Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2921
2025-10-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.354.823_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank waarbij, onder meer, het gezag van de vader is beëindigd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.386 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.354.823/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/329259 / FA RK 24-1262
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.P.F. Rober,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de moeder], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder);
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).
Als informant wordt aangemerkt:
- [grootmoeder vaderszijde], grootmoeder vaderszijde, wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de grootmoeder).
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 mei 2025, en aangepast tijdens de mondelinge behandeling, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de beëindiging van het ouderlijk gezag in die zin dat hij alsnog (alleen) wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 juni 2025, heeft de raad verzocht de beschikking waarvan beroep in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het door de vader ingestelde hoger beroep.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Rober;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de grootmoeder.
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De ouders hebben tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitgeoefend.
3.2.1.
[minderjarige] staat sinds 13 februari 2020 onafgebroken onder toezicht van de GI.
Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 februari 2026. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 26 september 2023 uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is nadien verlengd, laatstelijk tot 13 februari 2026. Op grond van het bepaalde in artikel 1:326 BW zijn deze maatregelen geëindigd, omdat in de bestreden beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - een niet-natuurlijk persoon tot voogd is benoemd.
3.2.2.
[minderjarige] verblijft bij [instantie] in [plaats] . In de weekenden en vakanties verblijft hij bij de grootmoeder.
De omvang van het geschil
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder beëindigd en de GI tot voogd benoemd over [minderjarige] .
3.4.
De vader kan zich met deze beslissing - althans voor zover zijn gezag is beëindigd - niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.
De beëindiging van het ouderlijk gezag over [minderjarige] betreft een ingrijpende maatregel en de rechtbank heeft de beslissing van de gezagsbeëindiging volgens de vader niet goed onderbouwd. In plaats van te bekijken wat er nog mogelijk is om de band tussen [minderjarige] en de vader te herstellen heeft de rechtbank vooral gekeken naar wat er is misgegaan. De rechtbank heeft ten onrechte de nadruk gelegd op eerdere problemen binnen het gezin, waaronder de houding van de ouders en de aard van de gezinsproblematiek, en nagelaten om het toekomstperspectief en mogelijke hersteltrajecten voldoende mee te wegen.
De vader heeft tijdens de procedure in eerste aanleg kenbaar gemaakt bereid te zijn om de verantwoordelijkheid te nemen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zich in te zetten voor het herstel van de gezinsband. Hij staat open voor een geleidelijke terugkeer van [minderjarige] naar de thuissituatie. Ook wil hij omgang en contact met zijn zoon behouden en versterken. De rechtbank heeft dit voorstel afgewezen zonder uitgebreid te onderzoeken of dit haalbaar is en zonder te bekijken of er begeleiding of ondersteuning mogelijk is om dit te realiseren. De rechtbank heeft geen zorgvuldige afweging van de toekomstmogelijkheden en alternatieven gemaakt en dat is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Volgens het EHRM dienen rechters juist ook het toekomstperspectief mee te wegen en te onderzoeken of er minder vergaande oplossingen mogelijk zijn dan het beëindigen van het gezag. Dat is onvoldoende gebeurd.
Een lichtere maatregel dan een gezagsbeëindiging is mogelijk. De vader ziet aanknopingspunten om het gezag binnen de familie te houden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de verhoudingen tussen de ouders en de grootmoeder wisselend verlopen en dat de nicht van de grootmoeder ( [nicht van de grootmoeder] ) op dit moment onvoldoende beschikbaar is om de voogdij over [minderjarige] uit te voeren. De vader benadrukt dat [nicht van de grootmoeder] bereid is om een actieve rol te spelen in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Zij is, indien zij daartoe geschikt is, voornemens deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Gelet op haar familieband met [minderjarige] en haar betrokkenheid, verdient het aanbeveling dat ook haar geschiktheid als (mede)gezagdragende partij op serieuze wijze wordt onderzocht.
