Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2829

2025-10-14 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.318.702_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-14
Publicatiedatum
2025-10-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.318.702_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Aankoop van een exclusieve Porsche die in een Duitse vennootschap wordt ‘ondergebracht’. Vraag of de bestuurder van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld door de opbrengst van de verkoop van die Porsche over te hevelen naar een andere vennootschap; toepasselijkheid Duits recht. Vervolg op https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:922 En op https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3938

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.989 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.318.702/01




arrest van 14 oktober 2025




in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
advocaat: mr. D.H.D. Hannema te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
advocaat: mr. H.M.J. Simonis te Breda,



als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 maart 2024 en 10 december 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/390190 / HA ZA 21-569 gewezen vonnis van 13 juli 2022.






8Het verloop van de procedure


8.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenarrest van 10 december 2024;


de akte van [geïntimeerde] met producties;


de antwoordakte van [appellant] .


Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.






9De verdere beoordeling



De aan [geïntimeerde] gegeven instructie




9.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor een door [geïntimeerde] te nemen akte en een door [appellant] te nemen antwoordakte. Daartoe heeft het hof in het tussenarrest van 10 december 2024 overwogen:


6.11.3.

Als [geïntimeerde] geen geld aan [xx] heeft onttrokken en/of heeft aangewend voor andere zaken dan die betrekking hebben op [xx] , en het er eenvoudigweg op neerkomt dat het niet lukt om geld over te boeken vanuit [xx] naar [appellant] omdat de bank en/of de accountant dat niet toestaan (zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd) en/of daarvoor de medewerking van [appellant] nodig is, dan ziet het hof geen reden om [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] te veroordelen.
Wanneer dat echter anders blijkt te zijn en [geïntimeerde] geld heeft onttrokken aan [xx] zonder vervolgens dat geld aan [appellant] af te staan, of wanneer [geïntimeerde] geld van [xx] heeft gebruikt of gaat gebruiken voor zijn privé belangen, dan zou dat gelet op de hiervoor in 6.11.2 genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, naar het oordeel van het hof een verrijking op kunnen leveren van [geïntimeerde] die ongerechtvaardigd is en ten koste gaat van [appellant] .




6.11.4.

De vermoedens van [appellant] dat [geïntimeerde] geld aan [xx] heeft onttrokken om eigen problemen op te lossen, zijn niet van iedere grond ontbloot, zo blijkt uit hetgeen [geïntimeerde] via whatsapp aan [appellant] heeft laten weten:
(…)




6.11.5.

[geïntimeerde] heeft weliswaar aangevoerd dat alle kosten te maken hebben met belasting in verband met de Porsche en met accountantskosten en kosten van liquidatie, maar hij heeft geen documenten overgelegd waaruit dat blijkt. Het hof draagt [geïntimeerde] op om (in ieder geval) inzichtelijk en controleerbaar te maken wat inmiddels het saldo is in [xx] en welke kosten tot nu zijn gemaakt en welke uitgaven zijn gedaan. [geïntimeerde] zal (in ieder geval) een geactualiseerd overzicht in het geding moeten brengen van zijn productie 22 (overzicht van saldo en kosten) en dat moeten voorzien van documentatie waaruit de juistheid van het overzicht blijkt en waaruit ook blijkt wat het doel was van de uitgaven.



Voldoening aan de instructie





9.2.1.


[geïntimeerde] heeft bankafschriften en enkele aanvullende documenten overgelegd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de opdracht en dat uit de documentatie en de door [geïntimeerde] gegeven toelichting blijkt dat de in rov. 6.11.4 van voornoemd arrest genoemde vermoedens van [appellant] terecht waren, om de volgende reden.

[geïntimeerde] heeft in maart 2020 € 120.000,- en € 53.000,-, dus in totaal € 173.000,- overgeboekt naar 4H Holding B.V. (een vennootschap waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is). Deze overboeking stond echter niet vermeld in zijn overzicht van saldo en kosten (als productie 22 overgelegd bij memorie van antwoord op de rol van 18 april 2023). Het hof acht onaannemelijk dat [geïntimeerde] een bedrag van deze omvang zou zijn vergeten of over het hoofd zou hebben gezien toen hij dat overzicht maakte. Het hof is van oordeel dat [appellant] terecht heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv. Dat geeft het hof aanleiding om de standpunten van [geïntimeerde] met de nodige behoedzaamheid tegemoet te treden.




