Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2744
2025-10-07
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.342.544/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:2744 → ECLI:NL:RBOBR:2024:302
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad, gevaarzettende situatie? Kelderluikcriteria. In mei 2022 heeft de gemeente Bergeijk door Bomenbank deels in de nachtelijke uren werkzaamheden laten uitvoeren ter bestrijding van de eikenprocessierups. Eisers stellen dat hierdoor twee van hun paarden, die buiten in de wei stonden, in paniek zijn geraakt en daarbij zodanig gewond zijn geraakt dat één van de paarden is overleden. Zij eisen schadevergoeding van de gemeente en van Bomenbank. Het hof oordeelt evenals de rechtbank dat de gemeente en Bomenbank niet onrechtmatig hebben gehandeld en wijst de vorderingen af. Hoger beroep van vonnis van rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:302.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2020:27 Hoge Raad 10-01-2020
- ECLI:NL:HR:2022:1942 Hoge Raad 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.236 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.544/01
arrest van 7 oktober 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,2. [appellante sub 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. A.M. van Schaick te Tilburg,
tegen
1Gemeente Bergeijk,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde sub 1,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. P.J.G. Goumans te Nijmegen,
en
2Nationale Bomenbank Zuidoost-Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde sub 2,
hierna aan te duiden als Bomenbank,
advocaat: mr. D.M. Gouweloos te Amsterdam,
op het bij exploten van dagvaarding van 29 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als eisers en de gemeente en Bomenbank als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/385217 / HA ZA 22-475)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 16 november 2022.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de exploten van dagvaarding in hoger beroep;
de door [appellanten] genomen memorie van grieven met productie 1;
de door de gemeente genomen memorie van antwoord met producties 5 en 6;
de door Bomenbank genomen memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
De vaststaande feiten in beide zaken en de kern van het geschil in beide zaken
3.1.1. De onderhavige procedure betreft strikt genomen twee zaken: één zaak van [appellanten] tegen de gemeente en één zaak van [appellanten] tegen Bomenbank.
3.1.2. Het gaat in deze zaken naar de kern genomen om het volgende.
In mei 2022 heeft de gemeente door Bomenbank deels in de nachtelijke uren werkzaamheden laten uitvoeren ter bestrijding van de eikenprocessierups. [appellanten] stellen dat hierdoor twee van hun paarden, die buiten in de wei stonden, in paniek zijn geraakt en daarbij zodanig gewond zijn geraakt dat één van de dieren is overleden. Zij eisen schadevergoeding van de gemeente en van Bomenbank.
3.1.2. In dit hoger beroep kan in beide zaken op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellanten] wonen aan [adres] . Zij wonen in het buitengebied. Bij hun huis staan stallen en ligt een weiland, dat [appellanten] gebruiken voor hun paarden. Dat weiland is door [appellanten] met afrastering verdeeld in vier delen, waarvan de voorste twee delen grenzen aan [adres] . Tussen de afrastering van het weiland en [adres] ligt een groenstrook, waarin eikenbomen staan. Als productie 7 bij de inleidende dagvaarding zijn hiervan een luchtfoto en een situatieschets overgelegd.
b. Bomenbank is een boomspecialist die zich richt op het werken met bomen in de openbare ruimte. Bomenbank houdt zich onder meer bezig met de bestrijding van de eikenprocessierups door het bespuiten van bomen.
c. De gemeente heeft haar taak om de eikenprocessierups te bestrijden uitbesteed aan Bomenbank. In mei 2022 moesten 6500 bomen in de gemeente worden bespoten.
d. In januari 2022 heeft de gemeente op haar website en in het gemeentelijke weekblad een publicatie geplaatst over de bestrijding van de eikenprocessierups in 2022. De strekking van die publicatie was dat de gemeente naast het bespuiten van bomen en het opzuigen van nesten, ook een nestkastenproject begint.
e. Op 3 mei 2022 heeft gemeente op haar website, op Facebook en in het gemeentelijke weekblad aangekondigd dat die maand de bestrijdingswerkzaamheden zouden gaan plaatsvinden, onder andere door het bespuiten van bomen, vooral ’s nachts en in het buitengebied.
f. Bomenbank heeft de bestrijdingswerkzaamheden voor de gemeente uitgevoerd, onder meer in de nacht van 12 mei op 13 mei 2022. Er zijn toen door Bomenbank (althans in haar opdracht door een tractor met chauffeur van Loon- en verhuurbedrijf GVB), bespuitingswerkzaamheden uitgevoerd in kronen van bomen langs [adres] , ook ter hoogte van het weiland van [appellanten]
g. In de ochtend van 13 mei 2022 is één van de paarden van [appellanten] – de 17-jarige merrie [A] – overleden, evenals haar ongeboren veulen ( [A] was zeven maanden drachtig). Uit het sectierapport van de patholoog blijkt dat [A] is overleden als gevolg van een verdraaiing van de dikke darm (koliek). Een ander paard van [appellanten] – de eveneens drachtige merrie [B] – is op 13 mei 2022 gewond geraakt aan het rechter achterbeen, maar daarvan goed hersteld. [B] is op 14 mei 2022 bevallen van een gezond veulen.
h. In de ochtend van 13 mei 2022 hebben [appellanten] zich telefonisch bij de gemeente beklaagd over het feit dat de bestrijdingswerkzaamheden onaangekondigd hadden plaatsgevonden, en de gemeente aansprakelijk gesteld voor hun schade.
i. De advocaat van [appellanten] heeft de gemeente bij brief van op 24 mei 2022 schriftelijk nogmaals aansprakelijk gesteld.
j. Per e-mail van 26 juli 2022 heeft de advocaat van [appellanten] ook Bomenbank aansprakelijk gesteld voor de schade van [appellanten]
k. De gemeente en Bomenbank hebben betwist aansprakelijkheid te zijn.
