Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2899

2025-10-21 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.353.854_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-21
Publicatiedatum
2025-10-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.353.854_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van 20 maart 2025. er niet in geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat er voor het te realiseren gebouw sprake is van tien afzonderlijke WOZ-objecten. Enexis is dan ook niet gehouden tot het uitbrengen van een offerte voor een tiental aansluitingen en de daadwerkelijke realisatie van die aansluitingen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.020 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.353.854/01




arrest van 21 oktober 2025




in de zaak van





[xx] Bouw en Installatie Advies B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. J.W.H. Raadgever te Amsterdam,



tegen




Enexis Netbeheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Enexis,
advocaat: mr. H.H.D. van Schilt te 's-Hertogenbosch,



op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2025 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/411385 / KG ZA 24-679 gewezen vonnis van 20 maart 2025 (hierna: het bestreden vonnis) tussen [xx] als eiseres en Enexis als gedaagde.






1Het verloop van de procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de spoedappeldagvaarding van 16 april 2025;


de afwijzing door de rolraadsheer van het verzoek van [xx] om de zaak als spoedappel te behandelen;


de memorie van antwoord.





1.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg






2De beoordeling



Feiten




2.1.
In rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.13 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.


2.1.1.


[xx] is een adviesbureau gespecialiseerd in onder meer projectmanagement
voor (bouw)projecten.




2.1.2.


[xx] heeft van Included Development B.V. (hierna: de projectontwikkelaar) de
opdracht gekregen om voor aansluitingen bij de netbeheerder te zorgen op het
elektriciteitsnet voor de herontwikkeling van een (oud) bedrijfspand. Dit pand is gelegen aan [adres] . Op deze locatie zal - na sloop van het bestaande pand - een bedrijfsverzamelgebouw worden opgericht (hierna: het gebouw).




2.1.3.

Enexis is de netbeheerder van het elektriciteitsnetwerk ter plaatse. Zij is in die
hoedanigheid verantwoordelijk voor de aansluiting en transport van elektriciteit op het door
haar beheerde netwerk.




2.1.4.

Enexis is als netbeheerder op grond van artikel 23 lid 1 Elektriciteitswet (hierna: E-wet) verplicht om degene die daar om verzoekt binnen een redelijke termijn aan te sluiten
op het door haar beheerde net. De aansluitplicht op grond van artikel 23 lid 1 E-wet moet
worden onderscheiden van de verplichting om aan degene die daar om verzoekt een aanbod
te doen voor transport van elektriciteit op grond van artikel 24 lid 1 E-wet (de
transportplicht). Deze verplichting geldt op grond van artikel 24 lid 2 E-wet niet voor zover
de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen transportcapaciteit ter
beschikking heeft.




2.1.5.

Op 26 april 2024 heeft [xx] een eerste aanvraag (onderverdeeld in drie
afzonderlijke deelaanvragen) ingediend voor tien kleinverbruik aansluitingen van 3x80
Ampère (A) voor een tiental afzonderlijk te realiseren bedrijfsruimten in het gebouw. Het
betreft acht nieuwe aansluitingen en de verplaatsing/verzwaring van twee bestaande
aansluitingen van respectievelijk 3x50 A en 3x63 A.




2.1.6.

In de aanvraag van 26 april 2024 heeft [xx] bijgevoegd de situatieschets
Tesselschadestraat 2 en het voorontwerp van het project. Blijkens deze schetsen omvat het
plan het slopen van de bestaande bebouwing en het bouwen van een nieuw gebouw,
onderverdeeld in twee hallen.




2.1.7.

Enexis heeft voor de aanvraag geen offerte uitgebracht omdat volgens Enexis
sprake is van één WOZ-object c.q. één organisatorisch geheel en dat [xx] daarvoor een
grootverbruikersaansluiting had moeten aanvragen.
Op 4 juni 2024 heeft Enexis [xx] het volgende bericht:

“(…) We hebben naar de aanvraag gekeken en dit is niet toegestaan. De klant maakt duidelijk 1 pand waar hij meerdere KV aansluitingen in wil krijgen. Wij leveren 1 aansluiting per (samengesteld) WOZ object, dat er nu meerdere huisnummers aanwezig zijn, wil niet zeggen dat hij op die plek in een nieuw pand net zo veel aansluitingen kan krijgen.





De klant mag in het nieuw te realiseren pand maximaal 1 aansluiting van 3x80A krijgen (en 1 aansluiting van maximaal 3x35A mits dit voor een aantoonbaar logisch doel is). Dit komt (ongeveer) overeen met het vermogen van de huidige aansluitingen (3x50 en 3x63).





