Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2740

2025-10-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.337.240_01 en 200.337.376_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-07
Publicatiedatum
2025-10-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.337.240_01 en 200.337.376_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk. Verwijderen van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte. Waterschade door regenval. Wanprestatie / onrechtmatige daad (onder)aannemer. Schadebegroting ex aequo et bono. Hoofdzaak en vrijwaring.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.633 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht



arrest van 7 oktober 2025




in de zaak met zaaknummer 200.337.240/01 (de hoofdzaak) van





[xx] Sloopwerken B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [xx] ,
advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,



tegen





1 [persoon A] , wonende te [woonplaats] ,

2. [persoon B] , handelende onder de naam [yy] Autoschadeherstelbedrijf, wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk (ook) te noemen: [geïntimeerden] , en afzonderlijk [persoon A] en [persoon B] ,
advocaat: mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg,



en in de zaak met zaaknummer 200.337.376/01 (de vrijwaringszaak) van




Clean Service Hapert B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: CSH,
advocaat: mr. T. Segers te ’s-Hertogenbosch,



tegen





[xx] Sloopwerken B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [xx] ,
advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 januari 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummers C/02/390495 / HA ZA 21-584 (de hoofdzaak) en C/02/399845 / HA ZA 22-371 (de vrijwaringszaak) gewezen vonnis van 12 juli 2023.






5Het verdere verloop van de procedure


5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenarrest in beide zaken van 7 januari 2025;


de bij H16 formulier van 10 september 2025 door [geïntimeerden] ingediende akte met productie 7;


de mondelinge behandeling van 23 september 2025 waarbij de zaken gezamenlijk zijn behandeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsmede [persoon C] (online) en de echtgenote van [persoon A] , mevrouw [persoon D] (hierna: [persoon D] ), vragen van het hof beantwoord. Als tolk voor [persoon B] heeft [persoon F] (tolkennummer: 29104) gefungeerd. Voorts hebben de advocaten van [xx] en [geïntimeerden] spreekaantekeningen overgelegd.


Arrest is bepaald op heden.



5.2.
Het hof doet uitspraak op de stukken van de eerste aanleg, de in het tussenarrest vermelde stukken en de hierboven vermelde stukken. Daarbij merkt het hof op dat in het tussenarrest per abuis niet in het hoger beroep van de hoofdzaak de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] , met producties 2 tot en met 6, is vermeld. Dat is hiermee gecorrigeerd. In het roljournaal is opgenomen dat de aktes van partijen die zijn ingediend voor de rol van 12 november 2024 zijn geweigerd. Die aktes behoren dus niet tot het procesdossier. Dit geldt dus ook voor de gefourneerde akte van 12 november 2024 van [geïntimeerden] met productie 7.





6De verdere beoordeling



Feiten





in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak




6.1.
In rov. 3.1 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank feiten vastgesteld. Het hof zal deze feiten hierna weergegeven als rov. 6.1.1 tot en met 6.1.8. Grief 1 van [xx] is onder meer gericht tegen de tweede zin van rov. 6.1.5. Het hof zal dit feit preciseren mede op basis van de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verkregen inlichtingen (zie ook hierna rov. 6.8 tot en met 6.10). Met inachtneming van die precisering kan van de door de rechtbank vastgestelde feiten worden uitgegaan. Grief 1 van [xx] voor zover die is gericht tegen de feitenvaststelling, leidt op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Dit hangt ook af van de beoordeling van de andere grieven van [xx] .


6.1.1.

[persoon A] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres] . Het betreft een woning, waarin [persoon A] woonachtig is, en een bedrijfsruimte, die [persoon A] verhuurt aan [persoon B] . [persoon B] exploiteert in de bedrijfsruimte een autoschadeherstelbedrijf.



6.1.2.

[persoon A] heeft aan [xx] opdracht gegeven tot het verwijderen van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte (400 m2 golfplaten).



6.1.3.

De aan de opdracht ten grondslag liggende offerte van 9 april 2019, die door [persoon A] is geaccepteerd, luidt – voor zover van belang – als volgt:

“De uit te voeren werkzaamheden zijn
exclusief
:


* Afkoppelen NUTS


* Beschermende voorzieningen aanbrengen


De bovengenoemde werkzaamheden kunnen wij voor u uitvoeren voor een bedrag van


€ 5.600,- excl. B.T.W.


