Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3255
2025-11-11
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.338.276_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:3255 → ECLI:NL:RBZWB:2023:5916
Inhoudsindicatie
Huurrecht, overige bedrijfsruimte, artikel 7:230a BW. Geen schriftelijke ontruimingsaanzegging. Verwijderen eigendommen van huurder uit het gehuurde door verhuurder.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2025:675 Parket bij de Hoge Raad 13-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.718 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.276/01
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.G.A. Linssen te Tilburg,
tegen
1Familie [xx] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna ook aan te duiden resp. als [xx] B.V., [geïntimeerde sub 2] , dan wel tezamen als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. F.H.J. de Graaf te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 23 november 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 22 februari 2023 en 23 augustus 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10231878/CV EXPL 22-4515)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep en het exploot van betekening aan [geïntimeerde sub 2] ;
de memorie van grieven;
de akte overleggen productie 9, tevens akte overleggen aanvullende producties 11 en 12, tevens akte houdende deponering USB-stick met geluidsopname;
de akte depot van 6 augustus 2024;
de memorie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
De kantonrechter heeft in eerste aanleg verzuimd de tussen partijen vaststaande feiten vast te stellen. Het hof zal dat daarom voor dit hoger beroep alsnog doen.
3.1.1.
[geïntimeerde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [xx] B.V. [geïntimeerde sub 2] is eigenaar van een perceel met opslagloods aan [adres] .
3.1.2.
Sinds 2013 maakt [appellant] gebruik van een deel van de opslagloods. Op enig moment hebben partijen daarvoor een vergoeding afgesproken van € 150,- per maand. Het hof spreekt hierna dan ook tevens over: het gehuurde. [appellant] gebruikte het gehuurde om daarin hobbymatig ‘oldtimers’ op te knappen. In de loods bevonden zich (onder meer) een gele Ford Thunderbird uit 1957 in gemonteerde staat en een blauwe Ford Thunderbird uit 1962 in gedemonteerde staat, eigendom van [appellant] .
3.1.3.
Een ander deel van diezelfde opslagloods werd door [xx] B.V. verhuurd aan [persoon A] (hierna: [persoon A] ). [xx] B.V. en [persoon A] hadden daartoe in januari 2013 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten.
3.1.4.
In april 2018 heeft [geïntimeerde sub 2] zowel [persoon A] (schriftelijk) als [appellant] (mondeling) bericht dat hij het gehuurde weer tot zijn beschikking wil hebben en hen verzocht het gehuurde te ontruimen. [geïntimeerden] heeft [appellant] een andere ruimte aangeboden. [appellant] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt.
3.1.5.
In de loop van 2018 is een slot (van de toegangspoort tot het terrein) van het gehuurde vervangen en is op de toegangsdeur van de loods een bordje geplaatst met de mededeling “Gesloten ivm Gemeente”. [persoon A] had de nieuwe sleutel, [appellant] niet.
3.1.6.
[persoon A] heeft op 24 juni 2018 aangifte gedaan bij de politie van diefstal van zijn eigendommen door [geïntimeerden] . De strafrechtelijke zaak is afgedaan met een voorwaardelijk sepot jegens [geïntimeerden] . In het civiele geschil tussen [persoon A] en [xx] B.V. heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij vonnis van 25 juli 2019 (onder meer) voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen [persoon A] en [xx] B.V. door [xx] B.V. op 21 april 2018 is opgezegd. Voorts heeft de kantonrechter in dat vonnis vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil was dat [xx] B.V. in juni 2018 zonder toestemming van [persoon A] machines uit de opslagloods heeft verwijderd en elders heeft opgeslagen. Daartoe mocht [xx] B.V. niet eigenmachtig overgaan en [xx] B.V. handelde daarmee onrechtmatig jegens [persoon A] , aldus de kantonrechter.
3.1.7.
In 2018 hebben [geïntimeerde sub 2] en [appellant] een telefoongesprek gevoerd. [appellant] bevond zich op dat moment samen met [persoon A] in de loods. [geïntimeerde sub 2] en [appellant] hebben toen besproken dat de loods moest worden ontruimd. [appellant] heeft zich daartoe bereid verklaard en gezegd de loods leeg te willen maken, maar dat dit hem eerder niet lukte omdat de poort op slot zat. Ook is besproken dat anderen het gehuurde hebben betreden en dat [geïntimeerden] de auto heeft. [geïntimeerde sub 2] heeft bij dat gesprek gezegd dat de auto “gewoon op hetzelfde terrein” staat.
3.1.8.
Bij de stukken bevindt zich een handgeschreven schriftelijke verklaring van [persoon A] van 4 juli 2019 waarin hij schrijft dat het terrein niet door [appellant] was te betreden omdat [geïntimeerde sub 2] weigerde hem een sleutel ter beschikking te stellen. Bij de stukken bevindt zich ook een schriftelijke verklaring van [persoon A] , gedateerd 28 september 2022, waarin hij schrijft dat hij in november/ begin december 2018 heeft vastgesteld dat spullen van [appellant] uit de loods waren verdwenen. Kort gezegd betrof het volgens hem een aantal onderdelen van de gele Thunderbird en de carrosserie van de andere Thunderbird (niet de gele). Het gehuurde is in december 2018 (kort voor kerst) feitelijk ontruimd door [persoon A] . [appellant] heeft rond die tijd zelf de gele Thunderbird laten verplaatsen.
3.1.9.
[appellant] heeft op 2 april 2019 aangifte bij de politie gedaan van diefstal aan [adres] tussen zaterdag 16 juni 2018 te 12:00 uur en zondag 23 december 2018 te 16:00 uur. In de aangifte staat onder meer:
[geïntimeerden] heeft meerdere auto onderdelen van een Ford Thunderbird uit 1962 ontvreemd. Ik heb u een overzicht gegeven waarop een aantal van deze onderdelen [..] staan met de bijbehorende aanschafprijs. Deze lijst is nog niet volledig. Ik schat de totale waarde van de ontvreemde goederen op ongeveer 70.000/80.000 euro. Deze onderdelen zijn waardevol omdat er maar een beperkt aantal van dit soort voertuigen zijn geproduceerd. Er zijn ook onderdelen van andere voertuigen ontvreemd. Hij heeft van carrosserie, tot chassis, tot motorblok ontvreemd.