Het geding bij de rechtbank in beide zaken
3.2.1. In de onderhavige procedure vorderen [appellanten] , samengevat, hoofdelijke veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot betaling van:
een hoofdsom van € 25.789,73 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 mei 2022;
€ 1.033,-- ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaardingen, zijnde 22 augustus 2022;
met veroordeling van de gemeente en Bomenbank in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.2. Aan deze vordering voor zover gericht tegen de gemeente hebben [appellanten] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
De gemeente heeft onrechtmatig jegens [appellanten] gehandeld door, zonder [appellanten] vooraf te waarschuwen, midden in de nacht de bespuitingswerkzaamheden te laten uitvoeren die met zodanig veel lawaai en licht gepaard zijn gegaan dat de twee in het aangrenzende weiland aanwezige drachtige merries van [appellanten] zodanig zijn geschrokken dat zij op hol sloegen en daarbij letsel hebben opgelopen, waaraan merrie [A] en haar ongeboren veulen zijn overleden.
3.2.3. Aan de vordering voor zover gericht tegen Bomenbank hebben [appellanten] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Bomenbank heeft onrechtmatig jegens [appellanten] gehandeld door, zonder te verifiëren of [appellanten] vooraf door de gemeente waren gewaarschuwd, midden in de nacht de bespuitingswerkzaamheden uit te voeren met zodanig veel lawaai en licht dat de twee in het aangrenzende weiland aanwezige drachtige merries van [appellanten] zodanig zijn geschrokken dat zij op hol sloegen en daarbij letsel hebben opgelopen, waaraan merrie [A] en haar ongeboren veulen zijn overleden.
3.2.4. De door [appellanten] van de gemeente en Bomenbank gevorderde hoofdsom van
€ 25.789,73 is opgebouwd uit de volgende posten:
€ 24.200,-- ter zake de waarde van de overleden merrie [A] ;
€ 1.158,33 ter zake dierenartskosten;
€ 67,20 ter zake reiskosten;
€ 364,-- ter zake de kosten van de taxatie van de waarde van [A] .
3.2.5. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.6. Ook Bomenbank heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ook dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.7. Bij het tussenvonnis van 16 november 2022 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling na antwoord bevolen. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de gedingstukken.
3.2.8. In het beroepen vonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van de vordering tegen de gemeente, samengevat, als volgt geoordeeld.
Op de gemeente rust de publieke taak om zorg te dragen voor de bestrijding van de eikenprocessierups. De gemeente mag daaraan uitvoering geven door eikenbomen te (laten) bespuiten van eikenbomen. Dit moet ten dele ’s nachts gebeuren (rov. 5.4).
Of de gemeente hierbij onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (rov. 5.7).
Het staat vast dat de werkzaamheden hinder opleveren en dat dieren in aangrenzende weilanden daarvan zouden kunnen schrikken, maar voor de gemeente was redelijkerwijs niet te voorzien dat dieren in het weiland zo ernstig zouden kunnen schrikken dat zij op hol zouden slaan, door de afrastering zouden gaan en daarbij gewond of zelfs dodelijk gewond zouden kunnen raken, zoals volgens [appellant sub 1] hier het geval is geweest (rov. 5.9).
De gemeente heeft in het bericht van 3 mei 2022 vermeld dat bomen bespoten zouden gaan worden, ‘vooral ’s nachts en op plekken in het buitengebied’. Als [appellanten] dit bericht hadden gelezen, en de nachtelijke werkzaamheden een gevaar zouden kunnen opleveren voor hun paarden, zoals zij stellen, had het voor hen aanleiding moeten zijn om de paarden voorlopig ’s nachts in de stal te zetten. De gemeente mocht ervan uitgaan dat bewoners van het buitengebied kennis zouden nemen van de gemeentelijke nieuwsberichten, bijvoorbeeld door kennis te nemen van de website of Facebookpagina van de gemeente. [appellanten] hadden in de betreffende periode alert moeten zijn op een mogelijk bericht van de gemeente over de bestrijdingswerkzaamheden (rov. 5.10).
Door te volstaan met een algemene publicatie en niet alle bewoners van het buitengebied met een persoonlijk briefje te informeren, heeft de gemeente niet meer risico’s genomen dan verantwoord was (rov. 5.11).
Omdat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld moet de vordering van [appellanten] tegen de gemeente worden afgewezen (rov. 5.12).
De aansprakelijkheid van de gemeente kan ook niet worden gebaseerd op artikel 6:171 BW omdat dat artikel in dit geval niet geldt (rov. 5.13).
De rechtbank heeft in het vonnis ten aanzien van de vordering tegen Bomenbank, samengevat, als volgt geoordeeld.
Bomenbank hoefde niet te controleren of alle omwonenden wisten van de werkzaamheden. Bomenbank mocht ervan uitgaan dat de omwonenden door de aankondiging van de gemeente voldoende waren geïnformeerd (rov. 5.16).
Indien al wordt aangenomen dat de paarden [A] en [B] in de voorste wei stonden, is het heel goed mogelijk dat de chauffeur van [appellanten] , mede vanwege de omvang van die weide, de paarden niet heeft kunnen zien. De chauffeur hoefde niet bij elk weiland uit te stappen om te onderzoeken of er dieren in de wei stonden. De chauffeur kon volstaan met te kijken of er dieren dichtbij de te behandelen bomen stonden. Er is niet komen vast te staan dat er in dit geval dieren dichtbij de te behandelen bomen stonden (rov. 5.17).
Er is dus geen grond om aan te nemen dat Bomenbank onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld.
Op grond van die oordelen heeft de rechtbank, samengevat:
de vordering van [appellanten] tegen de gemeente afgewezen en [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van de gemeente veroordeeld;
de vordering van [appellanten] tegen Bomenbank afgewezen en [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van Bomenbank veroordeeld.
Het geding in hoger beroep in beide zaken
3.3.1. [appellanten] hebben in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis. [appellanten] hebben op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, samengevat:
toewijzing alsnog van hun vorderingen;
veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot terugbetaling van de proceskostenbedragen die [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan de gemeente en Bomenbank hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 respectievelijk 13 maart 2024;
met veroordeling van de gemeente en Bomenbank in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.2. De gemeente heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
3.3.3. Ook Bomenbank heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Over de grieven in beide zaken
3.4.1. Het hof zal de twee grieven in beide zaken gezamenlijk behandelen. Voor zover nodig zal het hof daarbij in het navolgende onderscheid maken tussen de positie van de gemeente en de positie van Bomenbank.
