert Heijn de verwachting had dat [appellant] zou overgaan tot ondertekening van het door haar op te stellen nieuwe contract. Het was de intentie van beide partijen dat die nieuwe overeenkomst zou ingaan op 18 juli 2022. Het hof kan die toezegging niet anders verstaan dan als de belofte dat het loon met terugwerkende kracht zou worden betaald, mits [appellant] het contract zou tekenen. Die voorwaarde is niet vervuld. Gelet op de hiervoor aangehaalde uitlatingen van Albert Heijn moest het [appellant] zonder meer duidelijk zijn dat dit de voorwaarde was. Als het een stilzwijgende voortzetting was geweest, dan had Albert Heijn het loon eenvoudigweg doorbetaald. Dan had zij niet zo’n toezegging hoeven doen.



3.5.3.

Hetzelfde geldt voor de urenregistratie. In de brief van 28 juli 2022 heeft Albert Heijn hierover geschreven:

“(…)Voor jou betekent dit, zoals reeds eerder aan jou gecommuniceerd, dat jij niet mag werken totdat je een nieuw contract hebt getekend en er weer sprake is van een dienstverband bij Albert Heijn. Pas als dit contract is getekend kan er weer een rooster in interflex worden gezet en kunnen er, indien van toepassing, uren met terugwerkende kracht worden uitbetaald.


Uit coulance zullen we de uren vanaf 21 juli 2022 tot uiterlijk week 31 2022 uitbetalen (als BCD) (…) Weet dat het daadwerkelijk boeken van BDC uren nu echter systeem-technisch niet mogelijk is aangezien er geen sprake is van een dienstverband. (…)”

Albert Heijn heeft dus duidelijk aangegeven dat de urenregistratie uit coulance werd gedaan en daarbij benadrukt dat er geen dienstverband was. Albert Heijn heeft steeds volstrekt helder gecommuniceerd dat er juist geen voortzetting was van het dienstverband.




Afbreken van onderhandelingen





3.6.1.

[appellant] heeft in hoger beroep een subsidiaire vordering toegevoegd met een subsidiaire grondslag. [appellant] heeft schadevergoeding gevorderd en daartoe aangevoerd dat de onderhandelingen in een zodanig ver stadium waren dat het Albert Heijn niet meer vrij stond om de onderhandelingen af te breken. Volgens [appellant] heeft Albert Heijn hierdoor onrechtmatig jegens hem gehandeld en moet zij het positieve contractsbelang aan hem vergoeden. Het hof kan [appellant] niet volgen in dat standpunt. Zoals hiervoor al is overwogen was het niet nodig om te onderhandelen, omdat de voorwaarden al vast stonden. Er is dus geen sprake geweest van een situatie van ‘afgebroken onderhandelingen’. [appellant] is zelf de voorwaarden ter discussie gaan stellen (zie 3.4.3.1 – 3.4.3.4).



3.6.2.

Het hof is van oordeel dat de opstelling van Albert Heijn niet onredelijk is geweest. Het hof heeft hiervoor al overwogen dat [appellant] meerdere onderwerpen ter discussie stelde (zie 3.4.3.1 – 3.4.3.4).
Albert Heijn wilde tegemoetkomen aan [appellant] ’ wens om nog een jaar door te werken, mits daarvoor een nieuw contract werd gesloten. [appellant] wilde doorwerken op basis van zijn eerdere arbeidsovereenkomst, maar dat was niet conform de doorwerkregeling (zie 3.2.4.). Albert Heijn had er ook belang bij om dat niet te willen (vanwege het ontslagregime). Volgens [appellant] heeft hij slechts vragen gesteld. Het hof verwerpt dat standpunt. Albert Heijn heeft meermaals laten weten dat er een nieuw contract getekend moest worden. [appellant] heeft bij herhaling laten weten dat dit niet zo was en dat hij kon doorwerken op basis van zijn oude contract. Uit de e-mail correspondentie blijkt dat dit niet meer slechts het stellen van een vraag betrof. [appellant] accepteerde niet de reactie van Albert Heijn. Hetzelfde geldt voor het ouderdomspensioen. Uit het pensioenreglement volgt dat het ouderdomspensioen uiterlijk op de AOW-gerechtigde leeftijd moest ingaan. Dat is ook zo door het pensioenfonds aan [appellant] gecommuniceerd. Het hof heeft hiervoor (in 3.4.3.4) al overwogen waarom Albert Heijn mocht verlangen dat [appellant] zich daarbij neerlegde. Het pensioenfonds had de papieren nodig om de hoogte van het ouderdomspensioen te bepalen, omdat [appellant] keuzes moest maken. Zo had hij de mogelijkheid om eerst een laag ouderdomspensioen te ontvangen en daarna een hoog. Albert Heijn wilde dat alles in haar digitale personeelssystemen goed was ingevoerd.




