Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2928

2025-10-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.337.425_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-23
Publicatiedatum
2025-10-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.337.425_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt de beslissing tot herstel van het gezag van de moeder over de minderjarige. Aan de grond voor herstel van het gezag van de moeder is voldaan. Het hof heeft bevestigd gezien dat de situatie ten opzichte van de situatie ten tijde van de uithuisplaatsing van de minderjarige en ten tijde van de beëindiging van het gezag van de moeder 180 graden is gedraaid. In het feit dat de ouders op dit moment niet achter de omgang tussen de minderjarige en de voormalige pleegouders kunnen staan, ziet het hof geen contra-indicatie voor het herstel van het gezag van de moeder. In het feit dat de ouders beperkt medewerking hebben verleend aan het raadsonderzoek ziet het hof in dit specifieke geval evenmin een contra-indicatie voor het herstel van het gezag van de moeder.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.792 tekens)
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 23 oktober 2025
Zaaknummer: 200.337.425/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/315040 / FA RK 33-23-726


in de zaak in hoger beroep van:




[de pleegvader]


en


[de pleegmoeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna te noemen: de pleegouders,
advocaat: voorheen mr. A.P.K. Hendriks, thans zonder procesvertegenwoordiging,


tegen




[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.S. Gerritsen,


over de minderjarige:


[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .


In de zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:


[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.S. Gerritsen,


en



William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI


In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.



5De beschikking d.d. 28 november 2024


5.1.
Bij die beschikking heeft het hof, voor zover thans nog van belang en zakelijk weergegeven, de raad verzocht onderzoek in te stellen conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.29.32 van de beschikking is overwogen en de raad verzocht rapport en advies uit te brengen aan het hof ter zake van de vraag: “is herstel van de moeder in het gezag in het belang van [minderjarige] en is de moeder in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen?”





6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep


6.1.
Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:


de rapportage van de raad ingekomen op 29 april 2025;


de schriftelijke reactie op het raadsrapport van de ouders d.d. 12 mei 2025, alsmede het aanvullende schrijven van 13 mei 2025;


de schriftelijke reactie op het raadsrapport van de GI d.d. 13 mei 2025;


het V2-formulier van mr. Hendriks waarin hij zich namens de pleegouders stelt d.d. 13 mei 2025;


de schriftelijke reactie op het raadsrapport van de pleegouders d.d. 13 mei 2025;


het V2-formulier van mr. Hendriks waarin hij zich als advocaat van de pleegouders onttrekt d.d. 3 juni 2025.





6.2.
Verder heeft het hof per e-mail de volgende berichten/bijlagen ontvangen van de pleegouders zelf:



“
Inleidende brief herziening / verzoek spoedmaatregel – ernstige schending gerechtelijke opdrachten en kinderrechten” met de bijlage “Aanvullingen op het rapport van het raadsonderzoek” d.d. 22 april 2025, ontvangen op 12 mei 2025;


“Aanvullende Toelichting aan het Gerechtshof” d.d. 14 mei 2025, ontvangen op 14 mei 2025;


“Verzoek tot aanvaarding van een aanvullende schriftelijke reactie buiten de formele termijn” met de bijlage “Verklaring en formele weerlegging – Bescherming en zorg voor [minderjarige]” d.d. 17 mei 2025, ontvangen op 17 mei 2025


E-mailbericht met als bijlage “Beëindiging volmacht advocaat” d.d. 26 mei 2025, ontvangen op 27 mei 2025


E-mailbericht met als bijlage “Beoordeling gezagsbesluit inzake pleegkind [minderjarige] (geb. [datum] )” d.d. 28 mei 2025, ontvangen op 28 mei 2025.





6.3.

Het hof heeft de pleegouders vervolgens op 3 juni 2025 als volgt bericht:

(…)


Het hof heeft op 12 mei, 14 mei, 17 mei, 27 mei en 28 mei jl, verschillende berichten (met bijlagen) van u ontvangen. Ten tijde van het indienen van die stukken had u formeel een advocaat, te weten mr. Zanders respectievelijk mr. Hendriks.


Vandaag heeft het hof van mr. Hendriks het bericht ontvangen dat zij zich met ingang van vandaag onttrekt als uw advocaat in de procedure bij het hof.