9.2.2.


[geïntimeerde] heeft slechts heel beperkt documentatie in het geding gebracht, zodat vrijwel niet inzichtelijk en controleerbaar is welke kosten ten behoeve van de Porsche zijn gemaakt en welke uitgaven daarvoor zijn gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft hij niet alle administratie van de accountant ontvangen en heeft de accountant nog niet al zijn vragen beantwoord. Hij suggereert dat de door het hof gestelde termijnen daarvoor te kort zijn geweest. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij. [geïntimeerde] moest zich er al veel eerder dan vanaf dat tussenarrest op voorbereiden dat hij openheid van zaken zou moeten geven. Tijdens de op 17 mei 2022 gehouden mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellant] al duidelijk gevraagd ‘Waar is het geld?’ (zie hoofdstuk 3 van zijn spreekaantekeningen). [geïntimeerde] heeft zijn memorie van antwoord ingediend op 18 april 2023. Daarbij was het hiervoor al vermelde overzicht van saldo en kosten gevoegd. [geïntimeerde] kon en moest verwachten dat daarover vragen zouden worden gesteld. [appellant] heeft dat ook gedaan tijdens de mondelinge behandeling bij het hof. Hij heeft toen over deze productie aangevoerd dat hij moet raden naar de stand van zaken en dat [geïntimeerde] nooit enig document heeft verstrekt ter onderbouwing van wat in die productie staat. Kortom, [geïntimeerde] kon en moest er al veel langere tijd rekening mee houden dat er vragen zouden worden gesteld, zodat hij niet kon wachten tot het arrest van 10 december 2024 met het verzamelen van documentatie.
Overigens is ook niet begrijpelijk hoe [geïntimeerde] het als productie 22 overgelegde overzicht heeft kunnen opstellen zonder over de achterliggende documentatie te beschikken. Evenmin is duidelijk hoe Høfnner opdracht heeft kunnen geven voor het verrichten van betalingen zonder enig inzicht te hebben in de redenen, de banknummers en de te vermelden factuurnummers (terwijl hij de bestuurder is van [xx] ). Of dit betekent dat [geïntimeerde] documentatie achter houdt, hoeft niet te worden onderzocht, omdat het ontbreken van de documentatie in het licht van de omstandigheden van het geval voor risico van [geïntimeerde] moet komen.




De overboekingen van € 120.000,- en € 53.000,-





9.3.1.

[geïntimeerde] heeft over deze overboekingen aangevoerd dat hij dit heeft gedaan omdat hij vreesde vanwege Covid niet meer te kunnen beschikken over de financiële middelen van [xx] en dat hij daarom de overboekingen heeft uitgevoerd als ‘lening’. Het hof acht die reden niet plausibel aangezien [geïntimeerde] zelf ook heeft aangevoerd dat betalingsopdrachten altijd per e-mail of met een machtigingsformulier werden uitgevoerd. Niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] moest vrezen dat hij in verband met Covid niet meer met een e-mail een betalingsopdracht zou kunnen geven. [geïntimeerde] heeft ook niet toegelicht waarom hij meende dat het nodig was om ineens over zo’n enorm bedrag te moeten kunnen beschikken, terwijl de reguliere kosten (zoals bankkosten, kosten van de accountant, belastingen en dergelijke, waarover hierna meer) een fractie zijn van dat bedrag. Het hof wordt gesterkt in het vermoeden dat de door [geïntimeerde] genoemde reden niet de ware reden is, omdat [geïntimeerde] na Covid dit bedrag niet heeft teruggestort. Hij heeft dat pas heeft gedaan na het tussenarrest van 10 december 2024 waarmee de hiervoor weergegeven instructie aan [geïntimeerde] werd gegeven. Voornoemd bedrag is pas op 18 februari 2025 door 4H Holding B.V. teruggestort. [geïntimeerde] heeft geen documentatie overgelegd waaruit volgt dat er een rechtsgrond was voor de storting en voor de retournering. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de Duitse accountant hem van te weinig informatie en documentatie heeft voorzien, maar niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] niet een overeenkomst van geldlening heeft kunnen overleggen, terwijl hij de bestuurder is van [xx] en hij wel in staat is geweest om ervoor te zorgen dat 4H Holding B.V. (van welke vennootschap hij eveneens de bestuurder is) het genoemde bedrag in ontvangst nam en retourneerde. [geïntimeerde] heeft ook niet aangevoerd dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een geldlening. Uit zijn eigen standpunt blijkt dat er (wederom) een overboeking heeft plaatsgevonden om een andere reden dan de (kennelijk) extern verantwoorde reden. De omschrijving van de overboekingen “Rückzahlung Gesellschafterdarlehen”, stemt daar ook niet mee overeen. Dat was dus kennelijk een gefingeerde reden.



