Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3161

2025-11-04 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 200.346.825_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.346.825_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst. Appellant stelt een groot aantal gebreken. Grieven deels ondeugdelijk wegens ontbreken feitelijke of juridische onderbouwing van onjuistheid van het oordeel van de rechtbank. Voor het overige onvoldoende gesteld of gehandhaafd om gebrek of aansprakelijkheid geïntimeerde vast te kunnen stellen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.490 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.346.825/01




arrest van 4 november 2025




in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen [appellant] ,
advocaat: mr. M. Duurtsema te Eindhoven,



tegen





[xx] Bouw en Vastgoed B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen [xx] ,
advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,



op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2025 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 juli 2022, 25 oktober 2023 en 5 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] en [persoon A] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [xx] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.






1De kern van de zaak


1.1.

[xx] heeft op grond van een aannemingsovereenkomst voor [appellant] en [persoon A] een woonhuis met garage en technische ruimte (verder de “woning”) gebouwd. Zij stellen dat sprake is van een groot aantal gebreken. Zij willen dat [xx] die gebreken gedeeltelijk herstelt en voor de rest een schadevergoeding (€ 14.714,04) betaalt. Ook vorderen zij dat wordt vastgesteld dat zij een bedrag dat bij de notaris in depot staat (€ 16.802,16) onverschuldigd hebben betaald en dat dat uit het depot aan hen wordt terugbetaald. [xx] heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld, namelijk dat [appellant] en [persoon A] nog € 17.864,66 aan haar moeten betalen voor het werk.



1.2.
In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering in conventie van [appellant] en [persoon A] tot herstel van gebreken gedeeltelijk toegewezen. Ook heeft de rechtbank [xx] veroordeeld om een schadevergoeding van € 1.900,00 aan [appellant] en [persoon A] te betalen, vermeerderd met rente en proceskosten in conventie. De tegenvordering in reconventie van [xx] heeft de rechtbank ook toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met rente en proceskosten in reconventie.



1.3.

[appellant] is het met dat vonnis niet eens (en [persoon A] is niet in hoger beroep gekomen) en wil dat in hoger beroep ook de rest van zijn vorderingen in conventie wordt toegewezen. Bovendien stelt hij in hoger beroep dat hij een hoger bedrag onverschuldigd betaald heeft. Daarnaast moet in hoger beroep de tegenvordering in reconventie van [xx] alsnog worden afgewezen, aldus [appellant] .



1.4.
Het hof komt tot hetzelfde oordeel als eerder de rechtbank, omdat [appellant] deels onvoldoende duidelijk maakt waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is en voor het overige niet vastgesteld kan worden dat sprake is van gebreken. De vonnissen van de rechtbank zullen worden bekrachtigd.






2Het verloop van het geding


2.1.
Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/373219 / HA ZA 21500) verwijst het hof naar voormelde vonnissen.



2.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep en de conclusie van eis;


het exploot van anticipatie van 1 oktober 2024;


de memorie van grieven tevens vermeerdering van eis, met productie 46;


de memorie van antwoord;


de nagekomen producties 48 tot en met 52 van [appellant] ;


de akte verbetering en vermeerdering van eis van [appellant] , met productie 53;


de mondelinge behandeling, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd.





2.3.
Het hof stelt vast dat in het bovenstaande overzicht productienummer 47 ontbreekt. De in het overzicht genoemde nummering komt echter overeen met de door [appellant] in de begeleidende stukken bij de betreffende producties gehanteerde nummering. Daarbij is aan het begin van de mondelinge behandeling aan partijen voorgehouden over welke stukken het hof beschikt, waarbij ook bovengenoemde nummering is gebruikt. Door geen van partijen is opgemerkt dat er ook nog een productie 47 zou moeten zijn. Het hof begrijpt dan ook dat hierbij sprake is van een vergissing in het doornummeren van de opeenvolgende producties door [appellant] .



2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.






3De feiten


3.1.
De rechtbank heeft in overweging 3.1 tot en met 3.23 van het tussenvonnis van 25 oktober 2025 (verder het “tussenvonnis”) de feiten vastgesteld waarvan bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan.



3.2.


[appellant] heeft met betrekking tot de feiten in zijn memorie van grieven gesteld:
“Tegen de weergave van de feiten in de vonnissen waartegen hoger beroep is ingesteld, wenst [appellant] dat de door hem aangehaalde feiten uit eerste aanleg (randnummers 1 tot en met 22 van de dagvaarding), maar ook die in de behandeling van de gebreken en vorderingen zijn benoemd (randnummers 21 tot en met 105) hier als woordelijk herhaald en ingelast worden beschouwd. Waar nodig vult hij deze feiten aan bij de behandeling van de grieven”.




3.3.
Dit is niet te kwalificeren als een zelfstandige (deugdelijke) grief. Het hof gaat daarom uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten en verwijst daartoe naar het tussenvonnis. Voor zover voor de beoordeling relevant zal het hof in het navolgende nadere feiten vaststellen.





