Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2801
2025-10-09
Civiel recht; Insolventierecht
200.358.503_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHSHE:2025:3096 → ECLI:NL:GHSHE:2025:2801
Inhoudsindicatie
Artikel 15b Fw ; omzettingsverzoek ; verklaring curator over akkoord ontbreekt ; tussenarrest
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2015:589 Hoge Raad 13-03-2015
- ECLI:NL:HR:2017:696 Hoge Raad 14-04-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.765 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 9 oktober 2025
Zaaknummer : 200.358.503/01
Zaaknummers eerste aanleg : [insolventienummer 1] (insolventienummer [appellant])
[insolventienummer 2] (insolventienummer [appellante])
in de zaak in hoger beroep van:
1
[appellant]
en
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] en [appellante],
advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van 19 augustus 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 t/m 4), ingekomen ter griffie op 26 augustus 2025, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hun verzoeken tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] en [appellante], bijgestaan door mr. Zoeteweij;
dhr. [beschermingsbewindvoerder], de beschermingsbewindvoerder;
mr. J.A. de Waard, namens de curator in de faillissementen van respectievelijk [appellant] en [appellante].
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 augustus 2025;
- de aanvullende producties (5 t/m 9), ontvangen op 4 september 2025;
- de nagezonden productie 3 (brief van de curator aan de rechtbank d.d. 13 augustus 2025), ontvangen op 29 september 2025;
- de aanvullende producties (10 t/m 12), ontvangen op 30 september 2025.
3. De beoordeling
3.1.
[appellant] is op eigen aangifte op 14 januari 2025 in staat van faillissement verklaard. [appellante] is op eigen aangifte op 28 januari 2025 in staat van faillissement verklaard. In beide faillissementen is mr. J.A.M. de Kerf tot curator aangesteld.
3.2.
[appellant] en [appellante] zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Zij hebben bij de rechtbank gezamenlijk een verzoekschrift ingediend om de faillissementen op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (conform artikel 15b Faillissementswet).
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden (aan het CJIB) in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
3.4.
[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan gezamenlijk in hoger beroep gekomen. Zij hebben - kort samengevat - gemotiveerd toegelicht hoe de CJIB schulden (meer specifiek: de snelheidsovertredingen) zijn ontstaan en hebben (subsidiair) een beroep op de hardheidsclausule gedaan.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
[appellant] en [appellante] hebben ieder voor zich op eigen verzoek het faillissement aangevraagd. Thans verzoeken zij op grond van artikel 15b Fw de faillissementen ‘om te zetten’ in een schuldsaneringsregeling. Toelating tot de wettelijke schuldsanering in geval van omzetting kan slechts plaatsvinden indien onder meer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 288 Fw en, voorafgaand hieraan, indien bij het omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator is gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden (zie ECLI:NL:HR:2015:589 en ECLI:NL:HR:2017:696).
3.5.2.
Het hof heeft geconstateerd dat in het dossier van de onderhavige zaak een dergelijke schriftelijke verklaring van de curator ontbreekt. In het gezamenlijke omzettingsverzoek van [appellant] en [appellante] d.d. 4 juni 2025 (eerste deel van productie 2 bij het beroepschrift) staat in dit kader wel het volgende:
“Het aanbieden van een akkoord aan schuldeisers heeft in ons geval geen zin. Wij kennen namelijk niemand die ons een bedrag ter beschikking kan of wil stellen. En het saldo van de boedelrekening is evenmin voldoende om daar een akkoord op te kunnen baseren, aldus mr. J.A.M. de Kerf.”
Dit betreft echter een schrijven van [appellant] en [appellante], niet een verklaring van de curator zelf.
In de brief van (mr. De Waard namens) de curator aan de rechtbank d.d. 13 augustus 2025 (productie 3 bij het beroepschrift) staat evenmin iets over een (al dan niet mogelijk) akkoord.
3.5.3.
Het hof zal de curator twee weken de gelegenheid geven tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden.
3.5.4.
Iedere verdere (inhoudelijke) beslissing zal het hof aanhouden.