De vader betwist dat er sprake is van een wisselende relatie tussen hem en de grootmoeder. Hoewel zij niet altijd op één lijn zitten acht de vader het niet waarschijnlijk dat dit de gemoedstoestand van [minderjarige] negatief beïnvloedt. De relatie tussen de moeder en de grootmoeder vormt ook geen belemmering voor het toekennen van de voogdij aan de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] . Ook is het de wens van [minderjarige] dat [nicht van de grootmoeder] het gezag uitoefent als de ouders het gezag niet meer hebben. Hij wil liever een andere voogd dan de GI.
De vader wijst verder op een wijziging in de omstandigheden van de situatie van de ouders.
De ouders zijn uit elkaar en hebben al een tijd geen contact meer. De vader is niet langer gebonden aan de spanningsvolle dynamiek van de relatie met de moeder. De moeder vertoonde agressief gedrag en oefende een zodanige invloed uit dat de vader zich niet vrij voelde om zelfstandig beslissingen te nemen. Waar de moeder heeft verklaard geen enkel perspectief te zien in een thuisplaatsing van [minderjarige] gaf de vader aan dat een thuisplaatsing binnen zes maanden tot de mogelijkheden behoorde. Het einde van de relatie met de moeder biedt hem ruimte voor een hernieuwde, zelfstandige invulling van zijn rol als ouder. Hij staat open voor een hervatting van de ouder-kind relatie en is bereid verantwoordelijkheid te dragen voor een stabiele thuissituatie voor [minderjarige] . Dat er anderhalf jaar geen contact was tussen de vader en [minderjarige] was het gevolg van de blokkade van het contact door de moeder. Zij weigerde iedere bemoeienis van derden. Daardoor was het voor de vader onmogelijk om contact met [minderjarige] te onderhouden.
De vader draagt nu alleen zorg voor [broertje] , het broertje van [minderjarige] . De vader helpt, waar hij kan, de grootmoeder wanneer zij de zorg heeft voor [minderjarige] en dit gaat goed. Hij acht zich, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de bestreden beschikking, in staat om met steun van de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] , het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen en invulling te geven aan een stabiele en betrokken ouderschapsrelatie.
3.5.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. De raad acht gronden voor de gezagsbeëindiging nog altijd onverminderd aanwezig en adviseert om de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De vader heeft in het verleden wisselende signalen afgegeven over het contact met [minderjarige] . [minderjarige] is in de afgelopen jaren verschillende keren op initiatief van ouders uithuisgeplaatst en ook weer thuis komen wonen. Dit alles heeft [minderjarige] veel verdriet gedaan. Hij heeft het gevoel gekregen dat de problemen aan hem liggen en dat hij iets ergs gedaan heeft, waardoor hij niet meer thuis kan wonen en zijn broertje wel. Jarenlange inzet van hulpverlening heeft bij de ouders geen daadwerkelijke verandering op gang gebracht. Zodra er in de thuissituatie iets voorviel bleven zij [minderjarige] aanwijzen als de veroorzaker van problemen. [minderjarige] kreeg van de ouders ook tegenstrijdige signalen; zij gaven aan van hem te houden en hem te missen, maar gingen ook het contact met hem uit de weg en gaven hem de schuld van problemen. De raad wil dat dit patroon stopt en [minderjarige] beschermen tegen deze voortdurende wisselende houding van de ouders, zodat hij niet opnieuw de dupe wordt van de onmacht die de ouders ervaren in de opvoeding.
Het is voor de raad duidelijk dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders niet meer tot de mogelijkheden behoort binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. [minderjarige] heeft recht op zekerheid en duidelijkheid over zijn perspectief. Ondanks dat nog niet duidelijk is waar [minderjarige] kan opgroeien, moeten er voor [minderjarige] plannen gemaakt worden en moet, onder regie van de GI, de weg worden uitgestippeld om gezond groot te kunnen worden.