4Stanpunten van partijen en oordeel in eerste aanleg



In eerste aanleg



4.1.
In eerste aanleg hebben [appellant] en [persoon A] in conventie, samengevat en voor zover hier van belang, gevorderd dat:



[xx] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om meerdere gebreken aan de door [xx] voor hem gebouwde woning te herstellen;



[xx] wordt veroordeeld om € 14.714,04 aan (vervangende) schadevergoeding te betalen in verband met verschillende van die gebreken, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 juli 2019;


voor recht wordt verklaard dat hij € 16.802,16 onverschuldigd aan [xx] heeft betaald;



[xx] wordt veroordeeld om de wettelijke rente vanaf 18 juli 2019 over het onverschuldigd betaald bedrag van € 16.802,16 te vergoeden;



[xx] wordt veroordeeld om mee te werken aan vrijgave van het onder de notaris berustende depot en betaling aan [appellant] van het hem daaruit toekomende bedrag.





4.2.

[appellant] en [persoon A] hebben daartoe aangevoerd dat [xx] tekortgeschoten is in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst door de woning met een groot aantal (63) gebreken op te leveren en/of bij de oplevering geconstateerde gebreken niet goed te herstellen. Deze gebreken moeten alsnog hersteld worden, of [xx] moet daarvoor een (vervangende) schadevergoeding betalen. Daarnaast hebben [appellant] en [persoon A] teveel aan [xx] betaald, omdat minderwerkposten niet in mindering zijn gebracht.



4.3.

[xx] heeft verweer gevoerd in conventie en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] en [persoon A] , met veroordeling van [appellant] en [persoon A] , in de proceskosten. [xx] heeft betwist dat de door [appellant] en [persoon A] opgevoerde punten gebreken waren of dat die niet juist waren hersteld. Ook heeft [xx] betwist dat [appellant] en [persoon A] te veel zouden hebben betaald.



4.4.
Daarnaast heeft [xx] in reconventie gevorderd dat [appellant] en [persoon A] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 17.864,66, vermeerderd met proceskosten en wettelijke rente vanaf 18 juli 2019. [xx] heeft aangevoerd dat [appellant] en [persoon A] dat bedrag nog op grond van de aannemingsovereenkomst verschuldigd zijn.



4.5.
Op hun beurt hebben [appellant] en [persoon A] in reconventie verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [xx] , met veroordeling van [xx] in de proceskosten.



4.6.
De rechtbank heeft [xx] , verkort weergegeven, in conventie veroordeeld om de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde gebreken met de nummers 4, 5, 32, 41, 54 en 55, binnen vier weken na het vonnis te herstellen en om aan [appellant] en [persoon A] € 1.900,00 aan schadevergoeding te betalen, alsmede de proceskosten in conventie, beide vermeerderd met de wettelijke rente. In reconventie heeft de rechtbank [appellant] en [persoon A] hoofdelijk veroordeeld om aan [xx] € 17.864,66 inclusief btw te betalen, alsmede de proceskosten in reconventie, beide vermeerderd met de wettelijke rente.



In hoger beroep




4.7.

[appellant] vordert in hoger beroep – samengevat – dat het hof zijn vorderingen in conventie ter zake de gebreken en (vervangende) schadevergoeding (€ 14.714,04), voor zover die in eerste aanleg zijn afgewezen, alsnog toewijst. Daarnaast vordert [appellant] onder het zesde gedachtenbolletje van het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, net als in eerste aanleg, dat voor recht wordt verklaard dat hij € 16.802,16 onverschuldigd aan [xx] heeft betaald en dat [xx] wordt veroordeeld om mee te werken aan vrijgave van het onder de notaris berustende depot en betaling aan [appellant] van het hem daaruit toekomende bedrag.



4.8.
Bovendien heeft [appellant] bij memorie van grieven zijn eis in conventie vermeerderd (verder de “eerste eiswijziging”) en vordert hij in hoger beroep – samengevat – ook:


om [xx] te veroordelen om binnen vier weken na het te wijzen arrest ten aanzien van gebrek 9 een WTW-unit (Zehnder type Q600) en ten aanzien van gebrek 28 een buffervat van driehonderd liter, inclusief toebehoren te (laten) leveren en monteren;


om [xx] te veroordelen om de wettelijke rente over het onverschuldigd betaald bedrag van € 79.108,35 te vergoeden.





4.9.
Tot slot vordert [appellant] in hoger beroep dat het hof de vorderingen van [xx] in reconventie alsnog afwijst.



4.10.
Vervolgens heeft [appellant] bij “akte verbetering en vermeerdering van eis alsmede overlegging productie” zijn eis in conventie verbeterd en nogmaals vermeerderd (verder de “tweede eiswijziging”). [appellant] beoogt middels die akte zijn eis te verbeteren door:
 het bedrag vermeld in de (hiervoor onder 4.7 genoemde) vordering onder het zesde gedachtenbolletje in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, te wijzigen van € 16.802,16 naar € 61.242,35;
en zijn eis te vermeerderen door toe te voegen de vorderingen tot veroordeling van [xx] tot:


betaling van € 43.376,35 (naar het hof begrijpt het verschil tussen € 61.242,35 en het vrij te geven depotbedrag);


herstel van de lekkage in het plafond in het midden van de woonkamer en de lekkage in de scheidingsmuur tussen de chillruimte en de bijkeuken.