3.1.10.
In een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 20 november 2019 staat (onder meer) het volgende:
Op woensdag 20 november 2019 ben ik, verbalisant [persoon B] , samen met collega [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] , ter plaatste gegaan aan [adres] . Op 2 april 2019 is er aangifte gedaan van diefstal van diverse voertuigonderdelen van een Ford Thunderbird uit 1962 door aangever [appellant] .
Vanmorgen, woensdag 20 november 2019, kwam getuige [persoon F] aan het politiebureau om te melden dat hij als vriend van aangever [appellant] naar [adres] was gegaan. [geïntimeerde sub 2] had op Facebook een oldtimer te koop aangeboden, Ford Thunderbird uit 1962. Dit zou de weggenomen oldtimer zijn van aangever. Ter plaatste had getuige foto's gemaakt van de body van de Ford Thunderbird en vernam van [geïntimeerde sub 2] dat de eigenaar was overleden en dat zijn erfgename er niks mee te maken wilde hebben.
Omstreeks 15.00 uur kwam ik, met bovengenoemde collega's ter plaatse en sprak daar betrokkene [persoon G] (hof: zoon van [geïntimeerde sub 2] ). Ik vertelde hem dat ik op zoek was naar een carrosserie van een Thunderbird die hij te koop had staan op Facebook.
Hij liet onder een afdak de carrosserie zien die onder een zeil stond opgeslagen. Ik zag aan de hand van de foto's van de getuige dat dit de betreffende carrosserie was. Ik heb de situatie uitgelegd aan BE [persoon G] en dat wij de carrosserie in beslag gingen nemen voor verder onderzoek. Ik heb met BE [persoon G] de afspraak gemaakt dat ik hem op een later tijdstip ging uitnodigen op het politiebureau [A] voor een verdachten verhoor.
Ik hoorde dat BE [persoon G] zijn vader wilde bellen om het een en ander uit te leggen. Ik zag dat hij het telefoonnummer (...) belde en dat zijn vader [geïntimeerde sub 2] opnam. Ik begreep van hem dat aangever [appellant] sinds februari 2018 zijn huur niet meer had betaald van de ruimte die hij huurde bij [geïntimeerden] . Ze hebben verschillende brieven en rekeningen gestuurd dat hij moest betalen en zijn spullen op moest halen. Echter zou hij niks gehoord hebben van aangever [appellant] . Ze zouden nog zo'n 2000 EURO tegoed hebben van aangever [appellant] .
Echter is dit niet gebeurd en vindt BE [geïntimeerde sub 2] dat hij nu recht heeft op retentierecht en dus nu het carrosserie wil verkopen. Tevens zouden er nog meer spullen liggen zoals gebruikt laminaat en ijzer.
Zowel [geïntimeerde sub 2] als [persoon G] vinden niet dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal.
Ik, [persoon B] , heb meerdere malen [geïntimeerde sub 2] aan te telefoon te woord gestaan. Er was geen normaal gesprek met hem te voeren, omdat hij alleen maar op zenden stond en niks hoorde van wat ik wilde uitleggen. Hij vond het niet normaal wat wij aan het doen waren en dat we ons niet beter met ernstige zaken bezig konden houden. Tevens vond hij dat hij toch niet eerlijk werd behandeld en altijd in zijn nadeel. Na enkele beledigen en vervelende opmerkingen heb ik het telefoongesprek telkens beëindigd.
De aangetroffen carrosserie van de Ford is op 20 november 2019 door de politie in beslag genomen. Op 29 november 2019 is [appellant] bericht dat het beslag is opgeheven en dat hij de Ford kon ophalen.
3.1.11.
Op 12 maart 2020 is namens het Openbaar Ministerie bericht dat de aangifte van diefstal die [appellant] heeft gedaan door de politie in overleg met de Officier van Justitie is “opgelegd”; er is en wordt geen nader onderzoek verricht naar het gestelde strafbare feit omdat er een civiele discussie aan ten grondslag ligt. Bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 17 november 2020 is het door [appellant] ingediende beklag op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering over de niet-vervolging van [persoon G] (het hof begrijpt: [persoon G] , de zoon van [geïntimeerde sub 2] ) afgewezen. In die beschikking staat:
Voor wat betreft de onderdelen van de auto van klager, niet zijnde de carrosserie, is het hof van oordeel dat onvoldoende duidelijk is welke onderdelen door wie wanneer zijn gestolen of geheeld. De verklaring van klager op dit punt is onvoldoende helder en vindt bovendien geen bevestiging in de stukken.
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door eigendommen, zoals die in de dagvaarding nader zijn omschreven, van [appellant] te vernielen of te ontvreemden, althans te verplaatsen uit het gehuurde en dat [geïntimeerden] de door [appellant] als gevolg van de wanprestatie en/of onrechtmatig handelen geleden schade dient te vergoeden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. voor recht te verklaren dat de tussen [appellant] en [geïntimeerden] mondeling gesloten huurovereenkomst per 21 april 2018, althans een in goede justitie te bepalen datum is geëindigd;
III. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zijn betaald;
IV. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te begroten op € 124,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zijn betaald.
3.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] had in de door hem van [geïntimeerden] gehuurde loods twee auto’s, auto-onderdelen en andere zaken staan. [geïntimeerden] heeft de zaken zoals opgesomd in punt 43. van de dagvaarding, eigendom van [appellant] , zonder zijn toestemming uit het gehuurde gehaald. [appellant] wenst de schade vergoed te krijgen die hij daardoor lijdt. Daarnaast wenst [appellant] duidelijkheid over het einde van de huurovereenkomst.