Omdat er tijdens het raadsonderzoek nog sprake was van kwetsbare familiebanden, waarbij de ouders de grootmoeder onder meer lange tijd het contact met [minderjarige] hebben ontzegd, was het nog onduidelijk wat oma en/of [nicht van de grootmoeder] konden betekenen voor [minderjarige] . Ook gaven de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] aan dat zij nog ondersteuning nodig hadden bij het contact met de ouders. Daarom was er op dat moment geen natuurlijk persoon in de omgeving van [minderjarige] , die in aanmerking kwam om de voogdij uit de voeren. Om deze reden moet eerst de GI de voogdij uitvoeren en regie nemen. Ondertussen zal een onderzoek moeten plaatsvinden naar de mogelijkheid om een familielid met de voogdij te belasten.
De breuk van de ouders is een recente ontwikkeling. De raad staat positief tegenover het herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] , zeker nu [minderjarige] tijdens het raadsonderzoek en het kindgesprek bij de rechtbank duidelijk heeft aangegeven dat hij zijn ouders erg mist. Wel benadrukt de raad dat het herstel van contact en het opnieuw
vormgeven van de ouder-kindrelatie tijd, stabiliteit en professionele begeleiding
nodig heeft. De GI speelt hierbij een cruciale rol en zal het contact tussen de vader en [minderjarige] opnieuw moeten vormgeven. Dit vereist een zorgvuldig opbouw, waarbij zowel het belang van [minderjarige] als de bereidheid en het vermogen van de vader om op een veilige en stabiele manier invulling te geven aan zijn ouderschap centraal staan. Begeleiding en ondersteuning zijn daarbij noodzakelijk om het contact op verantwoorde wijze te herstellen en verder uit te bouwen.
De raad vraagt zich af of het verstandig is dat de vader, die lang geen contact had met [minderjarige] , alle beslissingen moet gaan nemen. Van belang is ook dat het contact tussen de grootmoeder en [minderjarige] gewaarborgd blijft. Verder is het de vraag of de vader de juiste persoon is om het (onderzoek naar het) contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] te bewerkstelligen.
3.6.
De GI voert tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, het volgende aan. De vader doet zijn best. Sinds 27 maart 2025 is er weer contact tussen hem en [minderjarige] . Eerst verliep dit contact via beeldbellen en inmiddels is er twee keer begeleide omgang geweest. De vader is in staat om in te spelen op de behoeften van [minderjarige] en de GI zal begeleiding regelen voor de omgangsmomenten. Tussen de moeder en [minderjarige] is er ook weer contact; er wordt stapsgewijs toegewerkt naar omgang. Hoewel de GI begrijpt dat de vader weer een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] , benadrukt de GI dat het hebben van (begeleide) omgang niet hetzelfde is als het uitoefenen van het gezag. Als gezaghebbende ouder dient de vader meer te doen, zoals het regelen van contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , het onderhouden van contact met de grootmoeder en uitzoeken welke hulp [minderjarige] nodig heeft.
Het doel van de GI is om zowel de ouders als de grootmoeder een rol te laten spelen in het leven van [minderjarige] en om, als het mogelijk is, toe te werken naar een situatie waarbij [nicht van de grootmoeder] het gezag krijgt over [minderjarige] en zij zijn pleegouder wordt.
3.7.
De grootmoeder voert tijdens de mondelinge behandeling aan dat [minderjarige] in de weekenden en vakanties bij haar verblijft. Dat gaat goed. De grootmoeder benadrukt echter dat [minderjarige] hulp nodig heeft van bijvoorbeeld een psycholoog. Zij maakt zich ook zorgen over de groep waarop hij nu verblijft en over het feit dat hij gepest wordt op school.
De motivering van de beslissing
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Aan het hof ligt in hoger beroep enkel de gezagsbeëindiging van de vader voor.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.3.
Er is geen sprake van misbruik van het gezag door de vader.
