Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2967

2025-10-28 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.308.862_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-28
Publicatiedatum
2025-10-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.308.862_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Ontvlechting samenwerking. Berekening uittreedvergoeding.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.240 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.308.862/01




arrest van 28 oktober 2025




in de zaak van





1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [--] Advies B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [++] Beheer B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant sub 1] , [--] en [++] , en gezamenlijk als [appellant] (enkelvoud),
advocaat: mr. R.M. de Hair te Venlo,



tegen





1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [xx] Adviesgroep C.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [yy] Consultancy B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. [AA] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5. [zz] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] , [xx] , [yy] , [AA] en [zz] , en gezamenlijk als [geïntimeerde] (enkelvoud),
advocaat: mr. J.T.J. Gorissen te Heerlen.



Dit arrest is het vervolg van de door het hof gewezen tussenarresten van 3 oktober 2023 (hierna: tussenarrest I) en 11 juni 2024 (hierna: tussenarrest II) in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/262514 / HA ZA 19-174 gewezen vonnissen van 19 juni 2019, 25 maart 2020, 15 april 2020, 22 juli 2020, 7 juli 2020 en 29 december 2021.






8Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



het tussenarrest van 11 juni 2024 (hierna: tussenarrest II);


het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 december 2024;


het proces-verbaal van contra-enquête van 12 maart 2025;


de memorie na enquête van [appellant] met producties;


de memorie na enquête van [geïntimeerde]




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





9De verdere beoordeling



De inbreng van de assurantieportefeuille




9.1.1.

In tussenarrest II heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [geïntimeerde] zijn portefeuille niet in [xx] heeft ingebracht omdat de portefeuille in 2009 al geen eigendom meer van hem was dan wel dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille. [appellant] heeft [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en [appellant sub 1] gehoord. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] [geïntimeerde sub 1] gehoord.
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of [appellant] is geslaagd in het bewijs dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille.




9.1.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de samenwerking tussen [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] dateert van vóór 1 januari 2009, het moment van inbreng in [xx] , en dat de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] , [persoon A] en IBC plaatsvond onder de vlag van de vennootschap onder firma Personal Financial Strategies V.O.F. Vervolgens is, na het uittreden van IBC, de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] voortgezet, maar dan in een andere juridische structuur. Na het uittreden van [persoon A] zijn [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] (indirect, via een aantal vennootschappen, zie het structuurschema in rov. 2.8. van het vonnis van 25 maart 2020) verdergegaan in [xx] .



9.1.3.
Over het begin van de samenwerking heeft [persoon A] verklaard


“Ergens in de periode 2002/2004 zijn [appellant sub 1] en ik een vof aan gegaan met IBC, [persoon B] . Omdat IBC dat wilde hebben we toen een uitgebreid boekwerk opgesteld over de voorwaarden, de samenwerking, wat is van wie, enzovoort. Op een bepaald moment is [geïntimeerde sub 1] daar bijgekomen. [persoon B] kende [geïntimeerde sub 1] en op zijn initiatief zijn we met elkaar in gesprek gegaan over de vraag of er synergie in zou zitten. Dat was zo en we zijn met elkaar
doorgegaan. Op uw vraag of er afspraken zijn gemaakt over inbreng antwoord ik dat er niets concreets op papier is gezet dat er ergens een voorbehoud zit. Er is niet actief iets gezegd over dit is van mij en dit is van jou. Ik denk dat dat komt omdat sprake was van redelijk vergelijkbare portefeuilles. Met voorbehoud bedoel ik dat ik weet uit mijn praktijk als fiscalist, dat als iemand iets heeft opgebouwd in het verleden hij zich dit wil voorbehouden als hij gaat samenwerken met anderen. Ik ben zelf in 2009 gestopt. Bij de start van de samenwerking had ik ook eigen klanten die ik heb ingebracht. Toen ik stopte heb ik gezegd jullie gaan door met de klanten en ik ga me focussen op mijn werk als fiscaal adviseur. Er is toen ook niet afgerekend over mijn klanten, die zijn in de samenwerking achtergebleven. In de periode dat ik onderdeel was van de samenwerking is dit ook nooit onderwerp van gesprek geweest. Ik heb nog eens gekeken ligt er iets vast? In de jaarrekening zie ik dan wel
dat steeds wordt vermeld 1/3, 1/3, 1/3. Als je een voorbehoud maakt bijvoorbeeld doordat je zegt ik heb 100 en die zijn van mij, dan zou je dat ergens moeten zien. De meest voor de hand liggende plek is dan een creditering in de kapitaalrekening. Dat heb ik nooit gezien. Het zit ook niet in mijn geheugen. Ik zou zoiets niet vergeten omdat dit hele elementaire dingen zijn in iedere samenwerking. Of de waarde van de inbreng is vergelijkbaar, of er zijn grote verschillen. In dit laatste geval maak je daar afspraken over en leg je dat ook vast. En dat is hier niet gebeurd.