NB Bij het verwijderen van golfplaten c.q. andere vormen van dak- of wandbedekking gaan wij ervan uit dat de gebruik(st)er(s) c.q. bewo(o)n(st)er(s) van het pand zelf zorg drag(a)g(t)en voor het afzeilen van het dak of de wand. Wij kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade ten gevolge van het niet afzeilen van de ontstane openingen (water en/of stormschade) en schade die door de aard van de werkzaamheden niet is te voorkomen.


De te saneren onderliggende ruimtes dienen leeg en veegschoon te worden aangeleverd.


Uitgangspunt is dat er onder de golfplaten geen plafonds, spinnenwebben, isolatie aanwezig is en spuitschoon (ook gordingen). Dit i.v.m. de vrijgave, indien wel dan wordt de isolatie tegen meerprijs verwijderd, (…)”.





6.1.4.

[persoon A] heeft de vennootschap [--] Bouw vof (hierna: [--] ) opdracht gegeven om de bedrijfsruimte te voorzien van een nieuw dak, nadat het asbesthoudend dak is verwijderd.



6.1.5.
Op 11 juni 2019 heeft CSH, die door [xx] als onderaannemer was ingeschakeld, een deel van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte verwijderd. Daar waar de saneringswerkzaamheden waren uitgevoerd, heeft [--] diezelfde avond de bedrijfsruimte van een nieuw dak voorzien, met dien verstande dat het hof vaststelt als door [geïntimeerden] gesteld en door [xx] en CSH niet (langer) voldoende betwist dat de saneringswerkzaamheden in feite twee daken betroffen, hierna te noemen: dak 1 en dak 2. Het deel van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte dat CSH op 11 juni 2019 heeft verwijderd, betrof dak 1. Dat deel van de bedrijfsruimte heeft CSH diezelfde avond voorzien van een nieuw dak.



6.1.6.
Op 12 juni 2019, rond 08.00 uur, heeft CSH de saneringswerkzaamheden voortgezet (dus aan dak 2; toevoeging hof). CSH heeft haar werkzaamheden rond 13.00 uur afgerond. Door regenval tijdens die werkzaamheden, met een neerslagpiek rond 09.00 uur, is regenwater door het openliggende dak de bedrijfsruimte ingestroomd.



6.1.7.

[persoon A] heeft [xx] aansprakelijk gesteld voor (water)schade die op 12 juni 2019 tijdens de uitvoering van de opgedragen saneringswerkzaamheden is ontstaan aan de bedrijfsruimte en de daarin aanwezige inventaris en voorraad van [persoon B] . [xx] heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.



6.1.8.
Bij factuur van 14 juni 2019 heeft [xx] bij [persoon A] een bedrag van € 5.950,= ex BTW in rekening gebracht voor het saneren van 400 m2 asbest golfplaten en meerwerk (verwijderen 70 m2 glaswol). [persoon A] heeft de factuur onbetaald gelaten met een beroep op opschorting en verrekening.



Geschil in eerste aanleg





in de hoofdzaak





6.2.1.

In eerste aanleg vorderden [geïntimeerden] in conventie, na vermeerdering van eis, samengevat:
I. dat de rechtbank vaststelt dat [xx] jegens [persoon A] en [persoon B] schadeplichtig is op grond van toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatige daad,
II. veroordeling van [xx] tot betaling van € 19.846,17 aan [persoon A] en € 61.607,21 aan [persoon B] , vermeerderd met wettelijke rente en kosten.




6.2.2.

[geïntimeerden] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [xx] althans de door haar ingeschakelde onderaannemer bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden op 12 juni 2019 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden en dat [xx] voor vergoeding van die schade aansprakelijk is.



6.2.3.

[xx] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.