4.11.

[appellant] heeft ter onderbouwing van een en ander in de memorie van grieven 31 grieven geformuleerd.



4.12.

[xx] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met rente.



4.13.
Op de standpunten van partijen gaat het hof, voor zover van belang, in het navolgende nader in.






5De beoordeling



Omvang van het hoger beroep



5.1.
Artikel 131 Rv bepaalt dat geen hogere voorziening openstaat tegen de rechtersbeslissing om na de antwoordconclusie een mondelinge behandeling te houden. Daarom zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen het (bij het beroepsexploot ook beroepen) tussenvonnis van 27 juli 2022 waarbij de rechtbank een dergelijke mondelinge behandeling heeft gelast.



5.2.
Daarnaast stelt het hof vast dat geen grieven zijn geformuleerd tegen de oordelen van de rechtbank waarin de vorderingen van [appellant] in conventie (deels) zijn toegewezen en dat daartegen ook geen incidenteel appel is ingesteld. Voor zover de vorderingen van [appellant] in conventie zijn toegewezen valt het oordeel van de rechtbank dus ook buiten de omvang van dit hoger beroep, althans mag [appellant] door het eigen hoger beroep niet in een slechtere positie komen te verkeren dan waarin [appellant] door de beroepen vonnissen is gebracht.



5.3.
Het hoger beroep beperkt zich daarmee tot die oordelen in het tussenvonnis en het eindvonnis waarbij in conventie (delen van) de vorderingen van [appellant] jegens [xx] zijn afgewezen en tot de toewijzing van de vorderingen in reconventie van [xx] jegens [appellant] .



5.4.
Verder beperkt dit hoger beroep zich tot de rechtsverhouding tussen partijen. Dat [persoon A] in eerste aanleg aan de eisende zijde van [appellant] ook in het geding was betrokken, laat onverlet dat [persoon A] in hoger beroep geen partij is. Door de rechtbank ten aanzien van [persoon A] gegeven beslissingen liggen niet ter beoordeling aan het hof voor. [persoon A] is ook geen partij in dit hoger beroep en bovendien heeft (de advocaat van) [appellant] op de mondelinge behandeling verklaard dat in het petitum van de memorie van grieven abusievelijk ten onrechte “ [appellant] c.s.” is vermeld waar alleen [appellant] is bedoeld.



Eiswijzigingen en eisverbetering.




5.5.
Een partij mag hangende de procedure haar eis of de gronden daarvan veranderen of vermeerderen, voor zover dat niet in strijd komt de eisen van een goede procesorde (artikel 130 lid 1 Rv). In hoger beroep beperkt artikel 347 lid 1 (twee conclusieregel) de bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis echter in die zin, dat zo’n verandering of vermeerdering in beginsel niet later mag dan in de memorie van grieven of memorie van antwoord.



5.6.
De eerste eiswijziging (zie 4.8) is bij memorie van grieven gedaan en dus in elk geval tijdig. [xx] heeft tegen deze eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt en nu de eisvermeerdering ook overigens niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde, staat het hof deze vermeerdering van eis toe.



5.7.
De tweede eiswijziging (zie 4.10) is gelet op wat hiervoor onder 5.5 is overwogen te laat gedaan en komt daarom al in strijd met de eisen van een goede procesorde. Omstandigheden die afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. Het hof staat deze tweede eiswijziging daarom niet toe.



5.8.
Dat is anders voor de eisverbetering (zie ook 4.10). [xx] heeft tegen deze verbetering van het petitum geen bezwaar gemaakt. Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] onder randnummer 98 van zijn memorie van grieven al heeft geschreven: “ wijzigt zijn vordering onder het vijfde punt [het hof begrijpt “het zesde” punt], bladzijde 47 van de dagvaarding van "€ 16.802,16" naar "€ 61.242,35". De gewijzigde eis heeft [appellant] aan het slot van de memorie van grieven opgenomen”. In dat zesde punt van het petitum, zoals in de memorie van grieven geformuleerd is de hiervoor geciteerde wijziging echter niet doorgevoerd. Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving in het petitum van de memorie van grieven. Door verbetering daarvan wordt [xx] niet in enig procesbelang geschaad (dat is door [xx] ook niet gesteld). Het hof staat deze verbetering daarom toe.



5.9.
Resumerend, zal het hof in het navolgende recht doen op de eis zoals bij memorie van grieven geformuleerd, waarbij voor het bedrag € 16.802,16 in het zesde punt van het petitum in de plaats het bedrag € 61.242,35 zal worden gelezen.



De grieven 1, 3, 4, 10, 18, 19, 20, 25, 26, 27




5.10.

[appellant] heeft 31 duidelijk (van elkaar) te onderscheiden grieven geformuleerd, elke steeds aanvangend met het dikgedrukte woord “Grief” gevolgd door het betreffende volgnummer. Hoewel in de memorie van grieven dus duidelijk te herkennen is wat [appellant] als grief heeft bedoeld, maakt die enkele omstandigheid nog niet dat ook steeds sprake is van een inhoudelijke en/of deugdelijke grief.