In het procesreglement staat dat partijen of belanghebbenden die worden bijgestaan door een advocaat, geen stukken mogen indienen ‘in persoon’. In persoon betekent dat u de stukken zelf indient; niet door tussenkomst van uw advocaat.


Daarnaast mogen partijen of belanghebbenden niet in persoon proceshandelingen verrichten, zoals het doen van een (spoed)verzoek. Dat geldt ook als zij geen advocaat (meer) hebben.


Het hof zal de stukken die u in persoon heeft ingediend daarom naar u terugsturen. Het hof neemt daar geen kennis van.





Op 13 mei jl. heeft mr. Hendriks namens u een schriftelijke reactie op de inhoud van het raadsrapport en het advies van de raad ter zake het gezag van de ouders ingediend. Het hof benadrukt dat u niet nog eens schriftelijk mag reageren. U krijgt tijdens de mondelinge behandeling, die nog gepland moet worden, tien minuten spreektijd, waarbij u de gelegenheid heeft om mondeling uw zienswijze naar voren te brengen en te reageren op de schriftelijke reactie op het raadsrapport van de ouders van 12 mei jl. en de schriftelijke reactie van de GI van 13 mei jl.


(…)





6.4.
Vervolgens heeft het hof ontvangen het (e-mail)bericht van 9 september 2025 van de pleegouders getiteld “Hoger beroep inzake gezag en omgang [minderjarige]” met 28 bijlagen.


6.5.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de pleegouders;
- mr. Gerritsen, namens de ouders;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .



6.6.
De ouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.



6.7.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.



6.8.
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling, gezien het uitdrukkelijk namens de ouders geuite bezwaar tegen de indiening van de onder 6.4 genoemde stukken, de pleegouders voorgehouden dat het hof van die stukken geen kennis zal nemen. De stukken zijn laat ingediend en ze zijn bovendien niet eenvoudig te doorgronden. De advocaat van de ouders heeft de bijlagen niet kunnen openen en niet kunnen bespreken met de ouders. Het hof acht deze gang van zaken, waarbij de ouders onvoldoende in staat zijn geweest te reageren op de inhoud van de stukken, in strijd met de goede procesorde.



6.9.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling hebben de pleegouders op 25 september 2025 (tweemaal), 2 oktober 2025, 3 oktober 2025, 8 oktober 2025 en 9 oktober 2025 nog nadere berichten met tientallen bijlagen verstuurd.
Op 9 oktober 2025 hebben de pleegouders verder een bericht gestuurd waarin zij verzoeken om bevestiging van ontvangst van deze stukken.
Het hof heeft de pleegouders op 10 oktober 2025 bericht dat, conform het bepaalde in artikel 1.4.12. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven geen kennis wordt genomen van na de mondelinge behandeling overgelegde stukken. Tevens heeft het hof de pleegouders verzocht geen stukken meer toe te zenden, omdat dit het systeem van het hof ernstig overbelast.






7De verdere beoordeling



Het raadsrapport ingekomen op 29 april 2025




7.1.
De raad heeft in zijn rapport, samengevat en voor zover voor deze procedure van belang, geadviseerd het herstel van het gezag van de moeder in stand te houden en het verzoek van de pleegouders (tot vernietiging van de beschikking van 3 november 2023) af te wijzen. Daartoe heeft de raad, samengevat, het volgende aangevoerd.


7.1.1.
Het herstel van het gezag is in het belang van [minderjarige] . De moeder heeft er op geen enkele manier voor gezorgd dat gezagsbeslissingen niet of vertraagd genomen konden worden. De GI is van mening dat de moeder handelt in het belang van [minderjarige] en dingen goed voor hem regelt. Er zijn op dit moment geen signalen van onveiligheid in het opvoedershandelen van de moeder. De moeder heeft de afgelopen jaren een grote groei laten zien. De ouders hebben zich ingezet om hun leven op de rit te krijgen en hebben meegewerkt aan diverse onderzoeken en hulpverleningstrajecten. Inmiddels woont [minderjarige] alweer twee jaar bij de ouders. Uit alle informatie van de betrokken hulpverlening komt naar voren dat de ouders in staat zijn om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en aan kunnen sluiten bij zijn ontwikkeling. De raad is dan ook van mening dat moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en haar gezag te behouden.



7.1.2.