3.2.3.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
[geïntimeerden] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] , niets heeft vernield, ontvreemd of gestolen uit het gehuurde c.q. de opslagruimte en dat hij niet gehouden is om enige schade aan [appellant] te vergoeden;
II. voor recht te verklaren dat er geen sprake is van enige huurovereenkomst maar van verleende opslagruimte;
met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 22 februari 2023 is een mondelinge behandeling bevolen en in het eindvonnis van 23 augustus 2023 heeft de kantonrechter:
- [geïntimeerden] in zijn reconventionele vorderingen niet ontvankelijk verklaard omdat deze te laat zijn ingesteld;
- voor recht verklaard dat de tussen [appellant] en [geïntimeerden] mondeling gesloten huur-overeenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan [adres] met ingang van 1 januari 2019 is geëindigd;
- het door [appellant] meer of anders gevorderde afgewezen;
- [appellant] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] , vastgesteld op € 50,00.
De omvang van het hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het eindvonnis. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de twee beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] om al datgene wat ter voldoening aan de genoemde vonnissen is voldaan als onverschuldigd betaald terug te betalen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.
Het hof stelt vast dat tegen het tussenvonnis van 22 februari 2023 geen grieven zijn gericht. [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen dat vonnis.
3.4.
[appellant] richt zich in grief 1 tegen de kernoverwegingen en conclusie van de kantonrechter (3.1.1. tot en met 3.1.3. van het bestreden vonnis), inhoudende dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig heeft gehandeld of is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In grief 2 voert hij aan dat voor zover wederrechtelijk toe-eigenen niet is bewezen, de kantonrechter had moeten oordelen dat ontruimen zonder toestemming van [appellant] onrechtmatig is. Met grief 3 betoogt [appellant] dat [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie had moeten worden veroordeeld en met grief 4 dat de kantonrechter ten onrechte aan zijn bewijsaanbod voorbij is gegaan.
3.5.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.
De beoordeling
3.6.
Nu hiertegen geen grieven zijn gericht gaat het hof, in aansluiting op de vaststaande feiten onder 3.1 e.v., uit van een huurovereenkomst waarbij [appellant] van [geïntimeerden] een deel van de loods huurde te [adres] , zulks tegen betaling van € 150,- per maand. Dit betreft huur van overige bedrijfsruimte. [geïntimeerden] was derhalve gerechtigd tot opzegging, waarbij een opzegtermijn gold van een maand. Het hof gaat uit van 1 januari 2019 als datum einde huurovereenkomst, nu ook tegen die beslissing van de kantonrechter geen grief is gericht. Als uitgangspunt geldt dat [geïntimeerden] gehouden was [appellant] het huurgenot te (blijven) verschaffen en dat [appellant] , behoudens een eventueel beroep op ontruimingsbescherming, gehouden was het gehuurde per een door de verhuurder schriftelijk aan te zeggen ontruimingsdatum te ontruimen en op te leveren.
3.7.
Het gehuurde (deel van de loods) bevond zich op een terrein. Dit terrein was omheind met een hek en afgesloten met een toegangspoort. Uit de stukken blijkt dat in de loop van 2018 een slot (al dan niet van het buitenterrein) is vervangen of toegevoegd. [persoon A] had een sleutel, [appellant] niet. Anders dan [geïntimeerden] lijkt te betogen diende [geïntimeerden] als verhuurder [appellant] feitelijk in de gelegenheid te stellen het gehuurde te gebruiken. [geïntimeerden] kan zich niet verschuilen achter [persoon A] ; zelfs als juist is dat [persoon A] de sloten zou hebben vervangen, zoals [geïntimeerden] stelt, ontslaat dat [geïntimeerden] niet van zijn hoofdverplichting: het ter beschikking stellen van het gehuurde aan zijn huurder [appellant] . Er was ook geen sprake van hoofdhuur door [persoon A] en onderhuur van [appellant] , zoals [geïntimeerden] lijkt te betogen. [geïntimeerden] was in de relatie met [appellant] verhuurder en [appellant] was zijn huurder. In zoverre is [geïntimeerden] tekortgeschoten in zijn verplichtingen als verhuurder jegens [appellant] .
3.8.
[geïntimeerde sub 2] en [appellant] hebben telefonisch gesproken over de ontruiming van het gehuurde, maar partijen zijn daarbij niet in onderling overleg tot een concrete datum van ontruiming of oplevering gekomen.
3.9.
[appellant] heeft aangevoerd dat [persoon A] , die nog toegang had tot (het terrein en) de loods (het gehuurde), in december 2018 constateerde dat er veel materiaal van [appellant] was meegenomen: - een aantal gedemonteerde onderdelen van de gele Ford Thunderbird uit 1957 en - de blauwe Ford Thunderbird uit 1962 (in haar geheel). Hij stelt dat [geïntimeerden] zijn zaken uit het gehuurde heeft vernield, ontvreemd althans verplaatst en aansprakelijk is voor de schade die daardoor is ontstaan.
3.10.
[geïntimeerden] heeft wisselend verklaard over de gang van zaken in de periode nadat is gesproken over het beëindigen van de huurovereenkomst. Hij heeft gezegd dat [appellant] meer dan genoeg tijd heeft gehad om zijn spullen uit de loods te verhuizen, maar dat [appellant] niet wilde ingaan op welk aanbod dan ook en dat [appellant] onbruikbare spullen bewust en opzettelijk heeft achtergelaten in de ruimte. [geïntimeerden] heeft voorts erkend, onder meer bij conclusie van antwoord, dat hij op enig moment “het casco met wat spullen daarin” buiten de loods op het buitenterrein heeft gestald. Voorts heeft hij aangevoerd dat “het [geïntimeerden] was die als een goed huisvader op de nog aanwezige spullen van [appellant] deed passen, nota bene tot en met november 2019 toe”. Ten overstaan van het hof heeft [geïntimeerden] gezegd dat hij spullen buiten heeft gezet.