4De uitspraak
Het hof:
geeft de curator tot uiterlijk 24 oktober 2025 de gelegenheid tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en wat de bevindingen van dat onderzoek zijn;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
Team Handelsrecht
Uitspraak : 9 oktober 2025
Zaaknummer : 200.358.503/01
Zaaknummers eerste aanleg : [insolventienummer 1] (insolventienummer [appellant])
[insolventienummer 2] (insolventienummer [appellante])
in de zaak in hoger beroep van:
1
[appellant]
en
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] en [appellante],
advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van 19 augustus 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 t/m 4), ingekomen ter griffie op 26 augustus 2025, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hun verzoeken tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] en [appellante], bijgestaan door mr. Zoeteweij;
dhr. [beschermingsbewindvoerder], de beschermingsbewindvoerder;
mr. J.A. de Waard, namens de curator in de faillissementen van respectievelijk [appellant] en [appellante].
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 augustus 2025;
- de aanvullende producties (5 t/m 9), ontvangen op 4 september 2025;
- de nagezonden productie 3 (brief van de curator aan de rechtbank d.d. 13 augustus 2025), ontvangen op 29 september 2025;
- de aanvullende producties (10 t/m 12), ontvangen op 30 september 2025.
3. De beoordeling
3.1.
[appellant] is op eigen aangifte op 14 januari 2025 in staat van faillissement verklaard. [appellante] is op eigen aangifte op 28 januari 2025 in staat van faillissement verklaard. In beide faillissementen is mr. J.A.M. de Kerf tot curator aangesteld.
3.2.
[appellant] en [appellante] zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Zij hebben bij de rechtbank gezamenlijk een verzoekschrift ingediend om de faillissementen op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (conform artikel 15b Faillissementswet).
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden (aan het CJIB) in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
3.4.
[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan gezamenlijk in hoger beroep gekomen. Zij hebben - kort samengevat - gemotiveerd toegelicht hoe de CJIB schulden (meer specifiek: de snelheidsovertredingen) zijn ontstaan en hebben (subsidiair) een beroep op de hardheidsclausule gedaan.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
[appellant] en [appellante] hebben ieder voor zich op eigen verzoek het faillissement aangevraagd. Thans verzoeken zij op grond van artikel 15b Fw de faillissementen ‘om te zetten’ in een schuldsaneringsregeling. Toelating tot de wettelijke schuldsanering in geval van omzetting kan slechts plaatsvinden indien onder meer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 288 Fw en, voorafgaand hieraan, indien bij het omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator is gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden (zie ECLI:NL:HR:2015:589 en ECLI:NL:HR:2017:696).
3.5.2.
Het hof heeft geconstateerd dat in het dossier van de onderhavige zaak een dergelijke schriftelijke verklaring van de curator ontbreekt. In het gezamenlijke omzettingsverzoek van [appellant] en [appellante] d.d. 4 juni 2025 (eerste deel van productie 2 bij het beroepschrift) staat in dit kader wel het volgende:
“Het aanbieden van een akkoord aan schuldeisers heeft in ons geval geen zin. Wij kennen namelijk niemand die ons een bedrag ter beschikking kan of wil stellen. En het saldo van de boedelrekening is evenmin voldoende om daar een akkoord op te kunnen baseren, aldus mr. J.A.M. de Kerf.”
Dit betreft echter een schrijven van [appellant] en [appellante], niet een verklaring van de curator zelf.
In de brief van (mr. De Waard namens) de curator aan de rechtbank d.d. 13 augustus 2025 (productie 3 bij het beroepschrift) staat evenmin iets over een (al dan niet mogelijk) akkoord.
3.5.3.
Het hof zal de curator twee weken de gelegenheid geven tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden.
3.5.4.
Iedere verdere (inhoudelijke) beslissing zal het hof aanhouden.
4De uitspraak
Het hof:
geeft de curator tot uiterlijk 24 oktober 2025 de gelegenheid tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en wat de bevindingen van dat onderzoek zijn;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.