[minderjarige] is een jongen van acht jaar die al veel heeft meegemaakt waardoor hij een flinke rugzak heeft. In het onderzoek van de raad komt [minderjarige] naar voren als een vrolijk, behulpzaam, enthousiast en creatief kind. School heeft geen zorgen over [minderjarige] . Wel geeft school aan dat zij zorgen hebben over de aandachts- en concentratiespanne van [minderjarige] en dat hij fysiek erg onrustig is. Zowel de ouders als de pleegouders geven aan dat het hoofd van [minderjarige] soms vol zit en dat zij onrust zien bij hem. De raad vraagt zich af wat er aan deze onrust ten grondslag ligt.
De raad heeft ernstige zorgen over de sociaal- emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en over zijn identiteitsontwikkeling. De raad heeft de indruk dat [minderjarige] enorm in een spagaat zit tussen ouders en pleegouders. Hij lijkt precies te weten wat de ouders en de pleegouders van hem willen horen en probeert aan alle verwachtingen te voldoen. De raad vindt het een grote zorg dat [minderjarige] de spanning tussen de ouders en de pleegouders aanvoelt en hij hierdoor in een loyaliteitsconflict lijkt te zitten. De raad is van mening dat het ontbreekt aan een denkbeeldige brug tussen de werelden en is bezorgd over het effect hiervan op de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De raad vindt het zeer zorgelijk dat zolang er aan [minderjarige] wordt getrokken, hij niet op een onbezorgde manier kind kan zijn omdat hij dan het gevoel zal houden dat hij het ouders en pleegouders naar de zin moet maken en aan hun behoeftes moet voldoen.




7.1.3.

De ouders hebben de afgelopen jaren heel veel meegemaakt. In het onderzoek van de raad komt naar voren dat de ouders de afgelopen jaren hard hebben gewerkt om hun leven op orde te krijgen. [instantie 1] en de GI geven aan dat de ouders ondanks alles wat ze hebben
meegemaakt, alle ballen in de lucht houden, dat de ouders een positieve groei hebben laten zien en dat de opvoedomgeving van de ouders tegemoetkomt aan wat [minderjarige] nodig heeft. Ook uit informatie van [instantie 2] en eerdere verslaglegging van forensisch mediators (12 juli 2023) blijkt dat ouders in staat zijn om [minderjarige] op te voeden. Op basis van alle informatie die gedurende het onderzoek van de raad naar voren is gekomen concludeert de raad dat ouders in staat zijn om op een passende manier aan te sluiten bij de ontwikkeling van [minderjarige] en hem te bieden wat hij nodig heeft. In het raadsonderzoek komen geen recente signalen van onveiligheid naar voren wat betreft de situatie van [minderjarige] bij de ouders. De ouders geven aan dat zij de afgelopen jaren overal aan hebben meegewerkt en dat ze rust willen. Zij willen dat de pleegouders stoppen met het aangaan van juridische procedures.
De raad heeft vanwege de zorgen van de pleegouders over de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de ouders en de bejegening van [minderjarige] door de ouders, in het onderzoek contact opgenomen met politie. Politie geeft aan dat er geen recente politiemeldingen zijn en dat zij geen signalen hebben van onveiligheid in het gezin. Wel komt uit de informatie van politie naar voren dat pleegouders zich veel zorgen maken over [minderjarige] en zij daarom veelvuldig contact hebben opgenomen met politie.





7.2.

In aanvulling op het voorgaande heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd.
De raad heeft in zijn beslissing om de ouders niet in het raadsonderzoek te betrekken meegewogen dat de ouders in de afgelopen jaren veel hebben meegemaakt en dat een nieuw raadsonderzoek hen zou kunnen ontregelen. De raad heeft vooral gekeken naar het hier en nu en naar de toekomst. De raad heeft tijdens het raadsonderzoek doorlopend de vraag gesteld wat de meerwaarde zou zijn van het horen van de ouders en uiteindelijk, nu de informatie van de informanten voldoende werd geacht en daaruit geen zorgen naar voren kwamen, ervoor gekozen om de ouders ter wille te zijn en niet op een gesprek aan te dringen. De vragen van de raad aan de ouders zijn schriftelijk beantwoord en via de advocaat van de ouders aan de raad verzonden.
De raad stelt vast dat er bij de ouders bereidheid is om het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders te ondersteunen en faciliteren, omdat de pleegouders belangrijk voor hem zijn en een plek in zijn leven zouden moeten krijgen. Dat hebben zij ook laten zien in de periodes waarin de omgangsregeling liep. Zij hebben echter zorgen over dat contact en hopen dat [minderjarige] rust en ruimte krijgt voor verwerking. Voor [minderjarige] is het volgens de ouders nu het beste om geen contact te hebben, totdat de rust is teruggekeerd en het contact onbelast kan plaatsvinden.




