Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3008

2025-10-30 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.351.789_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-30
Publicatiedatum
2025-10-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.351.789_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

1:251a BW. Uitgangspunt is gezamenlijk gezag en geen reden om hiervan af te wijken.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.910 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 30 oktober 2025
Zaaknummer : 200.351.789/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/410105 / FA RK 23-2526




in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet,



tegen





[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. H. Tülü.



Deze zaak gaat over:


[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



Als informant merkt het hof aan:




Stichting Jeugdbescherming West Regio Zeeland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.





1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.







2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, een contactregeling bepaald tussen de vader en [minderjarige] waarbij [minderjarige] gedurende een keer per week op dinsdagmiddag van 15.30 uur tot maximaal 16.30 uur door middel van videobellen contact zal hebben met de vader onder begeleiding van een professionele en Turkssprekende hulpverlener.



2.2.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover dit betreft de afwijzing van het verzoek van de moeder om te bepalen dat het ouderlijk gezag van de vader zal worden beëindigd en, opnieuw rechtdoende dit verzoek alsnog toe te wijzen.



2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2025, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.



2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:


de moeder, bijgestaan door mr. Burlet;


de vader (via digitale verbinding), bijgestaan door mr. Tülü en tolk in de Turkse taal G. Dogruyol (tolknummer: 1102);


de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (via digitale verbinding);


de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .





2.5.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.



2.6.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 15 januari 2024 en 29 oktober 2024;
- het V6-formulier met bijlage d.d. 11 juni 2025 namens de moeder, ingekomen op 12 juni 2025;
- het V6-formulier met bijlagen d.d. 13 september 2025 namens de vader.





3De feiten


3.1.
De moeder en de vader zijn op 29 februari 2012 te [plaats] , Turkije, met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 februari 2024 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 3 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.



3.2.
De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .



3.3.
De moeder heeft nog vier andere kinderen, te weten:



[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1994;



[kind 2] [geboortedatum] 1995;



[kind 3] , geboren op [geboortedatum] 1998;



[kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2004.






3.4.
Bij voornoemde beschikking van 9 februari 2024 is onder andere ook het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is een voorlopige contactregeling bepaald tussen [minderjarige] en de vader waarbij zij een keer per week gedurende één uur videobellen onder begeleiding van [instantie 1] , op dag en tijdstip zoals zij thans gewend waren.



3.5.
Bij beschikking van de rechtbank van 6 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 6 juni 2026.



3.6.

[minderjarige] en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit.





4De beoordeling


4.1.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezag van de vader afgewezen. De moeder heeft de vader de deur gewezen nadat een (andere) dochter van de moeder aangifte tegen de vader heeft gedaan betreffende seksueel misbruik. Sindsdien hebben de ouders geen enkel rechtstreeks contact meer gehad. De raad heeft in eerste aanleg het onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek vanwege de zorgen over het klemzitten van [minderjarige] tussen de ouders als gevolg van de onderlinge strijd en het uitblijven van contact. Ook [instantie 1] heeft bij de raad aangegeven dat er sprake is van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] . De raad heeft overwogen dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders en dat zij zich bevindt in een situatie waarin zij met de moeder niet over de vader kan praten, en met de vader niet over de moeder. Tot op heden is er niets gewijzigd en hebben de ouders nog steeds geen contact. De trauma’s van de moeder belemmeren de moeder hierin. Voor gezamenlijk gezag moet overleg met de vader mogelijk zijn. Dat is zonder tussenkomst van een derde niet het geval. Ook lukt het de moeder door de trauma’s niet om de vader te informeren over [minderjarige] . Het is de GI die nu als brug fungeert tussen de ouders om de vader te benaderen over beslissingen aangaande [minderjarige] . De moeder kan dit simpelweg niet, ondanks dat zij zich hier voor wil inzetten. Het is onmogelijk om binnen een afzienbare tijd het onderlinge vertrouwen tussen de ouders te herstellen, te meer nu uit het raadsrapport blijkt dat het de vader niet lukt om de moeder erkenning te geven voor de angst die zij heeft als gevolg van de beschuldigingen ter zake van seksueel misbruik van haar middelste dochter terwijl zij de ouder is die de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Daarbij heeft de raad aangegeven dat de vader zich onvoldoende bewust is van de effecten van die beschuldigingen op [minderjarige] . Tevens is opgemerkt dat het voorstelbaar is dat vader zich onmachtig voelt en dat hij vanuit dat gevoel soms besluiten neemt die niet geheel aansluiten bij [minderjarige] . Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat de moeder eenhoofdig het gezag krijgt. Het hebben van gezamenlijk gezag met de vader levert de moeder dermate spanningen op dat dit haar behandeling vertraagt. Het vooruitzicht dat zij omwille van het gezamenlijk gezag contact moet hebben met de vader, triggert haar trauma’s. De moeder wil dat er hulp komt voor [minderjarige] , in plaats van de door de GI ingezette hulpverlening van [instantie 2] dat zich richt op de verhouding tussen de moeder en [minderjarige] . Als de moeder eenhoofdig het gezag heeft, zal de rust die de moeder ervaart zijn weerslag hebben op [minderjarige] . De rechtbank miskent dat het niet hebben van gezag niet in de weg staat aan het recht van de vader op contact met [minderjarige] . Niet ondenkbaar is dat juist het ontbreken van het gezamenlijk gezag bij de moeder meer ruimte laat ontstaan om de contacten te ondersteunen omdat het bepaalde angsten zal wegnemen. De contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader hebben bovendien weinig diepgang en [minderjarige] weigert sinds eind mei 2025 contact met de vader te hebben. De vader onderneemt zelf ook weinig actie om informatie in te winnen over [minderjarige] bij bijvoorbeeld school of de huisarts. De vader weet hierdoor niet goed wat er speelt in het leven van [minderjarige] . Het feit dat de vader geen gezagsbeslissingen heeft tegengehouden maakt niet uit. Het louter instemmen met beslissingen is immers niet daadwerkelijk het uitoefenen van gezag.