Als de klant meerdere gebruikers in hetzelfde pand wil hebben en daar toch de energiekosten mee wil verrekenen kan hij gebruik maken van eigen tussenmeters of gebruik maken van de ‘meerdere leveranciers op 1 aansluiting’ constructie. (…)”





2.1.8.

[xx] heeft op 4 juni 2024 gereageerd en medegedeeld dat de aanvraag voor de tien aansluitingen is gebaseerd op de WOZ beschikking die voor het huidige pand is afgegeven waaruit blijkt dat sprake is van meerdere WOZ-objecten.



2.1.9.
Enexis heeft op 13 juni 2024 in reactie daarop medegedeeld dat opdeling in meerdere WOZ-objecten nog niet maakt dat geen sprake is van één geheel dat als één WOZ-object moet worden gezien. De regel is dat een aanvrager recht heeft op één aansluiting per WOZ-object en dat, daar waar het gaat om meerdere WOZ-objecten, dat als één WOZ-object moet worden beschouwd als het gaat om eenzelfde organisatorisch doel en voor eenzelfde juridische entiteit.



2.1.10.


[xx] heeft op 4 juli 2024 en op 9 augustus 2024 nogmaals drie dezelfde
aanvragen gedaan omdat Enexis op basis van de aanvraag van 26 april 2024 geen offerte
heeft willen uitbrengen.




2.1.11.

Op 12 september 2024 heeft de (toenmalige) raadsman van [xx] Enexis bericht
dat Enexis met de weigering een offerte uit te brengen in strijd handelt met de E-wet. Enexis
is in gebreke gesteld en gesommeerd om alsnog voor de tien gevraagde aansluitingen een
offerte uit te brengen. In de brief is uitgelegd dat het bouwproject de realisatie omvat van
een bedrijfsgebouw waarbij het gebouw wordt gesplitst in verschillende bedrijfsruimten en
een collectieve voorziening, de bedrijfsruimten afsluitbaar zijn en gesplitst in
appartementsrechten waarbij ieder appartement een andere eigenaar krijgt en de
appartementsrechten beschikken overeen eigen WOZ-nummer.




2.1.12.

Op 20 september 2024 heeft Enexis hierop als volgt gereageerd:

“(…) Er is in dit geval sprake van één eigenaar/aanvrager die een pand heeft opgeknipt in meerdere WOZ-objecten met als doel om voor die WOZ-objecten meerdere (kleinverbruik)aansluitingen te verkrijgen om zo de transportschaarste te omzeilen.


Enexis heeft geen onderbouwing gezien van de stelling dat sprake is van verschillende


bedrijfsruimten die feitelijk gesplitst zijn met een eigen ingang en eigen sanitaire voorzieningen. Zoals gezegd heeft uw cliënte een tekening overlegd waarop één grote halte zien is waarbij het plan is om de gevraagde kleinverbruikaansluitingen in sets van 4 te splitsen. Enexis leidt hieruit af dat sprake is van een feitelijk samenstel.


Enexis heeft de aanvragen van uw cliënte al driemaal afgewezen, terwijl uw cliënte steeds dezelfde aanvraag doet en daarbij dezelfde tekening overlegt. Op basis van die tekening geeft Enexis geen offerte af voor de gevraagde kleinverbruikaansluitingen. (…)”





2.1.13.

Hierna heeft er tussen partijen een mailwisseling plaatsgevonden over andere
mogelijkheden om tot aansluitingen te komen voor het nog te realiseren gebouw, zoals
bijvoorbeeld twee MLOEA (Meerdere Leveranciers Op Eén Aansluiting) te krijgen voor
een KV-aansluiting. De over en weer besproken mogelijkheden hebben evenwel niet geleid
tot een offerte van Enexis. Partijen twisten over de vraag of er sprake is van meerdere
WOZ-objecten in de zin van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).




2.1.14.

Op 28 oktober 2024 heeft [xx] aan Enexis nog een bouwtekening
gepresenteerd. Op deze tekening zijn pantry's en wc's in de twee te realiseren hallen
toegevoegd.