De standpunten





7.3.


De pleegouders hebben, samengevat, de volgende schriftelijke reactie gegeven op het raadsrapport.
De pleegouders stemmen niet in met het advies van de raad. De pleegouders zijn nog altijd van mening dat ouders, niet in het belang van [minderjarige] handelen. De raad heeft de situatie bij ouders thuis niet zelf kunnen waarnemen waardoor zij hier geen volledig beeld van hebben kunnen vormen. Het niet willen toelaten van de raad roept bij de pleegouders het vermoeden op dat de ouders geen inzicht willen geven in de situatie bij hen thuis, hetgeen juist de zorgen van de pleegouders over de veiligheid van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de ouders thuis in stand houdt en mogelijk zelfs vergroot. De pleegouders hopen dat [minderjarige] tijdens, dan wel voorafgaand aan deze mondelinge behandeling ook een stem krijgt, daarbij eventueel begeleid door een onafhankelijk persoon.
Ter onderbouwing hebben de pleegouders als bijlage een recent bericht van de voormalig voogd van [minderjarige] (2017 tot 2019) overgelegd dat de pleegouders in februari 2025 van haar hebben mogen ontvangen en welke zij reeds in het kader van het onderzoek met de raad hebben gedeeld. De voormalige voogd heeft dit bericht niet eerder durven opstellen en versturen wegens aangekondigde represailles van ouders aan haar adres.
De pleegouders weten hoe het ouderlijk gezag geregeld is. Zij vinden het echter hoogst opmerkelijk dat de ouders in feite aangeven dat het advies van de raad en het oordeel van het hof er eigenlijk niet toe doen, althans dat zij dit oordeel zullen omzeilen door de vader het gezag van de moeder weer te laten aantekenen als het hof de beschikking waarin het gezag van de moeder is hersteld zou vernietigen.



7.3.1.

In aanvulling op het voorgaande hebben de pleegouders tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd.
De loyaliteitsproblemen van [minderjarige] komen voort uit het feit dat hij is weggetrokken uit de exclusieve hechting met de pleegouders. Hij komt nog altijd graag bij de pleegouders en gaat daar dan met verdriet weer weg. De verslagen van de begeleide omgang waren ook positief, tot de ouders beweringen deden over het vermeende seksueel grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] , waartoe de pleegouders [minderjarige] zouden hebben aangezet. De pleegouders kunnen het niet begrijpen dat de ouders zoiets ‘zieks’ kunnen verzinnen en dat zij [minderjarige] daarvoor hebben kunnen inzetten, om de pleegouders als onveilig te kunnen wegzetten en hun eigen doelen te bereiken. Bovendien kunnen de pleegouders niet begrijpen dat de GI niet met voortvarendheid en niet adequaat op de uitlatingen van [minderjarige] heeft gereageerd, als zij zeggen voor de belangen van [minderjarige] op te komen.

[minderjarige] wordt zwaar gedupeerd als hij later terugleest dat hij heeft gezegd dat hij dat in opdracht van zijn hechtingsfiguren bij zijn zusje(s) moest aandoen. De ouders hebben gelogen zoals zij over alles liegen.





7.4.


De ouders hebben, samengevat, de volgende schriftelijke reactie gegeven op het raadsrapport.
De ouders zijn het eens met het advies van de raad. Het verzoek van de pleegouders in hoger beroep dient afgewezen te worden.
De ouders lezen in het rapport van de raad veel onwaarheden en uitspraken van de pleegouders waarop zij zouden kunnen reageren. Zij doen dat echter niet omdat het in deze situatie niet helpend is en op dit moment niets toevoegt.
De ouders kunnen zich vinden in het advies van de raad en verzoeken om schriftelijk uitspraak te doen. De ouders zijn alle procedures zat en willen in het belang van [minderjarige] verder gaan. Zij willen zoveel mogelijk rust, temeer omdat de ouders uit het raadsrapport opmaken dat de pleegouders nog steeds niet berusten in het feit dat [minderjarige] bij zijn ouders woont.
De ouders zijn inmiddels met het gezamenlijk gezag belast: mocht het gezag van de moeder alsnog worden beëindigd, dan zal de vader toestemming geven voor aantekening van het gezamenlijk gezag zodat de situatie uiteindelijk met het zelfde resultaat zal eindigen: vader en moeder hebben beiden het gezag over [minderjarige] .