4.2.

De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader heeft zijn gezag niet misbruikt of anderszins onredelijk of tegen de belangen van [minderjarige] gehandeld. De aangifte tegen de vader is geseponeerd. Hij heeft zich altijd coöperatief opgesteld en het belang van [minderjarige] vooropgesteld. Dat er geen direct persoonlijk contact is tussen de ouders, betekent niet dat gezamenlijk gezag onmogelijk is. De vader is bereid het contact op zakelijk niveau over de e-mail of Whatsapp voort te zetten. De ouders moeten in staat zijn om, al dan niet met tussenkomst van derden, besluiten te nemen in het belang van hun kind. De huidige situatie waarin de GI als brug functioneert voldoet daaraan. Zolang dit leidt tot werkbare besluitvorming, is er geen reden om het gezag te beëindigen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] hierdoor klem of verloren zou raken. De omstandigheden van minimaal contact en de fysieke afstand tussen de vader en [minderjarige] pleiten zelfs voor het behoud van gezamenlijk gezag. De vader maakt zich zorgen dat de moeder het contact tussen de vader en [minderjarige] verder zal beperken als zij alleen het gezag heeft en dat hij nog minder informatie zal krijgen over [minderjarige] . De vader heeft sinds mei 2025 geen contact meer gehad met [minderjarige] en hij wordt er ook niet van op de hoogte gesteld als [minderjarige] een belmoment niet wil laten doorgaan. Hij ontvangt bovendien geen informatie over hoe het met haar gaat. Het zou fijn zijn als er een tolk bij de belmomenten betrokken kan worden. Omdat de vader niet goed Nederlands praat en hij niet meer in het Turks mag praten tijdens de belmomenten verloopt het contact moeizaam.
De vader staat open voor hulp om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Het enkele feit dat de moeder trauma's ervaart, hoe ernstig ook, is niet zonder meer voldoende reden om het ouderlijk gezag van de vader te beëindigen. De moeder zal aan haar eigen herstel moeten werken, zonder dat dit ten koste gaat van de betrokkenheid van de rol van de vader in het leven van [minderjarige] .




4.3.