3.4.2. Grief 2 heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast grief 1. Grief 2 hoeft daarom niet afzonderlijk besproken te worden.
3.4.3. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 dat voor de gemeente redelijkerwijs niet te voorzien was dat dieren in het weiland door de bespuitingswerkzaamheden zo ernstig zouden kunnen schrikken dat zij op hol zouden slaan, door de afrastering zouden gaan en daarbij gewond of zelfs dodelijk gewond zouden kunnen raken, welk oordeel de rechtbank volgens het slot van rov. 5.17 ook heeft laten gelden ten aanzien van Bomenbank.
3.4.4. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Volgens artikel 6:162 lid 1 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
Volgens artikel 6:162 lid 2 BW worden als onrechtmatige daad aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Volgens artikel 6:162 lid 3 BW kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
3.4.5. De vraag of het veroorzaken van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, kan niet uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de vraag of schade is ingetreden dan wel of sprake is van de mogelijkheid van een ongeval, maar dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In de rechtspraak wordt steeds aan een aantal gezichtspunten getoetst. Of gevaarzetting onrechtmatig is hangt onder meer af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. In het kader van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid speelt de kenbaarheid van het gevaar een rol. Voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar is van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden. Verder is ook van belang of met de gevaarzettende handeling een algemeen belang wordt gediend of alleen een eigen belang. Uiteindelijk zijn alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang van belang. Het hof zal dus bij de beoordeling of de gemeente en/of Bomenbank onrechtmatig hebben gehandeld, niet alleen rekening houden met het door de grief aan de orde gestelde aspect van voorzienbaarheid van nadelige gevolgen, maar met alle relevante omstandigheden. [appellanten] hebben in de toelichting op grief 2 in overeenstemming daarmee gesteld dat zij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof willen voorleggen.
3.4.6. In dit geval gaat het om werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups, welke werkzaamheden werden verricht in het algemeen belang. De eikenprocessierups kan ook hinderlijk en gevaarlijk zijn voor paarden, waardoor het aanbeveling verdiend dat de eigenaar van paarden die paarden weghoudt van eikenbomen in de periode waarin de rupsen hun brandharen verliezen. [appellanten] hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank erkend dat de eikenprocessierups gevaarlijk kan zijn voor paarden.
3.4.7. Voorts staat als onbestreden vast dat er goede redenen waren om de werkzaamheden in elk geval in belangrijke mate de nachtelijke uren uit te voeren, te weten:
in de nacht is er over het algemeen minder wind, waardoor het te spuiten middel minder verwaait;
in de nacht is er minder verkeer dat door uitvoering van de werkzaamheden wordt gehinderd;
in een relatief korte periode van enkele weken moet een groot aantal bomen worden bespoten.
3.4.8. Verder staat als onvoldoende betwist vast dat de werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups al vele jaren lang telkens in de maand mei werden uitgevoerd. Het enkele feit dat [adres] daarbij in het jaar 2021 niet aan bod is gekomen, laat onverlet dat [appellanten] er in 2022 rekening mee hadden moeten houden dat die werkzaamheden in mei 2022 weer zouden plaatsvinden en dat daarbij [adres] wel weer aan de beurt zou kunnen komen. De gemeente mocht er ook vanuit gaan dat [appellanten] , als paardenhouders en als bewoners van het buitengebied, zich daarvan bewust waren.
3.4.9. In dit geval heeft de gemeente bovendien op twee momenten een aankondiging gedaan: in januari 2022 heeft de gemeente op haar website en in het gemeentelijke weekblad een publicatie geplaatst over de bestrijding van de eikenprocessierups in 2022, en op 3 mei 2022 heeft gemeente op haar website, op Facebook en in het gemeentelijke weekblad aangekondigd dat die maand de bestrijdingswerkzaamheden zouden gaan plaatsvinden, onder andere door het bespuiten van bomen, vooral ’s nachts en in het buitengebied. De gemeente mocht er naar het oordeel van het hof vanuit gaan dat bewoners van het buitengebied die hierbij belang hadden, van dit soort gemeentelijke publicaties kennis zouden nemen en daar voor zover nodig rekening mee zouden houden. Daaraan doet het enkele feit dat het gemeentelijke weekblad in delen van het buitengebied en in ieder geval bij [appellant sub 1] niet wordt bezorgd niet af. De gemeente heeft onweersproken aangegeven dat en hoe de bewoners van die delen van het buitengebied waar het weekblad niet wordt bezorgd, van mededelingen van de gemeente kennis konden nemen. Van [appellanten] had mogen worden verwacht dat zij, wetende dat bij hen het gemeentelijke weekblad niet wordt bezorgd, op andere wijze van gemeentelijke mededelingen kennis zouden nemen. Voor [appellanten] had de publicatie van 3 mei 2022 aanleiding kunnen zijn om hun – volgens hun eigen stellingen – schrikachtige zwangere merries ’s nachts bijvoorbeeld op stal of in een van de achterste weilanden te plaatsen. Zij hebben hun andere paarden wel op stal geplaatst, en niet duidelijk gemaakt waarom zij juist de merries [A] en [B] in het voorste weiland hebben laten staan, terwijl zij hadden moeten weten dat de werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups in de maand mei zouden worden uitgevoerd. Als zij vooraf zeker hadden willen weten of in mei 2022 ook de eikenbomen aan [adres] weer behandeld zouden worden, hadden zij daar informatie over kunnen inwinnen bij de gemeente.
3.4.10. Naar het oordeel van het hof hebben de gemeente en Bomenbank voorts voldoende onderbouwd dat het vooraf per brief meer concreet infomeren van omwonenden over de exacte datum en het tijdstip van bespuiting niet goed mogelijk is omdat een precieze planning van de uitvoering van de werkzaamheden niet vooraf gemaakt kan worden. Of de bespuiting effectief kan plaatsvinden is immers onder meer afhankelijk van de weersomstandigheden: bij harde wind of bij regen is het niet mogelijk om het gewenste effect te bereiken. De gemeente mocht naar het oordeel van het hof aannemen dat de hiervoor in rov. 3.4.9 genoemde publicaties voldoende waren om de bewoners van het buitengebied te attenderen op het feit dat de werkzaamheden weer zouden plaatsvinden, en dat bewoners die dat wenselijk vonden, hun dieren in de betreffende periode op enige afstand van de eikenbomen zouden plaatsen.