In 2005, toen IBC eruit ging, is er ook niet gesproken over inbreng, Ik heb ook niet kunnen
achterhalen of er toen iets is vastgelegd.”




[appellant sub 1] heeft over deze periode verklaard



“[...]
We wilden wel samenwerking en de vraag was hoe. We hebben gekeken naar de omzetten. We waren alle drie nog niet zo lang zelfstandige, er waren niet zo’n grote verschillen, dus we hebben gezegd we gooien het op een hoop. Hiermee bedoel ik dat we alle drie klanten en omzet hadden. Ik deed het ook al zo met [persoon A] , als hij een klant aanbracht die dan producten van mij kreeg dan deelden we dat samen. Het was gewoon zo dat we zoveel mogelijk klanten probeerden binnen te halen en dat we de opbrengst daarvan dan samen deelden. Het was niet zo dat de provisie dan hoorde bij degene die de klant had binnen gehaald. Dat was van ons samen.



U vraagt mij of er ooit is gesproken over een vergoeding die iemand zou krijgen omdat hij zijn klanten had ingebracht. Mijn antwoord daarop is nee. Hieraan voeg ik toe dat dit geldt voor de situatie tussen ons drieën, dus tussen mij, [persoon A] en [geïntimeerde sub 1] . Wij hebben hierover nooit gesproken of iets opgeschreven.[…]



U vraagt mij of wij ooit hebben gesproken over de vergoeding voor ieders inbreng. Daar is nooit op die manier over gesproken. Bij de start hebben we gekeken wat ieder had en volgens ons zat daar niet veel verschil in. Daarom hebben we het ook op een hoop gegooid. De omzet is ook altijd op een grootboekrekening geboekt.”




[geïntimeerde sub 1] heeft over deze periode verklaard



“In 2004, bij de start van de samenwerking onder de vlag van IBC FS, zijn er gesprekken geweest. Dit waren goede gesprekken. Ik had toen alleen al wel een discussie met [persoon B] van IBC over de portefeuille DfD. Volgens [persoon B] viel die in de samenwerking BSA en volgens mij niet. In 2004 hebben we ook gesproken over de voorwaarden waaronder we zouden gaan samenwerken. Er ligt een ongetekende VOF overeenkomst. We hebben gesproken over de portefeuilles die er waren en over de nieuwe klanten die er zouden komen. De afspraak was
dat we alles wat we gezamenlijk zouden opbouwen, zouden delen. Volgens mij was de verdeelsleutel 50% voor IBC en voor [appellant sub 1] , [persoon A] , en mijzelf 16 komma zoveel procent.



Er is niet gesproken over een vergoeding voor ieders inbreng. De reden hiervoor is dat er niets is ingebracht. Volgens mij heeft geen van de firmanten iets ingebracht. In ieder geval ik niets in BSA en ook niet in IBC FS.



U vraagt mij hoe mijn portefeuille dan uiteindelijk in [xx] terecht is gekomen. Deze is ingebracht op 1 januari 2009. Tot die tijd is mijn portefeuille steeds apart gehouden en geadministreerd.[…]



U houdt mij voor dat [appellant sub 1] heeft verklaart dat de afspraak steeds was “alles op een hoop gooien” en dan de opbrengst samen delen. Dat is volgens mij niet waar. Ieder had zijn eigen expertise en moest zijn eigen broek ophouden. Het was wel zo dat alles wat we met zijn drieën zouden opbouwen, dat we dat samen zouden delen.”



Uit de verklaringen van [persoon A] , [appellant sub 1] , en [geïntimeerde sub 1] volgt dat zij zijn gaan samenwerken op basis van de afspraak dat zij de opbrengsten zouden delen waarbij ieder recht had op 1/3e deel. Uit de verklaringen volgt ook dat zij bij de start van hun samenwerking niet hebben gesproken over inbreng en een eventuele vergoeding daarvan. Volgens [persoon A] en [appellant sub 1] is de reden hiervoor dat hun inbreng ongeveer gelijk was en was er om die reden geen aanleiding om hierover afspraken te maken. Volgens [geïntimeerde sub 1] is de reden hiervoor dat er niets is ingebracht.



9.1.4.
Over het moment waarop IBC uit de samenwerking is gestapt, heeft [persoon A] verklaard


“In 2005, toen IBC eruit ging, is er ook niet gesproken over inbreng. Ik heb ook niet kunnen achterhalen of er toen iets is vastgelegd.
[…]
Toen hebben we een wat lastige vennootschapsstructuur opgericht, waarbij de verdeling uiteindelijk ook weer was ieder 1/3.”




[appellant sub 1] heeft hierover verklaard



“[…] Op basis hiervan hebben wij afgerekend met IBC en is IBC uitgestapt.
Daarna zijn wij met z’n drieën doorgegaan. Hierbij hebben we geen nieuwe afspraken gemaakt, we hebben alleen de structuur steeds veranderd.”




[geïntimeerde sub 1] heeft hierover verklaard



“Toen de samenwerking met IBC ophield, moest er met IBC worden afgerekend. Deze afrekening betrof alleen het gezamenlijk opgebouwde deel. Dit blijkt ook uit de correspondentie die ik voorafgaand aan dit getuigenverhoor heb toegestuurd. In deze afrekening zat ook een assurantieportefeuille. Deze hebben wij als IBC FS gezamenlijk aangekocht van de vader van een van de aandeelhouders van IBC. Vandaar dat daarover
moest worden afgerekend.”



Uit deze verklaringen volgt dat [persoon A] , [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] na het vertrek van IBC op dezelfde voet zijn doorgegaan en dat er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt.




9.1.5.
In 2009 is de samenwerking met [persoon A] geëindigd. [persoon A] heeft hierover verklaard


“Ik ben zelf in 2009 gestopt. Bij de start van de samenwerking had ik ook eigen klanten die ik heb ingebracht. Toen ik stopte heb ik gezegd jullie gaan door met de klanten en ik ga me focussen op mijn werk als fiscaal adviseur. Er is toen ook niet afgerekend over mijn klanten, die zijn in de samenwerking achtergebleven.
[…]
Na dat ik eruit ben gestapt ben ik op geen enkele manier betrokken geweest bij de samenwerking tussen [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] .
Ik weet ook niks over de afspraken die [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] toen hebben gemaakt.”




[appellant sub 1] heeft hierover verklaard



“In 2009, bij de start van [xx] , hebben wij geen nieuwe afspraken gemaakt.
[…]
U vraagt mij of er ten tijde van de uittreding van [persoon A] rekening is gehouden met de waarde van de inbreng van [geïntimeerde sub 1] . Het antwoord hierop is nee. Er was toen een structuur met drie beheervennootschappen en drie werkmaatschappijen met daaronder [AA] . De omzet liep toen terug en we hadden veel schulden. [persoon A] heeft toen gezegd we kijken naar de balans en ik draag mijn aandeel in [AA] aan jullie over tegen de intrinsieke waarde.”




[geïntimeerde sub 1] heeft hierover verklaard



“In 2009 vertrok [persoon A] en [xx] zat in moeilijk vaarwater. Toen hebben wij een werkoverleg gehad en in dat kader heb ik de exploitatie van de assurantieportefeuille van mijzelf binnen [xx] gebracht. Het eigendom van deze portefeuille bleef bij mij. U houdt mij voor dat in de procedure bij de rechtbank (en in de procedure bij het hof tot nu toe) is vastgesteld dat [xx] eigenaar was van de assurantieportefeuille, maar dat is volgens mij onjuist. Tot 2009 was de assurantieportefeuille volledig van mij. De waarde was van mij en ik heb tot dat moment nooit iets ingebracht. [xx] is nooit eigenaar geworden van de assurantieportefeuille omdat er nooit een vergoeding voor is gekomen.



[…]



Tot 1 januari 2009 was DfD sowieso van mij. Voor de periode daarna kun je, je afvragen: is het nog steeds van mij? Effectief, door het uitblijven van een vergoeding, wel. Er is destijds geen goodwill betaald en er heeft ook geen betaling plaatsgevonden via de kapitaalrekening. Er is dus niet voor de portefeuille betaald en daarom ligt het eigendom ervan bij mij.



[…]



Ik heb mijn portefeuille nooit ingebracht, in die zin dat ik er nooit een vergoeding voor heb gehad en dus heb ik alleen maar exploitatie ingebracht.”



Uit deze verklaringen volgt dat [appellant] en [geïntimeerde] hun samenwerking na het uittreden van [persoon A] hebben voortgezet. Volgens [appellant sub 1] zijn hierbij geen nieuwe afspraken gemaakt. Volgens [geïntimeerde sub 1] heeft hij na het uittreden van [persoon A] de exploitatie van zijn portefeuille ingebracht, maar is de eigendom van de portefeuille bij hem gebleven.




9.1.6.
Bij de beantwoording van de vraag of [appellant] met deze verklaringen is geslaagd in het bewijs van de stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] , is de Haviltex-maatstaf van toepassing. Dit betekent dat de inhoud van de (mondelinge) overeenkomst tussen partijen moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen zij over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.



9.1.7.

Het hof begrijpt hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de door hem gestelde afspraak dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor zijn inbreng aldus, dat hij uit het feit dat [geïntimeerde] nooit aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding voor zijn inbreng heeft mogen afleiden dat er werd ingebracht zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. Het hof volgt [appellant] hierin.
Uit de verklaringen van [persoon A] , [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] blijkt dat bij de start van hun samenwerking is afgesproken dat zij de opbrengsten door drie zouden delen, waarbij er niet is gesproken over de inbreng en de vergoeding daarvan. Uit de verklaringen volgt ook dat er bij het uittreden van IBC niet is gesproken over de inbreng van [persoon A] , [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] , dat zij na het uittreden van IBC op dezelfde voet zijn doorgegaan, zij het binnen een andere structuur, en dat [persoon A] bij zijn uittreden geen vergoeding voor zijn inbreng heeft gehad.

[appellant sub 1] heeft verklaard dat er ook bij de start van [xx] in 2009 geen nieuwe afspraken zijn gemaakt. [geïntimeerde sub 1] heeft hierover verklaard dat hij op dat moment de exploitatie van zijn portefeuille heeft ingebracht. Dat uitsluitend de exploitatie is ingebracht en niet de eigendom van de portefeuille blijkt volgens hem immers uit het feit dat hij nooit een vergoeding heeft ontvangen. Uit zijn verklaring blijkt niet dat hij over het wel of niet vergoeden van de inbreng afspraken heeft gemaakt met [appellant sub 1] .
Onder deze omstandigheden mocht [appellant] uit het feit dat [geïntimeerde] nooit aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding voor zijn inbreng, afleiden dat er werd ingebracht zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. [appellant] en [geïntimeerde] werkten immers al vele jaren samen met en aan hun portefeuille zonder dat er is gesproken over een vergoeding voor de inbreng van portefeuilles, en de uittreding van [persoon A] heeft plaatsgevonden zonder dat er rekening is gehouden met een vergoeding voor zijn inbreng.
De door [geïntimeerde] als producties 5 tot en met 8 in hoger beroep overgelegde producties leiden niet tot een andere conclusie. De als productie 5 overgelegde brief dateert van 23 september 2003 en is gericht aan de personen achter IBC. Deze brief ziet op samenwerking tussen (de onderneming van) [geïntimeerde sub 1] en (de onderneming van) IBC. Deze brief ziet niet op de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] . De als producties 6, 7 en 8 overgelegde producties betreffen brieven van (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] (producties 6 en 7) dan wel [geïntimeerde sub 1] (productie 8) aan IBC over de afwikkeling van de samenwerking. Hierin wordt verwezen naar de gezamenlijk opgebouwde portefeuille in het kader van de vraag tegen welke prijs IBC die portefeuille kan overnemen. Ook deze brieven zien dus niet op de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] .
Dit alles maakt dat [appellant] er naar het oordeel van het hof bij de start van [xx] in 2009 vanuit mocht gaan dat [geïntimeerde] geen aanspraak maakte op vergoeding van zijn inbreng. [appellant] is dus geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx]




9.1.8.

[geïntimeerde sub 1] heeft verklaard dat de vaststelling dat [xx] eigenaar was van de portefeuille onjuist is omdat de eigendom van die portefeuille altijd bij hem (althans een van de door hem beheerste vennootschappen) is gebleven. Naar aanleiding hiervan overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft in de bestreden vonnissen als vaststaand aangenomen dat [xx] eigenaar was van de door [geïntimeerde] ingebrachte assurantieportefeuille (zie bijvoorbeeld rov. 4.26 van het vonnis van 25 maart 2020) en ook de deskundige is hiervan uitgegaan. [geïntimeerde] heeft hiertegen geen grieven gericht en dus is ook het hof hiervan uitgegaan. [geïntimeerde] heeft aan de hiervoor genoemde verklaring van [geïntimeerde sub 1] in de memorie na enquête geen consequenties verbonden. Integendeel, in de memorie na enquête onder nr. 3.13 staat dat de hiervoor bedoelde verklaring niet afdoet aan het feit dat de portefeuille in [xx] is ingebracht. Het hof zal daarvan dus ook (blijven) uitgaan.



