Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2861
2025-10-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.351.759_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing hoger beroep en bekrachtiging beslissing kantonrechter dat betrokkene een onafhankelijke en professionele bewindvoerder nodig heeft. Appellanten (3 broers en 1 zus) strijden tegen de andere broer over de financiële en niet-financiële zaken rondom betrokkene. Betrokkene heeft hier aantoonbaar last van. Hof acht een familielid als bewindvoerder en mentor niet in het belang van betrokkene.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.302 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 oktober 2025
Zaaknummer: 200.351.759/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11162798 TE VERZ 24-954 en 11162799 TE VERZ 24-955
in de zaak in hoger beroep van:
1 [broer 1] ( [broer 1] ),
wonende te [woonplaats] ,
2. [broer 2] ( [broer 2] ),
wonende te [woonplaats] ,
3. [zus] ( [zus] ),
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
broers en zus van de betrokkene,
hierna te noemen: [verzoekers]
advocaat: mr. J.W.J. Hopmans.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [betrokkene] , ( [betrokkene] ),
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [betrokkene] / de betrokkene,
- [broer 3] ( [broer 3] ),
wonende te [woonplaats] ,
broer van de betrokkene,
hierna te noemen: [broer 3] ,
advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen.
- mevrouw [bewindvoerder en mentor] , h.o.d.n. [naam],
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
bewindvoerder en mentor van [betrokkene] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder en mentor] .
In het kort
[verzoekers] zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter tot benoeming van [bewindvoerder en mentor] tot bewindvoerder en mentor van hun broer [betrokkene] ; dit zouden [broer 2] (als bewindvoerder) en [broer 1] (als mentor) moeten worden.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 februari 2025, aangepast op de mondelinge behandeling, hebben [verzoekers] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij [bewindvoerder en mentor] is benoemd tot bewindvoerder en mentor en, opnieuw rechtdoende:
- primair: [broer 2] te benoemen tot bewindvoerder betreffende het vermogen van
[betrokkene] en [broer 1] tot mentor van [betrokkene] ;
- subsidiair: een extern bewindvoerder te benoemen betreffende het vermogen van
[betrokkene] , zulks voor de duur van 1 jaar.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2025, heeft [broer 3] verzocht [verzoekers] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans hun verzoeken af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[verzoekers] , bijgestaan door hun advocaat;
[broer 3] , bijgestaan door zijn advocaat;
[bewindvoerder en mentor] .
[betrokkene] is niet gehoord door het hof (zie hierover rechtsoverweging 3.6. en verder)
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 oktober 2024;
het e-mailbericht van [bewindvoerder en mentor] van 9 mei 2025;
de brief van [bewindvoerder en mentor] van 16 mei 2025;
het e-mailbericht van de rechtbank met als bijlage de beschikking van 21 juli 2025;
twee e-mailberichten met bijlagen van [bewindvoerder en mentor] van 28 augustus 2025;
het e-mailbericht van mr. Teeuwen van 28 augustus 2025;
het e-mailbericht met bijlagen van mr. Hopmans van 29 augustus 2025.
3De beoordeling
3.1.
[betrokkene] is geboren op [geboortedatum] 1967. Uit de bief van het [ziekenhuis] van 1 september 2006 blijkt dat [betrokkene] sinds 1986 psychotische symptomen vertoont in het kader
van schizofrenie van het paranoïde type. [betrokkene] staat sinds 1986 onder behandeling van GGZ en hij woont sinds 7 november 2023 begeleid in een zorgwoning van ‘ [instantie] ’ in het dorp [woonplaats] .
3.2.
Bij de bestreden beschikking is – op verzoek van [broer 3] – ten behoeve van [betrokkene] zowel een bewind ingesteld over alle goederen die aan [betrokkene] (zullen) toebehoren als een mentorschap. [bewindvoerder en mentor] is daarbij benoemd tot [betrokkene] ’s bewindvoerder en mentor.
De rechtbank heeft in deze beschikking de zelfstandige verzoeken van [verzoekers] afgewezen om, primair, [broer 1] en [broer 2] te benoemen tot [betrokkene] ’s bewindvoerder mentor, althans subsidiair, [broer 1] te benoemen tot zijn bewindvoerder en mentor, althans het verzoek van [broer 3] af te wijzen.
3.3.