3.4.11. Bij de vraag of schrikreacties van paarden met ernstige gevolgen voor die paarden voor de gemeente en Bomenbank te voorzien waren, acht het hof verder de volgende omstandigheden van belang.
Het perceel van [appellanten] ligt ongeveer halverwege [adres] . Voor zover de twee merries in het voorste weiland (of in een van de andere weilanden van [appellanten] ) aanwezig waren, hebben zij de tractor die de bestrijdingswerkzaamheden uitvoerde, dus geruime tijd tevoren kunnen zien en horen aankomen. Vast staat dat de tractor de werkzaamheden uitvoert met een nevelspuit met luchtondersteuning, waarbij de boomkroon met lampen wordt verlicht. De machine rijdt langzaam door de straat, waarbij de blower aan blijft staan en de spuitnevel wordt toegevoegd als de machine bij de te bespuiten boomkronen is. Het is dus niet zo dat de paarden, voor zover zij in het weiland aanwezig waren, plotskaps werden geconfronteerd met licht of lawaai. Het lawaai en licht hebben zich, naarmate de tractor dichter bij het perceel van [appellanten] kwam, geleidelijk opgebouwd.
[appellanten] hebben geen grief gericht tegen de vaststelling door de rechtbank in rov. 5.17 dat het voorste weiland, waarin volgens hen de merries stonden, minstens 50 meter diep is. De merries hadden zich dus, ook als zij in het voorste weiland stonden, op enige afstand van de groenstrook met eikenbomen kunnen terugtrekken. Het hof acht om deze reden overigens ook aannemelijk dat de feitelijke uitvoerder van de werkzaamheden de merries niet in de buurt van de groenstrook heeft kunnen zien en ook niet elders op het perceel omdat het buiten het door de tractor verlichte gebied donker was.
Bomenbank mocht ervan uitgaan dat paarden die doorgaans in weilanden langs wegen in het buitengebied staan, gewend zullen zijn aan de geluiden van motorvoertuigen en landbouwwerktuigen, zeker nu de percelen van [appellanten] grensden aan andere agrarische percelen.
[appellanten] hebben niet gemotiveerd betwist dat de bespuitingswerkzaamheden al vele jaren op deze wijze worden uitgevoerd, niet alleen in de gemeente [C] , maar door Bomenbank ook elders in Nederland, en dat zich daarbij niet eerder een voorval zoals dit heeft voorgedaan.
3.4.12. Het hof concludeert om bovenstaande redenen dat de gemeente mocht volstaan met de hiervoor in rov. 3.1.2 onder d en e genoemde publicaties van januari 2022 en 3 mei 2022 ter aankondiging van de uitvoering van de werkzaamheden. Een meer specifieke aankondiging van de exacte datum en tijd van de uitvoering van de werkzaamheden aan [adres] was voor de gemeente bezwaarlijk en niet goed mogelijk, terwijl de gemeente voorts mocht aannemen dat de aankondiging van 3 mei 2022 voldoende zou zijn, mede gelet op het feit dat elk jaar in de maand mei bespuitingswerkzaamheden plaatsvonden ter bestrijding van de eikenprocessierups. De gemeente hoefde voorts niet te voorzien dat eigenaren van paarden juist in deze periode schrikachtige zwangere merries zouden plaatsen in een weiland direct grenzend aan een groenstrook met eikenbomen, terwijl daarvoor goede alternatieven aanwezig waren (plaatsing op stal of in een van de achterste weilanden van [appellanten] ). Voorts hoefde de gemeente geen rekening te houden met de mogelijkheid dat een paard als gevolg van een door de werkzaamheden veroorzaakte schrikreactie zodanig in paniek zou raken dat het door een afrastering zou lopen, uitglijden en zou overlijden, aangezien de paarden in het buitengebied geacht kunnen worden bekend te zijn met geluid van landbouwvoertuigen, en incidenten zoals hier volgens [appellanten] aan de orde zich niet eerder hebben voorgedaan in de vele jaren dat de werkzaamheden op deze wijze worden uitgevoerd.
3.4.13. Om bovenstaande redenen concludeert het hof dat niet is komen vast te staan dat de gemeente of Bomenbank onrechtmatig jegens [appellanten] hebben gehandeld. Het hof volgt [appellanten] voorts niet in hun stelling dat ten deze toepassing moet worden gegeven aan de zogenoemde omkeringsregel. Als van een onrechtmatige daad geen sprake is, komt de omkeringsregel niet aan de orde. Voor toepassing van de omkeringsregel is bovendien volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vereist dat een gedraging heeft plaatsgevonden die in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, rov. 3.3). In dit geval is er geen sprake van dat de gemeente of Bomenbank hebben gehandeld in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.
3.4.14. [appellanten] hebben aan het slot van de memorie van grieven in algemene bewoordingen bewijs van hun stellingen aangeboden. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat op grond van de in deze zaak onbetwist vaststaande feiten moet worden geconcludeerd dat onrechtmatig handelen van de gemeente of Bomenbank niet is komen vast te staan.
3.4.15. Het voorgaande brengt mee dat de grieven van [appellanten] geen doel treffen.
Conclusie en afwikkeling
3.5.1. Omdat de grieven van [appellanten] geen doel treffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen.
3.5.2. Dit brengt mee dat de vordering van [appellanten] tot veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot terugbetaling van de proceskosten van het geding bij de rechtbank moet worden afgewezen.
3.5.3. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente en aan de zijde van Bomenbank. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). Het hof zal [appellanten] daarom hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.