De procedure bij de voorzieningenrechter





2.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [xx] , dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Enexis veroordeelt, althans gebiedt, om voor de aanvragen voor de
aansluitingen (10 x aansluitingen van 3 x 80 ampère) zo spoedig mogelijk, maar
uiterlijk binnen 10 (tien) werkdagen na de datum van het te wijzen vonnis
aan [xx] , ten behoeve van de projectontwikkelaar, een offerte uit te brengen, en;
II. Enexis veroordeelt, althans gebiedt, om binnen 18 (achttien) weken na akkoord
door of namens de projectontwikkelaar op deze offerte, de gevraagde
aansluitingen (10 x aansluitingen van 3 x 80 ampère) daadwerkelijk gerealiseerd te
hebben, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn;
III. Enexis veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 10.000,- per dag of
een dagdeel dat Enexis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen
gevorderd is onder I en/of II, althans een door de voorzieningenrechter
in goede justitie te bepalen dwangsom;
IV. Enexis veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten,
onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn
betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.




2.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [xx] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Enexis tekort is geschoten in de nakoming van haar aansluitingsplicht omdat Enexis ten onrechte geen offerte heeft afgegeven, terwijl een deugdelijke onderbouwing ontbreekt van de stelling van Enexis dat het (op te richten) gebouw niet bestaat uit meerdere WOZ-objecten op basis van de Wet WOZ. Daarnaast is Enexis tekortgeschoten in de nakoming van haar aansluitplicht die volgt uit de leden 1 en 4 van artikel 23 E-Wet, nu Enexis niet binnen een redelijke termijn van 18 weken een offerte heeft uitgebracht voor de tien aangevraagde kleinverbruik aansluitingen (hierna: KV aansluitingen).



2.2.3.
Enexis heeft gemotiveerd verweer gevoerd.



2.2.4.
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.



De omvang van het hoger beroep





2.3.1.

[xx] geeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [xx] heeft - kort gezegd - geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [xx] alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat in hoger beroep wordt verzocht Enexis te veroordelen, althans te gebieden, om binnen een redelijke termijn (dus niet binnen 18 weken) na akkoord door of namens de projectontwikkelaar op de offerte de gevraagde aansluitingen daadwerkelijk gerealiseerd te hebben en Enexis te veroordelen in de kosten van beide instanties.



2.3.2.
Enexis heeft - kort gezegd - het hof verzocht het hoger beroep van [xx] te verwerpen, het bestreden vonnis voor zover nodig met verbetering van de gronden te bekrachtigen, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep.



Spoedeisend belang






2.4.
Evenals de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat het spoedeisend belang is gelegen in de aard van de vorderingen van [xx] .



Eiswijziging





2.5.
Enexis heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [xx] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.



Het beoordelingscriterium





2.6.
Het hof constateert dat geen grief is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat beoordeeld moet worden of [xx] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat er voor het te realiseren gebouw sprake is van tien afzonderlijke WOZ-objecten en dat Enexis daarom gehouden is om voor de gevraagde kleinverbruik aansluitingen een offerte uit te brengen en deze te realiseren binnen een - na eiswijziging in hoger beroep - redelijke termijn (rechtsoverweging 4.3. van het bestreden vonnis). Het hof zal met inachtneming hiervan de grieven beoordelen.



2.7.
Het hof gaat voorts uit van het door de voorzieningenrechter gehanteerde beoordelingscriterium als vastgesteld in de rechtsoverwegingen 4.2.1. tot en met 4.2.5. van het bestreden vonnis. Dit beoordelingscriterium is juist, terwijl [xx] geen (althans geen voldoende kenbare) grieven heeft gericht tegen dit beoordelingscriterium. Het hoger beroep van [xx] heeft dan ook slechts betrekking op de wijze waarop de voorzieningenrechter het criterium heeft toegepast. Dit beoordelingscriterium luidt als volgt.


2.7.1.

In artikel 23 lid 1 E-wet is bepaald dat een netbeheerder verplicht is een
ieder die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net.




2.7.2.
Op grond van artikel 23, vierde lid, van de E-wet moet zo’n aansluiting door de netbeheerder worden gerealiseerd binnen een redelijke termijn. De Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM), de hierop toezicht houdende instantie, heeft in artikel 8. II lid 2 onder b van de Netcode Elektriciteit voorgeschreven dat de netbeheerder een aansluiting van 3x80A binnen 18 weken na het uitbrengen van de daarop betrekking hebbende offerte moet realiseren. Artikel 8.1 I lid 4 Netcode Elektriciteit bepaalt dat in het geval van congestie (een tekort aan transportcapaciteit op het door de netbeheerder beheerde netwerk) een termijn van maximaal 52 weken redelijk moet worden geacht.



2.7.3.