6.2.4.
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat [xx] jegens [persoon A] en [persoon B] schadeplichtig is op grond van toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatige daad. Tevens heeft de rechtbank [xx] veroordeeld aan [persoon A] te betalen als voorschot op de nog vast te stellen schadevergoeding een bedrag van € 5.789,50 ex BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en heeft de rechtbank [xx] veroordeeld tot vergoeding van schade die [persoon A] en [persoon B] hebben geleden door het toerekenbaar tekortschietend respectievelijk onrechtmatig handelen van [xx] , welke schadevergoeding is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, waarvoor de rechtbank de zaak heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast heeft de rechtbank [xx] veroordeeld tot betaling aan [persoon A] en [persoon B] samen van een bedrag van € 1.080,= ex BTW met betrekking tot expertisekosten. Tot slot heeft de rechtbank [xx] veroordeeld in de proceskosten.



6.2.5.
In reconventie vorderde [xx] – samengevat – veroordeling van [persoon A] tot betaling van € 5.950,= ex BTW, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.



6.2.6.

[xx] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [persoon A] saneringswerkzaamheden en meerwerk heeft uitgevoerd, dat zij daarvoor een bedrag van € 5.600,= ex BTW respectievelijk € 350,= ex BTW met [persoon A] is overeengekomen, dat zij voor de uitgevoerde werkzaamheden de factuur van 14 juni 2019 aan [persoon A] heeft toegezonden en dat [persoon A] die factuur ten onrechte onbetaald heeft gelaten. [xx] stelt dat [persoon A] vanaf 13 juli 2019 met betaling in verzuim verkeert en dat zij daarom vanaf die datum aanspraak kan maken op wettelijke handelsrente over het gevorderde.



6.2.7.

[persoon A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.



6.2.8.
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [xx] in de proceskosten.



in de vrijwaringszaak





6.2.9.
In de vrijwaringszaak vorderde [xx] – samengevat – dat CSH wordt veroordeeld om aan haar te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van CSH in de kosten.



6.2.10.

[xx] stelde dat zij als hoofdaannemer de aannemingsovereenkomst met [persoon A] heeft gesloten. De feitelijke uitvoering van de opgedragen saneringswerkzaamheden heeft zij uitbesteed aan CSH als onderaannemer. Mocht in de hoofdzaak worden geoordeeld dat zij aansprakelijk is voor vergoeding van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschietend en/of onrechtmatig handelen bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, dan is CSH jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van onder aanneming en op grond daarvan jegens haar schadeplichtig.



6.2.11.
CSH heeft gemotiveerd verweer gevoerd.



6.2.12.
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank CSH veroordeeld om aan [xx] te betalen al hetgeen waartoe [xx] als gedaagde in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan eisers in de hoofdzaak (met zaaknummer / rolnummer C/02/390495 / HA ZA 21-584) te betalen, met veroordeling van CSH in de proceskosten.



Geschil in hoger beroep





in de hoofdzaak





6.3.1.

[xx] heeft zes grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Primair verzoekt [xx] [persoon A] en [persoon B] in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hen als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen. Subsidiair is haar verzoek om, indien de vorderingen van [persoon A] (en, naar het hof begrijpt, [persoon B] ) strekkende tot schadevergoeding worden toegewezen, die schadevergoeding te matigen naar een in goede justitie te bepalen bedrag, wegens een schending van de plicht tot schadebeperkend handelen door [persoon A] en [persoon B] . Primair en subsidiair vordert [xx] [persoon A] te veroordelen om het bedrag ad € 5.950,00 excl. BTW aan [xx] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover, vanaf de datum van het verzuim, zijnde 13 juli 2019. Tot slot vordert [xx] dat [persoon A] en [persoon B] in de proceskosten worden veroordeeld in kosten van beide instanties.



6.3.2.

[geïntimeerden] hebben de grieven bestreden. Zij hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [xx] in de proceskosten.



6.3.3.
Over de omvang van het hoger beroep stelt het hof het volgende vast. De rechtbank heeft de door [geïntimeerden] gevorderde wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incasssokosten en kosten van juridische bijstand afgewezen. [geïntimeerden] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor zover afgewezen, zijn de vorderingen van [geïntimeerden] in hoger beroep dus niet aan de orde.



in de vrijwaringszaak





6.3.4.
CSH heeft twee grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zij heeft primair verzocht om I. zaak C/02/399845 (de vrijwaringszaak) aan te houden tot de rechtbank einduitspraak heeft gewezen over de omvang van de schadevergoeding in zaak C/02/390495 (de hoofdzaak) en II. [xx] te veroordelen in de kosten van deze procedure. Subsidiair is haar verzoek I. te verklaren voor recht dat hetgeen waartoe CSH in het vrijwaringsvonnis is veroordeeld, wordt verminderd in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, waarbij [xx] voor 50% dan wel een door het hof te bepalen percentage heeft bijgedragen en II. [xx] te veroordelen in de kosten van deze procedure.