3.5.4. Het hof zal die kosten aan de zijde van de gemeente vaststellen op:
Griffierechten € 2.175,--
Salaris advocaat € 1.571,-- (1 punt x tarief III)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
+
Totaal € 3.924,--
3.5.5. Het hof zal de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Bomenbank vaststellen op:
Griffierechten € 2.175,--
Salaris advocaat € 1.571,-- (1 punt x tarief III)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
+
Totaal € 3.924,--
3.5.6. Bomenbank heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over de nakosten. Het hof zal die vordering toewijzen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
3.5.7. Het hof zal de proceskostenveroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
3.5.8. Het bovenstaande leidt tot de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/385217 / HA ZA 22-475 tussen partijen gewezen vonnis van 31 januari 2024;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente ten bedrage van € 3.924,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna in opdracht van de gemeente wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Bomenbank ten bedrage van € 3.924,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna in opdracht van Bomenbank wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten aan de zijde van Bomenbank als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart de bovenstaande proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.544/01
arrest van 7 oktober 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,2. [appellante sub 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. A.M. van Schaick te Tilburg,
tegen
1Gemeente Bergeijk,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde sub 1,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. P.J.G. Goumans te Nijmegen,
en
2Nationale Bomenbank Zuidoost-Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde sub 2,
hierna aan te duiden als Bomenbank,
advocaat: mr. D.M. Gouweloos te Amsterdam,
op het bij exploten van dagvaarding van 29 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als eisers en de gemeente en Bomenbank als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/385217 / HA ZA 22-475)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 16 november 2022.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de exploten van dagvaarding in hoger beroep;
de door [appellanten] genomen memorie van grieven met productie 1;
de door de gemeente genomen memorie van antwoord met producties 5 en 6;
de door Bomenbank genomen memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
De vaststaande feiten in beide zaken en de kern van het geschil in beide zaken
3.1.1. De onderhavige procedure betreft strikt genomen twee zaken: één zaak van [appellanten] tegen de gemeente en één zaak van [appellanten] tegen Bomenbank.
3.1.2. Het gaat in deze zaken naar de kern genomen om het volgende.
In mei 2022 heeft de gemeente door Bomenbank deels in de nachtelijke uren werkzaamheden laten uitvoeren ter bestrijding van de eikenprocessierups. [appellanten] stellen dat hierdoor twee van hun paarden, die buiten in de wei stonden, in paniek zijn geraakt en daarbij zodanig gewond zijn geraakt dat één van de dieren is overleden. Zij eisen schadevergoeding van de gemeente en van Bomenbank.
3.1.2. In dit hoger beroep kan in beide zaken op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellanten] wonen aan [adres] . Zij wonen in het buitengebied. Bij hun huis staan stallen en ligt een weiland, dat [appellanten] gebruiken voor hun paarden. Dat weiland is door [appellanten] met afrastering verdeeld in vier delen, waarvan de voorste twee delen grenzen aan [adres] . Tussen de afrastering van het weiland en [adres] ligt een groenstrook, waarin eikenbomen staan. Als productie 7 bij de inleidende dagvaarding zijn hiervan een luchtfoto en een situatieschets overgelegd.
b. Bomenbank is een boomspecialist die zich richt op het werken met bomen in de openbare ruimte. Bomenbank houdt zich onder meer bezig met de bestrijding van de eikenprocessierups door het bespuiten van bomen.
c. De gemeente heeft haar taak om de eikenprocessierups te bestrijden uitbesteed aan Bomenbank. In mei 2022 moesten 6500 bomen in de gemeente worden bespoten.
d. In januari 2022 heeft de gemeente op haar website en in het gemeentelijke weekblad een publicatie geplaatst over de bestrijding van de eikenprocessierups in 2022. De strekking van die publicatie was dat de gemeente naast het bespuiten van bomen en het opzuigen van nesten, ook een nestkastenproject begint.
e. Op 3 mei 2022 heeft gemeente op haar website, op Facebook en in het gemeentelijke weekblad aangekondigd dat die maand de bestrijdingswerkzaamheden zouden gaan plaatsvinden, onder andere door het bespuiten van bomen, vooral ’s nachts en in het buitengebied.
f. Bomenbank heeft de bestrijdingswerkzaamheden voor de gemeente uitgevoerd, onder meer in de nacht van 12 mei op 13 mei 2022. Er zijn toen door Bomenbank (althans in haar opdracht door een tractor met chauffeur van Loon- en verhuurbedrijf GVB), bespuitingswerkzaamheden uitgevoerd in kronen van bomen langs [adres] , ook ter hoogte van het weiland van [appellanten]
g. In de ochtend van 13 mei 2022 is één van de paarden van [appellanten] – de 17-jarige merrie [A] – overleden, evenals haar ongeboren veulen ( [A] was zeven maanden drachtig). Uit het sectierapport van de patholoog blijkt dat [A] is overleden als gevolg van een verdraaiing van de dikke darm (koliek). Een ander paard van [appellanten] – de eveneens drachtige merrie [B] – is op 13 mei 2022 gewond geraakt aan het rechter achterbeen, maar daarvan goed hersteld. [B] is op 14 mei 2022 bevallen van een gezond veulen.
h. In de ochtend van 13 mei 2022 hebben [appellanten] zich telefonisch bij de gemeente beklaagd over het feit dat de bestrijdingswerkzaamheden onaangekondigd hadden plaatsgevonden, en de gemeente aansprakelijk gesteld voor hun schade.
i. De advocaat van [appellanten] heeft de gemeente bij brief van op 24 mei 2022 schriftelijk nogmaals aansprakelijk gesteld.
j. Per e-mail van 26 juli 2022 heeft de advocaat van [appellanten] ook Bomenbank aansprakelijk gesteld voor de schade van [appellanten]
k. De gemeente en Bomenbank hebben betwist aansprakelijkheid te zijn.
Het geding bij de rechtbank in beide zaken
3.2.1. In de onderhavige procedure vorderen [appellanten] , samengevat, hoofdelijke veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot betaling van:
een hoofdsom van € 25.789,73 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 mei 2022;
€ 1.033,-- ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaardingen, zijnde 22 augustus 2022;
met veroordeling van de gemeente en Bomenbank in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.2. Aan deze vordering voor zover gericht tegen de gemeente hebben [appellanten] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
De gemeente heeft onrechtmatig jegens [appellanten] gehandeld door, zonder [appellanten] vooraf te waarschuwen, midden in de nacht de bespuitingswerkzaamheden te laten uitvoeren die met zodanig veel lawaai en licht gepaard zijn gegaan dat de twee in het aangrenzende weiland aanwezige drachtige merries van [appellanten] zodanig zijn geschrokken dat zij op hol sloegen en daarbij letsel hebben opgelopen, waaraan merrie [A] en haar ongeboren veulen zijn overleden.
