Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2900
2025-10-21
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.356.584_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:2900 → ECLI:NL:RBOBR:2025:1139
Inhoudsindicatie
Artikel 388 lid 2 Rv. Appellant is niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen een vonnis waarbij zijn vordering tot heropening en herroeping is afgewezen, ook ten aanzien van de daarbij ten nadele van hem uitgesproken veroordeling tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Er is geen sprake van een situatie waarin de toegang tot de overheidsrechter onvoldoende is gewaarborgd. Cassatie was immers wel mogelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1267 Gerechtshof Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:HR:2012:BW4896 Hoge Raad 21-09-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.460 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.584/01
arrest van 21 oktober 2025
in de zaak van
1
[appellant sub 1],wonende te Amsterdam,
2. [xx] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellant] (in enkelvoud),
advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,
tegen
de rechtspersonen naar vreemd recht
Ernst & Young Nederland LLP, gevestigd te [vestigingsplaats],
EY Advisory Netherlands LLP, gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als EY (in enkelvoud),
advocaat: mr. Y. el Harchaoui te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 mei 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 februari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en EY als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/399000 / HA ZA 23-757)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de rolbeslissing van 15 juli 2025;
de akte van [appellant];
de antwoordakte van EY.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3De beoordeling
3.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] tot heropening en herroeping van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 maart 2023 (zaaknummers C/01/384101 / KG ZA 22/394 en C/01/384198 / KG ZA 22-400), afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de werkelijk gemaakte proceskosten ten bedrage van € 22.468,-.
Bij rolbeslissing van 15 juli 2025 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep, zulks in verband met het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv. In dat artikel is bepaald dat de beslissing om een geding al dan niet te heropenen, niet vatbaar is voor hoger beroep.
3.2.
[appellant] heeft bij akte aangevoerd dat hij ondanks genoemd artikellid ontvankelijk is in hoger beroep. Hij bestrijdt niet dat de beslissing inzake de heropening van het geding als zodanig niet vatbaar is voor hoger beroep, maar stelt zich op het standpunt dat dat niet geldt ten aanzien van de beslissing in het bestreden vonnis om hem in de reële proceskosten te veroordelen. Die proceskostenveroordeling is volgens [appellant] in strijd met de tussen partijen gewezen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1267.
Indien die proceskostenveroordeling niet kan worden aangetast, dan wordt voor [appellant] - in strijd met de artikelen 6 EVRM en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - de toegang tot de rechter onvoldoende gewaarborgd. [appellant] voert in dit verband aan dat er geen onoverkomelijke feitelijke of financiële drempels mogen bestaan in de gang naar de overheidsrechter.
[appellant] heeft zijn eis in hoger beroep bij akte gewijzigd, in die zin dat hij thans concludeert tot vernietiging van de door de rechtbank bij het vonnis van 26 februari 2025 uitgesproken reële proceskostenveroordeling en tot een veroordeling in de proceskosten conform de gebruikelijke, forfaitaire bedragen.
3.3.
Het hof overweegt dat de wetgever in artikel 388 lid 2 Rv hoger beroep van de beslissing inzake de heropening van het geding heeft uitgesloten. De wetgever heeft evenwel niet tevens cassatieberoep uitgesloten, zodat tegen de beslissing om het geding al dan niet te heropenen op grond van artikel 398, aanhef en onder 1o, Rv cassatieberoep openstaat. Er bestaat daarom geen goede grond om aan te nemen dat de uitsluiting van hoger beroep kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak daartoe erkende gronden, de zogenaamde doorbrekingsgronden (HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, rov. 4.2.1).
Tegen het vonnis waarbij is geweigerd het geding te heropenen staat dus geen hoger beroep open. Dat geldt ook voor de in dat vonnis opgenomen proceskostenveroordeling. De schending van rechtsbeginselen die volgens [appellant] samenhangt met de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordeling, kan bij een tijdig ingesteld cassatieberoep in cassatie aan de orde worden gesteld. De toegang tot de overheidsrechter (de Hoge Raad) wordt door de wettelijke bepalingen derhalve niet belemmerd.
Gelet op het voorgaande zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
3.4.1.
EY heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat [appellant] EY en aan EY gelieerde partijen inmiddels 22 keer in rechte heeft betrokken en dat [appellant] daarbij steeds in het ongelijk is gesteld. Steeds is geoordeeld dat [appellant] zich niet tot de overheidsrechter kan wenden, maar dat het geschil aan arbiters dient te worden voorgelegd, zoals door partijen is overeengekomen.
De Raad van Discipline in het ressort 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 10 maart 2025 (productie 3 bij de antwoordakte van EY) geoordeeld ten aanzien van de klacht van EY tegen de advocaat van [appellant] (onder meer): "Het in weerwil van de herhaalde afwijzing van bevoegdheid, steeds opnieuw in rechte betrekken van de wederpartij voor een onbevoegd forum, verdraagt zich niet met een behoorlijke beroepsuitoefening (…)". De Raad van Discipline heeft de klacht van EY in alle vijf onderdelen gegrond verklaard en aan de advocaat van [appellant] de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd, waarvan vier voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Daarom vraagt EY om [appellant] in de volledige, werkelijke proceskosten te veroordelen van deze procedure ten bedrage van € 9.728,- + PM.