6.3.5.

[xx] heeft de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van CSH in de proceskosten.



Beoordeling





in de hoofdzaak





Aansprakelijkheid






6.4.
De grieven 2 en 3 lenen zich, in verbinding met grief 1, voor gezamenlijke bespreking. Deze grieven strekken er, naar de kern genomen, toe te betogen dat [xx] in deze niet aansprakelijk is. Deze grieven falen. Daarvoor is het volgende redengevend.



6.5.
Op grond van de gedingstukken en de tijdens de mondelinge behandeling verkregen inlichtingen stelt het hof vast dat CSH op 12 juni 2019 dak 2 heeft verwijderd in de regen (zie ook hiervoor rov. 6.1.6). Uit de overgelegde video-opnamen blijkt dat het heel hard regende. In dit geval was het evident dat het verwijderen van het dak in de regen tot waterschade zou leiden. Daarbij is van belang dat CSH rond 08.00 uur is begonnen het dak te verwijderen en dat er rond 09.00 uur een neerslagpiek was, terwijl de werkzaamheden enkele uren in beslag zouden nemen. Dat er sprake zou zijn van regenval in de ochtend van 12 juni 2019 wist CSH, of had zij in elk geval redelijkerwijze kunnen en moeten weten (via een app als ‘buienradar’). Het hof verwijst ook naar de door [geïntimeerden] overgelegde producties 7 en 29 over het weer en de weersverwachting op 12 juni 2019. Hier komt bij dat [persoon B] en [persoon D] , die ter plaatse waren, (de medewerkers van) CSH hebben gewaarschuwd voor de regen. Ook [persoon C] voornoemd, destijds van [--] , heeft dit blijkens zijn verklaring (productie 6 van [geïntimeerden] ) gedaan.



6.6.
Door dak 2 niettemin te verwijderen, heeft CSH niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Niet ter discussie staat dat [xx] de saneringswerkzaamheden in onder aanneming heeft uitbesteed aan CSH. Op grond van artikel 6:76 BW en artikel 7:751 BW is [xx] op gelijke wijze aansprakelijk voor gedragingen van CSH als zij voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is. [xx] is dan ook aansprakelijk voor de waterschade, op grond van wanprestatie (tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk) jegens [persoon A] en op grond van onrechtmatige daad jegens [persoon B] .



6.7.
Alle verweren die [xx] naar voren heeft gebracht, stuiten af op hetgeen hiervoor in rov. 6.5 en 6.6 is overwogen. Het hof zal die verweren hierna behandelen.



6.8.

[xx] betwist dat [--] het gesaneerde gedeelte van het dak volledig en naar behoren heeft vervangen. Zij betwist ook dat het dak in de ochtend van 12 juni 2019 volledig waterdicht was. Aan deze betwistingen gaat het hof voorbij. Het hof acht aannemelijk, mede op grond van de door [geïntimeerden] overgelegde productie 7 (CERTIFICAAT EINDCONTROLE NA ASBEST VERWIJDERING) en de verklaring van [persoon C] (productie 2 bij de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] , nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep), dat [--] het gesaneerde gedeelte van het dak – dat wil zeggen: dak 1 – op 11 juni 2019 heeft vervangen en dat dit waterdicht was. [geïntimeerden] hebben er bovendien terecht op gewezen dat deze betwistingen niet relevant zijn, omdat zij geen schade vorderen ten aanzien van dak 1.



6.9.