5.11.
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ter onderbouwing dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Hoewel een uitdrukkelijke aanduiding (en nummering) als grief (zoals [appellant] dus wel heeft gedaan) daarbij niet noodzakelijk is, moeten die gronden wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding. Zij moeten, anders gezegd, voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij. De rechter moet immers kunnen weten waarover hij moet oordelen en de wederpartij moet kunnen weten waartegen hij zich in hoger beroep moet verweren. De manier waarop de wederpartij de inhoud van het processtuk van appellant, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen, kan daarbij een rol spelen.



5.12.
Het voorgaande betekent dat een appellant niet kan volstaan met de mededeling dat hij het met het oordeel van de rechter niet eens is. De appellant zal moeten onderbouwen waarom dat oordeel niet juist is, waarbij een enkele algemene verwijzing naar wat in eerste aanleg is aangevoerd, of mededeling dat in het in eerste aanleg aangevoerde wordt volhard, in beginsel niet voldoende is. Ook het enkel stellen van een feit of omstandigheid, zonder uitleg waarom uit dat feit of die omstandigheid de onjuistheid van het oordeel van de rechter volgt, is in beginsel niet voldoende.



5.13.
De grieven 1 (reeds herstelde gebreken, r.o. 5.5 tussenvonnis), 3 (gebrek 3, functioneren warmtepomp r.o. 5.12 tussenvonnis), 4 (gebrek 6, locatie WTW-installatie, r.o. 5.24 tussenvonnis), 10 (gebreken 16 en 18, locatie leidingen WTW-installatie, r.o. 5.47 tussenvonnis), 11 (gebrek 21, koof toilet, r.o. 5.50 tussenvonnis), 18 (gebrek 50, bovendorpels zijgevel, r.o. 5.96 tussenvonnis), 19 en 20 (gebrek 62, afwerking stucwerk, r.o. 5.106 en 5.107 tussenvonnis), 25 tot en met 27 (gebrek 10, bedieningsregelaars, r.o. 2.16 en 2.20 eindvonnis) voldoen niet aan het hier voorgaande. In geen van deze grieven is feitelijk of juridisch onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn. Deze grieven kunnen daarom geen van alle leiden tot vernietiging van enig oordeel van de rechter in eerste aanleg en het hof gaat daarom verder aan deze grieven voorbij.



Grief 2 (gebrek 2, inregelen vloerverwarming, r.o. 5.9 tussenvonnis)




5.14.

[appellant] heeft gesteld dat de vloerverwarmingsinstallatie enkel is ingeregeld na de oorspronkelijke plaatsing, maar niet opnieuw, nadat daarna kunststof verdelers zijn gemonteerd. [xx] heeft dit betwist en aangevoerd dat de installateur (Martens) de installatie na het monteren van de kunststof verdelers wel opnieuw heeft ingeregeld.



5.15.
In het licht van de betwisting door [xx] heeft [appellant] zijn stelling onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De grief faalt.



De grieven 5 en 6 (gebrek 7, trapgat te smal [grief 5] en te laag [grief 6], r.o. 5.31 en 5.32 tussenvonnis)




5.16.
Het hof bespreekt deze grieven samen, omdat zij beide het trapgat betreffen. Beide grieven falen, zoals uit het navolgende volgt.



5.17.

[xx] heeft de stelling van [appellant] dat het trapgat volgens de regels van het bouwbesluit te smal is, gemotiveerd betwist. Zelfs als het hof echter veronderstellenderwijs van de juistheid van het standpunt van [appellant] uit zou gaan, geldt dat [appellant] zijn (in dit hoger beroep) primaire stelling dat zijn woning daardoor € 750,00 minder waard zou zijn, op geen enkele manier heeft onderbouwd.



5.18.
Ook de (in dit hoger beroep) subsidiaire stelling van [appellant] , dat het te smalle trapgat immateriële schade veroorzaakt wegens aantasting in zijn persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW, heeft [appellant] (nadat deze vordering in eerste aanleg wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing op dit punt is afgewezen) in hoger beroep niet nader onderbouwd.



5.19.
Alleen al op grond van het ontbreken van de hiervoor bedoelde onderbouwingen, kan de gevorderde schadevergoeding niet worden toegewezen. Het hof merkt daarbij nog op dat artikel 6:106 sub b BW niet voor dit soort (gestelde) schade is bedoeld. Het minder makkelijke doorgang hebben vanwege een te smal trapgat (als dat dus al zo is) levert gewoonweg geen aantasting in de persoon op als bedoeld in dit artikel.



5.20.
Daarnaast heeft [appellant] gesteld dat het trapgat te laag is. [appellant] vordert herstel van dit door hem gestelde gebrek. In eerste aanleg is deze vordering afgewezen omdat onvoldoende was gebleken dat herstel mogelijk is. [appellant] stelt bij memorie van grieven onder randnummer 29 “(…) dat herstel mogelijk is. Er is immers niet [vet: hof] een stalen balk direct achter het afgetimmerde "kuipstuk" aanwezig.”