3.11.
Als rode lijn in die verklaringen en onbetwist staat vast dat [geïntimeerden] het casco met zaken van [appellant] , uit het gehuurde naar het buitenterrein heeft verplaatst.
3.12.
Het hof overweegt daarover het volgende. Voor zover [geïntimeerden] (een deel van de) zaken van [appellant] al voor het einde van de looptijd van de huurovereenkomst uit het gehuurde heeft verwijderd (zie 3.1.7. hiervoor) is dat in strijd met de huurovereenkomst. Maar ook na afloop van de huurovereenkomst (per 1 januari 2019) mocht [geïntimeerden] , anders dan hij kennelijk veronderstelt, niet eigenmachtig tot ontruiming van het gehuurde overgaan. Bij het eindigen van een huurovereenkomst die betrekking heeft op een (gedeelte van een) gebouwde onroerende zaak, niet zijnde woonruimte of 290-bedrijfsruimte, hoeft de huurder in beginsel niet meteen te ontruimen. De verhuurder moet de huurder eerst schriftelijk de ontruiming aanzeggen tegen een tijdstip dat niet mag vallen vóór het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Die schriftelijke aanzegging tot ontruiming heeft [geïntimeerden] niet gedaan, dus [appellant] was niet gehouden te ontruimen. Daarnaast mocht [geïntimeerden] niet, zonder titel, laat staan eigenmachtig, tot ontruiming overgaan.
3.13.
Door dat wel te doen en de zaken van [appellant] uit het gehuurde te verwijderen heeft [geïntimeerden] in strijd gehandeld met de huurovereenkomst en is hij gehouden de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden te vergoeden. Steplicht en bewijslast van het bestaan van de (omvang van de) schade rusten op [appellant] . Daar waar de omvang van de schade afhangt van de aan- of afwezigheid van concrete en bewijsbare feiten en omstandigheden, ligt het in beginsel op de weg van [appellant] bewijs te leveren van de aard/ omvang van de verdwenen zaken.
3.14.
In het proces verbaal van bevindingen van 20 november 2019 staat onderaan bij goederen: 213 auto-onderdelen. In de memorie van grieven geeft [appellant] een opsomming van onderdelen die verdwenen zijn: a tot en met p. [persoon A] schrijft in zijn verklaring van 28 september 2022 dat hij zeker weet dat de volgende spullen weggenomen zijn door [geïntimeerde sub 2] :
De volgende onderdelen van Ford Thunderbird (geel):
Tijdklokje
Complete achterlichten
Hardtop
Carrosserie Ford Thunderbird, de andere dan de gele
Voorspatborden en onderspatborden
Voor en achterbumpers
Deurpanelen
Alle ruiten
Voorstoelen en achterbank
Complete motor en versnellingsbak
Koffer deksels met banden
Vouw wagen compleet
Rode en blauwe gereedschapskar
Polijst machine
3.15.
Daar waar [appellant] niet, althans onvoldoende deugdelijk onderbouwd, heeft aangetoond welke zaken zich exact voor en na het verwijderen daarvan door [geïntimeerde sub 2] in het gehuurde bevonden en [geïntimeerde sub 2] spreekt over “het casco met wat spullen daarin” staat van geen van de door [appellant] genoemde onderdelen vast dat deze zich bevonden in het gehuurde, dan wel in de carrosserie op het moment van ontruimen door [geïntimeerden] . Evenmin is inzichtelijk wie zich, naast [geïntimeerden] en [persoon A] , in de periode juni tot december 2018 nog meer in het gehuurde heeft begeven.
3.16.
[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het gezien de bijzondere aard van de verdwenen zaken, voornamelijk onderdelen van oldtimers, ingewikkeld is om de schade te bepalen. [appellant] heeft dan ook verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Het hof zal die vordering toewijzen. Het oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade en het causaal verband is toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De grondslag voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] staat vast, de mogelijkheid van schade is door [appellant] aannemelijk gemaakt en het hof acht zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen. Een verplichting om de zaak op dat punt zelf nader te onderzoeken heeft het hof niet.
Slotsom
3.17.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [appellant] voor zover deze in hoger beroep voorliggen moeten worden toegewezen. Dit betekent dat de grieven van [appellant] die zien op het bestreden vonnis van 23 augustus 2023 slagen voor zover dit leidt tot het geven van een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] gehouden is de schade die het gevolg is van zijn tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst te vergoeden. Ook de verwijzing naar de schadestaat procedure wordt toegewezen. Nu het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd, is ook de vordering van [appellant] om [geïntimeerden] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, toewijsbaar (vgl. conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2025:675, punt 3.37).
3.18.
Nu [geïntimeerden] niet ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen in reconventie (en dus niet in het ongelijk is gesteld; de kantonrechter is immers aan behandeling van die vordering niet toegekomen) heeft de kantonrechter op dat punt terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Grief 3 faalt derhalve. Grief 4 behoeft geen nadere beoordeling meer.
3.19.