Bij Besluit van 17 februari 2025 (uitgegeven 21 februari 2025) tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Energiewet is de wettelijke aansluittermijn van
18 weken geschrapt vanwege een tweetal arresten van het EuropeseHof van Justitie waarin die termijn onverbindend werd geacht. Na de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 17 september 2024 geldt ten aanzien van kleinverbruikers uitsluitend nog het door de ACM op 8 juni 2023 vastgestelde voorschrift van artikel 8.11 lid 1 van de Netcode, inhoudende dat de netbeheerder de aansluiting - behoudens overmacht - binnen een redelijke termijn moet realiseren.




2.7.4.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de E-wet is bepaald dat onder een aansluiting wordt verstaan: één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak,
als bedoeld in artikel 16 onderdelen a tot en met e, van de Wet WOZ, waaronder begrepen één of meer verbindingen tussen een net dat wordt beheerd door een netbeheerder en een net dat wordt beheerd door een ander dan die netbeheerder en tussen het net op zee en een windpark op zee. In artikel 16 Wet WOZ is bepaald dat voor de toepassing van de wet als één onroerende zaak wordt aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens
zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde
eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
elkaar behoren;
e. en geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde
eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d
bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt
bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;
f. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b
bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een
onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.




2.7.5.

Vaste jurisprudentie is dat niet in alle gevallen zonder meer moet worden aangesloten bij de objectafbakening (zoals deze blijkt uit een WOZ-beschikking) bij beantwoording van de vraag of voor een netbeheerder een verplichting bestaat te voorzien in een aansluiting op een elektriciteitsnetwerk als bedoeld in artikel 23 lid 1, van de E-wet. Aan een WOZ-beschikking kan een weerlegbaar bewijsvermoeden worden ontleend voor de aansluitplicht van netbeheerders. In dat geval draagt Enexis, die meent dat de objectafbakeningen in de WOZ-beschikkingen niet moeten worden gevolgd, de bewijslast dit aannemelijk te maken. Deze beoordeling van de WOZ objectafbakening vindt doorgaans plaats aan de hand van de in de belastingrechtspraak volgende vier stappen:
(i) welke onroerende zaken in de zin van artikel 3:3 van het BW kunnen worden geïdentificeerd?
(ii) In hoeverre is de eigendom c.q. zakelijke gerechtigheid van deze zaken verdeeld over verschillende personen?
(iii) Kunnen deze zaken worden opgesplitst in gedeelten die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt?
(iv) Vormen de onroerende zaken of de zelfstandige gedeelten een samenstel?




Beoordeling van de grieven






2.8.
Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [xx] aan de WOZ-beschikking niet (langer) het bewijsvermoeden kan ontlenen waar hij zich ter onderbouwing van zijn aanvraag voor tien KV aansluitingen op heeft beroepen (rechtsoverweging 4.4. van het bestreden vonnis). Zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te waarom [xx] aan de WOZ-beschikking die ziet op het huidige, nog te slopen pand, wel een bewijsvermoeden kan ontlenen. Het hof sluit dan ook aan bij het door de voorzieningenrechter gegeven oordeel dat [xx] aan de WOZ-beschikking geen bewijsvermoeden kan ontlenen. Grief 1 faalt.



2.9.
Met grief 2 komt [xx] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Enexis zich vooralsnog terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de tekeningen sprake is van één bedrijfsverzamelgebouw met gedeelde ruimtes en dat geen sprake lijkt te zijn van afgescheiden onderdelen binnen het te realiseren gebouw (rechtsoverweging 4.5. van het bestreden vonnis). Deze grief slaagt niet, en het hof overweegt daartoe als volgt.