9.3.2.
Volgens [appellant] blijkt daaruit dat [geïntimeerde] hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt, althans zich zonder enig probleem weer opnieuw kan verrijken, omdat [geïntimeerde] zich dit bedrag opnieuw kan toe-eigenen. Het hof zal nader ingaan op dat standpunt in rov. 9.4.16. Het hof zal eerst een oordeel geven over de (ontbrekende) verantwoording van de bij- en afschrijvingen van de bankrekening.




Het verloop van de bankrekening, de bij- en afboekingen





9.4.1.

[geïntimeerde] heeft afschriften overgelegd van de bankrekening van [yy] en [xx] . Enkele bankafschriften ontbreken, maar gelet op de terugkerende bankkosten, geeft dat het hof geen aanleiding om nadere vragen hierover te stellen.



9.4.2.

Samengevat weergegeven is het verloop van de bankrekeningen als volgt geweest.
De bankrekening is gevoed met stortingen waardoor aanvankelijk (op 14 juni 2018) € 322.500,- op de bankrekening stond. Op 20 juni 2018 is € 320.000,- afgeschreven ter zake de aankoop van de Porsche .
Op 25 juli 2018 is € 24.201,- bijgeschreven vanuit [xx] . Op 2 augustus 2018 is € 31.206,- bijgeschreven door de Porsche dealer ter zake ‘VAT deposit’.
Op 2 november 2018 is € 30.000,- afgeschreven (een overboeking naar [geïntimeerde] met vermelding “Loan installment from [yy] Racing”).
De Porsche is verkocht en daarvoor is op 14 december 2018 € 384.117,50 ontvangen.
Op 15 januari 2019 is afgeschreven € 61.086,49 ter zake ‘steuerverwaltung’.
Het hof heeft als tussen partijen vaststaand aangenomen dat aan [appellant] begin 2019 vanuit [xx] is overgemaakt: € 1000,- en € 150.000,-. Dat blijkt ook uit de bankafschriften met dien verstande dat dit niet exact, maar wel bij benadering om deze bedragen gaat.
Op 16 april 2019 is € 20.491,07 afgeschreven ter zake kosten van de accountant en andere kosten.
Nadien hebben er nog andere bij- en afschrijvingen plaatsgevonden, maar afgezien van de hiervoor al genoemde afschrijving van € 173.000,- en bijschrijving van dat bedrag, gaat het daarbij om relatief geringe bedragen.
Wanneer de hiervoor genoemde bedragen worden opgeteld en afgetrokken dan komt dat uit op € 179.446,94. Het saldo op het meest recente bankafschrift bedraagt € 173.006,42. Dat verschil kan worden verklaard door de overige hier niet genoemde afschrijvingen die veel lagere bedragen betreffen.
Het hof zal nu eerst ingaan op het beginsaldo en op deze (en andere) afschrijvingen.




Het beginsaldo





9.4.3.
Uit de memorie van grieven blijkt dat [appellant] niet alleen vraagtekens heeft over de afschrijvingen, maar ook waar de door hem gestorte bedragen ‘zijn gebleven’. Voor zover hij heeft bedoeld aan te voeren dat het beginsaldo te laag is geweest, oordeelt het hof het volgende.



9.4.4.


[appellant] heeft geld overgemaakt aan [geïntimeerde] en aan 4H Holding B.V. in verband met de voorgenomen aankoop van de Porsche (zie rov. 3.3.5). Het beginsaldo stemt daar niet mee overeen. [geïntimeerde] heeft onder andere aangevoerd dat € 50.000,- voor hem zou zijn als ‘fee’. Het hof is van oordeel dat [appellant] dat onvoldoende heeft betwist. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg is over dat onderwerp het volgende aangevoerd:
Ten aanzien van de fee van EUR 50k geldt dat die alleen zou worden betaald indien de overeenkomst zou worden nagekomen. Nu de overeenkomst is beëindigd, de Porsche niet indirect in het bezit van [appellant] is, is daaraan niet voldaan en is [appellant] de fee niet meer verschuldigd en moet deze ook worden terugbetaald.
Het hof heeft geoordeeld dat van een overeenkomst geen sprake is geweest. Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor geciteerde verklaring voldoende duidelijk blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat € 50.000,- voor [geïntimeerde] was als ‘fee’. Het is wel degelijk gelukt om de Porsche aan te kopen. Dat strookt ook met het in de memorie van grieven ingenomen standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] € 50.000,- winst op de transactie zou maken.




9.4.5.
Van de door [appellant] in mei 2018 gedane betalingen van in totaal € 400.000,- ontbreekt € 27.500 bij het beginsaldo. Volgens [geïntimeerde] is dat gestort op de rekening van [xx] ten behoeve van de aankoop van een ‘Vat company shell’ en is daarvan, na aftrek van kosten, op 25 juli 2018 € 24.201,- op de rekening van [yy] gestort. Dat laatste bedrag is inderdaad op die datum ontvangen van [xx] . Wat de kosten waren heeft [geïntimeerde] echter niet toegelicht, terwijl dat wel de opdracht was die het hof heeft gegeven. Er ontbreekt dus € 3.299,- bij het beginsaldo.



Verlies ter zake aan- en verkoop van een Porsche Cayman GT4





9.4.6.
Uit een bankafschrift van 2 november 2018 blijkt dat € 30.000,- is overgemaakt aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er een Porsche Cayman GT4 is aangekocht voor € 185.000,- en is verkocht voor € 155.000,-, dus dat er € 30.000,- is verloren op deze transactie. Volgens [geïntimeerde] was de aankoop van deze auto nodig om de aankoop mogelijk te maken van de Porsche waarover het in deze procedure over gaat (die kon pas worden aangekocht wanneer er tegelijk ook een andere auto werd aangekocht).



9.4.7.

[geïntimeerde] heeft dit verweer nu voor het eerst gevoerd in deze procedure. Hij heeft niet aangevoerd dat of waarom dat in dit stadium van de procedure nog mogelijk was. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat dit in strijd is met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel. Het hof kan met dit verweer dus geen rekening houden. Los daarvan heeft te gelden dat [geïntimeerde] geen documentatie in het geding gebracht waaruit de juistheid van zijn standpunt blijkt.



‘Vat’ en ‘tax’





9.4.8.
Het op 2 augustus 2018 door de Porsche dealer bijgeschreven bedrag van € 31.206,- ter zake ‘VAT deposit’ is precies het verschil tussen de gefactureerde aankoopprijs van € 288.794,- (zoals overgelegd als productie 33) en het aan de Porsche dealer op 20 juni 2018 afgeschreven bedrag van € 320.000,-. Ter zake de verkoop van de Porsche is € 61.086,49 op 15 januari 2019 afgeschreven. Dat dit de ‘vat’ is geweest die is afgedragen ter zake de verkoop van de Porsche blijkt uit de verkoopfactuur (eveneens overgelegd als productie 33). Volgens [appellant] is onmogelijk na te gaan dat deze ‘vat’ boekingen zijn gedaan, maar dat er vat moest worden afgedragen is evident en onvoldoende betwist. De juistheid van de bedragen blijkt uit de overgelegde facturen.



9.4.9.

Volgens [geïntimeerde] zijn er verschillende bedragen ter zake ‘tax’ bij- en afgeschreven. Deze zijn soms op het overzicht van [geïntimeerde] benoemd als ‘car tax’ en soms als ‘tax’. Onderliggende stukken ontbreken. Aangezien het evident is dat er belasting verschuldigd zal zijn geweest over de Porsche en het om een relatief gering bedrag lijkt te gaan (€ 424,- op 16 augustus 2018 en een teruggave van € 220,- op 14 januari 2019, betaald en verkregen van dezelfde instantie), ziet het hof geen aanleiding om het ontbreken van onderliggende documenten in het nadeel van [geïntimeerde] te laten meewegen.
Dan zijn er nog andere afschrijvingen geweest ter zake ‘tax’, maar ook bijschrijvingen. Het saldo van die overige posten is positief, zodat het hof geen aanleiding heeft om het ontbreken van documentatie in het nadeel van [geïntimeerde] te laten meewegen. Voor zover dat ziet op teruggave van btw over de hierna bespreken kosten van de notaris en accountant, kan het hof daar niet in het voordeel van [geïntimeerde] rekening mee houden. [geïntimeerde] heeft immers geen inzicht gegeven in die kosten (zoals hierna zal worden overwogen).