Het hof zal [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordelen in de kosten van beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- explootkosten € 277,43 (€ 127,43 + € 150,-)
- griffierecht € 86,-
- salaris gemachtigde € 746,- (2 punten x tarief € 373,-)
Totaal € 1.109,43
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- explootkosten € 282,42 (€ 132,42 plus € 150,-)
- griffierecht € 349.-
- salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
- nakosten € 178,- (plus de verhoging die in de beslissing is vermeld)
Totaal € 3.237,42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 22 februari 2023;
vernietigt het bestreden vonnis van 23 augustus 2023;
verklaart voor recht dat [geïntimeerden] is gehouden de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het tekortschieten door [geïntimeerden] in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, aan [appellant] te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [appellant] van de eerste aanleg van € 1.109,43 en van het hoger beroep van € 3.237,42, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,- extra betalen, vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, J.W. van Rijkom en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.276/01
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.G.A. Linssen te Tilburg,
tegen
1Familie [xx] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna ook aan te duiden resp. als [xx] B.V., [geïntimeerde sub 2] , dan wel tezamen als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. F.H.J. de Graaf te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 23 november 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 22 februari 2023 en 23 augustus 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10231878/CV EXPL 22-4515)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep en het exploot van betekening aan [geïntimeerde sub 2] ;
de memorie van grieven;
de akte overleggen productie 9, tevens akte overleggen aanvullende producties 11 en 12, tevens akte houdende deponering USB-stick met geluidsopname;
de akte depot van 6 augustus 2024;
de memorie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
De kantonrechter heeft in eerste aanleg verzuimd de tussen partijen vaststaande feiten vast te stellen. Het hof zal dat daarom voor dit hoger beroep alsnog doen.
3.1.1.
[geïntimeerde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [xx] B.V. [geïntimeerde sub 2] is eigenaar van een perceel met opslagloods aan [adres] .
3.1.2.
Sinds 2013 maakt [appellant] gebruik van een deel van de opslagloods. Op enig moment hebben partijen daarvoor een vergoeding afgesproken van € 150,- per maand. Het hof spreekt hierna dan ook tevens over: het gehuurde. [appellant] gebruikte het gehuurde om daarin hobbymatig ‘oldtimers’ op te knappen. In de loods bevonden zich (onder meer) een gele Ford Thunderbird uit 1957 in gemonteerde staat en een blauwe Ford Thunderbird uit 1962 in gedemonteerde staat, eigendom van [appellant] .
3.1.3.
Een ander deel van diezelfde opslagloods werd door [xx] B.V. verhuurd aan [persoon A] (hierna: [persoon A] ). [xx] B.V. en [persoon A] hadden daartoe in januari 2013 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten.
3.1.4.
In april 2018 heeft [geïntimeerde sub 2] zowel [persoon A] (schriftelijk) als [appellant] (mondeling) bericht dat hij het gehuurde weer tot zijn beschikking wil hebben en hen verzocht het gehuurde te ontruimen. [geïntimeerden] heeft [appellant] een andere ruimte aangeboden. [appellant] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt.
3.1.5.
In de loop van 2018 is een slot (van de toegangspoort tot het terrein) van het gehuurde vervangen en is op de toegangsdeur van de loods een bordje geplaatst met de mededeling “Gesloten ivm Gemeente”. [persoon A] had de nieuwe sleutel, [appellant] niet.
3.1.6.
[persoon A] heeft op 24 juni 2018 aangifte gedaan bij de politie van diefstal van zijn eigendommen door [geïntimeerden] . De strafrechtelijke zaak is afgedaan met een voorwaardelijk sepot jegens [geïntimeerden] . In het civiele geschil tussen [persoon A] en [xx] B.V. heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij vonnis van 25 juli 2019 (onder meer) voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen [persoon A] en [xx] B.V. door [xx] B.V. op 21 april 2018 is opgezegd. Voorts heeft de kantonrechter in dat vonnis vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil was dat [xx] B.V. in juni 2018 zonder toestemming van [persoon A] machines uit de opslagloods heeft verwijderd en elders heeft opgeslagen. Daartoe mocht [xx] B.V. niet eigenmachtig overgaan en [xx] B.V. handelde daarmee onrechtmatig jegens [persoon A] , aldus de kantonrechter.
3.1.7.
In 2018 hebben [geïntimeerde sub 2] en [appellant] een telefoongesprek gevoerd. [appellant] bevond zich op dat moment samen met [persoon A] in de loods. [geïntimeerde sub 2] en [appellant] hebben toen besproken dat de loods moest worden ontruimd. [appellant] heeft zich daartoe bereid verklaard en gezegd de loods leeg te willen maken, maar dat dit hem eerder niet lukte omdat de poort op slot zat. Ook is besproken dat anderen het gehuurde hebben betreden en dat [geïntimeerden] de auto heeft. [geïntimeerde sub 2] heeft bij dat gesprek gezegd dat de auto “gewoon op hetzelfde terrein” staat.
3.1.8.
Bij de stukken bevindt zich een handgeschreven schriftelijke verklaring van [persoon A] van 4 juli 2019 waarin hij schrijft dat het terrein niet door [appellant] was te betreden omdat [geïntimeerde sub 2] weigerde hem een sleutel ter beschikking te stellen. Bij de stukken bevindt zich ook een schriftelijke verklaring van [persoon A] , gedateerd 28 september 2022, waarin hij schrijft dat hij in november/ begin december 2018 heeft vastgesteld dat spullen van [appellant] uit de loods waren verdwenen. Kort gezegd betrof het volgens hem een aantal onderdelen van de gele Thunderbird en de carrosserie van de andere Thunderbird (niet de gele). Het gehuurde is in december 2018 (kort voor kerst) feitelijk ontruimd door [persoon A] . [appellant] heeft rond die tijd zelf de gele Thunderbird laten verplaatsen.
3.1.9.
[appellant] heeft op 2 april 2019 aangifte bij de politie gedaan van diefstal aan [adres] tussen zaterdag 16 juni 2018 te 12:00 uur en zondag 23 december 2018 te 16:00 uur. In de aangifte staat onder meer:
[geïntimeerden] heeft meerdere auto onderdelen van een Ford Thunderbird uit 1962 ontvreemd. Ik heb u een overzicht gegeven waarop een aantal van deze onderdelen [..] staan met de bijbehorende aanschafprijs. Deze lijst is nog niet volledig. Ik schat de totale waarde van de ontvreemde goederen op ongeveer 70.000/80.000 euro. Deze onderdelen zijn waardevol omdat er maar een beperkt aantal van dit soort voertuigen zijn geproduceerd. Er zijn ook onderdelen van andere voertuigen ontvreemd. Hij heeft van carrosserie, tot chassis, tot motorblok ontvreemd.