De GI heeft het volgende naar voren gebracht. [instantie 3] is betrokken bij de begeleiding van de belmomenten. [minderjarige] heeft op enig moment aangegeven dat zij het niet eens was met de gemaakte afspraken en dat zij de belmomenten anders wilde vormgeven. Hierover is met haar het gesprek aangegaan en er is toen een andere begeleider gekomen. [minderjarige] is toen met de begeleider naar het strand geweest om te videobellen met de vader. Dat was tegen de afspraken in omdat [minderjarige] niet zomaar bij anderen in de auto mocht van de moeder. [minderjarige] blijft het hierover hebben, waarbij zij aangeeft dat de moeder het daar echt niet mee eens was. Dit incident is uitgepraat. Er zijn toen nieuwe afspraken gemaakt waarbij de belmomenten in de zomervakantie weer zouden starten, dan enige tijd zouden stoppen vanwege de drukte rondom het afzwemmen van [minderjarige] , waarna de momenten weer zouden worden opgepakt. [minderjarige] heeft toen aangegeven dat als zij toch niet met de vader wil bellen, zij wel een video naar de vader zou willen sturen. Dat is nooit van de grond gekomen. De moeder heeft daarover namelijk aangegeven dat zij er niet mee instemt als er een video van [minderjarige] naar de vader wordt gestuurd. Later was [minderjarige] ziek en zijn er daarom belmomenten niet doorgegaan. De GI blijft zich inzetten om de belmomenten weer op gang te krijgen. De GI merkt dat [minderjarige] nieuwsgierig blijft over hoe het met de vader gaat. De vader heeft van alle evaluatiemomenten met de moeder en [instantie 3] een kort verslag ontvangen. De vader heeft de GI gevraagd hoe het met [minderjarige] gaat. De GI heeft de vader e-mailadressen gegeven van betrokkenen bij [minderjarige] van school.
In het verleden was er Turkse hulpverlening betrokken bij de belmomenten en dat verliep heel goed. Sinds die hulpverlener een andere baan heeft, is het de GI niet gelukt om een andere Turkssprekende hulpverlener te vinden. Er is voor gekozen om volgens de wens van [minderjarige] de vader Nederlands te laten praten tijdens de belmomenten, omdat [minderjarige] bang is dat de vader belastende vragen stelt die een Nederlandse hulpverlener anders niet kan verstaan. De Tol heeft geadviseerd om hulpverlening van [instantie 2] in te zetten voor hulpverlening met betrekking tot de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de ouders. Ook zijn er zorgen over [minderjarige] met betrekking tot parentificatie, wat inhoudt dat zij zich ouder opstelt dan haar leeftijd. De moeder heeft na de intake bij [instantie 2] aangegeven dat ze niet wil meewerken omdat ze vindt dat de hulp zich alleen moet richten op [minderjarige] . De GI is van mening dat de hulpverlening van [instantie 2] passend is voor de problematiek van [minderjarige] . De moeder heeft ook nog aangegeven problemen te hebben met het taxivervoer naar de hulpverlening omdat [minderjarige] wagenziek wordt. Dit kan volgens de GI worden opgelost door reistabletten.




4.4.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. Het in stand laten van het gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige] . De vader heeft zijn gezag niet misbruikt en heeft geen beslissingen tegengehouden. Er zijn geen voorbeelden die kunnen leiden tot de conclusie dat voldaan wordt aan het klem of verloren-criterium. De raad ziet dat [minderjarige] op emotioneel gebied wel klem zit tussen de ouders, maar dat gaat niet over de beslissingen die er over haar genomen moeten worden. De raad vindt dat de situatie waarbij de GI tussen de ouders staat moet voortduren, waarbij er binnen de ondertoezichtstelling gekeken moet worden hoe er inhoud kan worden gegeven aan het gezamenlijk gezag. De moeder staat achter de belmomenten. Dat betekent dat de moeder erachter staat dat [minderjarige] een vader heeft, hoe moeilijk dat ook is voor de moeder. Het ondersteunen van dit contact is echter veel actiever dan inhoud geven aan het gezag. Er hoeven niet vaak gezagsbeslissingen genomen te worden, en het contact hierover kan zakelijk verlopen. De vader gaat niet in discussie over gezagsbeslissingen en houdt ook geen beslissingen tegen. De raad heeft de zorg dat als de moeder eenhoofdig het gezag uitoefent het contact tussen [minderjarige] en de vader verloren zal gaan. Op dit moment is het behouden van contact al lastig omdat [minderjarige] aangeeft dat zij het niet wil. Dat komt voort uit de klemsituatie waarin zij zich bevindt. Voor de moeder zal het lastig zijn om hier mee om te gaan. De raad hoopt dat de hulpverlening bij [instantie 2] zal starten, zodat de moeder ook ondersteuning krijgt bij het feit dat [minderjarige] een vader heeft en hoe zij zich hierin kan opstellen. Het uitgangspunt van gezamenlijk gezag moet worden gevolgd. Dat het gezamenlijk gezag niets voorstelt als de vader toestemming geeft is onjuist. Het is voor [minderjarige] belangrijk om de weten dat de vader heeft ingestemd met belangrijke beslissingen en dat hij, ondanks de grote afstand, de beslissingen steunt.



4.5.
Het hof overweegt als volgt.



Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht




4.5.1.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 1 juni 2023. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] toen in Nederland was, is de Nederlandse internationaal rechter bevoegd.



4.5.2.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).




Inhoudelijke beoordeling





4.5.3.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:


er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;


wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.





4.5.4.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang is van het kind. De wet gaat uit van voortgezet ouderschap na echtscheiding, waarbij beide ouders verantwoordelijk blijven voor het kind.



4.5.5.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan voornoemde criteria om te bepalen dat het gezag over [minderjarige] aan één ouder moet toekomen. Vast staat dat de relatie tussen de ouders ernstig verstoord is geraakt naar aanleiding van de – overigens niet nader onderbouwde en niet bevestigde - beschuldigingen van de moeder naar de vader betreffende zijn gedrag ten aanzien van haar middelste dochter. Duidelijk is dat de moeder momenteel niet in staat of bereid is om contact te hebben met de vader met betrekking tot [minderjarige] . De moeder is echter op grond van de wet verplicht om de vader informatie te verschaffen en te raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige] en tevens om de band van [minderjarige] met haar vader te bevorderen (art. 1:247 BW). Van de moeder wordt derhalve in het belang van [minderjarige] een actieve en constructieve houding verwacht. Indien de, overigens niet nader onderbouwde, trauma’s van moeder dit niet mogelijk maken, mag van de moeder worden verwacht hiervoor hulp te zoeken zodat zij deze kan overwinnen. Het kan niet zo zijn dat [minderjarige] als gevolg van de gestelde trauma’s van de moeder niet in staat wordt gesteld om zelf door eigen ervaringen en contact een beeld van de vader te kunnen krijgen.
Ondanks dat de relatie tussen de ouders ernstig verstoord is, is het hof van oordeel – in lijn met het advies van de raad – dat het in het belang van [minderjarige] is dat het gezamenlijk gezag in stand gelaten wordt. Het is voor de gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind. Dit is hier het geval. Gesteld noch gebleken is dat de vader gezagsbeslissingen heeft gefrustreerd of vertraagd. De moeder heeft geen voorbeelden gegeven van momenten waarop het niet is gelukt om beslissingen over [minderjarige] te nemen. Hoewel het duidelijk is dat [minderjarige] tussen de ouders in staat en last heeft van de verstoorde verstandhouding, zit zij niet klem tussen de ouders als gevolg van het gezamenlijk gezag. Op dit moment fungeert de GI als tussenpersoon om indien nodig toestemming van de vader te krijgen. Deze situatie verloopt goed, heeft niet tot problemen geleid en kan worden voortgezet.




4.5.6.
De moeder heeft aangegeven rust te willen ervaren en ziet daarin een noodzaak om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het hof volgt dit standpunt niet. Daargelaten het feit dat de moeder niet heeft onderbouwd dat zij nog niet kan starten met hulpverlening omdat de vader gezag over [minderjarige] uitoefent, ziet het hof niet hoe er bij de moeder rust bewerkstelligd zal worden door de beëindiging van het gezamenlijk gezag. Zoals ook namens de moeder benadrukt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft de vader als juridisch ouder recht op contact met en informatie over [minderjarige] . Het al dan niet uitoefenen van gezag verandert deze juridische positie van de vader niet. Deze enerzijds rechten van de vader, en anderzijds verplichtingen van de moeder, maken op zichzelf dat er altijd contact zal moeten blijven zijn tussen de ouders.



4.5.7.

Het hof acht beëindiging van het gezag van de vader bovendien niet in het belang van [minderjarige] omdat wanneer de moeder eenhoofdig het gezag over haar heeft, het risico ontstaat dat de vader uit beeld zal verdwijnen (Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:533).
De vader woont op grote afstand en er is al enkele maanden geen contact geweest tussen [minderjarige] en de vader. Daarbij heeft de moeder herhaaldelijk aangegeven dat het haar niet lukt om de vader over [minderjarige] te informeren waardoor het risico des te groter wordt dat de vader op afstand komt te staan. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat de moeder niet gemotiveerd is voor hulpverlening voor [minderjarige] en haarzelf bij [instantie 2] , terwijl de GI deze hulpverlening passend vindt. Het hof benadrukt nogmaals dat de moeder hulp dient te accepteren indien zij belemmeringen ervaart in het ondersteunen van [minderjarige] in het contact met de vader. Het hof verwacht dan ook van de GI dat hier actief op wordt ingezet.Dat de vader, vanwege het uitblijven van het contact met [minderjarige] , niet meer goed zou kunnen aansluiten op de belevingswereld van [minderjarige] , en daarom lastiger inhoudelijk kan meebeslissen over wat in haar belang is, betekent niet dat daarom het gezag van de vader beëindigd zou moeten worden. Bovendien is dit zeker niet enkel aan de vader te wijten. Het is de moeder die een verplichting heeft de vader te informeren over [minderjarige] . Het hof onderschrijft dan ook het standpunt van de raad dat de ouders zich – binnen de ondertoezichtstelling – moeten blijven inzetten voor (het verbeteren van) de onderlinge communicatie.





4.6.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.





5De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;



Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, J.C.E. Ackermans-Wijn en F. Dunki Jacobs en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.