3.2.3. Aan de vordering voor zover gericht tegen Bomenbank hebben [appellanten] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Bomenbank heeft onrechtmatig jegens [appellanten] gehandeld door, zonder te verifiëren of [appellanten] vooraf door de gemeente waren gewaarschuwd, midden in de nacht de bespuitingswerkzaamheden uit te voeren met zodanig veel lawaai en licht dat de twee in het aangrenzende weiland aanwezige drachtige merries van [appellanten] zodanig zijn geschrokken dat zij op hol sloegen en daarbij letsel hebben opgelopen, waaraan merrie [A] en haar ongeboren veulen zijn overleden.
3.2.4. De door [appellanten] van de gemeente en Bomenbank gevorderde hoofdsom van
€ 25.789,73 is opgebouwd uit de volgende posten:
€ 24.200,-- ter zake de waarde van de overleden merrie [A] ;
€ 1.158,33 ter zake dierenartskosten;
€ 67,20 ter zake reiskosten;
€ 364,-- ter zake de kosten van de taxatie van de waarde van [A] .
3.2.5. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.6. Ook Bomenbank heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ook dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.7. Bij het tussenvonnis van 16 november 2022 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling na antwoord bevolen. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de gedingstukken.
3.2.8. In het beroepen vonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van de vordering tegen de gemeente, samengevat, als volgt geoordeeld.
Op de gemeente rust de publieke taak om zorg te dragen voor de bestrijding van de eikenprocessierups. De gemeente mag daaraan uitvoering geven door eikenbomen te (laten) bespuiten van eikenbomen. Dit moet ten dele ’s nachts gebeuren (rov. 5.4).
Of de gemeente hierbij onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (rov. 5.7).
Het staat vast dat de werkzaamheden hinder opleveren en dat dieren in aangrenzende weilanden daarvan zouden kunnen schrikken, maar voor de gemeente was redelijkerwijs niet te voorzien dat dieren in het weiland zo ernstig zouden kunnen schrikken dat zij op hol zouden slaan, door de afrastering zouden gaan en daarbij gewond of zelfs dodelijk gewond zouden kunnen raken, zoals volgens [appellant sub 1] hier het geval is geweest (rov. 5.9).
De gemeente heeft in het bericht van 3 mei 2022 vermeld dat bomen bespoten zouden gaan worden, ‘vooral ’s nachts en op plekken in het buitengebied’. Als [appellanten] dit bericht hadden gelezen, en de nachtelijke werkzaamheden een gevaar zouden kunnen opleveren voor hun paarden, zoals zij stellen, had het voor hen aanleiding moeten zijn om de paarden voorlopig ’s nachts in de stal te zetten. De gemeente mocht ervan uitgaan dat bewoners van het buitengebied kennis zouden nemen van de gemeentelijke nieuwsberichten, bijvoorbeeld door kennis te nemen van de website of Facebookpagina van de gemeente. [appellanten] hadden in de betreffende periode alert moeten zijn op een mogelijk bericht van de gemeente over de bestrijdingswerkzaamheden (rov. 5.10).
Door te volstaan met een algemene publicatie en niet alle bewoners van het buitengebied met een persoonlijk briefje te informeren, heeft de gemeente niet meer risico’s genomen dan verantwoord was (rov. 5.11).
Omdat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld moet de vordering van [appellanten] tegen de gemeente worden afgewezen (rov. 5.12).
De aansprakelijkheid van de gemeente kan ook niet worden gebaseerd op artikel 6:171 BW omdat dat artikel in dit geval niet geldt (rov. 5.13).
De rechtbank heeft in het vonnis ten aanzien van de vordering tegen Bomenbank, samengevat, als volgt geoordeeld.
Bomenbank hoefde niet te controleren of alle omwonenden wisten van de werkzaamheden. Bomenbank mocht ervan uitgaan dat de omwonenden door de aankondiging van de gemeente voldoende waren geïnformeerd (rov. 5.16).
Indien al wordt aangenomen dat de paarden [A] en [B] in de voorste wei stonden, is het heel goed mogelijk dat de chauffeur van [appellanten] , mede vanwege de omvang van die weide, de paarden niet heeft kunnen zien. De chauffeur hoefde niet bij elk weiland uit te stappen om te onderzoeken of er dieren in de wei stonden. De chauffeur kon volstaan met te kijken of er dieren dichtbij de te behandelen bomen stonden. Er is niet komen vast te staan dat er in dit geval dieren dichtbij de te behandelen bomen stonden (rov. 5.17).
Er is dus geen grond om aan te nemen dat Bomenbank onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld.
Op grond van die oordelen heeft de rechtbank, samengevat:
de vordering van [appellanten] tegen de gemeente afgewezen en [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van de gemeente veroordeeld;
de vordering van [appellanten] tegen Bomenbank afgewezen en [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van Bomenbank veroordeeld.
Het geding in hoger beroep in beide zaken
3.3.1. [appellanten] hebben in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis. [appellanten] hebben op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, samengevat:
toewijzing alsnog van hun vorderingen;
veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot terugbetaling van de proceskostenbedragen die [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan de gemeente en Bomenbank hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 respectievelijk 13 maart 2024;
met veroordeling van de gemeente en Bomenbank in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.2. De gemeente heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
3.3.3. Ook Bomenbank heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Over de grieven in beide zaken
3.4.1. Het hof zal de twee grieven in beide zaken gezamenlijk behandelen. Voor zover nodig zal het hof daarbij in het navolgende onderscheid maken tussen de positie van de gemeente en de positie van Bomenbank.
3.4.2. Grief 2 heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast grief 1. Grief 2 hoeft daarom niet afzonderlijk besproken te worden.
3.4.3. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 dat voor de gemeente redelijkerwijs niet te voorzien was dat dieren in het weiland door de bespuitingswerkzaamheden zo ernstig zouden kunnen schrikken dat zij op hol zouden slaan, door de afrastering zouden gaan en daarbij gewond of zelfs dodelijk gewond zouden kunnen raken, welk oordeel de rechtbank volgens het slot van rov. 5.17 ook heeft laten gelden ten aanzien van Bomenbank.