3.1.10.
In een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 20 november 2019 staat (onder meer) het volgende:
Op woensdag 20 november 2019 ben ik, verbalisant [persoon B] , samen met collega [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] , ter plaatste gegaan aan [adres] . Op 2 april 2019 is er aangifte gedaan van diefstal van diverse voertuigonderdelen van een Ford Thunderbird uit 1962 door aangever [appellant] .
Vanmorgen, woensdag 20 november 2019, kwam getuige [persoon F] aan het politiebureau om te melden dat hij als vriend van aangever [appellant] naar [adres] was gegaan. [geïntimeerde sub 2] had op Facebook een oldtimer te koop aangeboden, Ford Thunderbird uit 1962. Dit zou de weggenomen oldtimer zijn van aangever. Ter plaatste had getuige foto's gemaakt van de body van de Ford Thunderbird en vernam van [geïntimeerde sub 2] dat de eigenaar was overleden en dat zijn erfgename er niks mee te maken wilde hebben.
Omstreeks 15.00 uur kwam ik, met bovengenoemde collega's ter plaatse en sprak daar betrokkene [persoon G] (hof: zoon van [geïntimeerde sub 2] ). Ik vertelde hem dat ik op zoek was naar een carrosserie van een Thunderbird die hij te koop had staan op Facebook.
Hij liet onder een afdak de carrosserie zien die onder een zeil stond opgeslagen. Ik zag aan de hand van de foto's van de getuige dat dit de betreffende carrosserie was. Ik heb de situatie uitgelegd aan BE [persoon G] en dat wij de carrosserie in beslag gingen nemen voor verder onderzoek. Ik heb met BE [persoon G] de afspraak gemaakt dat ik hem op een later tijdstip ging uitnodigen op het politiebureau [A] voor een verdachten verhoor.
Ik hoorde dat BE [persoon G] zijn vader wilde bellen om het een en ander uit te leggen. Ik zag dat hij het telefoonnummer (...) belde en dat zijn vader [geïntimeerde sub 2] opnam. Ik begreep van hem dat aangever [appellant] sinds februari 2018 zijn huur niet meer had betaald van de ruimte die hij huurde bij [geïntimeerden] . Ze hebben verschillende brieven en rekeningen gestuurd dat hij moest betalen en zijn spullen op moest halen. Echter zou hij niks gehoord hebben van aangever [appellant] . Ze zouden nog zo'n 2000 EURO tegoed hebben van aangever [appellant] .
Echter is dit niet gebeurd en vindt BE [geïntimeerde sub 2] dat hij nu recht heeft op retentierecht en dus nu het carrosserie wil verkopen. Tevens zouden er nog meer spullen liggen zoals gebruikt laminaat en ijzer.
Zowel [geïntimeerde sub 2] als [persoon G] vinden niet dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal.
Ik, [persoon B] , heb meerdere malen [geïntimeerde sub 2] aan te telefoon te woord gestaan. Er was geen normaal gesprek met hem te voeren, omdat hij alleen maar op zenden stond en niks hoorde van wat ik wilde uitleggen. Hij vond het niet normaal wat wij aan het doen waren en dat we ons niet beter met ernstige zaken bezig konden houden. Tevens vond hij dat hij toch niet eerlijk werd behandeld en altijd in zijn nadeel. Na enkele beledigen en vervelende opmerkingen heb ik het telefoongesprek telkens beëindigd.
De aangetroffen carrosserie van de Ford is op 20 november 2019 door de politie in beslag genomen. Op 29 november 2019 is [appellant] bericht dat het beslag is opgeheven en dat hij de Ford kon ophalen.
3.1.11.
Op 12 maart 2020 is namens het Openbaar Ministerie bericht dat de aangifte van diefstal die [appellant] heeft gedaan door de politie in overleg met de Officier van Justitie is “opgelegd”; er is en wordt geen nader onderzoek verricht naar het gestelde strafbare feit omdat er een civiele discussie aan ten grondslag ligt. Bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 17 november 2020 is het door [appellant] ingediende beklag op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering over de niet-vervolging van [persoon G] (het hof begrijpt: [persoon G] , de zoon van [geïntimeerde sub 2] ) afgewezen. In die beschikking staat:
Voor wat betreft de onderdelen van de auto van klager, niet zijnde de carrosserie, is het hof van oordeel dat onvoldoende duidelijk is welke onderdelen door wie wanneer zijn gestolen of geheeld. De verklaring van klager op dit punt is onvoldoende helder en vindt bovendien geen bevestiging in de stukken.
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door eigendommen, zoals die in de dagvaarding nader zijn omschreven, van [appellant] te vernielen of te ontvreemden, althans te verplaatsen uit het gehuurde en dat [geïntimeerden] de door [appellant] als gevolg van de wanprestatie en/of onrechtmatig handelen geleden schade dient te vergoeden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. voor recht te verklaren dat de tussen [appellant] en [geïntimeerden] mondeling gesloten huurovereenkomst per 21 april 2018, althans een in goede justitie te bepalen datum is geëindigd;
III. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zijn betaald;
IV. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te begroten op € 124,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zijn betaald.
3.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] had in de door hem van [geïntimeerden] gehuurde loods twee auto’s, auto-onderdelen en andere zaken staan. [geïntimeerden] heeft de zaken zoals opgesomd in punt 43. van de dagvaarding, eigendom van [appellant] , zonder zijn toestemming uit het gehuurde gehaald. [appellant] wenst de schade vergoed te krijgen die hij daardoor lijdt. Daarnaast wenst [appellant] duidelijkheid over het einde van de huurovereenkomst.