5.21.
Dit standpunt is niet te rijmen met het standpunt dat [appellant] ter zitting heeft ingenomen. Daar heeft [appellant] immers juist aangevoerd dat er wél een stalen balk is aangebracht (randnummer 2 spreekaantekeningen mr. Duurtsema) en dat nota bene onderbouwd met foto’s (productie 48), waarop die stalen balk te zien is.



5.22.

[appellant] heeft daarmee, mede gezien het verweer van [xx] (die dat ter zitting nogmaals heeft herhaald), zijn stelling dat herstel mogelijk is onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.



Grief 7 (gebrek 8, schroeven/spijkers in plafond zolder, r.o. 5.34 tussenvonnis)




5.23.
Ook in dit verband vordert [appellant] herstel en ook deze vordering is door de rechtbank afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat herstel mogelijk is.



5.24.

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat herstel wel mogelijk is, omdat de nok van het dak aan de binnenzijde eenvoudig te bereiken is door ladders of een steiger te plaatsen. [appellant] heeft niet weersproken dat de schroeven en spijkers, die naar het hof begrijpt van buitenaf zijn aangebracht en door het dakbeschot aan de binnenzijde heen steken, niet meer geheel verwijderd kunnen worden.



5.25.

[xx] heeft ter zitting beaamd dat de nok van het dak aan de binnenzijde inderdaad wel met een ladder of steiger bereikt kan worden. [xx] heeft daar echter aan toegevoegd dat, gelet op de beperkte manoeuvreer- en werkruimte in de nok van het dak, er een grote kans bestaat dat door het uitvoeren van werkzaamheden aan de bewuste spijkers en/of schroeven, er juist andere, nieuwe schade ontstaat. [appellant] heeft dat niet weersproken.



5.26.
Het hof is van oordeel dat gezien de omstandigheden dat de bewuste spijkers en schroeven niet verwijderd kunnen worden en bij werkzaamheden aan die spijkers en schroeven een grote kans bestaat op verdere schade, geen sprake is van een zinvolle mogelijkheid tot deugdelijk herstel. Nu [appellant] die omstandigheden, zoals hiervoor overwogen, niet heeft weersproken, is het oordeel van de rechtbank dat herstel niet mogelijk is en de vordering daarom afgewezen moet worden, juist. De grief faalt.



Grief 8 (gebrek 9, functioneren WTW-installatie, r.o. 5.38 tussenvonnis)




5.27.

[appellant] stelt dat de door [xx] geleverde WTW-installatie onvoldoende capaciteit heeft (zo begrijpt het hof) voor een woning met een oppervlakte als die van [appellant] . [appellant] verwijst daarbij naar een brochure van de fabrikant van de installatie (productie 46 bij memorie van grieven), waar een en ander uit zou blijken.



5.28.

[xx] heeft daartegen aangevoerd dat niet zij, maar de architect die de woning in opdracht van [appellant] heeft ontworpen de benodigde capaciteit voor de WTW-installatie heeft berekend. [xx] heeft daarbij verwezen naar de door de architect gemaakte definitieve tekening (productie 20 bij dagvaarding in eerste aanleg). Op deze tekening is door de architect een benodigde capaciteit vermeld van 327m3/h, aldus [xx] . [appellant] heeft dit niet weersproken. [xx] heeft er verder op gewezen dat de geleverde installatie een capaciteit heeft van 350m3/h. Meer dus dan de door de architect vastgestelde benodigde capaciteit. Deze door [xx] genoemde maximale capaciteit blijkt ook uit de hiervoor genoemde brochure. Ook dit heeft [appellant] niet weersproken. Volgens [xx] is de capaciteit van de geleverde installatie dus voldoende en, voor zover dat niet zo zou zijn, is niet [xx] aansprakelijk, maar de architect.



5.29.
Gezien het voorgaande heeft [appellant] zijn stelling dat [xx] is tekortgeschoten door een WTW-installatie van onvoldoende capaciteit te leveren, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De grief faalt daarom. Het rapport van EXP (productie 14 bij dagvaarding in eerste aanleg), waar [appellant] in eerste aanleg naar heeft verwezen, maakt dat niet anders. Dat rapport geeft immers geen uitsluitsel in de vorm van duidelijke en bruikbare conclusies. Dit rapport zegt immers niet meer dan dat “Een globale [vet: hof] controle van de ventilatie eis volgens Bouwbesluit 2012 laat zien dat wellicht [vet: hof] de ventilatie ontoereikend is” en dat “onderzoek conform het bouwbesluit” uitsluitsel zou moeten geven.



Grief 9 (gebrek 11, sifon, r.o. 5.44 tussenvonnis)




5.30.
Het hof verwerpt deze grief. [appellant] stelt dat zich een lekkage heeft voorgedaan omdat door of namens [xx] een sifon niet volgens de regelen der kunst afgemonteerd zou zijn. Dit had volgens [appellant] namelijk met een schroef vastgezet moeten worden en dat heeft [xx] nagelaten.


5.31.
Los van de betwisting door [xx] geldt dat [appellant] ook in hoger beroep op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de gestelde lekkage het gevolg is geweest van voor risico van [xx] komende feiten of omstandigheden. Het ontbreken van de bewuste schroef is niet voldoende. Daaruit volgt immers nog niet dat het sifon ook daadwerkelijk niet lekvrij is aangebracht.