3.6.3.

Het hof is van oordeel dat Albert Heijn op het door haar gekozen moment de discussie met [appellant] mocht beëindigen en kon en mocht concluderen dat het niet ging lukken om een nieuwe arbeidsovereenkomst met hem tot stand te brengen. [appellant] heeft lange tijd de mogelijkheid gehad om de voorwaarden te accepteren, maar hij is blijven weigeren.
Gaandeweg werd de wijze waarop [appellant] communiceerde vervelender. Met een e-mail van 25 augustus 2022 heeft operationeel manager A. [persoon B] aan [appellant] verzocht om vragen/ reacties alleen aan hem te richten en op 26 augustus 2025 heeft hij laten weten dat de discussie was gesloten. [appellant] heeft op 25 augustus 2025 aan [persoon B] gemaild dat hij een contract wilde tekenen als dit conform de afspraken was, maar over die afspraken heeft hij in datzelfde bericht vermeld dat het moest gaan om het uitstellen van het pensioen (hetgeen niet juist was). [appellant] heeft dus niet laten weten dat hij de pensioenpapieren zou inleveren en een nieuw contract zou ondertekenen, ook niet na de e-mail van [persoon B] dat de discussie gesloten was. [appellant] heeft daarna, in weerwil van het verzoek van [persoon B] om alleen nog met hem te communiceren, toch een e-mail gestuurd aan [persoon A] op 10 september 2022, waarin hij heeft volgehouden dat hij de pensioenpapieren niet hoefde in te leveren. De toonzetting van die e-mail zou zogenaamd grappig moeten zijn, maar is dat niet, is verre van zakelijk en getuigt van een gebrek aan respect voor (de positie van) [persoon A] . Op 12 september 2022 heeft [appellant] een e-mail gestuurd aan S. Bouallala met het verzoek zijn probleem op te pakken in de COR. Ook in die e-mail heeft [appellant] geschreven dat hij zelf mag bepalen zijn ouderdomspensioen uit te stellen. Op 19 september 2022 heeft [persoon D] aan [appellant] gemaild dat er geen mogelijkheid meer is om door te werken en dat [appellant] kan aangeven hoe hij een invulling wil geven aan het op passende wijze vorm geven aan het einde van zijn dienstverband. Het hof leidt hieruit af dat Albert Heijn toen definitief de mogelijkheid heeft afgekapt om alsnog een nieuw contract te tekenen.




3.6.4.

Het hof is van oordeel dat Albert Heijn voldoende geduld heeft gehad. Als de hele gang van zaken al kan worden beoordeeld als een situatie van afgebroken onderhandelingen in een precontractuele fase, dan is niet voldaan aan de daarvoor geldende maatstaf (zie HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337):
“ (…) als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 23 oktober 1987, nr. 12999, NJ 1988, 1017, rov. 3.1; HR 4 oktober 1996, nr. 16062, NJ 1997, 65, rov. 3.5.2.2; HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481, rov. 3.6).”
Albert Heijn is steeds helder geweest in haar eis dat er een nieuw contract ondertekend moest worden en dat het noodzakelijk was dat [appellant] eerst de pensioenpapieren zou inleveren. Aangezien Albert Heijn dat redelijkerwijs mocht verlangen en zij [appellant] lange tijd de gelegenheid heeft gegeven om dat te aanvaarden, mocht zij in september 2022 een einde maken aan die mogelijkheid, omdat zij dat pas deed nadat duidelijk werd dat [appellant] hier niet mee wilde instemmen én hij toen ook de instructie van [persoon B] in de wind sloeg én de toonzetting van zijn e-mail niet meer respectvol was.




Slotsom






3.7.

De slotsom is dat het hoger beroep van [appellant] faalt en dat zijn vorderingen niet toewijsbaar zijn. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Albert Heijn zullen vastgesteld worden op:



griffierechten € 2.175,-


salaris advocaat € 4.426,- (2 punt(en) x tarief IV)


nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)



totaal € 6.779,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.







4De uitspraak


Het hof:




bekrachtigt het bestreden vonnis;



veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep bedragende € 6.779,-, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, M. van der Schoor en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.



griffier rolraadsheer