3.4.2.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] te veroordelen in de volgens EY volledige proceskosten die zij stelt te hebben gemaakt voor het bijstaan van EY in deze procedure in hoger beroep. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten conform het gebruikelijke liquidatietarief voor de door EY genomen antwoordakte.
4De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van EY op € 827,- aan griffierecht en op € 607,- (0,5 punt x tarief II) aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.584/01
arrest van 21 oktober 2025
in de zaak van
1
[appellant sub 1],wonende te Amsterdam,
2. [xx] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellant] (in enkelvoud),
advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,
tegen
de rechtspersonen naar vreemd recht
Ernst & Young Nederland LLP, gevestigd te [vestigingsplaats],
EY Advisory Netherlands LLP, gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als EY (in enkelvoud),
advocaat: mr. Y. el Harchaoui te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 mei 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 februari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en EY als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/399000 / HA ZA 23-757)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de rolbeslissing van 15 juli 2025;
de akte van [appellant];
de antwoordakte van EY.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3De beoordeling
3.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] tot heropening en herroeping van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 maart 2023 (zaaknummers C/01/384101 / KG ZA 22/394 en C/01/384198 / KG ZA 22-400), afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de werkelijk gemaakte proceskosten ten bedrage van € 22.468,-.
Bij rolbeslissing van 15 juli 2025 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep, zulks in verband met het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv. In dat artikel is bepaald dat de beslissing om een geding al dan niet te heropenen, niet vatbaar is voor hoger beroep.
3.2.
[appellant] heeft bij akte aangevoerd dat hij ondanks genoemd artikellid ontvankelijk is in hoger beroep. Hij bestrijdt niet dat de beslissing inzake de heropening van het geding als zodanig niet vatbaar is voor hoger beroep, maar stelt zich op het standpunt dat dat niet geldt ten aanzien van de beslissing in het bestreden vonnis om hem in de reële proceskosten te veroordelen. Die proceskostenveroordeling is volgens [appellant] in strijd met de tussen partijen gewezen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1267.
Indien die proceskostenveroordeling niet kan worden aangetast, dan wordt voor [appellant] - in strijd met de artikelen 6 EVRM en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - de toegang tot de rechter onvoldoende gewaarborgd. [appellant] voert in dit verband aan dat er geen onoverkomelijke feitelijke of financiële drempels mogen bestaan in de gang naar de overheidsrechter.
[appellant] heeft zijn eis in hoger beroep bij akte gewijzigd, in die zin dat hij thans concludeert tot vernietiging van de door de rechtbank bij het vonnis van 26 februari 2025 uitgesproken reële proceskostenveroordeling en tot een veroordeling in de proceskosten conform de gebruikelijke, forfaitaire bedragen.
3.3.
Het hof overweegt dat de wetgever in artikel 388 lid 2 Rv hoger beroep van de beslissing inzake de heropening van het geding heeft uitgesloten. De wetgever heeft evenwel niet tevens cassatieberoep uitgesloten, zodat tegen de beslissing om het geding al dan niet te heropenen op grond van artikel 398, aanhef en onder 1o, Rv cassatieberoep openstaat. Er bestaat daarom geen goede grond om aan te nemen dat de uitsluiting van hoger beroep kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak daartoe erkende gronden, de zogenaamde doorbrekingsgronden (HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, rov. 4.2.1).
Tegen het vonnis waarbij is geweigerd het geding te heropenen staat dus geen hoger beroep open. Dat geldt ook voor de in dat vonnis opgenomen proceskostenveroordeling. De schending van rechtsbeginselen die volgens [appellant] samenhangt met de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordeling, kan bij een tijdig ingesteld cassatieberoep in cassatie aan de orde worden gesteld. De toegang tot de overheidsrechter (de Hoge Raad) wordt door de wettelijke bepalingen derhalve niet belemmerd.
Gelet op het voorgaande zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
3.4.1.
EY heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat [appellant] EY en aan EY gelieerde partijen inmiddels 22 keer in rechte heeft betrokken en dat [appellant] daarbij steeds in het ongelijk is gesteld. Steeds is geoordeeld dat [appellant] zich niet tot de overheidsrechter kan wenden, maar dat het geschil aan arbiters dient te worden voorgelegd, zoals door partijen is overeengekomen.
De Raad van Discipline in het ressort 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 10 maart 2025 (productie 3 bij de antwoordakte van EY) geoordeeld ten aanzien van de klacht van EY tegen de advocaat van [appellant] (onder meer): "Het in weerwil van de herhaalde afwijzing van bevoegdheid, steeds opnieuw in rechte betrekken van de wederpartij voor een onbevoegd forum, verdraagt zich niet met een behoorlijke beroepsuitoefening (…)". De Raad van Discipline heeft de klacht van EY in alle vijf onderdelen gegrond verklaard en aan de advocaat van [appellant] de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd, waarvan vier voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Daarom vraagt EY om [appellant] in de volledige, werkelijke proceskosten te veroordelen van deze procedure ten bedrage van € 9.728,- + PM.
3.4.2.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] te veroordelen in de volgens EY volledige proceskosten die zij stelt te hebben gemaakt voor het bijstaan van EY in deze procedure in hoger beroep. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten conform het gebruikelijke liquidatietarief voor de door EY genomen antwoordakte.
4De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van EY op € 827,- aan griffierecht en op € 607,- (0,5 punt x tarief II) aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.
griffier rolraadsheer