Grief 12 (gebrek 22, afwerking trapgat, r.o. 5.53 tussenvonnis)




5.32.
Deze vordering is door de rechtbank afgewezen omdat het gestelde gebrek niet in het opleverings-proces-verbaal als zodanig is benoemd. Die constatering van de rechtbank is juist. Als uit de stellingen van [appellant] in hoger beroep al iets blijkt, is het dat dit punt door [appellant] al voor de oplevering als een gebrek werd gezien. Juist dan had het op zijn weg gelegen daar bij de oplevering melding van te doen en in het proces-verbaal op te laten nemen. Dat [appellant] dat niet heeft gedaan komt enkel voor zijn eigen rekening en risico.



5.33.
Het hof verwerpt deze grief.



Grief 13 (gebrek 23, beschadigd stucwerk bij deur badkamer, r.o. 5.56 tussenvonnis)




5.34.
Deze grief faalt omdat [appellant] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door [xx] onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd, doordat hij heeft nagelaten om, onderbouwd, aan [xx] toe te rekenen feiten en/of omstandigheden aan te voeren waarvan deze schade het gevolg is. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe.



Grief 14 (gebrek 24, isolatie leidingen begane grond, r.o. 5.59 tussenvonnis)




5.35.
Deze grief faalt. Uit de stellingen van [appellant] volgt dat het om isolatie gaat die na oplevering pas is aangebracht. Dat bij oplevering van deze isolatie genoteerd zou zijn dat die gebrekkig was (zoals [appellant] onder randnummer 56 memorie van grieven stelt) is daarom feitelijk onmogelijk. Verder stelt [appellant] niet meer dan dat de isolatie “slordig” (dagvaarding in eerste aanleg) of “onzorgvuldig” (memorie van grieven) is aangebracht. Dat daarmee ook sprake zou zijn van een daadwerkelijk gebrek is door [appellant] onvoldoende nader onderbouwd. [appellant] voldoet daardoor niet aan zijn stelplicht op dit punt, zodat het oordeel van de rechtbank in stand blijft.



Grief 15 (gebrek 28, capaciteit buffervat, r.o. 5.65 tussenvonnis)




5.36.

[appellant] heeft zijn stelling dat het buffervat onvoldoende capaciteit zou hebben op geen enkele wijze (met stukken) onderbouwd. In het licht van het gemotiveerde verweer van [xx] , heeft [appellant] zijn stelling daarom onvoldoende onderbouwd gehandhaafd. Aan bewijsvoering op dit punt kan reeds daarom al niet worden toegekomen. De grief faalt.



Grief 16 (gebrek 30, bedieningspaneel WTW-intallate, r.o. 5.68 tussenvonnis)




5.37.
De grief faalt. [xx] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een gebrek. Dat wel sprake is van een gebrek is door [appellant] in dat licht onvoldoende (feitelijk) onderbouwd. Uit productie 46, waar [appellant] naar verwijst volgt dat in elk geval niet. Ook heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de door Martens aangebrachte repeater door deze in zijn hoedanigheid van onderaannemer van [xx] is aangebracht.



Grief 17 (gebrek 36, peilhoogte garagevloer, r.o. 5.74 tussenvonnis)




5.38.

[appellant] stelt dat het peil van de garagevloer ongeveer drie centimeter lager is dan het peil van de vloer van de woning. Volgens [appellant] is dat een gebrek waarvoor [xx] aansprakelijk is. [xx] heeft betwist dat het peilverschil een gebrek is en, voor zover het dat zou zijn, dat zij daarvoor aansprakelijk is.



5.39.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] over dit peilverschil verklaard dat de oorzaak erin gelegen is dat de garage (vloer) oorspronkelijk los zou staan van de woning. Pas later bleek die aan de woning vast te zitten, aldus [appellant] ter zitting.



5.40.
Het hof stelt vast dat niet voldoende gesteld of gebleken is dat uitdrukkelijk is overeengekomen dat het peil van de garagevloer exact gelijk diende te zijn aan het peil van de vloer van de woning. Een dergelijke eis valt ook niet goed te rijmen met de door [appellant] beschreven oorspronkelijke situatie dat de vloer van de garage en van de woning niet direct op elkaar aansluiten. In dat licht heeft [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld en/of deze onderbouwd om vast te stellen dat het peilverschil tussen beide vloeren een gebrek oplevert. De grief wordt daarom verworpen.



Grief 21 (gebrek 6, scheuren in ruiten voorzijde, r.o. 5.109 tussenvonnis)




5.41.
Niet in geschil is dat de betreffende kozijnen en deuren door [appellant] zelf bij de leverancier (niet [xx] ) zijn aangekocht en niet door [xx] zijn geplaatst. In dat licht heeft [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die tot een oordeel zouden kunnen leiden dat [xx] desondanks voor de gestelde scheuren aansprakelijk is. De vordering moet alleen op die grond al moeten worden afgewezen. De grief faalt.