3.8.4.
Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling.
3.8.5.
Uit artikel 8 EVRM vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn.
Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken.
Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij een pleeggezin of instelling voor pleegzorg te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
3.8.6.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
[minderjarige] is een kwetsbare jongen die in zijn jonge leven al veel wisselingen heeft moeten ondergaan. Hierdoor is hij meerdere keren geconfronteerd met verlies, afwijzing en teleurstelling. Daarbij komt dat hij kenmerken van autisme heeft en er bij hem sprake is van hechtingsproblemen en een ontwikkelingsachterstand. De ouders hebben niet aan [minderjarige] kunnen uitleggen waarom zij niet zelf voor hem konden zorgen en gaven hem bovendien op een bepaald moment de schuld van de problemen die in hun leven/gezin speelden. Hierdoor gaf [minderjarige] zichzelf de schuld van de uithuisplaatsing. In tegenstelling tot wat de vader aangeeft in hoger beroep is er wel degelijk hulp ingeschakeld voor de situatie bij de ouders thuis en voor de problematiek van [minderjarige] . Bij iedere thuisplaatsing van [minderjarige] is er ingezet op de pedagogische vaardigheden van de ouders. Gebleken is echter dat de ouders deze hulp niet altijd onverkort accepteerden en zij niet altijd hebben meegewerkt aan onderzoeken of de geboden hulp. De ouders hielden vast aan hun eigen inzichten en stonden niet open voor adviezen. De ouders hebben bij [instantie] op een bepaald moment zelfs aangegeven geen fysiek en ook geen telefonisch contact meer te willen met [minderjarige] .
Dat de vader op zijn beurt (met name in de periode waarin hij nog samen met de moeder was) een moeilijke tijd heeft gehad en dat hij er nu wil zijn voor [minderjarige] , is weliswaar een positieve ontwikkeling in het leven van de vader, maar nog zeer pril. Gelet op de gebeurtenissen in het verleden en vaders ambivalente houding richting de gezinsvoogd, heeft het hof er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat de vader (ingeval hij weer het gezag zou uitoefenen) binnen de kaders van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [minderjarige] in staat zal zijn om in samenwerking met de GI de juiste hulp voor [minderjarige] te regelen en het contact tussen de moeder en [minderjarige] te stimuleren. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat de vader in staat is om binnen een aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
Daar komt bij, zoals de raad reeds in het raadsrapport van 21 maart 2024 heeft verwoord, dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Voor hem dient nu duidelijkheid te komen waar hij definitief zal opgroeien. [minderjarige] heeft daar behoefte aan en hij heeft last van de onzekerheid over de plek waar hij gaat opgroeien. Voorkomen moet worden, dat [minderjarige] in al zijn kwetsbaarheid opnieuw met verlies, afwijzing en teleurstelling geconfronteerd wordt.
Gebleken is dat de GI inmiddels hulp heeft geregeld voor [minderjarige] in de vorm van viervoetertherapie. Dit is een therapie die helpt om in gesprek te komen met [minderjarige] .
Dit traject is (als gevolg van wachtlijsten) pas laat gestart. Verder is de GI bezig met een onderzoek naar de mogelijkheid of het familielid [nicht van de grootmoeder] het gezag kan uitvoeren. Het hof begrijpt dat het doel is om zo mogelijk toe te werken naar een situatie waarbij [minderjarige] bij [nicht van de grootmoeder] wordt geplaatst. De vader kan zich, zoals hij desgevraagd heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling van het hof, daarin vinden. Bovendien is het van belang dat de recente ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] , waarbij hij weer contact heeft met zowel de vader als de moeder, worden gemonitord om te kijken of deze contacten (verder) kunnen worden opgebouwd. Ook om deze reden is van belang dat het gezag vooralsnog bij de GI blijft.
De conclusie van dit alles is dat het beëindigen van het gezag van de vader noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] .