2.9.1


[xx] stelt zich op het standpunt dat in het nieuwe te bouwen pand tien afzonderlijke WOZ-objecten worden gerealiseerd, die recht geven op elk een eigen aansluiting. Volgens [xx] beschikt elke bedrijfsruimte (onder meer) over (i) een eigen toegangsdeur waardoor de toegang niet verkregen wordt via een gemeenschappelijke ruimte maar vanaf haar eigen toegangsdeur, (ii) over eigen sanitaire voorzieningen en pantry’s, (iii) een fysieke afsluiting van elkaar en (iv) staan de huurders van de verschillende bedrijfsruimten afzonderlijk ingeschreven bij de kamer van koophandel en wordt per bedrijfsruimte een eigen huisnummer toegekend. [xx] onderbouwt zijn stellingen middels de bij productie 1 bij dagvaarding overgelegde bouwtekening.
Het hof stelt evenwel vast dat uit de bouwtekening volgt dat het pand bestaat uit een linker en een rechter gedeelte (de in rechtsoverweging 2.1.6. genoemde hallen). Zoals door Enexis naar voren is gebracht, en naar het (voorlopig) oordeel van het hof ook uit de tekening blijkt, is binnen ieder gedeelte toegang tot de bedrijfsruimtes, de kantine, kleedruimtes en douches. Anders dan [xx] stelt, leidt het hof uit de tekening af dat de kantine, kleedruimtes, douches en wc’s gemeenschappelijk van aard zijn. Niet iedere bedrijfsruimte beschikt zelfstandig over voornoemde voorzieningen, maar deze voorzieningen worden kennelijk gedeeld met de gebruikers van de verschillende bedrijfsruimtes. Het hof is van oordeel dat [xx] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van tien bedrijfsruimten die als afgescheiden onderdelen binnen het nog te realiseren gebouw kunnen worden aangemerkt. Hooguit kunnen het linker en rechter gedeelte van het pand (de zogenoemde hallen) als afgescheiden onderdelen binnen het te realiseren pand worden aangemerkt.
Een en ander leidt tot het voorlopig oordeel dat op basis van de bouwtekening ten aanzien van de bedrijfsruimten sprake is van een feitelijk samenstel.





2.10.
Grief 3 is gericht tegen het (ten overvloede gegeven) oordeel van de voorzieningenrechter dat zelfs als wel zou kunnen worden gesproken van tien zelfstandige aansluitbare WOZ-objecten, dit evenmin kan leiden tot de door [xx] gewenste aansluitingen binnen de door haar gevorderde termijn van 18 weken (rechtsoverweging 4.6. van het bestreden vonnis). Met het falen van de grieven 1 en 2 komt het hof niet toe aan het beantwoorden van de vraag of Enexis de door [xx] gewenste aansluitingen (na akkoord door of namens de projectontwikkelaar op de offerte) binnen een - zoals bij wijziging eis gevorderd - redelijke termijn ook daadwerkelijk dient te realiseren. Daarmee kan grief 3 onbesproken blijven en ligt de eiswijziging voor afwijzing gereed.



2.11.
Met grief 4 komt [xx] op tegen het (eveneens ten overvloeide gegeven) oordeel van de voorzieningenrechter dat verzwaring van de bestaande aansluitingen in combinatie met het tot stand brengen van nieuwe aansluitingen op het laagspanningsnet conform de aanvragen van [xx] voor [adres] zal leiden tot netcongestie op het laagspanningsnet, waardoor de aansluiting niet kan worden gerealiseerd alvorens Enexis voldoende transportcapaciteit heeft (rechtsoverweging 4.6. van het bestreden vonnis). Ook aan deze grief komt het hof, met het falen van de grieven 1 en 2, niet toe.



2.12.
Verwijzend naar hetgeen het hof heeft overwogen onder de rechtsoverwegingen 2.8. en 2.9, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen terecht afgewezen. Dit betekent dat grief 5, welke grief gericht is tegen het afwijzen van de vorderingen, eveneens faalt.



2.13.
Grief 6 is gericht tegen de proceskostenveroordeling van [xx] in eerste aanleg. Nu [xx] door de voorzieningenrechter terecht in het ongelijk is gesteld, faalt ook grief 6.



2.14.
De slotsom is dat de grieven 1, 2, 5 en 6 falen, en de grieven 3 en 4 geen nadere bespreking behoeven. Het hof zal de bestreden beslissing bekrachtigen.



Proceskosten




2.15.1.


[xx] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Enexis zullen vastgesteld worden op:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt x tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.219,00




2.15.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.







3De uitspraak


Het hof:



3.1.
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2025,



3.2.
veroordeelt [xx] in de proceskosten van het hoger beroep tot op heden begroot op € 2.219,00 te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [xx] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [xx] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening,



3.3.
veroordeelt [xx] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan,



3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. K.J.H. Hoofs, E.H. Schulten en J.W.P.M. van der Velden en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.




griffier rolraadsheer




Staatsblad 2025, 40, in de Nota van Toelichting is neergelegd dat de wettelijke aansluittermijn van 18 weken voor grote aansluitingen worden geschrapt uit de E-wet omdat deze wettelijke bepalingen conflicteren met nieuwe door de ACM vastgestelde bepalingen omtrent aansluittermijnen in de Netcode.


Arresten van 3 december 2020, Commissie/België, ECLI:EU:C:2020:984 en 2 september 2021, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:2021:662.


ECLI:NL:CBB:2024:642.


Zie de uitspraken van het College voor het Bedrijfsleven van 2 juni 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:364) en 17 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:6390).