De grieven 22 (r.o. 5.110 tussenvonnis) en 28 (r.o. 2.21 eindvonnis)




5.42.
Hiermee grieft [appellant] tegen twee overwegingen waarin de rechtbank niets anders doet dan samenvatten respectievelijk recapituleren wat daarvoor al in het tussenvonnis bij afzonderlijke overwegingen is geoordeeld. De grieven hebben daarom geen zelfstandige betekenis. Het hof laat deze grieven daarom verder onbesproken.



De grief 23 en 24 (gebrek 40, kleur zinkwerk, r.o. 2.9 en 2.10 eindvonnis)




5.43.
Beide grieven betreffen hetzelfde gebrek. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.



5.44.
Voor zover hier van belang heeft de rechtbank in het tussenvonnis, verkort weergegeven, aan [appellant] en [persoon A] bewijs opgedragen van hun stelling dat [xx] gegarandeerd heeft dat het zinkwerk daadwerkelijk de kleur van de getoonde staal ("Graphite Grey") zou zijn. De grieven richten zich tegen de overweging van de rechtbank waarin deze heeft geoordeeld dat uit de door [appellant] overgelegde bewijsmiddelen niet volgt dat [xx] [appellant] heeft gegarandeerd dat het te leveren zinkwerk steeds de exacte kleur van de eerder bekeken kleurstaal (Graphite Grey) zou hebben, maar in plaats daarvan juist meermaals heeft gewaarschuwd voor aan het materiaal (en vooral bij deze gekozen kleur) inherente kleurverschillen (r.o. 2.9) en dat hij niet is toegelaten tot nader getuigenbewijs (r.o. 2.10). [appellant] geeft aan dat hij opnieuw tot bewijslevering in staat wil worden gesteld, maar verduidelijkt niet, althans onvoldoende, dat hij nu in hoger beroep – na eerdere bewijslevering in eerste aanleg – nog aanvullend bewijs kan bijbrengen en verduidelijkt zelfs niet of dat schriftelijk of getuigenbewijs zou kunnen zijn. [appellant] maakt evenmin duidelijk dat hij inmiddels over bewijsmiddelen beschikt die hij in eerste aanleg nog niet heeft kunnen inbrengen.


5.45.

[appellant] voert daartegen in hoger beroep aan dat hij “de wens en daarmee opdracht aan [xx] heeft uitgesproken respectievelijk gegeven om Graphite Grey te gebruiken” (memorie van grieven, randnummer 82). Voor zover er al enige waarheid zou schuilen in de stelling dat met het uitspreken van een wens ook meteen een daarmee corresponderende opdracht is gegeven (wat het hof hier verder maar in het midden laat), gaat [appellant] eraan voorbij dat daarmee nog niet is ondervangen dat hij juist géén kleurgarantie, maar wél een kleurwaarschuwing van [xx] heeft gekregen.



5.46.
In het licht van deze omstandigheden is debewering dat, omdat de kleur nou eenmaal afwijkt van de staal, per definitie ook een verkeerde kleur is geleverd, zonder nadere onderbouwing (die ontbreekt) niet houdbaar. De stelling van [appellant] doet immers niets af aan de door [xx] als verweer opgeworpen omstandigheid dat zich bij dit materiaal en in deze kleur van nature veelvuldig en aanmerkelijke kleurverschillen voordoen. [appellant] heeft zijn stelling dat een andere kleur dan overeengekomen is geleverd daarmee onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Aan bewijsvoering komt het hof ook daarom al niet toe. De grieven falen.



Grief 25 (gebrek 10, bedieningsregelaars, r.o. 2.16 eindvonnis)




5.47.

[appellant] stelt dat overeengekomen is dat handmatige bedieningsregelaars voor de balansventilatie geplaatst zouden worden. [xx] heeft dit gemotiveerd betwist en gewezen op het feit dat juist een vraag gestuurde balansventilatie is overeengekomen en geleverd die zichzelf automatisch regelt en waarbij handmatige bediening dus niet aan de orde is. Na in het tussenvonnis aan [appellant] en [persoon A] de gelegenheid te hebben geboden om zich bij akte uit te laten over de bedieningsregelaars, heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] en [persoon A] hun stelling in het licht van dat verweer onvoldoende hebben onderbouwd.



5.48.

[appellant] verwijst in hoger beroep naar pagina 3 van de offerte die hij als productie 27 bij dagvaarding in eerste aanleg in het geding heeft gebracht. Deze productie omvat echter maar een blad en dat is pagina 1 van de bewuste offerte. De pagina waar [appellant] in hoger beroep naar verwijst is niet in het geding gebracht. Ook niet nadat [xx] op het ontbreken daarvan bij memorie van antwoord heeft gewezen.



5.49.

[appellant] stelt dat op die pagina 3 is vermeld dat er vier uur aan arbeid/service wordt berekend, dat daaruit volgt dat installatiewerkzaamheden worden uitgevoerd en dat “om die reden” ook het installeren van de bedieningsregelaar behoort tot wat is overeengekomen. Deze redenering snijdt geen hout. Natuurlijk moeten er voor de aanleg van een balansventilatie installatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Anders komt die balansventilatie er immers niet. Maar daaruit volgt nog niet wat er aangaande die balansventilatie precies is overeengekomen en of daar, bijvoorbeeld, wel of geen handbediening bij hoort. Dat in dit geval wel handbediening is overeengekomen heeft [appellant] ook in hoger beroep niet nader onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank is juist en de grief faalt.