3.4.4. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Volgens artikel 6:162 lid 1 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
Volgens artikel 6:162 lid 2 BW worden als onrechtmatige daad aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Volgens artikel 6:162 lid 3 BW kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
3.4.5. De vraag of het veroorzaken van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, kan niet uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de vraag of schade is ingetreden dan wel of sprake is van de mogelijkheid van een ongeval, maar dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In de rechtspraak wordt steeds aan een aantal gezichtspunten getoetst. Of gevaarzetting onrechtmatig is hangt onder meer af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. In het kader van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid speelt de kenbaarheid van het gevaar een rol. Voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar is van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden. Verder is ook van belang of met de gevaarzettende handeling een algemeen belang wordt gediend of alleen een eigen belang. Uiteindelijk zijn alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang van belang. Het hof zal dus bij de beoordeling of de gemeente en/of Bomenbank onrechtmatig hebben gehandeld, niet alleen rekening houden met het door de grief aan de orde gestelde aspect van voorzienbaarheid van nadelige gevolgen, maar met alle relevante omstandigheden. [appellanten] hebben in de toelichting op grief 2 in overeenstemming daarmee gesteld dat zij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof willen voorleggen.
3.4.6. In dit geval gaat het om werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups, welke werkzaamheden werden verricht in het algemeen belang. De eikenprocessierups kan ook hinderlijk en gevaarlijk zijn voor paarden, waardoor het aanbeveling verdiend dat de eigenaar van paarden die paarden weghoudt van eikenbomen in de periode waarin de rupsen hun brandharen verliezen. [appellanten] hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank erkend dat de eikenprocessierups gevaarlijk kan zijn voor paarden.
3.4.7. Voorts staat als onbestreden vast dat er goede redenen waren om de werkzaamheden in elk geval in belangrijke mate de nachtelijke uren uit te voeren, te weten:
in de nacht is er over het algemeen minder wind, waardoor het te spuiten middel minder verwaait;
in de nacht is er minder verkeer dat door uitvoering van de werkzaamheden wordt gehinderd;
in een relatief korte periode van enkele weken moet een groot aantal bomen worden bespoten.
3.4.8. Verder staat als onvoldoende betwist vast dat de werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups al vele jaren lang telkens in de maand mei werden uitgevoerd. Het enkele feit dat [adres] daarbij in het jaar 2021 niet aan bod is gekomen, laat onverlet dat [appellanten] er in 2022 rekening mee hadden moeten houden dat die werkzaamheden in mei 2022 weer zouden plaatsvinden en dat daarbij [adres] wel weer aan de beurt zou kunnen komen. De gemeente mocht er ook vanuit gaan dat [appellanten] , als paardenhouders en als bewoners van het buitengebied, zich daarvan bewust waren.
3.4.9. In dit geval heeft de gemeente bovendien op twee momenten een aankondiging gedaan: in januari 2022 heeft de gemeente op haar website en in het gemeentelijke weekblad een publicatie geplaatst over de bestrijding van de eikenprocessierups in 2022, en op 3 mei 2022 heeft gemeente op haar website, op Facebook en in het gemeentelijke weekblad aangekondigd dat die maand de bestrijdingswerkzaamheden zouden gaan plaatsvinden, onder andere door het bespuiten van bomen, vooral ’s nachts en in het buitengebied. De gemeente mocht er naar het oordeel van het hof vanuit gaan dat bewoners van het buitengebied die hierbij belang hadden, van dit soort gemeentelijke publicaties kennis zouden nemen en daar voor zover nodig rekening mee zouden houden. Daaraan doet het enkele feit dat het gemeentelijke weekblad in delen van het buitengebied en in ieder geval bij [appellant sub 1] niet wordt bezorgd niet af. De gemeente heeft onweersproken aangegeven dat en hoe de bewoners van die delen van het buitengebied waar het weekblad niet wordt bezorgd, van mededelingen van de gemeente kennis konden nemen. Van [appellanten] had mogen worden verwacht dat zij, wetende dat bij hen het gemeentelijke weekblad niet wordt bezorgd, op andere wijze van gemeentelijke mededelingen kennis zouden nemen. Voor [appellanten] had de publicatie van 3 mei 2022 aanleiding kunnen zijn om hun – volgens hun eigen stellingen – schrikachtige zwangere merries ’s nachts bijvoorbeeld op stal of in een van de achterste weilanden te plaatsen. Zij hebben hun andere paarden wel op stal geplaatst, en niet duidelijk gemaakt waarom zij juist de merries [A] en [B] in het voorste weiland hebben laten staan, terwijl zij hadden moeten weten dat de werkzaamheden ter bestrijding van de eikenprocessierups in de maand mei zouden worden uitgevoerd. Als zij vooraf zeker hadden willen weten of in mei 2022 ook de eikenbomen aan [adres] weer behandeld zouden worden, hadden zij daar informatie over kunnen inwinnen bij de gemeente.
3.4.10. Naar het oordeel van het hof hebben de gemeente en Bomenbank voorts voldoende onderbouwd dat het vooraf per brief meer concreet infomeren van omwonenden over de exacte datum en het tijdstip van bespuiting niet goed mogelijk is omdat een precieze planning van de uitvoering van de werkzaamheden niet vooraf gemaakt kan worden. Of de bespuiting effectief kan plaatsvinden is immers onder meer afhankelijk van de weersomstandigheden: bij harde wind of bij regen is het niet mogelijk om het gewenste effect te bereiken. De gemeente mocht naar het oordeel van het hof aannemen dat de hiervoor in rov. 3.4.9 genoemde publicaties voldoende waren om de bewoners van het buitengebied te attenderen op het feit dat de werkzaamheden weer zouden plaatsvinden, en dat bewoners die dat wenselijk vonden, hun dieren in de betreffende periode op enige afstand van de eikenbomen zouden plaatsen.
3.4.11. Bij de vraag of schrikreacties van paarden met ernstige gevolgen voor die paarden voor de gemeente en Bomenbank te voorzien waren, acht het hof verder de volgende omstandigheden van belang.