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, J.C.E. Ackermans-Wijn en M. Jonker en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.354.823/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/329259 / FA RK 24-1262
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.P.F. Rober,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de moeder], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder);
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).
Als informant wordt aangemerkt:
- [grootmoeder vaderszijde], grootmoeder vaderszijde, wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de grootmoeder).
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 mei 2025, en aangepast tijdens de mondelinge behandeling, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de beëindiging van het ouderlijk gezag in die zin dat hij alsnog (alleen) wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 juni 2025, heeft de raad verzocht de beschikking waarvan beroep in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het door de vader ingestelde hoger beroep.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Rober;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de grootmoeder.
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De ouders hebben tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitgeoefend.
3.2.1.
[minderjarige] staat sinds 13 februari 2020 onafgebroken onder toezicht van de GI.
Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 februari 2026. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 26 september 2023 uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is nadien verlengd, laatstelijk tot 13 februari 2026. Op grond van het bepaalde in artikel 1:326 BW zijn deze maatregelen geëindigd, omdat in de bestreden beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - een niet-natuurlijk persoon tot voogd is benoemd.
3.2.2.
[minderjarige] verblijft bij [instantie] in [plaats] . In de weekenden en vakanties verblijft hij bij de grootmoeder.
De omvang van het geschil
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder beëindigd en de GI tot voogd benoemd over [minderjarige] .
3.4.
De vader kan zich met deze beslissing - althans voor zover zijn gezag is beëindigd - niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.
De beëindiging van het ouderlijk gezag over [minderjarige] betreft een ingrijpende maatregel en de rechtbank heeft de beslissing van de gezagsbeëindiging volgens de vader niet goed onderbouwd. In plaats van te bekijken wat er nog mogelijk is om de band tussen [minderjarige] en de vader te herstellen heeft de rechtbank vooral gekeken naar wat er is misgegaan. De rechtbank heeft ten onrechte de nadruk gelegd op eerdere problemen binnen het gezin, waaronder de houding van de ouders en de aard van de gezinsproblematiek, en nagelaten om het toekomstperspectief en mogelijke hersteltrajecten voldoende mee te wegen.
De vader heeft tijdens de procedure in eerste aanleg kenbaar gemaakt bereid te zijn om de verantwoordelijkheid te nemen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zich in te zetten voor het herstel van de gezinsband. Hij staat open voor een geleidelijke terugkeer van [minderjarige] naar de thuissituatie. Ook wil hij omgang en contact met zijn zoon behouden en versterken. De rechtbank heeft dit voorstel afgewezen zonder uitgebreid te onderzoeken of dit haalbaar is en zonder te bekijken of er begeleiding of ondersteuning mogelijk is om dit te realiseren. De rechtbank heeft geen zorgvuldige afweging van de toekomstmogelijkheden en alternatieven gemaakt en dat is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Volgens het EHRM dienen rechters juist ook het toekomstperspectief mee te wegen en te onderzoeken of er minder vergaande oplossingen mogelijk zijn dan het beëindigen van het gezag. Dat is onvoldoende gebeurd.
Een lichtere maatregel dan een gezagsbeëindiging is mogelijk. De vader ziet aanknopingspunten om het gezag binnen de familie te houden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de verhoudingen tussen de ouders en de grootmoeder wisselend verlopen en dat de nicht van de grootmoeder ( [nicht van de grootmoeder] ) op dit moment onvoldoende beschikbaar is om de voogdij over [minderjarige] uit te voeren. De vader benadrukt dat [nicht van de grootmoeder] bereid is om een actieve rol te spelen in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Zij is, indien zij daartoe geschikt is, voornemens deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Gelet op haar familieband met [minderjarige] en haar betrokkenheid, verdient het aanbeveling dat ook haar geschiktheid als (mede)gezagdragende partij op serieuze wijze wordt onderzocht.