Grief 26 en 27 (gebrek 46, metselwerk achterdeur, r.o. 2.20 eindvonnis)




5.50.
Na in het tussenvonnis aan [appellant] en [persoon A] de gelegenheid te hebben geboden om zich bij akte uit te laten over de schade aan de achterdeur, heeft de rechtbank geoordeeld om bij gebreke aan een door [appellant] aangekondigde offerte voor de schade aan het metselwerk bij de achterdeur een geschatte vergoeding van € 50,00 toe te wijzen. Met deze grieven bestrijdt [appellant] dat oordeel.



5.51.

[appellant] meent dat een hoger bedrag moet worden toegewezen en heeft daartoe in hoger beroep wel een offerte in het geding gebracht (productie 50). Het hof heeft geconstateerd dat die offerte, blijkens de daarin vermelde omschrijving echter niet enkel op een schade bij de achterdeur ziet, maar ook op een schade bij de voordeur. [appellant] heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen enkele indicatie te kunnen geven van welk gedeelte van het offertebedrag op de schade bij de achterdeur ziet en welk gedeelte niet.



5.52.
Daarmee ontbreekt nog steeds elke onderbouwing voor een hoger bedrag dan door de rechtbank toegekend, zodat ook deze grief faalt.



Grief 29 (betalingsverplichting van [appellant] aan [xx] , r.o. 2.26 eindvonnis)




5.53.

[appellant] heeft een groot aantal bedragen opgevoerd die door hem aan derden zijn betaald, waarvan hij stelt dat die in mindering moeten strekken op wat hij (nog) aan [xx] verschuldigd is. Na in het tussenvonnis aan [appellant] en [persoon A] de gelegenheid te hebben geboden om zich bij akte uit te laten over de totale overeengekomen prijs voor het uit te voeren werk en de bedragen die zij daarop in mindering hebben betaald, heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] en [persoon A] onvoldoende hebben toegelicht waarom die betalingen relevant zijn in de verhouding met [xx] . Dat geldt in hoger beroep nog steeds. [appellant] herhaalt in de toelichting op deze grief (memorie van grieven randnummer 93) immers uitsluitend twee stellingen uit de eerste aanleg. Wat [appellant] niet doet, is uitleggen wat de relevantie van de gestelde betalingen is en waarom die in mindering zouden moeten strekken op wat hij totaal aan [xx] moet betalen.



5.54.
Ook met betrekking tot de door hem gedane contante opnames geeft [appellant] geen enkele onderbouwing waaruit blijkt dat die bedragen (naast wat per bank is voldaan) aan [xx] zijn uitbetaald.



5.55.
Grief 29 treft daarom geen doel. De ontbrekende toelichting ontbreekt immers in dit hoger beroep nog steeds.



De grieven 30 en 31 (reconventie, r.o. 2.29 eindvonnis)




5.56.
Omdat grief 29 faalt, hebben de grieven 30 en 31 geen (zelfstandige) betekenis. In r.o. 2.29, waartegen grief 30 en 31 zich richten, is immers enkel de optelsom gemaakt die uit de oordelen in r.o. 2.26 en de (niet bestreden) r.o. 2.27 en 2.28 volgt.



Conclusie en bewijsaanbod




5.57.

[appellant] heeft bewijs aangeboden, maar zoals hiervoor overwogen geldt voor een aanzienlijk aandeel van de grieven echter dat [appellant] niet, of onvoldoende, uiteenzet op welke feitelijke of juridische gronden het oordeel van de rechtbank onjuist is. In al die gevallen komt het hof aan bewijslevering niet toe. Daarnaast volgt uit wat ten aanzien van de overige grieven in het voorgaande is overwogen dat [appellant] steeds zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, dan wel zijn stellingen in het licht van de door [xx] gevoerde verweren onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. In beide gevallen betekent dat dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat ook daarbij niet aan bewijs toegekomen wordt. Voor zover [appellant] meermalen suggereert of aanbiedt zijn standpunt zo nodig nog met nieuwe stukken nader te kunnen onderbouwen of staven, heeft [appellant] voor de eventuele opmaak en inbreng daarvan inmiddels al genoeg tijd en gelegenheid gehad.



5.58.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep van het tussenvonnis van 27 juli 2022 en omdat geen van de grieven tot een ander oordeel leidt dan dat door de rechtbank is gegeven, zal het hof de beroepen vonnissen van 25 oktober 2023 en 5 juni 2024 bekrachtigen.



Proceskosten




5.59.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [xx] zullen vastgesteld worden op:


Griffierecht € 2.175,00


Salaris advocaat € 3.142,00 (2 punten x tarief III)



Nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)


Totaal € 5.495,00.






6De uitspraak


Het hof:



6.1.
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van 27 juli 2022;



6.2.
bekrachtigt de beroepen vonnissen van 25 oktober 2023 en 5 juni 2024;



6.3.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in het hoger beroep van € 5.495,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van de 15e dag na dagtekening van dit arrest. Als [appellant] niet aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening;



6.4.
verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, M.G.W.M. Stienissen en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer