Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2923
2025-10-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.352.707_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De vader speelt een zodanige summiere rol in het leven van de kinderen dat er niet kan worden gesproken van een procedure waarbij inbreuk wordt gemaakt op dit ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank heeft de vader terecht als informant aangemerkt. Hij kan daarom niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2018:488 Hoge Raad 30-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2024:1195 Parket bij de Hoge Raad 08-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.908 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.352.707/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/01/410120 / JE RK 24-1604, C/01/410127 / JE RK 24-1606 en C/01/410126/ JE RK 24/1605
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. van Riel,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Hierna tezamen te noemen: de kinderen.
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
thans zonder vaste woon - of verblijfplaats,
hierna te noemen: de moeder.
[de grootouders moederszijde]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de grootouders moederszijde,
[de gezinshuisouders]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2025, heeft de vader verzocht, zoals aangepast tijdens de mondelinge behandeling van het hof, voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de toetsing van het (door de GI) genomen perspectiefbesluit.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Van Riel;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de moeder;
- de grootouders moederszijde;
- de gezinshuismoeder, [de gezinshuismoeder] .
2.3.1.
Namens de raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlage (het raadsrapport van 22 augustus 2025) van de GI van 26 augustus 2025.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader zijn de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
3.2.
De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 8 januari 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 8 januari 2025. Daarnaast is ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin bij grootouders moederszijde) tot 8 juli 2024. Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) tot 8 juli 2024.
3.4.
Bij beschikking van rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, van 11 juni 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 januari 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is ook verlengd tot 8 januari 2025. Ten aanzien van [minderjarige 2] is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 8 januari 2025.
Bij diezelfde beschikking van 11 juni 2024 is er een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen, die inhoudt dat de vader minimaal elke vier weken gedurende één uur begeleide omgang met hen heeft en dat de regie over de uitbreiding van deze regeling bij de GI ligt. Deze beschikking is bij beschikking van 31 oktober 2024 van dit hof bekrachtigd.
Omvang van het geschil
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 8 januari 2026.
De rechtbank heeft ten aanzien van:
[minderjarige 3] de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 januari 2026;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 januari 2026;
[minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing van in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 23 december 2024 tot 23 december 2025 en bepaald dat deze machtiging de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg aanvult.
3.6.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. In het kader van de toetsing van het perspectiefbesluit heeft de rechtbank hem ten onrechte als informant aangemerkt. De vader meent dat hij als ouder zonder gezag, op grond van artikel 789 lid 1 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) als belanghebbende aangemerkt had moeten worden. De toetsing van het perspectiefbesluit heeft rechtstreeks betrekking op zijn rechten of verplichtingen in relatie tot de kinderen omdat er niet meer wordt toegewerkt naar een situatie waarbij hij zelf voor de kinderen kan gaan zorgen. De vader kan zich ook niet verenigen met het door de GI genomen perspectiefbesluit. Hij vindt dat de Gl niet in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen dat het perspectief van de kinderen niet (meer) bij de vader zou liggen.
De rechtbank heeft het oordeel - dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt - onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen daaromtrent door de vader in het kader van het voorgenomen perspectiefbesluit naar voren is gebracht. De vader heeft niet behoorlijk kunnen laten zien dat hij goed voor de kinderen kan zorgen. Sinds het verbreken van de relatie met de moeder is er ten gunste van zijn omstandigheden, de (opvoed)vaardigheden en rust bij de vader veel veranderd. Hij wil de kans krijgen om dit in praktijk te brengen en heeft inmiddels, zoveel mogelijk, aan de door de Gl gestelde voorwaarden voldaan. Ook heeft hij zijn huis op orde. Omdat er nog geen huisbezoek door de Gl is gedaan heeft de vader dit niet kunnen laten zien. De vader vindt daarom dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen en benadrukt dat de aanvaardbare termijn, waarbinnen hij in staat dient te worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen, niet is verstreken.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - aan dat er geen expliciete toetsing van het perspectiefbesluit door de kinderrechter heeft plaatsgevonden en de kinderrechter in de bestreden beschikking geen expliciet oordeel heeft gegeven over dat het perspectief niet meer bij de ouders ligt.
De GI wijst erop dat - in het kader van het onderzoek naar een verderstrekkende maatregel - de toetsing van het perspectiefbesluit pas onlangs door de raad is afgerond. Wat betreft de vraag of de vader door de kinderrechter als belanghebbende had moeten worden aangemerkt refereert de GI zich aan het oordeel van het hof.
3.8.
Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de ontvankelijkheid.
3.8.1.
In dit hoger beroep dienst allereerst de vraag te worden beantwoord of de vader ontvangen kan worden in zijn hoger beroep. De vader heeft daartoe gesteld dat hij ten onrechte slechts als informant en niet als belanghebbende is aangemerkt door de kinderrechter.
3.8.2.
Uit artikel 798, eerste lid, Rv volgt, voor zover hier relevant, dat in zaken betreffende het personen- en familierecht onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd.
Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
3.8.3.
Vaststaat dat de vader niet het ouderlijk gezag uitoefent over de kinderen. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook de niet-gezaghebbende ouder aangemerkt kan worden als belanghebbende, wanneer er sprake is van ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure op dat recht betrekking heeft. Of dat zo is, beoordeelt de rechter naar de omstandigheden van het geval. Het hof verwijst in dit geval ook naar de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:1195).
3.8.4.
In dit geval was de feitelijke situatie ten tijde van de bestreden beschikking (en ook nu nog) dat de vader een minimale omgangsregeling met de kinderen heeft: iedere vier weken één uur begeleid. Op dit moment is er nog geen zicht op uitbreiding van deze regeling, mede gelet op de omstandigheid dat de vader niet in staat is gebleken om aan de door de GI gestelde voorwaarden te voldoen. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat deze procedure in het kader van het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen geen inbreuk maakt op zijn ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM, nog daargelaten dat het perspectief van de kinderen, gelet op het onderzoek dat daar nog naar verricht wordt door de raad kennelijk nog niet definitief is beoordeeld door de kinderrechter.
Het hof oordeelt daarom dat de kinderrechter de vader op terechte gronden als informant heeft aangemerkt.
3.9.
Omdat de vader geen belanghebbende is kan hij niet worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep (ex artikel 806 lid 1 Rv). Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vader niet-ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep.
4De beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.352.707/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/01/410120 / JE RK 24-1604, C/01/410127 / JE RK 24-1606 en C/01/410126/ JE RK 24/1605
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. van Riel,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Hierna tezamen te noemen: de kinderen.
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
thans zonder vaste woon - of verblijfplaats,
hierna te noemen: de moeder.
[de grootouders moederszijde]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de grootouders moederszijde,
[de gezinshuisouders]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2025, heeft de vader verzocht, zoals aangepast tijdens de mondelinge behandeling van het hof, voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de toetsing van het (door de GI) genomen perspectiefbesluit.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Van Riel;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de moeder;
- de grootouders moederszijde;
- de gezinshuismoeder, [de gezinshuismoeder] .
2.3.1.
Namens de raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlage (het raadsrapport van 22 augustus 2025) van de GI van 26 augustus 2025.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader zijn de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
3.2.
De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 8 januari 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 8 januari 2025. Daarnaast is ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin bij grootouders moederszijde) tot 8 juli 2024. Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) tot 8 juli 2024.
3.4.
Bij beschikking van rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, van 11 juni 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 januari 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is ook verlengd tot 8 januari 2025. Ten aanzien van [minderjarige 2] is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 8 januari 2025.
Bij diezelfde beschikking van 11 juni 2024 is er een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen, die inhoudt dat de vader minimaal elke vier weken gedurende één uur begeleide omgang met hen heeft en dat de regie over de uitbreiding van deze regeling bij de GI ligt. Deze beschikking is bij beschikking van 31 oktober 2024 van dit hof bekrachtigd.
Omvang van het geschil
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 8 januari 2026.
De rechtbank heeft ten aanzien van:
[minderjarige 3] de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 januari 2026;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 januari 2026;
[minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing van in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 23 december 2024 tot 23 december 2025 en bepaald dat deze machtiging de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg aanvult.
3.6.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. In het kader van de toetsing van het perspectiefbesluit heeft de rechtbank hem ten onrechte als informant aangemerkt. De vader meent dat hij als ouder zonder gezag, op grond van artikel 789 lid 1 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) als belanghebbende aangemerkt had moeten worden. De toetsing van het perspectiefbesluit heeft rechtstreeks betrekking op zijn rechten of verplichtingen in relatie tot de kinderen omdat er niet meer wordt toegewerkt naar een situatie waarbij hij zelf voor de kinderen kan gaan zorgen. De vader kan zich ook niet verenigen met het door de GI genomen perspectiefbesluit. Hij vindt dat de Gl niet in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen dat het perspectief van de kinderen niet (meer) bij de vader zou liggen.
De rechtbank heeft het oordeel - dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt - onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen daaromtrent door de vader in het kader van het voorgenomen perspectiefbesluit naar voren is gebracht. De vader heeft niet behoorlijk kunnen laten zien dat hij goed voor de kinderen kan zorgen. Sinds het verbreken van de relatie met de moeder is er ten gunste van zijn omstandigheden, de (opvoed)vaardigheden en rust bij de vader veel veranderd. Hij wil de kans krijgen om dit in praktijk te brengen en heeft inmiddels, zoveel mogelijk, aan de door de Gl gestelde voorwaarden voldaan. Ook heeft hij zijn huis op orde. Omdat er nog geen huisbezoek door de Gl is gedaan heeft de vader dit niet kunnen laten zien. De vader vindt daarom dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen en benadrukt dat de aanvaardbare termijn, waarbinnen hij in staat dient te worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen, niet is verstreken.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - aan dat er geen expliciete toetsing van het perspectiefbesluit door de kinderrechter heeft plaatsgevonden en de kinderrechter in de bestreden beschikking geen expliciet oordeel heeft gegeven over dat het perspectief niet meer bij de ouders ligt.
De GI wijst erop dat - in het kader van het onderzoek naar een verderstrekkende maatregel - de toetsing van het perspectiefbesluit pas onlangs door de raad is afgerond. Wat betreft de vraag of de vader door de kinderrechter als belanghebbende had moeten worden aangemerkt refereert de GI zich aan het oordeel van het hof.
3.8.
Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de ontvankelijkheid.
3.8.1.
In dit hoger beroep dienst allereerst de vraag te worden beantwoord of de vader ontvangen kan worden in zijn hoger beroep. De vader heeft daartoe gesteld dat hij ten onrechte slechts als informant en niet als belanghebbende is aangemerkt door de kinderrechter.
3.8.2.
Uit artikel 798, eerste lid, Rv volgt, voor zover hier relevant, dat in zaken betreffende het personen- en familierecht onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd.
Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
3.8.3.
Vaststaat dat de vader niet het ouderlijk gezag uitoefent over de kinderen. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook de niet-gezaghebbende ouder aangemerkt kan worden als belanghebbende, wanneer er sprake is van ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure op dat recht betrekking heeft. Of dat zo is, beoordeelt de rechter naar de omstandigheden van het geval. Het hof verwijst in dit geval ook naar de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:1195).
3.8.4.
In dit geval was de feitelijke situatie ten tijde van de bestreden beschikking (en ook nu nog) dat de vader een minimale omgangsregeling met de kinderen heeft: iedere vier weken één uur begeleid. Op dit moment is er nog geen zicht op uitbreiding van deze regeling, mede gelet op de omstandigheid dat de vader niet in staat is gebleken om aan de door de GI gestelde voorwaarden te voldoen. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat deze procedure in het kader van het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen geen inbreuk maakt op zijn ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM, nog daargelaten dat het perspectief van de kinderen, gelet op het onderzoek dat daar nog naar verricht wordt door de raad kennelijk nog niet definitief is beoordeeld door de kinderrechter.
Het hof oordeelt daarom dat de kinderrechter de vader op terechte gronden als informant heeft aangemerkt.
3.9.
Omdat de vader geen belanghebbende is kan hij niet worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep (ex artikel 806 lid 1 Rv). Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vader niet-ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep.
4De beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.