[xx] stelt ook dat [--] haar werkzaamheden in strijd met de geldende veiligheidsregels heeft verricht. Zij heeft dit echter niet concreet onderbouwd. Deze stelling vindt ook geen steun in voornoemd certificaat. Integendeel, daaruit blijkt dat op 11 juni 2019 inspectie van dak 1 heeft plaatsgevonden, dit is gecontroleerd en goed bevonden, en vervolgens is vrijgegeven door de omgevingsdienst Midden-West Brabant. Daarna heeft [--] haar werkzaamheden aan dak 1 verricht. Hier komt bij dat [geïntimeerden] er ook met betrekking tot deze stelling terecht op hebben gewezen dat die niet relevant is voor de beoordeling van de aansprakelijkheid [xx] voor de waterschade in verband met het verwijderen van dak 2. Overigens heeft [--] gezien het certificaat ook geen veiligheidsregels geschonden ten aanzien van dak 2.



6.10.
Voor zover [xx] stelt dat er lekkage is ontstaan door de werkzaamheden aan de daken door [--] , overweegt het hof dat daarvoor, mede gelet op het voorgaande, geen aanwijzingen zijn. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de waterschade is veroorzaakt doordat CSH op 12 juni 2019 dak 2 heeft verwijderd terwijl het regende, met name tijdens de neerslagpiek rond 9:00 uur.



6.11.
Als verweer heeft [xx] ook aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat [persoon A] zelf beschermende voorzieningen diende aan te brengen (zie de tekst van de offerte zoals hiervoor weergegeven in rov. 6.1.3). De betekenis van een omstreden bepaling van een overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen.



6.12.
Voorafgaand aan de uitvoering van de saneringswerkzaamheden is contact geweest tussen [persoon A] en [persoon E] van [xx] over de beschermende voorzieningen. Het hof verwijst naar de als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegde e-mailcorrespondentie. Daarin vraagt [persoon A] : ‘Wat dient te worden beschermt en hoe?’. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [persoon E] tijdens het daarop volgende telefoongesprek heeft gezegd dat hij ( [persoon A] ) alles leeg zou moeten halen. [persoon A] heeft daarop gezegd dat dit niet kan omdat het te veel is. Voor zover [xx] meent dat [persoon A] ervoor diende te zorgen dat de bedrijfsruimte volledig leeg was, deelt het hof die mening niet. Dát zijn partijen immers niet overeengekomen. [persoon A] is daarmee in het telefoongesprek met [persoon E] niet akkoord gegaan. Partijen zijn, blijkens de geaccepteerde offerte, wel overeengekomen dat [persoon A] beschermende voorzieningen diende aan te brengen.



6.13.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] daadwerkelijk beschermingsmaatregelen hebben getroffen. Daaronder moet onder meer worden begrepen het afdekken van het ventilatiekanaal met dekzeil. Dat dit is gebeurd, vindt ook steun in de verklaring van [persoon C] die als productie 2 bij de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] is overgelegd, welke ook op dit punt door [persoon C] tijdens de mondelinge behandeling nader is toegelicht. Ook moet daaronder worden begrepen het na de saneringswerkzaamheden op 11 juni 2019 diezelfde avond plaatsen van een nieuw dak (dus: dak 1). Verder hebben [persoon A] en [persoon B] op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geantwoord dat de meterkast en de elektra zijn afgedekt. Bovendien hebben zij naar voren gebracht dat er al bescherming tegen regen aanwezig was in de bedrijfsruimte. Dit zijn de platen onder het dak die zichtbaar zijn op de eerste foto van productie 28 bij de inleidende dagvaarding. Op deze platen lag isolatiemateriaal.



6.14.
Met inachtneming van de Haviltex-maatstaf overweegt het hof dat [persoon A] er redelijkerwijs geen rekening mee hoefde te houden dat [xx] , althans haar onderaannemer CSH, de saneringswerkzaamheden in de regen zou uitvoeren, althans niet tijdens regen met een duur en intensiteit als op de ochtend van 12 juni 2019. Naar het oordeel van het hof hadden de in rov. 6.13 beschreven voorzieningen toereikend moeten zijn. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [persoon C] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat de aanwezige platen in normale omstandigheden voldoende beschermen. Dit strookt ook met het beeld, onder meer op de overgelegde video-opnamen, dat de regen langs de muren naar beneden stroomde.



6.15.

