Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2897

2025-10-21 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.346.521_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-21
Publicatiedatum
2025-10-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.346.521_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1228; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1228

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Hoger beroep kort geding. Eindarrest na tussenarrest (ECLI:NL:GHSHE:2025:1052). In tussenarrest gevraagde deskundigenverklaring niet in het geding gebracht. Daarop stuit de loonvordering af. Geen spoedeisend belang meer wegens parallelle bodemprocedure (WWZ). Bekrachtiging.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.179 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.346.521/01



arrest van 21 oktober 2025



in de zaak van




[appellant]
,
wonende te Polen ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. L.M.J. Pelswijk te Amsterdam (onttrokken),


tegen




[xx] Kappersbenodigdheden B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. J.A.M.G. Vogels te Roermond,


op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 29 augustus 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, als voorzieningenrechter gewezen tussen [appellant] als eiser en [xx] als gedaagde.



5Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure blijkt uit:



het tussenarrest van 15 april 2025;


het bericht van onttrekking als advocaat van [appellant] van mr. Veldwijk van 19 augustus 2025;


de mondelinge behandeling van 12 september 2025, waarbij is gehoord:




[persoon A] , directeur, namens [xx] , bijgestaan door mr. Vogels.

[appellant] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.



Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.









6De verdere beoordeling



Geen spoedeisend belang




6.1.
Het hof moet ambtshalve beoordelen of [appellant] ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening heeft. Het hof overweegt daarover het volgende.



6.2.
Tussen partijen is behalve dit kort geding bij het hof ook een bodemprocedure aanhangig. In die procedure heeft [appellant] bij verzoekschrift van 9 december 2024 de kantonrechter verzocht een op 11 oktober 2024 door [xx] aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet (dat in dit kort geding niet voorligt) te vernietigen en om [xx] te veroordelen tot betaling van het loon over de maand juni 2024 van € 1.046,50 bruto en vanaf juli 2024 van € 2.300,00 (of 70% daarvan indien [appellant] nog ziek is) tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Dat is hetzelfde loon over dezelfde periode dat [appellant] in dit kort geding als voorlopige voorziening heeft gevorderd. De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] bij beschikking van 10 maart 2025 afgewezen. [appellant] heeft daarvan hoger beroep ingesteld en het hof verzocht zijn verzoeken alsnog toe te wijzen. Daarmee heeft [appellant] de loonvordering die inzet van dit kort geding is ook in de bodemprocedure aan het hof voorgelegd. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2025 ook de bodemprocedure behandeld. Het hof heeft daarin op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan. [appellant] heeft bij zijn vorderingen in kort geding daarom geen spoedeisend belang meer. Om die reden komen zijn vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking en slaagt het hoger beroep niet.



Geen deskundigenverklaring in het geding gebracht





6.3.
Het hof overweegt voorts nog het volgende. In het tussenarrest van 15 april 2025 heeft het hof onder andere als volgt overwogen.


3.9.1.

Volgens [xx] heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd en kan hij daaraan worden gehouden. (…) Voorts was ten tijde van de opzegging door [appellant] op 11 juni 2024 geen sprake van ziekte. De ziekmelding kwam uit het niets aan het einde van de volgende werkdag, waarop [appellant] uitvoering had gegeven aan zijn opzegging door niet op zijn werk te verschijnen. Gelet op door [xx] in het geding gebrachte vakantiefoto’s van [appellant] zet [xx] grote vraagtekens bij het daadwerkelijk ziek zijn van [appellant] . (…)
De enige reden die [appellant] voor zijn opzegging met onmiddellijke ingang heeft genoemd, is dat hij en zijn vriendin met onmiddellijke ingang naar Polen terugkeren. Dat was een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [appellant] en bovendien een valide reden. Daar komt bij dat [xx] op 11 juni 2024 aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan en zich ervan heeft vergewist dat [appellant] daadwerkelijk een onmiddellijke beëindiging van zijn dienstverband wenste. Daarmee was het klaar. [appellant] kan dan niet meer eenzijdig op de opzegging terugkomen.
In dat kader is van belang dat [appellant] op 11 juni 2024 persoonlijk afscheid heeft genomen van [xx] , haar echtgenoot [persoon B] en hun dochter [persoon C] en vervolgens van alle andere toen aanwezige personeelsleden, met de mededeling dat hij en zijn vriendin niet meer kwamen werken/ontslag hadden genomen en terug naar Polen gingen. Eén dag later stuurde hij een whatsappbericht aan [persoon D] waarin hij met zoveel woorden meedeelde dat hij nooit meer een stap binnen het bedrijf wilde zetten en is hij naar Polen vertrokken, althans zijn woning werd op 13 juni 2024 ontruimd aangetroffen. In die context mocht [xx] er in redelijkheid op vertrouwen dat de verklaring van [appellant] (lees: zijn onmiddellijke opzegging) overeenstemde met zijn wil om de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk met onmiddellijke ingang te beëindigen, aldus nog steeds [xx] .



(…)




3.9.3.

[appellant] heeft in zijn inleidende dagvaarding gesteld dat hij wegens pesterijen en discriminatie op het werk stress en mentale problemen had, dat hij zich eind mei 2024 al een paar dagen had ziekgemeld en dat [xx] zijn gezondheidsproblemen ontkende, waarna op 10 juni 2024 een incident de druppel was die de emmer deed overlopen, hij op 11 juni 2024 door de stress de samenwerking wilde beëindigen en hij zich op 12 juni 2024 ziek meldde (zie rov. 3.2.6.). [xx] betwist dat er bij [appellant] ten tijde van de opzegging op 11 juni 2024 sprake was van ziekte en zet ook grote vraagtekens bij (hetgeen het hof leest als: betwist) het daadwerkelijk ziek zijn van [appellant] . (…)



3.9.5.
Het hof vindt het nodig dat [appellant] een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW overlegt. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht over de vraag in welke mate de geestelijke gesteldheid van [appellant] van invloed is geweest op zijn mondelinge opzegging van de arbeidsovereenkomst op 11 juni 2024. (…) Het hof zal [appellant] bevelen om een deskundigenverklaring die antwoord geeft op deze vragen in het geding te brengen.



3.9.6.
Het hof ziet ook aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen, om partijen de gelegenheid te geven hun stellingen aan de hand van de deskundigenverklaring nader te onderbouwen en ook om een schikking te beproeven. Partijen dienen in persoon op de mondelinge behandeling te verschijnen.




6.4.

[appellant] heeft niet de door het hof bevolen deskundigenverklaring overgelegd. Hij is niet op de mondelinge behandeling verschenen, hoewel het hof hem daartoe had gelast. Het lag na het tussenarrest van het hof op de weg van [appellant] om, na het gemotiveerde verweer van [xx] inhoudende dat door de duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [appellant] de arbeidsovereenkomst op 11 juni 2024 is geëindigd, zijn stellingen over zijn gesteldheid met een deskundigenverklaring te onderbouwen. Dat heeft hij ondanks het bevel daartoe van het hof niet gedaan. Het verweer van [xx] slaagt daarom. Ook om die reden zijn de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar.



Conclusie en proceskosten




6.5.1.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de grief niet slaagt in die zin dat die kan leiden tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] . Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter met verbetering van gronden bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [xx] en deze vaststellen op:


Griffierechten € 798,00


Salaris advocaat € 2.428,00 (2,0 punten x tarief II)


Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 3.404,00



6.5.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.







7De uitspraak


Het hof:



7.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 augustus 2024;



7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.404,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



7.3.
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



7.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, F.M.T. Quaadvliet en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.



griffier rolraadsheer