De berekening van de uittreedvergoeding van [appellant]





9.2.1.
De conclusie dat [appellant] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] , betekent dat de uittreedvergoeding van [appellant] moet worden berekend zonder daarbij rekening te houden met een vergoeding voor de inbreng van [geïntimeerde] In tussenarrest II heeft het hof reeds geoordeeld dat de belastinglatentie VPB en de naheffing omzetbelasting in de berekening moeten worden meegenomen. Dit resulteert in de volgende berekening





Eigen vermogen [xx] - € 411.456,-
Overige verschillen + € 1.116,-
Naheffing omzetbelasting - € 92.599,-
-------------------
Eigen vermogen - € 502.939,-



Boekwinst assurantieportefeuille + € 720.690,-
VPB latentie - € 111.735,-
--------------------
Waarde onderneming € 106.016,-



Aandeel [appellant] € 53.008,-



In deze berekening komt de waarde van de onderneming € 1.000,- lager uit dan in de berekening in rov. 6.4.2. van tussenarrest II. Dit is veroorzaakt door een optelfout in de berekening in tussenarrest II.




9.2.2.

[appellant] heeft dus recht op een uittreedvergoeding van € 53.008,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019.



De vordering van [geïntimeerde] ter zake vergoeding van zijn inbreng





9.3.
De conclusie dat [appellant] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] , betekent voorts dat het hof de vordering van [geïntimeerde] ter zake vergoeding van zijn inbreng zal afwijzen. Het hof verwijst naar rov. 6.4.3. van tussenarrest II.



De bezwaren van [appellant] tegen het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en tussenarrest II




9.4.1.
Op 28 februari 2025 heeft een hof een brief met bijlagen ontvangen van [appellant] Deze brief bevatte de visie van [appellant] op de tussenarresten en zijn visie op en naar aanleiding van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling. Naar het oordeel van het hof kwalificeerde deze brief als een verkapte memorie/conclusie. Om die reden heeft het hof de brief met bijlagen geweigerd en geretourneerd, en partijen als volgt geïnformeerd:


“Het hof wijst erop dat er na afronding van de getuigenverhoren de mogelijkheid zal zijn tot het nemen van memorie na enquête, waarin de standpunten van appellanten kunnen worden opgenomen.



Voor zover appellanten menen dat het p-v onjuist of onvolledig is, geldt dat het zoals gebruikelijk mogelijk is om deze onjuistheden en/of onvolledigheden in een brief op te nemen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een zakelijke weergave van onjuistheden en/of onvolledigheden in de weergave van hetgeen op de zitting is besproken, en niet om standpunten in verband daarmee. Deze brief zal vervolgens aan het p-v worden gehecht. Het staat appellanten vrij om van deze mogelijkheid gebruik te maken.”



9.4.2.

[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het hof per brief te informeren over de onjuistheden en/of onvolledigheden die het proces-verbaal van de mondelinge behandeling volgens hem bevat. In plaats daarvan heeft [appellant] als productie 17 bij zijn memorie na enquête een verzoek verbetering en aanvulling proces-verbaal overgelegd. Het hof zal dit document zoals te doen gebruikelijk aan het proces-verbaal hechten. Van strijd met de goede procesorde is naar het oordeel van het hof geen sprake.



9.4.3.


[appellant] heeft als productie 18 bij zijn memorie na enquête overgelegd een document getiteld “onjuistheden in tussenarrest 11 juni 2024”, met het verzoek hiervan kennis te nemen en de inhoud ervan mede in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het geschil. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] hiertegen terecht bezwaar heeft gemaakt. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. onder meer HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZC2810). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176 en HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, rov. 3.3.2.).
Met het verzoek van het als productie 18 overgelegde document kennis te nemen en de inhoud ervan mede in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het geschil, wordt niet duidelijk gemaakt welke specifieke bezwaren worden aangevoerd tegen tussenarrest II en welke consequenties het hof daaraan zou moeten verbinden, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
Voor zover [appellant] bedoelt dat het hof moet terugkomen op een of meer bindende eindbeslissingen in tussenarrest II, geldt dat het dan aan [appellant] was geweest om duidelijk te maken om welke eindbeslissingen het gaat en toe te lichten dat en waarom deze zijn genomen op basis van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Dit heeft [appellant] niet gedaan. Dat [appellant] het met bepaalde eindbeslissingen niet eens is vanwege de argumenten die door hem al vóór tussenarrest II zijn aangevoerd, is hiervoor bovendien niet voldoende.




Slotsom en afwikkeling





De vorderingen van [appellant]





9.5.1.

Het principale hoger beroep was gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de in hoger beroep vermeerderde vordering van [appellant] op [geïntimeerde] ter zake het aandeel van [appellant] in [xx] (vordering III) en tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. Tegen de toewijzing van vordering I en de (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen II, IV, V, VII en IX heeft [appellant] geen grieven gericht.

[geïntimeerde] heeft in het incidentele hoger beroep een grief gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] ter zake het verschil in opnamen uit [xx] (vordering II).




9.5.2.
In rov. 6.2.3. van tussenarrest II heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank vordering II van [appellant] terecht heeft toegewezen voor een bedrag van € 69.807,50. Voor wat betreft vordering III volgt uit het rov. 9.2.2. hiervoor dat deze vordering moet worden toegewezen voor een bedrag van € 53.008,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019. Dit betekent dat de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen hij reeds heeft voldaan (vordering (iii) zoals in hoger beroep gewijzigd), niet kan worden toegewezen.



De vorderingen van [geïntimeerde]





9.5.3.
Het principale hoger beroep is gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van [geïntimeerde] ter zake de vergoeding van zijn inbreng (vordering (i)). Het incidentele hoger beroep is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van deze vordering, tegen de afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van [AA] en [zz] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid (vordering (ii)) en tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank.



9.5.4.
Uit rov. 9.3. hiervoor volgt dat vordering (i) van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. In rov. 3.11.3. van tussenarrest I heeft het hof reeds geoordeeld dat de rechtbank de vordering (ii) van [AA] en [zz] terecht heeft afgewezen. Vordering (iii) ziet op de terugbetaling van hetgeen [geïntimeerde] naar aanleiding van de bestreden vonnissen aan [appellant] heeft betaald en moet gezien het voorgaande ook worden afgewezen.



Conclusie





9.5.5.
Dit alles maakt dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor wat betreft de afwijzing van vordering III van [appellant] en de toewijzing van vordering (i) van [geïntimeerde] Het hof zal vordering III van [appellant] alsnog toewijzen zoals hiervoor overwogen, vordering (i) van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en de bestreden vonnissen voor het overige bekrachtigen. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.



9.5.6.

Het hof ziet aanleiding om de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in conventie te compenseren. Partijen zijn immers over en weer op een of meer punten in het ongelijk gesteld. Dit geldt ook voor de kosten van de deskundige. De omstandigheden van het geding geven aanleiding om deze gelijkelijk over partijen te verdelen. Het hof zal dit oordeel van de rechtbank dan ook bekrachtigen.
Voor wat betreft de procedure in eerste aanleg in reconventie, geldt dat [geïntimeerde] de in het ongelijk gestelde partij is. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie. Deze zullen aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op € 4.425,- (2,5 punten x tarief V) aan salaris advocaat.




9.5.7.

Zowel in het principale hoger beroep als in het incidentele hoger beroep geldt [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook veroordelen in de kosten van het principale en het incidentele hoger beroep.
De kosten van de procedure in het principale hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op




Explootkosten € 129,96


Griffierechten € 5.689,-


Salaris advocaat € 12.502,- (3,5 punten x tarief V)


Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 18.498,96


De kosten van de procedure in het incidentele hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 1.786,- (1 punt x tarief V x 0,5).







10De uitspraak


Het hof:
vernietigt de bestreden vonnissen voor wat betreft de afwijzing van vordering III van [appellant] en de toewijzing van vordering (i) van [geïntimeerde] , en, opnieuw rechtdoende,



veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 53.008,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019;



wijst af vordering (i) van [geïntimeerde] ;



bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige,



compenseert de proceskosten van de eerste aanleg in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] van de eerste aanleg in reconventie van € 4.425,-, en in de proceskosten van het principale hoger beroep van € 18.498,96 en van het incidentele hoger beroep van € 1.786,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, A.C. van Campen en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025.




griffier rolraadsheer