7.4.1.

In aanvulling op het voorgaande hebben de ouders tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd.
De ouders zorgen nu al tweeënhalf jaar voor [minderjarige] en hebben laten zien dat zij duurzaam in staat zijn het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De ouders betwisten dat zij [minderjarige] inzetten om hun doel te bereiken. Zij staan namelijk open voor contact tussen de pleegouders en [minderjarige] , maar dan dient het contact voor [minderjarige] niet belastend te zijn. Gezien de strijd die de pleegouders voeren, kan dat contact op dit moment nog niet onbelast plaatsvinden. De pleegouders blijven namelijk doorgaan met de (juridische) strijd tegen de ouders, hetgeen schadelijk is voor [minderjarige] .





7.5.


De GI heeft, samengevat, de volgende schriftelijke reactie gegeven op het raadsrapport.
De GI kan zich vinden in het advies van de raad dat de moeder van [minderjarige] haar gezag dient te behouden. De GI acht een nadere mondelinge behandeling niet noodzakelijk.



7.5.1.

In aanvulling op het voorgaande heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd.
De GI ziet dat het hele gezin van de ouders en de op traumaverwerking ingezette hulpverlening stil staan door het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] vast zit. Er is geen ruimte voor verwerking omdat [minderjarige] nog te veel bezig is met wat iedereen van hem wil horen.
De GI heeft in de afgelopen jaren niet gezien dat de ouders misbruik maken van het gezag over [minderjarige] . De ouders stemmen alles af met de GI; alles gaat in overleg. De moeder is in staat beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] .
De ouders zijn in staat het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders te ondersteunen. Zij wensen [minderjarige] veel plezier als hij naar de pleegouders gaat en zij ontvangen hem net zo hartelijke terug. Er zijn geen signalen dat zij [minderjarige] daarin belasten. De GI deelt de visie van de ouders dat het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders niet belastend mag zijn. Daarom maakt het ook geen verschil of de ouders nu met gezag worden belast, dan wel de GI met de voogdij.
Er is geen grond meer voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , behalve de strijd die wordt gevoerd over de omgang met [minderjarige] . In die zin is er nog sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Ten aanzien van de ontwikkelingsbedreigingen die er verder zijn doen de ouders er zelf alles aan om die zorgen weg te nemen.




De overwegingen van het hof






7.6.

Het toetsingskader is in de beschikking van 28 november 2024 opgenomen en wordt hier ten behoeve van de duidelijkheid nog eens herhaald.
Op grond van artikel 1:277 BW kan de rechter de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.


Bij de beantwoording van de vraag of herstel van het ouderlijk gezag is aangewezen, is het belang van de minderjarige het uitgangspunt. Daarbij staat het recht van het kind op een gezonde en evenwichtige groei naar zelfstandigheid centraal.
De grond voor herstel is dat de rechter ervan overtuigd is dat een kind wederom aan zijn ouders, wier gezag is beëindigd, mag worden toevertrouwd. Niet voldoende is, dat de gronden, die tot gezagsbeëindiging geleid hebben, niet meer aanwezig zijn.




7.7.

Het hof is van oordeel dat aan de grond voor herstel van het gezag van de moeder is voldaan. Het hof verwijst daarvoor naar de inhoud van het raadsrapport en de bevindingen van de GI waaruit blijkt dat de moeder, tezamen met de vader, in de periode sinds de thuisplaatsing van [minderjarige] heeft laten zien in staat te zijn het gezag over [minderjarige] uit te oefenen op een wijze die in het belang van [minderjarige] is. Zij nemen beslissingen die in het belang van [minderjarige] zijn en doen er zelfstandig en in het kader van de lopende ondertoezichtstelling alles aan om de zorgen die er zijn over [minderjarige] weg te nemen.
Over de feitelijke verzorging en opvoeding en pedagogische vaardigheden hebben alle betrokken professionals geen zorgen. Daarnaast werken de ouders goed mee in het kader van de ondertoezichtstelling. School heeft ook geen zorgen over [minderjarige] .
Hoewel de pleegouders er geen vertrouwen in hebben dat de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de ouders veilig is en daartoe ook concrete voorbeelden aandragen, zijn die zorgen niet nader onderbouwd of anderszins gebleken in het kader van het raadsonderzoek, waarbij ook bij de politie informatie is opgevraagd.