Notariskosten en accountantskosten





9.4.10.
Volgens [geïntimeerde] zijn er notariskosten gemaakt. [geïntimeerde] heeft echter geen documentatie in het geding gebracht waaruit dat blijkt. Zodoende valt niet na te gaan of de kosten die aan de notaris zijn betaald, zijn gemaakt ten behoeve van [yy] en/of [xx] . [appellant] heeft terecht opgemerkt dat ook mogelijk is dat er kosten zijn gemaakt ten behoeve van andere vennootschappen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over gefingeerde betalingen, kan dat niet worden uitgesloten. Het ontbreken van documentatie dient voor risico van [geïntimeerde] te komen (zie rov. 9.2.2). [geïntimeerde] heeft geen enkele toelichting gegeven op deze kosten (wat was de aanleiding voor het inschakelen van een notaris, welke werkzaamheden zijn verricht en waarom en ten behoeve van wie), zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt. De enkele vermelding dat het niet ongebruikelijk is om notariskosten te maken, acht het hof onvoldoende, gelet op de duidelijke opdracht die het hof heeft gegeven. Het gaat om € 1.289,72 (afgeschreven op 9 juli 2018). Verder betreft het drie betalingen die op 16 april 2019 zijn gedaan, maar die het hof zal betrekken in de hierna te bespreken kosten van de accountant.



9.4.11.

Voor wat betreft de accountantskosten zijn er meerdere afschrijvingen aan ‘Kaulen & Meurer’ en uit een bij de bankafschriften aangetroffen faxbericht kan worden afgeleid dat dit kantoor aan de bank de opdracht gaf om betalingen uit te voeren (de fax van 16 april 2019 (als onderdeel van productie 25). Op deze opdracht van 16 april 2019 staan echter niet alleen betalingen die gedaan moeten worden aan dit kantoor, maar ook andere betaalopdrachten (kosten van een notaris en kennelijk verkeersboetes). Wat die andere betalingen inhouden heeft [geïntimeerde] niet toegelicht en hij heeft ook geen enkel inzicht gegeven in de betalingen aan de accountant. Accountants plegen facturen te sturen. Waarom deze niet in het geding zijn gebracht is niet duidelijk. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht wat de aanleiding was voor het inschakelen van de accountant, welke opdracht is gegeven, wat de werkzaamheden inhielden en ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht. Het hof kan er niet zo maar vanuit gaan dat de kosten zijn gemaakt door of ten behoeve van [xx] . Uit het feit dat de betalingen door [xx] zijn verricht, volgt immers niet zonder meer dat de kosten zijn gemaakt door of ten behoeve van [xx] . [geïntimeerde] heeft geen toelichting gegeven op de reden van deze overboekingen, zodat het hof niet aan bewijslevering toekomt. Het is onaannemelijk dat dergelijke kosten in rekening worden gebracht voor het enkel en alleen opdracht geven aan de bank om enkele overboekingen uit te voeren (waarvan wel een document is overgelegd).
Het gaat om de volgende bedragen: € 20.491,07 (op 16 april 2019), € 1.078,94 (op 17 maart 2020), € 249,90 (op 8 november 2021), € 2.205,96 (op 3 december 2021), € 815,15 (op 10 december 2021), € 246,93 (op 27 juni 2022), € 306,43 (op 19 oktober 2023). In totaal dus om € 25.394,38, waarvan het hof niet kan aannemen dat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van [xx] .




German fee





9.4.12.
Vanaf 2020 zijn er betalingen gedaan die [geïntimeerde] in zijn overzicht heeft omschreven als ‘German fee’. Dat is gebeurd op 17 maart 2020 (€ 30,94, € 30,94, € 42,60, € 139,72), op 8 november 2021 (€ 108,55, € 33,08 en € 8,55) op 30 november 2021 (€ 18,10) en op 24 oktober 2022 (€ 51,35). Deze bedragen zijn overgeschreven aan de ‘Bundesanzeiger Verlag GmbH. Volgens [geïntimeerde] zijn dat boetes voor het te laat opmaken van jaarstukken. Ook dat standpunt is op geen enkele wijze onderbouwd en los daarvan is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] zo’n situatie (als daarvan sprake is geweest) had kunnen en moeten voorkomen als bestuurder. Of dit uitgaven zijn geweest ten behoeve van [xx] , valt niet te controleren, maar als dat zo is, dan zijn dit uitgaven die voor rekening en risico van [geïntimeerde] behoren te komen. Het betreft in totaal € 463,83.