[verzoekers] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. In hun hoger beroepschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, voeren ze – samengevat – het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte de uitdrukkelijke wens van [betrokkene] , zoals neergelegd in het levenstestament, gepasseerd en is ten onrechte overgegaan tot benoeming van een extern bewindvoerder en mentor. [verzoekers] bestrijden nadrukkelijk het oordeel van de kantonrechter dat er sprake zou zijn van verstoorde familieverhoudingen en dat het belang van [betrokkene] het meest gediend zou zijn met een benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder en mentor. De enige van de familie met wie [verzoekers] en [betrokkene] een verstoorde relatie hebben, is [broer 3] . [broer 3] heeft jarenlang de financiële zaken van [betrokkene] op zeer ondeugdelijke en verwijtbare wijze waargenomen. [broer 1] heeft een inzichtelijke lening bij [betrokkene] en lost deze netjes af en hij betaalt ook maandelijks 2,5% rente aan [betrokkene] . Deze geldlening werd gedocumenteerd en is met instemming en goedkeuring van [betrokkene] aangegaan. Daarbij heeft [broer 1] zelfs ter zekerheid aan [betrokkene] een hypothecair onderpand gegeven. [verzoekers] zijn enigszins verbolgen over het oordeel, waarbij [broer 1] over één kam wordt geschoren met [broer 3] , terwijl uit de stukken genoegzaam is gebleken dat de lening aan [broer 1] op volkomen legale, bonafide en transparante wijze werd afgesloten en dat [broer 1] alle informatie aangaande deze lening op inzichtelijke wijze heeft verstrekt. Dit in tegenstelling tot [broer 3] . Verder is onder leiding van [broer 1] de gezondheidstoestand en het welzijn van [betrokkene] enorm verbeterd. [broer 1] zou een zeer goede bewindvoerder en mentor voor [betrokkene] zou zijn. [bewindvoerder en mentor] is niet voldoende bekwaam als bewindvoerder en mentor, omdat [broer 1] nog steeds alles voor [betrokkene] moet regelen. Deze bewindvoerder veroorzaakt wrijving tussen alle betrokkenen en is partijdig. Ze overlegt namelijk alles met [broer 3] op een amicale toon en geeft [verzoekers] geen informatie waarbij ze [verzoekers] buitenspel zet. [broer 3] en de bewindvoerder zijn twee handen op één buik en communiceren constant met elkaar. [verzoekers] willen graag dat het beheer over het vermogen van [betrokkene] en het mentorschap over hem weer in handen komt van hen. [betrokkene] vraagt zelf keer op keer of [verzoekers] bij de gesprekken met zorgverleners aanwezig willen zijn. [betrokkene] heeft het volste vertrouwen in hen en weet ook dat zij (wel) het beste hem voor hebben. Een dag voor de mondelinge behandeling bij het hof hebben [verzoekers] [betrokkene] meegenomen naar een bespreking bij hun advocaat op kantoor. [betrokkene] heeft toen aan mr. Hopmans een door hem zelf geschreven brief gegeven waarin staat dat hij zich prettiger voelde toen zijn vier broers en zus alle zaken nog voor hem regelden en dat hij veel spanningen voelt sinds [bewindvoerder en mentor] dit doet. [betrokkene] wil het bewind en mentorschap terug in de familie.
3.4.
[broer 3] heeft een verweerschrift ingediend. Zijn standpunt, aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt – samengevat – als volgt.
Er is sprake van een zeer gebrouilleerde familieverhouding. [broer 3] heeft zich jarenlang ingezet voor [betrokkene] , maar er is in toenemende mate onenigheid binnen de familie ontstaan over de vraag wat het beste voor [betrokkene] is. Dit ziet op alle aspecten van het leven van [betrokkene] . [betrokkene] voelt deze spanningen en lijdt hieronder. Met de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg heeft [broer 3] de wens gehad dat er voor [betrokkene] rust zou ontstaan en beslissingen door een onafhankelijke derde zouden worden genomen, zodat de familieleden weer als familie zouden kunnen fungeren in plaats van hulpverleners en mantelzorgers die continu overal strijd over moeten voeren. [broer 3] kan zich dan ook geenszins vinden in de stellingen van [verzoekers] dat [bewindvoerder en mentor] haar werkzaamheden niet naar behoren zou uitvoeren. [verzoekers] kunnen de touwtjes niet uit handen geven en zij stellen [bewindvoerder en mentor] niet in staat haar taken te volbrengen op een wijze die zij in het belang van [betrokkene] acht. [bewindvoerder en mentor] heeft op 14 januari 2025 aan alle familieleden laten weten dat zij het onderzoek naar de financiën op last van de rechtbank had uitgevoerd en haar bevindingen met de rechtbank had gedeeld. Van malversaties of financieel wanbeleid is niets gebleken en de bewindvoerder noch de rechtbank hebben tot op heden aanleiding gezien voor verder onderzoek of stappen jegens [broer 3] of een van de andere familieleden op basis van het door [bewindvoerder en mentor] uitgevoerde onderzoek. De kantonrechter heeft recent in de beschikking van 21 juli 2025 geoordeeld dat [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder geschikt en gekwalificeerd is om haar taken uit te voeren. Wat [verzoekers] bij het hof aanvoeren, is een herhaling van zetten. [bewindvoerder en mentor] communiceert respectvol met alle betrokken en er is geen sprake van een amicale band tussen haar en [broer 3] . Het verschil in communicatie zit erin dat [broer 3] het fatsoen heeft om normaal te reageren, terwijl [verzoekers] hierbij steeds uit de bocht vliegen. Dat [verzoekers] één dag voor de mondelinge behandeling bij het hof [betrokkene] hebben meegenomen naar hun advocaat, geeft de kern van het hele probleem weer. De zorgverleners van [betrokkene] geven duidelijk aan dat [betrokkene] hierdoor wordt belast. Alles wat [betrokkene] zegt, komt voort uit zijn loyaliteitsconflict.
3.5.
Het standpunt van [bewindvoerder en mentor] blijkt uit haar brief en haar verklaring ter zitting en luidt – samengevat – als volgt.
Dit hoger beroep gaat niet over het functioneren van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor. Het is onhoudbaar zoveel mails en eisen als deze familie heeft. Van iedere kant van de familie ontvangt [bewindvoerder en mentor] veel e-mails, Whats-appberichten en telefoon. De familie wil constant iets anders dan de professionals willen. De GGZ is evenmin opgewassen tegen de familie. [broer 1] en [broer 2] zijn beiden als een ‘fait accompli’ bij vergaderingen aangesloten waarvoor ze niet uitgenodigd waren. [bewindvoerder en mentor] heeft daarom vergaderingen niet laten doorgaan. [betrokkene] zegt tegen [bewindvoerder en mentor] erg blij te zijn met zijn woonplek en zijn dagbesteding. [betrokkene] vindt de ruzie in zijn familie het ergste en wil geen partij hoeven zijn of ergens in betrokken te worden. Helaas gebeurt dat wel. De rechtbank heeft een prima beslissing genomen door een onafhankelijke, professionele mentor/bewindvoerder in te zetten. Bij een zo gebrouilleerde familie is dat het beste. [betrokkene] staat centraal en niet zijn familie. De bewindvoerder herkent zich niet in de aantijgingen van [verzoekers] dat zij een amicale houding richting [broer 3] inneemt.