De vader betwist dat er sprake is van een wisselende relatie tussen hem en de grootmoeder. Hoewel zij niet altijd op één lijn zitten acht de vader het niet waarschijnlijk dat dit de gemoedstoestand van [minderjarige] negatief beïnvloedt. De relatie tussen de moeder en de grootmoeder vormt ook geen belemmering voor het toekennen van de voogdij aan de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] . Ook is het de wens van [minderjarige] dat [nicht van de grootmoeder] het gezag uitoefent als de ouders het gezag niet meer hebben. Hij wil liever een andere voogd dan de GI.
De vader wijst verder op een wijziging in de omstandigheden van de situatie van de ouders.
De ouders zijn uit elkaar en hebben al een tijd geen contact meer. De vader is niet langer gebonden aan de spanningsvolle dynamiek van de relatie met de moeder. De moeder vertoonde agressief gedrag en oefende een zodanige invloed uit dat de vader zich niet vrij voelde om zelfstandig beslissingen te nemen. Waar de moeder heeft verklaard geen enkel perspectief te zien in een thuisplaatsing van [minderjarige] gaf de vader aan dat een thuisplaatsing binnen zes maanden tot de mogelijkheden behoorde. Het einde van de relatie met de moeder biedt hem ruimte voor een hernieuwde, zelfstandige invulling van zijn rol als ouder. Hij staat open voor een hervatting van de ouder-kind relatie en is bereid verantwoordelijkheid te dragen voor een stabiele thuissituatie voor [minderjarige] . Dat er anderhalf jaar geen contact was tussen de vader en [minderjarige] was het gevolg van de blokkade van het contact door de moeder. Zij weigerde iedere bemoeienis van derden. Daardoor was het voor de vader onmogelijk om contact met [minderjarige] te onderhouden.
De vader draagt nu alleen zorg voor [broertje] , het broertje van [minderjarige] . De vader helpt, waar hij kan, de grootmoeder wanneer zij de zorg heeft voor [minderjarige] en dit gaat goed. Hij acht zich, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de bestreden beschikking, in staat om met steun van de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] , het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen en invulling te geven aan een stabiele en betrokken ouderschapsrelatie.
3.5.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. De raad acht gronden voor de gezagsbeëindiging nog altijd onverminderd aanwezig en adviseert om de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De vader heeft in het verleden wisselende signalen afgegeven over het contact met [minderjarige] . [minderjarige] is in de afgelopen jaren verschillende keren op initiatief van ouders uithuisgeplaatst en ook weer thuis komen wonen. Dit alles heeft [minderjarige] veel verdriet gedaan. Hij heeft het gevoel gekregen dat de problemen aan hem liggen en dat hij iets ergs gedaan heeft, waardoor hij niet meer thuis kan wonen en zijn broertje wel. Jarenlange inzet van hulpverlening heeft bij de ouders geen daadwerkelijke verandering op gang gebracht. Zodra er in de thuissituatie iets voorviel bleven zij [minderjarige] aanwijzen als de veroorzaker van problemen. [minderjarige] kreeg van de ouders ook tegenstrijdige signalen; zij gaven aan van hem te houden en hem te missen, maar gingen ook het contact met hem uit de weg en gaven hem de schuld van problemen. De raad wil dat dit patroon stopt en [minderjarige] beschermen tegen deze voortdurende wisselende houding van de ouders, zodat hij niet opnieuw de dupe wordt van de onmacht die de ouders ervaren in de opvoeding.
Het is voor de raad duidelijk dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders niet meer tot de mogelijkheden behoort binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. [minderjarige] heeft recht op zekerheid en duidelijkheid over zijn perspectief. Ondanks dat nog niet duidelijk is waar [minderjarige] kan opgroeien, moeten er voor [minderjarige] plannen gemaakt worden en moet, onder regie van de GI, de weg worden uitgestippeld om gezond groot te kunnen worden.