Verzekering





9.4.13.

Op 10 juli 2018 is € 2.022,14 afgeschreven naar een verzekeringsmaatschappij. Op 2 januari 2019 is € 3.935,- afgeschreven en op 8 januari 2019 is € 4.066,17 bijgeschreven (steeds van en naar dezelfde verzekeringsmaatschappij). Per saldo is dus € 1.890,07 aan een verzekeringsmaatschappij betaald. [geïntimeerde] heeft een premienota overgelegd van de verzekeringsmaatschappij (Helvetia) van 15 december 2018 van in totaal € 3.935,-
Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat per saldo € 1.890,07 ter zake de verzekering van de Porsche is voldaan. Dat heeft [appellant] ook niet, althans niet voldoende, betwist.




Bankkosten





9.4.14.
Uit de bankafschriften blijkt dat de bank steeds kosten in rekening heeft gebracht. Het hof is van oordeel dat dit geen nadere toelichting behoefde en ook [appellant] gaat daar kennelijk vanuit.



Het totaal





9.4.15.

Het hof ziet geen aanleiding nader in te gaan op andere dan de hiervoor besproken bij- of afschrijvingen, vanwege het ontbreken van een voldoende duidelijk standpunt van [appellant] over alle bij- en afschrijvingen.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat van de hiervoor besproken overboekingen in totaal € 60.446,93 (€ 3.299,- + € 30.000,- + € 1.289,72 + € 25.394,38 +
€ 463,83) moet worden beschouwd als onttrekkingen van [geïntimeerde] aan [xx] en/of aanwending van geld voor andere zaken dan die betrekking hebben op [xx] .




9.4.16.

Het hof is dus van oordeel dat het hiervoor genoemde bedrag van € 60.446,93 toewijsbaar is. [appellant] is van mening dat het niet tot dit bedrag beperkt moet blijven. Volgens [appellant] is sowieso € 173.000,- toewijsbaar omdat is gebleken dat [geïntimeerde] dit bedrag aan 4H Holding B.V. heeft overgemaakt. Het hof is van oordeel dat inderdaad is gebleken dat het standpunt van [geïntimeerde] dat het niet mogelijk was om geld over te maken, onjuist was en (kwalijker) dat de mededelingen die hij in deze procedure heeft gedaan over het aanwezige vermogen in [xx] , onjuist zijn geweest. Nu [geïntimeerde] het kennelijk in zijn macht heeft om € 173.000,- zonder duidelijk rechtsgrond over te maken aan 4H Holding B.V., valt niet in te zien waarom hij dat bedrag (eventueel via 4H Holding B.V.) niet zou kunnen overmaken aan [appellant] . Het was kennelijk geen probleem om dit bedrag aan 4H Holding te betalen als een ‘terugbetaling op een vennootschapsschuld’ en [geïntimeerde] heeft niet toegelicht hoe de storting op 19 februari 2025 in de boeken is verantwoord. Daarbij is het de vraag of die storting zou hebben plaatsgevonden als het hof niet de instructie zou hebben gegeven in het voorgaande tussenarrest. Het is opvallend en onvoldoende toegelicht hoe het kan dat die storting heel toevallig juist op dát moment heeft plaatsgevonden. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] aan de veroordeling zal willen voldoen door aanwending van het banksaldo van [xx] . Ter verantwoording daarvan zal [geïntimeerde] dit arrest kunnen tonen aan de accountant, waaruit blijkt dat het altijd de bedoeling is geweest van partijen dat het banksaldo van [xx] voor [appellant] zou zijn (beschreven in rov. 3.6.5 tot en met 3.6.9 van het tussenarrest van 19 maart 2024). Het hof merkt nog op dat dit onverlet laat dat als de accountant hiervan melding moet maken bij de autoriteiten, het niet de bedoeling is van het hof om dat te voorkomen; de accountant dient in dit opzicht te doen wat hij volgens zijn beroepsregels nodig acht. Volgens [geïntimeerde] kan [xx] niet worden geliquideerd. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail van de accountant blijkt niet dat dit volledig onmogelijk is, maar dat [geïntimeerde] dan privé garant zal moeten staan (of iets dergelijks). Het hof is van oordeel dat dit voor risico van [geïntimeerde] moet komen. Hoewel beide partijen een aandeel hebben in de ontstane situatie (zie rov. 3.6.5 tot en met 3.6.9 van het tussenarrest van 19 maart 2024) heeft [geïntimeerde] zich verbonden als bestuurder van [xx] en heeft [geïntimeerde] als bestuurder buiten [appellant] om aanzienlijke bedragen van de bankrekening van [xx] afgeschreven.
Dit betekent dat [geïntimeerde] méér zal moeten voldoen dan het bedrag dat op dit moment op de bankrekening van [xx] staat. Het hof ziet daartoe aanleiding omdat het ervan uitgaat dat de hiervoor beschreven onttrekkingen niet zijn verantwoord door [geïntimeerde] (terwijl hij enig bestuurder en aandeelhouder is) op grond waarvan het hof hiervoor heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt.
In totaal is € 233.446,93 (als hoofdsom) toewijsbaar, omdat € 60.446,93 moet worden geacht te zijn onttrokken en € 173.000,- feitelijk is onttrokken (ook al is dat bedrag vijf jaar later weer bijgestort). Volgens [appellant] moet het hof € 249.000,- toewijzen, maar voor het meerdere ziet het hof geen rechtsgrond.