3.2.3.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
[geïntimeerden] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] , niets heeft vernield, ontvreemd of gestolen uit het gehuurde c.q. de opslagruimte en dat hij niet gehouden is om enige schade aan [appellant] te vergoeden;
II. voor recht te verklaren dat er geen sprake is van enige huurovereenkomst maar van verleende opslagruimte;
met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 22 februari 2023 is een mondelinge behandeling bevolen en in het eindvonnis van 23 augustus 2023 heeft de kantonrechter:
- [geïntimeerden] in zijn reconventionele vorderingen niet ontvankelijk verklaard omdat deze te laat zijn ingesteld;
- voor recht verklaard dat de tussen [appellant] en [geïntimeerden] mondeling gesloten huur-overeenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan [adres] met ingang van 1 januari 2019 is geëindigd;
- het door [appellant] meer of anders gevorderde afgewezen;
- [appellant] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] , vastgesteld op € 50,00.
De omvang van het hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het eindvonnis. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de twee beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] om al datgene wat ter voldoening aan de genoemde vonnissen is voldaan als onverschuldigd betaald terug te betalen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.
Het hof stelt vast dat tegen het tussenvonnis van 22 februari 2023 geen grieven zijn gericht. [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen dat vonnis.
3.4.
[appellant] richt zich in grief 1 tegen de kernoverwegingen en conclusie van de kantonrechter (3.1.1. tot en met 3.1.3. van het bestreden vonnis), inhoudende dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig heeft gehandeld of is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In grief 2 voert hij aan dat voor zover wederrechtelijk toe-eigenen niet is bewezen, de kantonrechter had moeten oordelen dat ontruimen zonder toestemming van [appellant] onrechtmatig is. Met grief 3 betoogt [appellant] dat [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie had moeten worden veroordeeld en met grief 4 dat de kantonrechter ten onrechte aan zijn bewijsaanbod voorbij is gegaan.
3.5.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.
De beoordeling
3.6.
Nu hiertegen geen grieven zijn gericht gaat het hof, in aansluiting op de vaststaande feiten onder 3.1 e.v., uit van een huurovereenkomst waarbij [appellant] van [geïntimeerden] een deel van de loods huurde te [adres] , zulks tegen betaling van € 150,- per maand. Dit betreft huur van overige bedrijfsruimte. [geïntimeerden] was derhalve gerechtigd tot opzegging, waarbij een opzegtermijn gold van een maand. Het hof gaat uit van 1 januari 2019 als datum einde huurovereenkomst, nu ook tegen die beslissing van de kantonrechter geen grief is gericht. Als uitgangspunt geldt dat [geïntimeerden] gehouden was [appellant] het huurgenot te (blijven) verschaffen en dat [appellant] , behoudens een eventueel beroep op ontruimingsbescherming, gehouden was het gehuurde per een door de verhuurder schriftelijk aan te zeggen ontruimingsdatum te ontruimen en op te leveren.
3.7.
Het gehuurde (deel van de loods) bevond zich op een terrein. Dit terrein was omheind met een hek en afgesloten met een toegangspoort. Uit de stukken blijkt dat in de loop van 2018 een slot (al dan niet van het buitenterrein) is vervangen of toegevoegd. [persoon A] had een sleutel, [appellant] niet. Anders dan [geïntimeerden] lijkt te betogen diende [geïntimeerden] als verhuurder [appellant] feitelijk in de gelegenheid te stellen het gehuurde te gebruiken. [geïntimeerden] kan zich niet verschuilen achter [persoon A] ; zelfs als juist is dat [persoon A] de sloten zou hebben vervangen, zoals [geïntimeerden] stelt, ontslaat dat [geïntimeerden] niet van zijn hoofdverplichting: het ter beschikking stellen van het gehuurde aan zijn huurder [appellant] . Er was ook geen sprake van hoofdhuur door [persoon A] en onderhuur van [appellant] , zoals [geïntimeerden] lijkt te betogen. [geïntimeerden] was in de relatie met [appellant] verhuurder en [appellant] was zijn huurder. In zoverre is [geïntimeerden] tekortgeschoten in zijn verplichtingen als verhuurder jegens [appellant] .
3.8.
[geïntimeerde sub 2] en [appellant] hebben telefonisch gesproken over de ontruiming van het gehuurde, maar partijen zijn daarbij niet in onderling overleg tot een concrete datum van ontruiming of oplevering gekomen.
3.9.
[appellant] heeft aangevoerd dat [persoon A] , die nog toegang had tot (het terrein en) de loods (het gehuurde), in december 2018 constateerde dat er veel materiaal van [appellant] was meegenomen: - een aantal gedemonteerde onderdelen van de gele Ford Thunderbird uit 1957 en - de blauwe Ford Thunderbird uit 1962 (in haar geheel). Hij stelt dat [geïntimeerden] zijn zaken uit het gehuurde heeft vernield, ontvreemd althans verplaatst en aansprakelijk is voor de schade die daardoor is ontstaan.
3.10.
[geïntimeerden] heeft wisselend verklaard over de gang van zaken in de periode nadat is gesproken over het beëindigen van de huurovereenkomst. Hij heeft gezegd dat [appellant] meer dan genoeg tijd heeft gehad om zijn spullen uit de loods te verhuizen, maar dat [appellant] niet wilde ingaan op welk aanbod dan ook en dat [appellant] onbruikbare spullen bewust en opzettelijk heeft achtergelaten in de ruimte. [geïntimeerden] heeft voorts erkend, onder meer bij conclusie van antwoord, dat hij op enig moment “het casco met wat spullen daarin” buiten de loods op het buitenterrein heeft gestald. Voorts heeft hij aangevoerd dat “het [geïntimeerden] was die als een goed huisvader op de nog aanwezige spullen van [appellant] deed passen, nota bene tot en met november 2019 toe”. Ten overstaan van het hof heeft [geïntimeerden] gezegd dat hij spullen buiten heeft gezet.