Het hof overweegt als volgt.
3.6.
Het alsnog horen van [betrokkene]
3.6.1.
Het hof heeft op 28 augustus 2025 aan alle betrokkenen medegedeeld niet met [betrokkene] in gesprek te zullen gaan op de mondelinge behandeling, omdat dit te belastend voor hem zou kunnen zijn. Het hof heeft vervolgens de mogelijkheid besproken om [betrokkene] te horen. [betrokkene] kampt met beperkingen, kan daardoor zijn belangen niet behartigen en verkeert in een loyaliteitsconflict. Hij heeft recentelijk met de kantonrechter gesproken, zoals blijkt uit het verslag van dit gesprek in de beschikking 31 juli 2025 over min of meer dezelfde vraag, te weten de wijziging van de persoon van de mentor/bewindvoerder. Het hof heeft vervolgens meegedeeld op een later moment terug te komen op de kwestie of [betrokkene] alsnog wel of niet dient te worden gehoord.
3.6.2.
De bewindvoerder heeft het hof – met klem – verzocht om [betrokkene] niet op te roepen voor de mondelinge behandeling of hem binnen te laten onder druk van zijn familie, omdat [betrokkene] nu al niet slaapt, huilt en zijn emoties niet kwijt kan. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard bezwaar te hebben tegen het horen van [betrokkene] . Zowel de zorgverleners als de [GGZ] als de eigenaren van de zorgboerderij vinden het geen goed idee dat deze zaken die met het hoger beroep te maken hebben met [betrokkene] gedeeld worden. Nadat [betrokkene] afgelopen weekend was meegenomen door de familie, huilde hij en was hij uit zijn doen. Op de zorgboerderij heeft de groep daar last van. [broer 3] heeft dit onderschreven; volgens hem verkeert [betrokkene] in een loyaliteitsconflict. Dit levert hem veel stress op. Het is ook belastend voor [betrokkene] geweest dat mr. Hopmans met hem heeft gesproken. Terughoudendheid om [betrokkene] erbij te betrekken is nodig. Hij hoeft geen rol te spelen, omdat hij dat niet aankan.
[verzoekers] bevestigen het loyaliteitsconflict waarin [betrokkene] zit, maar zien wel mogelijkheden voor het hof om [betrokkene] te horen via videobellen, mits er een deskundige aanwezig is die de medische en persoonlijke situatie van [betrokkene] kent. Tot slot hebben [verzoekers] ( [zus] ) hierover verklaard dat [betrokkene] juist graag zelf gehoord wil worden door het hof en dat het voor zijn proces handig is dat hij er eventjes bij komt zitten.
3.6.3.
Het hof beslist dat [betrokkene] niet zal worden gehoord. Het hof acht dit, gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te belastend voor [betrokkene] . Daarbij neemt het hof in aanmerking het verslag van de kantonrechter van zijn gesprek op 17 juli 2025 via een videobelverbinding in aanwezigheid van een woonbegeleidster. Dit gesprek ging over nagenoeg hetzelfde onderwerp, namelijk de vraag wie zijn financiële en niet-financiële belangen dient te behartigen. Bij de kantonrechter heeft [betrokkene] verklaard:
“Er is onenigheid binnen de familie en daar heeft betrokkene last van. Hij kan het met al zijn broers en zus goed vinden en wil ook graag met iedereen een goede band blijven onderhouden. Betrokkene is blij dat [broer 3] elke week komt en met hem geld gaat pinnen. Ten aanzien van [bewindvoerder en mentor] heeft betrokkene een paar keer verwezen naar verschillende brieven die hij op verzoek van familieleden heeft ondertekend, ook nog de dag na de zitting van 15 juli en daarmee een dag voor het verhoor van betrokkene via de videobelverbinding. Betrokkene wijst darbij op de belangen van zijn broers en zus. Gevraagd naar zijn belang geeft betrokkene aan dat hij tevreden is over [bewindvoerder en mentor] en dat hij geen nieuwe bewindvoerder en mentor wenst. Zijn gezondheid is verbeterd en hij heeft het naar zijn zin op de dagbesteding. Hij voelt zich goed.”
Deze verklaring staat haaks op de verklaring van [betrokkene] die mr. Hopmans tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen en geeft blijk van het loyaliteitsconflict waarin [betrokkene] verkeert.
3.7.
Het levenstestament
[betrokkene] heeft in het levenstestament van 17 augustus 2022 [broer 3] en [broer 1] gevolmachtigd om zijn belangen te behartigen als [betrokkene] daartoe, kort gezegd, zelf niet meer in staat is. Hij heeft bepaald dat [broer 1] en [broer 3] hun taken als gevolmachtigden samen kunnen uitoefenen maar elkaar wel (beperkte of algemene) ondervolmacht kunnen verlenen. Daarnaast heeft hij in het levenstestament de uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken dat de rechter een door hem aangewezen gevolmachtigde als bewindvoerder benoemt en dat de rechter de door hem onder E. aangewezen gevolmachtigde als mentor benoemt. Het hof constateert, zoals ook op de mondelinge behandeling besproken, dat [broer 2] niet voorkomt in dit levenstestament, zodat het levenstestament geen houvast kan bieden voor het primaire verzoek van [verzoekers] om [broer 2] te benoemen tot [betrokkene] ’s bewindvoerder. Verder doet zich de vraag voor in hoeverre [broer 1] alleen kan worden benoemd, omdat [broer 1] én [broer 3] in beginsel als gezamenlijk handelende gevolmachtigden zijn aangewezen. Het staat vast dat gezamenlijk benoemen geen wenselijke situatie is, gezien de hardnekkige strijd waarin [broer 1] en [broer 3] met elkaar zijn verwikkeld. Benoeming van [broer 1] alleen acht het hof onwerkbaar vanwege de strijd tussen hem (en [broer 2] en [zus] ) enerzijds en [broer 3] anderzijds en daarmee in strijd met de belangen van [betrokkene] . [betrokkene] hecht aan een goede band met alle familieleden. Evenals de kantonrechter, passeert het hof daarom het levenstestament.
3.8.
De persoon van de bewindvoerder / de mentor
3.8.1.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat er een mentorschap en bewind nodig is voor [betrokkene] , omdat hij zelf niet in staat is zijn financiële en niet-financiële belangen te behartigen. Nu het hof geen gevolg zal geven aan de inhoud van het levenstestament, dient de vraag te worden beantwoord wie de taken van mentor en bewindvoerder op zich dient te nemen.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap/bewind spoedig mogelijk daarna een mentor/bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. Volgens lid 3 van beide artikelen volgt de rechter bij de benoeming van de mentor/bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. De wet spreekt – indien de betrokkene/ rechthebbende geen echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel heeft – in het vierde lid van voorgaande wetsartikelen de voorkeur uit voor één van diens ouders, kinderen, broers of zusters.
3.8.3.
Voor zover [betrokkene] een uitdrukkelijke voorkeur heeft om het bewind en mentorschap “in de familie te houden” en hij daarmee [broer 2] en [broer 1] bedoelt conform het door [verzoekers] primair geformuleerde verzoek, gaat het hof hieraan voorbij. Ten eerste omdat het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat dit de werkelijke mening is van [betrokkene] (vanwege het loyaliteitsconflict waarin hij verkeert en omdat hij wisselende verklaringen aflegt) en ten tweede omdat gegronde redenen zich tegen een degelijke benoeming verzetten. Gezien de complexe familieverhoudingen en de aanhoudende zich steeds meer verhardende strijd tussen de broers en zus van [betrokkene] , acht het hof het in het belang van [betrokkene] aangewezen dat er een professioneel bewindvoerder en mentor dient te worden aangesteld die buiten de familie staat. Tussen [verzoekers] en [broer 3] bestaat namelijk een groot onderling wantrouwen over de wijze waarop de ander met [betrokkene] omgaat; dit ziet zowel op zorg als financiële zaken die rondom [betrokkene] gaande zijn. Verder is het duidelijk dat [betrokkene] veel last heeft van de ruzies die zijn broers en zus met elkaar hebben over hem. Het maakt hem verdrietig, bezorgt hem spanningen en heeft zelfs een loyaliteitsconflict bij hem veroorzaakt. Dit wordt benoemd door [verzoekers] , [broer 3] en door de bewindvoerder. Hoewel [verzoekers] ervan overtuigd zijn dat zij bij uitstek het beste in staat zijn te kunnen handelen vanuit de belangen van [betrokkene] , ziet het hof met name gegronde redenen – vanuit het belang van [betrokkene] – die zich tegen een dergelijke benoeming verzetten. Het primaire verzoek wordt daarom afgewezen.
3.8.4.
Het hof ziet evenmin aanleiding om het subsidiaire verzoek, benoeming van een extern te benoemen bewindvoerder voor de duur van één jaar, toe te wijzen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting, ziet het hof namelijk geen enkele reden om [bewindvoerder en mentor] te ontslaan als bewindvoerder en mentor van [betrokkene] of, voor zover [verzoekers] dit bedoelen in hun subsidiaire verzoek, om haar benoeming te beperken tot één jaar. De kantonrechter heeft recent (beschikking 21 juli 2025) het verzoek van [verzoekers] tot ontslag van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat niet gebleken is van gewichtige redenen om [bewindvoerder en mentor] te ontslaan als bewindvoerder en mentor; volgens de kantonrechter blijkt dat [bewindvoerder en mentor] in nauw en goed contact staat met de begeleiders en zorgverleners van [betrokkene] . In hetgeen [verzoekers] in deze procedure in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet het hof geen aanknopingspunten die tot een ander oordeel kunnen leiden dan de kantonrechter heeft gegeven. De kantonrechter heeft verder geconstateerd ten aanzien van het beheer van de bankpas van [betrokkene] door [broer 3] dat deze overeenkomstig de wil van [betrokkene] in beheer is gegeven en dat de bewindvoerder hierover afspraken heeft gemaakt met [broer 3] en hierop toezicht houdt en ten aanzien van het bewind dat zij haar taken aan de familie heeft uitgelegd en dat zij alleen verantwoording over de financiën hoeft af te leggen aan de betrokkene en de kantonrechter. Van onregelmatigheden is de kantonrechter kennelijk niets gebleken.
Op basis van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, constateert het hof dat dit hoger beroep in wezen een herhaling van zetten vormt ten opzichte van de argumenten die [verzoekers] in de ontslagprocedure ten overstaan van de kantonrechter hebben aangevoerd. In dit hoger beroep hebben zij niets nieuws of anders aangevoerd dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden, zodat ook het subsidiaire verzoek in hoger beroep dient te worden afgewezen.
3.8.5.
Het hof zal de kosten van de procedure compenseren gelet op de familierelatie.
3.8.6.
Beslist wordt als volgt.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van de procedure aldus, dat ieder zijn eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, A.M. Bossink en F. Dunki Jacobs en is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 oktober 2025
Zaaknummer: 200.351.759/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11162798 TE VERZ 24-954 en 11162799 TE VERZ 24-955
in de zaak in hoger beroep van:
1 [broer 1] ( [broer 1] ),
wonende te [woonplaats] ,
2. [broer 2] ( [broer 2] ),
wonende te [woonplaats] ,
3. [zus] ( [zus] ),
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
broers en zus van de betrokkene,
hierna te noemen: [verzoekers]
advocaat: mr. J.W.J. Hopmans.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [betrokkene] , ( [betrokkene] ),
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [betrokkene] / de betrokkene,
- [broer 3] ( [broer 3] ),
wonende te [woonplaats] ,
broer van de betrokkene,
hierna te noemen: [broer 3] ,
advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen.
- mevrouw [bewindvoerder en mentor] , h.o.d.n. [naam],
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
bewindvoerder en mentor van [betrokkene] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder en mentor] .
In het kort
[verzoekers] zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter tot benoeming van [bewindvoerder en mentor] tot bewindvoerder en mentor van hun broer [betrokkene] ; dit zouden [broer 2] (als bewindvoerder) en [broer 1] (als mentor) moeten worden.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 februari 2025, aangepast op de mondelinge behandeling, hebben [verzoekers] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij [bewindvoerder en mentor] is benoemd tot bewindvoerder en mentor en, opnieuw rechtdoende:
- primair: [broer 2] te benoemen tot bewindvoerder betreffende het vermogen van
[betrokkene] en [broer 1] tot mentor van [betrokkene] ;
- subsidiair: een extern bewindvoerder te benoemen betreffende het vermogen van
[betrokkene] , zulks voor de duur van 1 jaar.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2025, heeft [broer 3] verzocht [verzoekers] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans hun verzoeken af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[verzoekers] , bijgestaan door hun advocaat;
[broer 3] , bijgestaan door zijn advocaat;
[bewindvoerder en mentor] .
[betrokkene] is niet gehoord door het hof (zie hierover rechtsoverweging 3.6. en verder)
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 oktober 2024;
het e-mailbericht van [bewindvoerder en mentor] van 9 mei 2025;
de brief van [bewindvoerder en mentor] van 16 mei 2025;
het e-mailbericht van de rechtbank met als bijlage de beschikking van 21 juli 2025;
twee e-mailberichten met bijlagen van [bewindvoerder en mentor] van 28 augustus 2025;
het e-mailbericht van mr. Teeuwen van 28 augustus 2025;
het e-mailbericht met bijlagen van mr. Hopmans van 29 augustus 2025.
3De beoordeling
3.1.
[betrokkene] is geboren op [geboortedatum] 1967. Uit de bief van het [ziekenhuis] van 1 september 2006 blijkt dat [betrokkene] sinds 1986 psychotische symptomen vertoont in het kader
van schizofrenie van het paranoïde type. [betrokkene] staat sinds 1986 onder behandeling van GGZ en hij woont sinds 7 november 2023 begeleid in een zorgwoning van ‘ [instantie] ’ in het dorp [woonplaats] .
3.2.
Bij de bestreden beschikking is – op verzoek van [broer 3] – ten behoeve van [betrokkene] zowel een bewind ingesteld over alle goederen die aan [betrokkene] (zullen) toebehoren als een mentorschap. [bewindvoerder en mentor] is daarbij benoemd tot [betrokkene] ’s bewindvoerder en mentor.
De rechtbank heeft in deze beschikking de zelfstandige verzoeken van [verzoekers] afgewezen om, primair, [broer 1] en [broer 2] te benoemen tot [betrokkene] ’s bewindvoerder mentor, althans subsidiair, [broer 1] te benoemen tot zijn bewindvoerder en mentor, althans het verzoek van [broer 3] af te wijzen.
3.3.
[verzoekers] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. In hun hoger beroepschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, voeren ze – samengevat – het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte de uitdrukkelijke wens van [betrokkene] , zoals neergelegd in het levenstestament, gepasseerd en is ten onrechte overgegaan tot benoeming van een extern bewindvoerder en mentor. [verzoekers] bestrijden nadrukkelijk het oordeel van de kantonrechter dat er sprake zou zijn van verstoorde familieverhoudingen en dat het belang van [betrokkene] het meest gediend zou zijn met een benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder en mentor. De enige van de familie met wie [verzoekers] en [betrokkene] een verstoorde relatie hebben, is [broer 3] . [broer 3] heeft jarenlang de financiële zaken van [betrokkene] op zeer ondeugdelijke en verwijtbare wijze waargenomen. [broer 1] heeft een inzichtelijke lening bij [betrokkene] en lost deze netjes af en hij betaalt ook maandelijks 2,5% rente aan [betrokkene] . Deze geldlening werd gedocumenteerd en is met instemming en goedkeuring van [betrokkene] aangegaan. Daarbij heeft [broer 1] zelfs ter zekerheid aan [betrokkene] een hypothecair onderpand gegeven. [verzoekers] zijn enigszins verbolgen over het oordeel, waarbij [broer 1] over één kam wordt geschoren met [broer 3] , terwijl uit de stukken genoegzaam is gebleken dat de lening aan [broer 1] op volkomen legale, bonafide en transparante wijze werd afgesloten en dat [broer 1] alle informatie aangaande deze lening op inzichtelijke wijze heeft verstrekt. Dit in tegenstelling tot [broer 3] . Verder is onder leiding van [broer 1] de gezondheidstoestand en het welzijn van [betrokkene] enorm verbeterd. [broer 1] zou een zeer goede bewindvoerder en mentor voor [betrokkene] zou zijn. [bewindvoerder en mentor] is niet voldoende bekwaam als bewindvoerder en mentor, omdat [broer 1] nog steeds alles voor [betrokkene] moet regelen. Deze bewindvoerder veroorzaakt wrijving tussen alle betrokkenen en is partijdig. Ze overlegt namelijk alles met [broer 3] op een amicale toon en geeft [verzoekers] geen informatie waarbij ze [verzoekers] buitenspel zet. [broer 3] en de bewindvoerder zijn twee handen op één buik en communiceren constant met elkaar. [verzoekers] willen graag dat het beheer over het vermogen van [betrokkene] en het mentorschap over hem weer in handen komt van hen. [betrokkene] vraagt zelf keer op keer of [verzoekers] bij de gesprekken met zorgverleners aanwezig willen zijn. [betrokkene] heeft het volste vertrouwen in hen en weet ook dat zij (wel) het beste hem voor hebben. Een dag voor de mondelinge behandeling bij het hof hebben [verzoekers] [betrokkene] meegenomen naar een bespreking bij hun advocaat op kantoor. [betrokkene] heeft toen aan mr. Hopmans een door hem zelf geschreven brief gegeven waarin staat dat hij zich prettiger voelde toen zijn vier broers en zus alle zaken nog voor hem regelden en dat hij veel spanningen voelt sinds [bewindvoerder en mentor] dit doet. [betrokkene] wil het bewind en mentorschap terug in de familie.
3.4.
[broer 3] heeft een verweerschrift ingediend. Zijn standpunt, aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt – samengevat – als volgt.
Er is sprake van een zeer gebrouilleerde familieverhouding. [broer 3] heeft zich jarenlang ingezet voor [betrokkene] , maar er is in toenemende mate onenigheid binnen de familie ontstaan over de vraag wat het beste voor [betrokkene] is. Dit ziet op alle aspecten van het leven van [betrokkene] . [betrokkene] voelt deze spanningen en lijdt hieronder. Met de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg heeft [broer 3] de wens gehad dat er voor [betrokkene] rust zou ontstaan en beslissingen door een onafhankelijke derde zouden worden genomen, zodat de familieleden weer als familie zouden kunnen fungeren in plaats van hulpverleners en mantelzorgers die continu overal strijd over moeten voeren. [broer 3] kan zich dan ook geenszins vinden in de stellingen van [verzoekers] dat [bewindvoerder en mentor] haar werkzaamheden niet naar behoren zou uitvoeren. [verzoekers] kunnen de touwtjes niet uit handen geven en zij stellen [bewindvoerder en mentor] niet in staat haar taken te volbrengen op een wijze die zij in het belang van [betrokkene] acht. [bewindvoerder en mentor] heeft op 14 januari 2025 aan alle familieleden laten weten dat zij het onderzoek naar de financiën op last van de rechtbank had uitgevoerd en haar bevindingen met de rechtbank had gedeeld. Van malversaties of financieel wanbeleid is niets gebleken en de bewindvoerder noch de rechtbank hebben tot op heden aanleiding gezien voor verder onderzoek of stappen jegens [broer 3] of een van de andere familieleden op basis van het door [bewindvoerder en mentor] uitgevoerde onderzoek. De kantonrechter heeft recent in de beschikking van 21 juli 2025 geoordeeld dat [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder geschikt en gekwalificeerd is om haar taken uit te voeren. Wat [verzoekers] bij het hof aanvoeren, is een herhaling van zetten. [bewindvoerder en mentor] communiceert respectvol met alle betrokken en er is geen sprake van een amicale band tussen haar en [broer 3] . Het verschil in communicatie zit erin dat [broer 3] het fatsoen heeft om normaal te reageren, terwijl [verzoekers] hierbij steeds uit de bocht vliegen. Dat [verzoekers] één dag voor de mondelinge behandeling bij het hof [betrokkene] hebben meegenomen naar hun advocaat, geeft de kern van het hele probleem weer. De zorgverleners van [betrokkene] geven duidelijk aan dat [betrokkene] hierdoor wordt belast. Alles wat [betrokkene] zegt, komt voort uit zijn loyaliteitsconflict.
3.5.
Het standpunt van [bewindvoerder en mentor] blijkt uit haar brief en haar verklaring ter zitting en luidt – samengevat – als volgt.
Dit hoger beroep gaat niet over het functioneren van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor. Het is onhoudbaar zoveel mails en eisen als deze familie heeft. Van iedere kant van de familie ontvangt [bewindvoerder en mentor] veel e-mails, Whats-appberichten en telefoon. De familie wil constant iets anders dan de professionals willen. De GGZ is evenmin opgewassen tegen de familie. [broer 1] en [broer 2] zijn beiden als een ‘fait accompli’ bij vergaderingen aangesloten waarvoor ze niet uitgenodigd waren. [bewindvoerder en mentor] heeft daarom vergaderingen niet laten doorgaan. [betrokkene] zegt tegen [bewindvoerder en mentor] erg blij te zijn met zijn woonplek en zijn dagbesteding. [betrokkene] vindt de ruzie in zijn familie het ergste en wil geen partij hoeven zijn of ergens in betrokken te worden. Helaas gebeurt dat wel. De rechtbank heeft een prima beslissing genomen door een onafhankelijke, professionele mentor/bewindvoerder in te zetten. Bij een zo gebrouilleerde familie is dat het beste. [betrokkene] staat centraal en niet zijn familie. De bewindvoerder herkent zich niet in de aantijgingen van [verzoekers] dat zij een amicale houding richting [broer 3] inneemt.