Omdat er tijdens het raadsonderzoek nog sprake was van kwetsbare familiebanden, waarbij de ouders de grootmoeder onder meer lange tijd het contact met [minderjarige] hebben ontzegd, was het nog onduidelijk wat oma en/of [nicht van de grootmoeder] konden betekenen voor [minderjarige] . Ook gaven de grootmoeder en [nicht van de grootmoeder] aan dat zij nog ondersteuning nodig hadden bij het contact met de ouders. Daarom was er op dat moment geen natuurlijk persoon in de omgeving van [minderjarige] , die in aanmerking kwam om de voogdij uit de voeren. Om deze reden moet eerst de GI de voogdij uitvoeren en regie nemen. Ondertussen zal een onderzoek moeten plaatsvinden naar de mogelijkheid om een familielid met de voogdij te belasten.
De breuk van de ouders is een recente ontwikkeling. De raad staat positief tegenover het herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] , zeker nu [minderjarige] tijdens het raadsonderzoek en het kindgesprek bij de rechtbank duidelijk heeft aangegeven dat hij zijn ouders erg mist. Wel benadrukt de raad dat het herstel van contact en het opnieuw
vormgeven van de ouder-kindrelatie tijd, stabiliteit en professionele begeleiding
nodig heeft. De GI speelt hierbij een cruciale rol en zal het contact tussen de vader en [minderjarige] opnieuw moeten vormgeven. Dit vereist een zorgvuldig opbouw, waarbij zowel het belang van [minderjarige] als de bereidheid en het vermogen van de vader om op een veilige en stabiele manier invulling te geven aan zijn ouderschap centraal staan. Begeleiding en ondersteuning zijn daarbij noodzakelijk om het contact op verantwoorde wijze te herstellen en verder uit te bouwen.
De raad vraagt zich af of het verstandig is dat de vader, die lang geen contact had met [minderjarige] , alle beslissingen moet gaan nemen. Van belang is ook dat het contact tussen de grootmoeder en [minderjarige] gewaarborgd blijft. Verder is het de vraag of de vader de juiste persoon is om het (onderzoek naar het) contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] te bewerkstelligen.
3.6.
De GI voert tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, het volgende aan. De vader doet zijn best. Sinds 27 maart 2025 is er weer contact tussen hem en [minderjarige] . Eerst verliep dit contact via beeldbellen en inmiddels is er twee keer begeleide omgang geweest. De vader is in staat om in te spelen op de behoeften van [minderjarige] en de GI zal begeleiding regelen voor de omgangsmomenten. Tussen de moeder en [minderjarige] is er ook weer contact; er wordt stapsgewijs toegewerkt naar omgang. Hoewel de GI begrijpt dat de vader weer een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] , benadrukt de GI dat het hebben van (begeleide) omgang niet hetzelfde is als het uitoefenen van het gezag. Als gezaghebbende ouder dient de vader meer te doen, zoals het regelen van contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , het onderhouden van contact met de grootmoeder en uitzoeken welke hulp [minderjarige] nodig heeft.
Het doel van de GI is om zowel de ouders als de grootmoeder een rol te laten spelen in het leven van [minderjarige] en om, als het mogelijk is, toe te werken naar een situatie waarbij [nicht van de grootmoeder] het gezag krijgt over [minderjarige] en zij zijn pleegouder wordt.
3.7.
De grootmoeder voert tijdens de mondelinge behandeling aan dat [minderjarige] in de weekenden en vakanties bij haar verblijft. Dat gaat goed. De grootmoeder benadrukt echter dat [minderjarige] hulp nodig heeft van bijvoorbeeld een psycholoog. Zij maakt zich ook zorgen over de groep waarop hij nu verblijft en over het feit dat hij gepest wordt op school.
De motivering van de beslissing
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Aan het hof ligt in hoger beroep enkel de gezagsbeëindiging van de vader voor.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.3.
Er is geen sprake van misbruik van het gezag door de vader.
3.8.4.
Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling.
3.8.5.