[persoon C] tijdens de mondelinge behandeling gehoord hebbende, acht het hof zijn verklaringen voldoende geloofwaardig om daarvan uit te gaan. Hij was ter plaatse aanwezig en heeft de situatie kunnen waarnemen. Zijn verklaringen vinden ook steeds steun in de processtukken. Voor wat betreft zijn verklaring over de platen, is dat de eerste foto van productie 28 bij de inleidende dagvaarding, waarop die platen dus te zien zijn.



6.16.
Het onderhavige verweer van [xx] kan daarom niet slagen. Voor zover [xx] in dit verband een beroep doet op eigen schuld van [persoon A] en [persoon B] , verwerpt het hof dit beroep als onvoldoende concreet onderbouwd. CSH mocht niet verwachten dat [persoon A] en [persoon B] zodanige beschermende maatregelen zouden hebben genomen dat in het geheel geen waterschade zou ontstaan als het dak zou worden verwijderd bij (hevige) regenval, voor zover dit al mogelijk is.



6.17.
Daaraan voegt het hof toe dat [xx] ook haar stelling dat [persoon B] in de ochtend van 12 juni 2019 heeft aangedrongen op het zo spoedig mogelijk verrichten van de werkzaamheden, niet heeft onderbouwd. [persoon B] heeft dit ook nadrukkelijk betwist tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep (‘absoluut niet’). Ook die stelling van [xx] wordt daarom gepasseerd.



6.18.

[xx] heeft ook nog betwist dat zij, na ontdekking van de regendoorslag, in redelijkheid de mogelijkheid had om op dat moment het werk te staken en afdoende beschermende maatregelen te nemen. Dat was vanwege het gezondheidsrisico en vanuit praktische overwegingen namelijk niet verwantwoord, aldus [xx] . Deze betwisting acht het hof niet steekhoudend. CSH had überhaupt niet met de werkzaamheden mogen aanvangen op de ochtend van 12 juni 2019, gelet op het weer en de weersverwachting (zie daarover rov. 6.5). Daarnaast heeft [xx] de onderhavige betwisting niet onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenrapport. Als het inderdaad niet mogelijk was om te stoppen met saneren nadat eenmaal daarmee begonnen was, komt dat in de gegeven omstandigheden bovendien voor rekening en risico van CSH en daarmee van [xx] .



6.19.
Tot slot: [xx] heeft een beroep gedaan op de exoneratieclausule als opgenomen in de offerte van 9 april 2019. Deze clausule luidt: ‘Wij kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade ten gevolge van het niet afzeilen van de ontstane openingen (water en/of stormschade) en schade die door de aard van de werkzaamheden niet is te voorkomen.’.



6.20.
Het beroep op de exoneratieclausule faalt. De handelwijze van CSH op de ochtend van 12 juni 2019 was op zijn minst bewust roekeloos. Het hof wijst opnieuw op het weer en de weersverwachting. Ook memoreert het hof dat (de medewerkers) van CSH gewaarschuwd waren. Zowel [persoon B] als [persoon D] hebben de medewerkers van CSH op de ochtend van 12 juni 2019 ook verzocht om niet te beginnen met de werkzaamheden. Blijkens zijn verklaring (productie 6 bij de inleidende dagvaarding) heeft [persoon C] zelfs op 11 juni 2019 al gewaarschuwd voor regen op 12 juni 2019. Hij schrijft daarin: ‘Ik wijs hun op de voorspelde regen die dag (hof: 12 juni 2019). Ik krijg als antwoord dat zij daar niet verantwoordelijk zijn. En dat dat niet hun probleem is. Ik sta versteld van een dergelijk antwoord.’.



6.21.
Door dak 2 niettemin te verwijderen, heeft CSH de gerechtvaardigde belangen van [persoon A] en [persoon B] veronachtzaamd, en wel op dusdanige wijze dat het beroep van [xx] op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [xx] heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot een andere afweging leiden.



6.22.
De slotsom is dat [xx] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden schade. In het navolgende zal het hof ingaan op het onderwerp ‘schade’.



Schade





6.20.

[geïntimeerden] vorderden in eerste aanleg concrete schadebedragen. De rechtbank heeft bij wijze van voorschot een concreet schadebedrag toegewezen en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Verder heeft de rechtbank de gevorderde expertisekosten toegewezen. Ook heeft de rechtbank schadeposten afgewezen, welke in hoger beroep niet aan de orde zijn (zie hiervoor rov. 6.3.3).