Het hof overweegt als volgt.
3.6.
Het alsnog horen van [betrokkene]
3.6.1.
Het hof heeft op 28 augustus 2025 aan alle betrokkenen medegedeeld niet met [betrokkene] in gesprek te zullen gaan op de mondelinge behandeling, omdat dit te belastend voor hem zou kunnen zijn. Het hof heeft vervolgens de mogelijkheid besproken om [betrokkene] te horen. [betrokkene] kampt met beperkingen, kan daardoor zijn belangen niet behartigen en verkeert in een loyaliteitsconflict. Hij heeft recentelijk met de kantonrechter gesproken, zoals blijkt uit het verslag van dit gesprek in de beschikking 31 juli 2025 over min of meer dezelfde vraag, te weten de wijziging van de persoon van de mentor/bewindvoerder. Het hof heeft vervolgens meegedeeld op een later moment terug te komen op de kwestie of [betrokkene] alsnog wel of niet dient te worden gehoord.
3.6.2.
De bewindvoerder heeft het hof – met klem – verzocht om [betrokkene] niet op te roepen voor de mondelinge behandeling of hem binnen te laten onder druk van zijn familie, omdat [betrokkene] nu al niet slaapt, huilt en zijn emoties niet kwijt kan. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard bezwaar te hebben tegen het horen van [betrokkene] . Zowel de zorgverleners als de [GGZ] als de eigenaren van de zorgboerderij vinden het geen goed idee dat deze zaken die met het hoger beroep te maken hebben met [betrokkene] gedeeld worden. Nadat [betrokkene] afgelopen weekend was meegenomen door de familie, huilde hij en was hij uit zijn doen. Op de zorgboerderij heeft de groep daar last van. [broer 3] heeft dit onderschreven; volgens hem verkeert [betrokkene] in een loyaliteitsconflict. Dit levert hem veel stress op. Het is ook belastend voor [betrokkene] geweest dat mr. Hopmans met hem heeft gesproken. Terughoudendheid om [betrokkene] erbij te betrekken is nodig. Hij hoeft geen rol te spelen, omdat hij dat niet aankan.
[verzoekers] bevestigen het loyaliteitsconflict waarin [betrokkene] zit, maar zien wel mogelijkheden voor het hof om [betrokkene] te horen via videobellen, mits er een deskundige aanwezig is die de medische en persoonlijke situatie van [betrokkene] kent. Tot slot hebben [verzoekers] ( [zus] ) hierover verklaard dat [betrokkene] juist graag zelf gehoord wil worden door het hof en dat het voor zijn proces handig is dat hij er eventjes bij komt zitten.
3.6.3.
Het hof beslist dat [betrokkene] niet zal worden gehoord. Het hof acht dit, gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te belastend voor [betrokkene] . Daarbij neemt het hof in aanmerking het verslag van de kantonrechter van zijn gesprek op 17 juli 2025 via een videobelverbinding in aanwezigheid van een woonbegeleidster. Dit gesprek ging over nagenoeg hetzelfde onderwerp, namelijk de vraag wie zijn financiële en niet-financiële belangen dient te behartigen. Bij de kantonrechter heeft [betrokkene] verklaard:
“Er is onenigheid binnen de familie en daar heeft betrokkene last van. Hij kan het met al zijn broers en zus goed vinden en wil ook graag met iedereen een goede band blijven onderhouden. Betrokkene is blij dat [broer 3] elke week komt en met hem geld gaat pinnen. Ten aanzien van [bewindvoerder en mentor] heeft betrokkene een paar keer verwezen naar verschillende brieven die hij op verzoek van familieleden heeft ondertekend, ook nog de dag na de zitting van 15 juli en daarmee een dag voor het verhoor van betrokkene via de videobelverbinding. Betrokkene wijst darbij op de belangen van zijn broers en zus. Gevraagd naar zijn belang geeft betrokkene aan dat hij tevreden is over [bewindvoerder en mentor] en dat hij geen nieuwe bewindvoerder en mentor wenst. Zijn gezondheid is verbeterd en hij heeft het naar zijn zin op de dagbesteding. Hij voelt zich goed.”
Deze verklaring staat haaks op de verklaring van [betrokkene] die mr. Hopmans tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen en geeft blijk van het loyaliteitsconflict waarin [betrokkene] verkeert.
3.7.
Het levenstestament
[betrokkene] heeft in het levenstestament van 17 augustus 2022 [broer 3] en [broer 1] gevolmachtigd om zijn belangen te behartigen als [betrokkene] daartoe, kort gezegd, zelf niet meer in staat is. Hij heeft bepaald dat [broer 1] en [broer 3] hun taken als gevolmachtigden samen kunnen uitoefenen maar elkaar wel (beperkte of algemene) ondervolmacht kunnen verlenen. Daarnaast heeft hij in het levenstestament de uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken dat de rechter een door hem aangewezen gevolmachtigde als bewindvoerder benoemt en dat de rechter de door hem onder E. aangewezen gevolmachtigde als mentor benoemt. Het hof constateert, zoals ook op de mondelinge behandeling besproken, dat [broer 2] niet voorkomt in dit levenstestament, zodat het levenstestament geen houvast kan bieden voor het primaire verzoek van [verzoekers] om [broer 2] te benoemen tot [betrokkene] ’s bewindvoerder. Verder doet zich de vraag voor in hoeverre [broer 1] alleen kan worden benoemd, omdat [broer 1] én [broer 3] in beginsel als gezamenlijk handelende gevolmachtigden zijn aangewezen. Het staat vast dat gezamenlijk benoemen geen wenselijke situatie is, gezien de hardnekkige strijd waarin [broer 1] en [broer 3] met elkaar zijn verwikkeld. Benoeming van [broer 1] alleen acht het hof onwerkbaar vanwege de strijd tussen hem (en [broer 2] en [zus] ) enerzijds en [broer 3] anderzijds en daarmee in strijd met de belangen van [betrokkene] . [betrokkene] hecht aan een goede band met alle familieleden. Evenals de kantonrechter, passeert het hof daarom het levenstestament.