De slotsom





9.5.1.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van
€ 233.446,93.




9.5.2.

[appellant] heeft wettelijke rente ex artikel 6:119 BW gevorderd over de hoofdsom. Bij tussenarrest van 19 maart 2024 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn stellingen over de subsidiaire juridische grondslagen toe te lichten naar Duits recht. Daarbij is [appellant] in het geheel niet meer ingegaan op de vraag of en met ingang van wanneer recht bestaat op (wettelijke) rente over de vergoeding die verschuldigd is op grond van § 812 lid 1 BGB. Het hof zal de wettelijke rente daarom afwijzen als onvoldoende toegelicht.



9.5.3.

Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:



explootkosten € 98,52


griffierecht € 1.666,-


salaris advocaat € 4.982,-


betekeningskosten beslag € 3.215,23


salaris advocaat beslag € 2.491,-


totaal €12.452,75



[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat verschillende beslagen onnodig zijn geweest en dat de kosten daarvan daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof verwerpt dat verweer. Daarvoor is doorslaggevend hetgeen het hof heeft geconstateerd over de wijze waarop [geïntimeerde] als bestuurder omgaat met betalingen en de administratie daarvan (zie hetgeen hiervoor is overwogen over [xx] en 4H Holding B.V.). [appellant] heeft er (terecht) rekening mee gehouden dat het vermogen was weggesluisd naar minder voor de hand liggende plekken en in ieder geval is de onzekerheid daarover in het leven geroepen door [geïntimeerde] , omdat hij [appellant] niet op de hoogte heeft gehouden, terwijl dat wel de bedoeling was.



De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:



explootkosten € 125,03


griffierechten € 1.780,-


salaris advocaat € 13.284,- (3 punt(en) x tarief VI)


nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


totaal € 15.367,03


De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.




9.5.4.

[appellant] heeft gevorderd de veroordelingen uitvoer bij voorraad te verklaren. [geïntimeerde] heeft gevraagd om dat af te wijzen, althans te bepalen dat [appellant] zekerheid stelt. Uitgangspunt is dat een veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Dat het Verenigd Koninkrijk niet langer tot de Europese Unie behoort, vormt voor het hof geen reden om in deze zaak af te wijken van dat uitgangspunt. Het hof zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het belang van [appellant] om na zo lange tijd weer over zijn geld te kunnen beschikken weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van [geïntimeerde] dat voor hem niet duidelijk is hoe een (eventueel) verhaal in het Verenigd Koninkrijk verloopt.







10De uitspraak


Het hof:



vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:



veroordeelt [geïntimeerde] om € 233.446,93 aan [appellant] te voldoen;



veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg ten bedrage van € 12.452,75 en van het hoger beroep ten bedrage van € 15.367,03, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan;



verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.J.M. van Lanen en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.




griffier rolraadsheer