Het perceel van [appellanten] ligt ongeveer halverwege [adres] . Voor zover de twee merries in het voorste weiland (of in een van de andere weilanden van [appellanten] ) aanwezig waren, hebben zij de tractor die de bestrijdingswerkzaamheden uitvoerde, dus geruime tijd tevoren kunnen zien en horen aankomen. Vast staat dat de tractor de werkzaamheden uitvoert met een nevelspuit met luchtondersteuning, waarbij de boomkroon met lampen wordt verlicht. De machine rijdt langzaam door de straat, waarbij de blower aan blijft staan en de spuitnevel wordt toegevoegd als de machine bij de te bespuiten boomkronen is. Het is dus niet zo dat de paarden, voor zover zij in het weiland aanwezig waren, plotskaps werden geconfronteerd met licht of lawaai. Het lawaai en licht hebben zich, naarmate de tractor dichter bij het perceel van [appellanten] kwam, geleidelijk opgebouwd.
[appellanten] hebben geen grief gericht tegen de vaststelling door de rechtbank in rov. 5.17 dat het voorste weiland, waarin volgens hen de merries stonden, minstens 50 meter diep is. De merries hadden zich dus, ook als zij in het voorste weiland stonden, op enige afstand van de groenstrook met eikenbomen kunnen terugtrekken. Het hof acht om deze reden overigens ook aannemelijk dat de feitelijke uitvoerder van de werkzaamheden de merries niet in de buurt van de groenstrook heeft kunnen zien en ook niet elders op het perceel omdat het buiten het door de tractor verlichte gebied donker was.
Bomenbank mocht ervan uitgaan dat paarden die doorgaans in weilanden langs wegen in het buitengebied staan, gewend zullen zijn aan de geluiden van motorvoertuigen en landbouwwerktuigen, zeker nu de percelen van [appellanten] grensden aan andere agrarische percelen.
[appellanten] hebben niet gemotiveerd betwist dat de bespuitingswerkzaamheden al vele jaren op deze wijze worden uitgevoerd, niet alleen in de gemeente [C] , maar door Bomenbank ook elders in Nederland, en dat zich daarbij niet eerder een voorval zoals dit heeft voorgedaan.
3.4.12. Het hof concludeert om bovenstaande redenen dat de gemeente mocht volstaan met de hiervoor in rov. 3.1.2 onder d en e genoemde publicaties van januari 2022 en 3 mei 2022 ter aankondiging van de uitvoering van de werkzaamheden. Een meer specifieke aankondiging van de exacte datum en tijd van de uitvoering van de werkzaamheden aan [adres] was voor de gemeente bezwaarlijk en niet goed mogelijk, terwijl de gemeente voorts mocht aannemen dat de aankondiging van 3 mei 2022 voldoende zou zijn, mede gelet op het feit dat elk jaar in de maand mei bespuitingswerkzaamheden plaatsvonden ter bestrijding van de eikenprocessierups. De gemeente hoefde voorts niet te voorzien dat eigenaren van paarden juist in deze periode schrikachtige zwangere merries zouden plaatsen in een weiland direct grenzend aan een groenstrook met eikenbomen, terwijl daarvoor goede alternatieven aanwezig waren (plaatsing op stal of in een van de achterste weilanden van [appellanten] ). Voorts hoefde de gemeente geen rekening te houden met de mogelijkheid dat een paard als gevolg van een door de werkzaamheden veroorzaakte schrikreactie zodanig in paniek zou raken dat het door een afrastering zou lopen, uitglijden en zou overlijden, aangezien de paarden in het buitengebied geacht kunnen worden bekend te zijn met geluid van landbouwvoertuigen, en incidenten zoals hier volgens [appellanten] aan de orde zich niet eerder hebben voorgedaan in de vele jaren dat de werkzaamheden op deze wijze worden uitgevoerd.
3.4.13. Om bovenstaande redenen concludeert het hof dat niet is komen vast te staan dat de gemeente of Bomenbank onrechtmatig jegens [appellanten] hebben gehandeld. Het hof volgt [appellanten] voorts niet in hun stelling dat ten deze toepassing moet worden gegeven aan de zogenoemde omkeringsregel. Als van een onrechtmatige daad geen sprake is, komt de omkeringsregel niet aan de orde. Voor toepassing van de omkeringsregel is bovendien volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vereist dat een gedraging heeft plaatsgevonden die in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, rov. 3.3). In dit geval is er geen sprake van dat de gemeente of Bomenbank hebben gehandeld in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.
3.4.14. [appellanten] hebben aan het slot van de memorie van grieven in algemene bewoordingen bewijs van hun stellingen aangeboden. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat op grond van de in deze zaak onbetwist vaststaande feiten moet worden geconcludeerd dat onrechtmatig handelen van de gemeente of Bomenbank niet is komen vast te staan.
3.4.15. Het voorgaande brengt mee dat de grieven van [appellanten] geen doel treffen.
Conclusie en afwikkeling
3.5.1. Omdat de grieven van [appellanten] geen doel treffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen.
3.5.2. Dit brengt mee dat de vordering van [appellanten] tot veroordeling van de gemeente en Bomenbank tot terugbetaling van de proceskosten van het geding bij de rechtbank moet worden afgewezen.
3.5.3. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente en aan de zijde van Bomenbank. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). Het hof zal [appellanten] daarom hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.
3.5.4. Het hof zal die kosten aan de zijde van de gemeente vaststellen op:
Griffierechten € 2.175,--
Salaris advocaat € 1.571,-- (1 punt x tarief III)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
+
Totaal € 3.924,--
3.5.5. Het hof zal de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Bomenbank vaststellen op:
Griffierechten € 2.175,--
Salaris advocaat € 1.571,-- (1 punt x tarief III)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
+
Totaal € 3.924,--
3.5.6. Bomenbank heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over de nakosten. Het hof zal die vordering toewijzen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
3.5.7. Het hof zal de proceskostenveroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
3.5.8. Het bovenstaande leidt tot de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/385217 / HA ZA 22-475 tussen partijen gewezen vonnis van 31 januari 2024;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente ten bedrage van € 3.924,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna in opdracht van de gemeente wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Bomenbank ten bedrage van € 3.924,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna in opdracht van Bomenbank wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten aan de zijde van Bomenbank als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart de bovenstaande proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.
griffier rolraadsheer