3.8.
De persoon van de bewindvoerder / de mentor
3.8.1.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat er een mentorschap en bewind nodig is voor [betrokkene] , omdat hij zelf niet in staat is zijn financiële en niet-financiële belangen te behartigen. Nu het hof geen gevolg zal geven aan de inhoud van het levenstestament, dient de vraag te worden beantwoord wie de taken van mentor en bewindvoerder op zich dient te nemen.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap/bewind spoedig mogelijk daarna een mentor/bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. Volgens lid 3 van beide artikelen volgt de rechter bij de benoeming van de mentor/bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. De wet spreekt – indien de betrokkene/ rechthebbende geen echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel heeft – in het vierde lid van voorgaande wetsartikelen de voorkeur uit voor één van diens ouders, kinderen, broers of zusters.
3.8.3.
Voor zover [betrokkene] een uitdrukkelijke voorkeur heeft om het bewind en mentorschap “in de familie te houden” en hij daarmee [broer 2] en [broer 1] bedoelt conform het door [verzoekers] primair geformuleerde verzoek, gaat het hof hieraan voorbij. Ten eerste omdat het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat dit de werkelijke mening is van [betrokkene] (vanwege het loyaliteitsconflict waarin hij verkeert en omdat hij wisselende verklaringen aflegt) en ten tweede omdat gegronde redenen zich tegen een degelijke benoeming verzetten. Gezien de complexe familieverhoudingen en de aanhoudende zich steeds meer verhardende strijd tussen de broers en zus van [betrokkene] , acht het hof het in het belang van [betrokkene] aangewezen dat er een professioneel bewindvoerder en mentor dient te worden aangesteld die buiten de familie staat. Tussen [verzoekers] en [broer 3] bestaat namelijk een groot onderling wantrouwen over de wijze waarop de ander met [betrokkene] omgaat; dit ziet zowel op zorg als financiële zaken die rondom [betrokkene] gaande zijn. Verder is het duidelijk dat [betrokkene] veel last heeft van de ruzies die zijn broers en zus met elkaar hebben over hem. Het maakt hem verdrietig, bezorgt hem spanningen en heeft zelfs een loyaliteitsconflict bij hem veroorzaakt. Dit wordt benoemd door [verzoekers] , [broer 3] en door de bewindvoerder. Hoewel [verzoekers] ervan overtuigd zijn dat zij bij uitstek het beste in staat zijn te kunnen handelen vanuit de belangen van [betrokkene] , ziet het hof met name gegronde redenen – vanuit het belang van [betrokkene] – die zich tegen een dergelijke benoeming verzetten. Het primaire verzoek wordt daarom afgewezen.
3.8.4.
Het hof ziet evenmin aanleiding om het subsidiaire verzoek, benoeming van een extern te benoemen bewindvoerder voor de duur van één jaar, toe te wijzen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting, ziet het hof namelijk geen enkele reden om [bewindvoerder en mentor] te ontslaan als bewindvoerder en mentor van [betrokkene] of, voor zover [verzoekers] dit bedoelen in hun subsidiaire verzoek, om haar benoeming te beperken tot één jaar. De kantonrechter heeft recent (beschikking 21 juli 2025) het verzoek van [verzoekers] tot ontslag van [bewindvoerder en mentor] als bewindvoerder en mentor afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat niet gebleken is van gewichtige redenen om [bewindvoerder en mentor] te ontslaan als bewindvoerder en mentor; volgens de kantonrechter blijkt dat [bewindvoerder en mentor] in nauw en goed contact staat met de begeleiders en zorgverleners van [betrokkene] . In hetgeen [verzoekers] in deze procedure in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet het hof geen aanknopingspunten die tot een ander oordeel kunnen leiden dan de kantonrechter heeft gegeven. De kantonrechter heeft verder geconstateerd ten aanzien van het beheer van de bankpas van [betrokkene] door [broer 3] dat deze overeenkomstig de wil van [betrokkene] in beheer is gegeven en dat de bewindvoerder hierover afspraken heeft gemaakt met [broer 3] en hierop toezicht houdt en ten aanzien van het bewind dat zij haar taken aan de familie heeft uitgelegd en dat zij alleen verantwoording over de financiën hoeft af te leggen aan de betrokkene en de kantonrechter. Van onregelmatigheden is de kantonrechter kennelijk niets gebleken.
Op basis van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, constateert het hof dat dit hoger beroep in wezen een herhaling van zetten vormt ten opzichte van de argumenten die [verzoekers] in de ontslagprocedure ten overstaan van de kantonrechter hebben aangevoerd. In dit hoger beroep hebben zij niets nieuws of anders aangevoerd dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden, zodat ook het subsidiaire verzoek in hoger beroep dient te worden afgewezen.
3.8.5.
Het hof zal de kosten van de procedure compenseren gelet op de familierelatie.
3.8.6.
Beslist wordt als volgt.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van de procedure aldus, dat ieder zijn eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, A.M. Bossink en F. Dunki Jacobs en is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.