3.11.
Als rode lijn in die verklaringen en onbetwist staat vast dat [geïntimeerden] het casco met zaken van [appellant] , uit het gehuurde naar het buitenterrein heeft verplaatst.
3.12.
Het hof overweegt daarover het volgende. Voor zover [geïntimeerden] (een deel van de) zaken van [appellant] al voor het einde van de looptijd van de huurovereenkomst uit het gehuurde heeft verwijderd (zie 3.1.7. hiervoor) is dat in strijd met de huurovereenkomst. Maar ook na afloop van de huurovereenkomst (per 1 januari 2019) mocht [geïntimeerden] , anders dan hij kennelijk veronderstelt, niet eigenmachtig tot ontruiming van het gehuurde overgaan. Bij het eindigen van een huurovereenkomst die betrekking heeft op een (gedeelte van een) gebouwde onroerende zaak, niet zijnde woonruimte of 290-bedrijfsruimte, hoeft de huurder in beginsel niet meteen te ontruimen. De verhuurder moet de huurder eerst schriftelijk de ontruiming aanzeggen tegen een tijdstip dat niet mag vallen vóór het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Die schriftelijke aanzegging tot ontruiming heeft [geïntimeerden] niet gedaan, dus [appellant] was niet gehouden te ontruimen. Daarnaast mocht [geïntimeerden] niet, zonder titel, laat staan eigenmachtig, tot ontruiming overgaan.
3.13.
Door dat wel te doen en de zaken van [appellant] uit het gehuurde te verwijderen heeft [geïntimeerden] in strijd gehandeld met de huurovereenkomst en is hij gehouden de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden te vergoeden. Steplicht en bewijslast van het bestaan van de (omvang van de) schade rusten op [appellant] . Daar waar de omvang van de schade afhangt van de aan- of afwezigheid van concrete en bewijsbare feiten en omstandigheden, ligt het in beginsel op de weg van [appellant] bewijs te leveren van de aard/ omvang van de verdwenen zaken.
3.14.
In het proces verbaal van bevindingen van 20 november 2019 staat onderaan bij goederen: 213 auto-onderdelen. In de memorie van grieven geeft [appellant] een opsomming van onderdelen die verdwenen zijn: a tot en met p. [persoon A] schrijft in zijn verklaring van 28 september 2022 dat hij zeker weet dat de volgende spullen weggenomen zijn door [geïntimeerde sub 2] :
De volgende onderdelen van Ford Thunderbird (geel):
Tijdklokje
Complete achterlichten
Hardtop
Carrosserie Ford Thunderbird, de andere dan de gele
Voorspatborden en onderspatborden
Voor en achterbumpers
Deurpanelen
Alle ruiten
Voorstoelen en achterbank
Complete motor en versnellingsbak
Koffer deksels met banden
Vouw wagen compleet
Rode en blauwe gereedschapskar
Polijst machine
3.15.
Daar waar [appellant] niet, althans onvoldoende deugdelijk onderbouwd, heeft aangetoond welke zaken zich exact voor en na het verwijderen daarvan door [geïntimeerde sub 2] in het gehuurde bevonden en [geïntimeerde sub 2] spreekt over “het casco met wat spullen daarin” staat van geen van de door [appellant] genoemde onderdelen vast dat deze zich bevonden in het gehuurde, dan wel in de carrosserie op het moment van ontruimen door [geïntimeerden] . Evenmin is inzichtelijk wie zich, naast [geïntimeerden] en [persoon A] , in de periode juni tot december 2018 nog meer in het gehuurde heeft begeven.
3.16.
[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het gezien de bijzondere aard van de verdwenen zaken, voornamelijk onderdelen van oldtimers, ingewikkeld is om de schade te bepalen. [appellant] heeft dan ook verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Het hof zal die vordering toewijzen. Het oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade en het causaal verband is toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De grondslag voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] staat vast, de mogelijkheid van schade is door [appellant] aannemelijk gemaakt en het hof acht zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen. Een verplichting om de zaak op dat punt zelf nader te onderzoeken heeft het hof niet.
Slotsom
3.17.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [appellant] voor zover deze in hoger beroep voorliggen moeten worden toegewezen. Dit betekent dat de grieven van [appellant] die zien op het bestreden vonnis van 23 augustus 2023 slagen voor zover dit leidt tot het geven van een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] gehouden is de schade die het gevolg is van zijn tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst te vergoeden. Ook de verwijzing naar de schadestaat procedure wordt toegewezen. Nu het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd, is ook de vordering van [appellant] om [geïntimeerden] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, toewijsbaar (vgl. conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2025:675, punt 3.37).
3.18.
Nu [geïntimeerden] niet ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen in reconventie (en dus niet in het ongelijk is gesteld; de kantonrechter is immers aan behandeling van die vordering niet toegekomen) heeft de kantonrechter op dat punt terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Grief 3 faalt derhalve. Grief 4 behoeft geen nadere beoordeling meer.
3.19.
Het hof zal [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordelen in de kosten van beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- explootkosten € 277,43 (€ 127,43 + € 150,-)
- griffierecht € 86,-
- salaris gemachtigde € 746,- (2 punten x tarief € 373,-)
Totaal € 1.109,43
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- explootkosten € 282,42 (€ 132,42 plus € 150,-)
- griffierecht € 349.-
- salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
- nakosten € 178,- (plus de verhoging die in de beslissing is vermeld)
Totaal € 3.237,42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 22 februari 2023;
vernietigt het bestreden vonnis van 23 augustus 2023;
verklaart voor recht dat [geïntimeerden] is gehouden de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het tekortschieten door [geïntimeerden] in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, aan [appellant] te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [appellant] van de eerste aanleg van € 1.109,43 en van het hoger beroep van € 3.237,42, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,- extra betalen, vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [xx] B.V. en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, J.W. van Rijkom en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.
griffier rolraadsheer