7.8.
Het hof heeft in het raadsrapport bevestigd gezien dat de situatie ten opzichte van de situatie ten tijde van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en ten tijde van de beëindiging van het gezag van de moeder 180 graden is gedraaid. Ook zonder nader persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder kan worden vastgesteld dat dat ernstige zorgen die er destijds waren, nu niet meer spelen. De positieve weg die de ouders zijn ingeslagen heeft zich ook bestendigd, aangezien er nu al lange tijd sprake is van een stabiele en voorspelbare opvoedomgeving bij de ouders.



7.9.

Uit het raadsrapport maakt het hof op dat er bij de ouders weinig tot geen ruimte is om het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders te ondersteunen. Uit de nadere toelichting van de raad tijdens de mondelinge behandeling van het hof blijkt echter dat de raad bij de ouders in beginsel wel de bereidheid ziet om de pleegouders een plek te geven in het leven van [minderjarige] , welke bereidheid ook door de GI wordt gezien, maar dat zij daar niet achter kunnen staan op het moment dat de omgang met de pleegouders [minderjarige] te veel belast.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Hij is veel bezig met iedereen tevreden stellen. Het hof ziet ook dat de vurige wens van de pleegouders om weer voor hem te zorgen, althans een grotere rol in zijn leven te spelen en de (onterechte) zorgen die zij over de ouders hebben, zich vertalen in een niet-aflatende (juridische) strijd tegen de ouders. In dat kader doen zij doorlopend meldingen bij de politie, Veilig Thuis en inspecties en diskwalificeren zij de ouders, ook in het bijzijn van [minderjarige] .

[minderjarige] voelt dat hij voor de pleegouders moet zorgen. De pleegouders stellen hun eigen emoties voorop projecteren die op [minderjarige] , als zijnde het belang van [minderjarige] . Daarbij laten de pleegouders te weinig zien op zichzelf te kunnen reflecteren, laten zij zich niet bijsturen in hun overtuiging dat [minderjarige] niet veilig is bij de ouders en tonen zij te weinig inzicht in hoeveel last [minderjarige] ervan heeft als er een te groot beroep wordt gedaan op zijn loyaliteit.
De omgang tussen [minderjarige] en de pleegouders ligt in deze procedure niet aan het hof voor, maar dat de ouders op dit moment niet achter de omgang tussen [minderjarige] en de pleegouders kunnen staan en hem een periode van rust en herstel gunnen, acht het hof in het licht van het voorgaande begrijpelijk en daarin ziet het hof dus ook geen contra-indicatie voor het herstel van het gezag van de moeder.




7.10.
In het feit dat de ouders beperkt medewerking hebben verleend aan het raadsonderzoek ziet het hof in dit specifieke geval geen contra-indicatie voor het herstel van het gezag van de moeder. De ouders hebben in de afgelopen jaren veel meegemaakt. Zij zijn moegestreden in de (juridische) strijd met de pleegouders en hebben behoefte aan rust voor zichzelf en voor [minderjarige] . De ouders willen vooruit kijken en focussen op het verwerkingsproces en [minderjarige] eindelijk kind laten zijn. De raad heeft daarbij tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het de ouders zou overvragen en uit balans zou kunnen brengen als zij onder druk zouden worden gezet om aan het raadsonderzoek mee te werken. Aangezien de (professionele) informanten eensluidend positief waren en geen zorgen hadden over de situatie van [minderjarige] bij de ouders, en de ouders bovendien de vragen van de raad wel schriftelijk hebben beantwoord, werd daar ook geen meerwaarde in gezien. Het hof kan die redenering volgen.



7.11.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.





8De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 november 2023, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover daarbij de moeder is hersteld in het gezag over [minderjarige] ;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. de Beij, mr. E.M.D.M. van der Linden, mr. G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.