Uit artikel 8 EVRM vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn.
Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken.
Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij een pleeggezin of instelling voor pleegzorg te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
3.8.6.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
[minderjarige] is een kwetsbare jongen die in zijn jonge leven al veel wisselingen heeft moeten ondergaan. Hierdoor is hij meerdere keren geconfronteerd met verlies, afwijzing en teleurstelling. Daarbij komt dat hij kenmerken van autisme heeft en er bij hem sprake is van hechtingsproblemen en een ontwikkelingsachterstand. De ouders hebben niet aan [minderjarige] kunnen uitleggen waarom zij niet zelf voor hem konden zorgen en gaven hem bovendien op een bepaald moment de schuld van de problemen die in hun leven/gezin speelden. Hierdoor gaf [minderjarige] zichzelf de schuld van de uithuisplaatsing. In tegenstelling tot wat de vader aangeeft in hoger beroep is er wel degelijk hulp ingeschakeld voor de situatie bij de ouders thuis en voor de problematiek van [minderjarige] . Bij iedere thuisplaatsing van [minderjarige] is er ingezet op de pedagogische vaardigheden van de ouders. Gebleken is echter dat de ouders deze hulp niet altijd onverkort accepteerden en zij niet altijd hebben meegewerkt aan onderzoeken of de geboden hulp. De ouders hielden vast aan hun eigen inzichten en stonden niet open voor adviezen. De ouders hebben bij [instantie] op een bepaald moment zelfs aangegeven geen fysiek en ook geen telefonisch contact meer te willen met [minderjarige] .
Dat de vader op zijn beurt (met name in de periode waarin hij nog samen met de moeder was) een moeilijke tijd heeft gehad en dat hij er nu wil zijn voor [minderjarige] , is weliswaar een positieve ontwikkeling in het leven van de vader, maar nog zeer pril. Gelet op de gebeurtenissen in het verleden en vaders ambivalente houding richting de gezinsvoogd, heeft het hof er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat de vader (ingeval hij weer het gezag zou uitoefenen) binnen de kaders van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [minderjarige] in staat zal zijn om in samenwerking met de GI de juiste hulp voor [minderjarige] te regelen en het contact tussen de moeder en [minderjarige] te stimuleren. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat de vader in staat is om binnen een aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
Daar komt bij, zoals de raad reeds in het raadsrapport van 21 maart 2024 heeft verwoord, dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Voor hem dient nu duidelijkheid te komen waar hij definitief zal opgroeien. [minderjarige] heeft daar behoefte aan en hij heeft last van de onzekerheid over de plek waar hij gaat opgroeien. Voorkomen moet worden, dat [minderjarige] in al zijn kwetsbaarheid opnieuw met verlies, afwijzing en teleurstelling geconfronteerd wordt.
Gebleken is dat de GI inmiddels hulp heeft geregeld voor [minderjarige] in de vorm van viervoetertherapie. Dit is een therapie die helpt om in gesprek te komen met [minderjarige] .
Dit traject is (als gevolg van wachtlijsten) pas laat gestart. Verder is de GI bezig met een onderzoek naar de mogelijkheid of het familielid [nicht van de grootmoeder] het gezag kan uitvoeren. Het hof begrijpt dat het doel is om zo mogelijk toe te werken naar een situatie waarbij [minderjarige] bij [nicht van de grootmoeder] wordt geplaatst. De vader kan zich, zoals hij desgevraagd heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling van het hof, daarin vinden. Bovendien is het van belang dat de recente ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] , waarbij hij weer contact heeft met zowel de vader als de moeder, worden gemonitord om te kijken of deze contacten (verder) kunnen worden opgebouwd. Ook om deze reden is van belang dat het gezag vooralsnog bij de GI blijft.
De conclusie van dit alles is dat het beëindigen van het gezag van de vader noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] .
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, J.C.E. Ackermans-Wijn en M. Jonker en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.