6.21.
Grieven 4 tot en met 6, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, zijn gericht tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de door [geïntimeerden] geleden schade. Het hoger beroep van [xx] strekt er primair toe dat de vorderingen van [geïntimeerden] strekkende tot schadevergoeding alsnog geheel worden afgewezen, en subsidiair indien de vorderingen strekkende tot schadevergoeding worden toegewezen, dat die schadevergoeding wordt gematigd.



6.22.
Op grond van de wet (artikel 612 Rv) en vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter, als hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, te beoordelen of de schadeomvang direct in de uitspraak kan worden vastgelegd. Het hof acht zich gehouden dat in deze procedure ook te doen, met het oog op een rechtvaardige uitkomst en uit oogpunt van finale geschilbeslechting. Dat de rechtbank een verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft uitgesproken, maakt dit niet anders. Uit het subsidiaire standpunt van [xx] , leidt het hof af dat [xx] er rekening mee heeft gehouden dat het hof een concreet schadebedrag vaststelt in deze procedure. Ook [geïntimeerden] hadden er rekening mee moeten houden dat het hof een concreet schadebedrag zou vaststellen, mede in aanmerking genomen dat zij concrete schadebedragen hebben gevorderd. Het hof heeft het onderwerp ‘schade’ tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep expliciet aan de orde gesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad zich (nader) uit te laten over de omvang van de schade die [geïntimeerden] hebben geleden. Het beginsel van hoor en wederhoor is dus ook in acht genomen. Het staat het hof dan ook vrij om in dit arrest een concreet schadebedrag toe te wijzen. Daardoor is verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer nodig. Ook een voorschot op de toe te wijzen schadevergoeding is niet meer aan de orde.



6.23.
Bij zijn beslissing om de schadeomvang direct vast te leggen in dit arrest, heeft het hof ook het volgende betrokken. [xx] heeft zich op het standpunt gesteld dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure een verwijzing naar ‘een feitelijk onwerkbare route’ is. Het hof volgt [xx] in dit standpunt, in die zin dat mede door het tijdsverloop sinds 12 juni 2019 de schade van [geïntimeerden] thans niet nauwkeurig meer kan worden vastgesteld, laat staan in een nog te entameren schadestaatprocedure.



6.24.
Daarbij is het volgende van belang. Evenals de rechtbank (vonnis waarvan beroep, rov. 5.14), is het hof van oordeel dat de omvang van de schade niet uit het rapport van Résoudre (productie 15 bij de inleidende dagvaarding) kan worden afgeleid. Inderdaad is de schadebegroting in dit rapport onvoldoende onderbouwd. Ook heeft Résoudre pas op 21 november 2019 een inspectie van de schade gedaan, terwijl de schade op 12 juni 2019 is veroorzaakt. Voorts is [xx] niet bij de inspectie aanwezig geweest en is zij ook verder niet bij de totstandkoming van het rapport betrokken geweest. Bij deze stand van zaken kan de schadebegroting in het rapport van Résoudre niet ten grondslag gelegd worden aan de beslissing over de schadeomvang. De door [geïntimeerden] gemaakte kosten voor het rapport zijn dus ook geen redelijke kosten die voor vergoeding als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW door [xx] in aanmerking komen. Daarom grieft [xx] terecht dat zij veroordeeld is tot vergoeding van deze expertisekosten (rov. 6.4 van het vonnis waarvan beroep). Het hof zal de desbetreffende vordering van [geïntimeerden] in hoger beroep dan ook alsnog afwijzen.



6.25.
Ook speelt mee dat het hof uit de uitlatingen zijdens [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep opmaakt dat zij er nog weinig fiducie in hebben dat zij tot een nauwkeurige schadeopstelling kunnen komen. Zij hebben er in de memorie van antwoord (randnummer 60), die dateert van 6 augustus 2024, melding van gemaakt dat zij, in het bijzonder [persoon B] , bezig zijn de door hen geleden schade nog beter inzichtelijk te maken. Inmiddels is weer een jaar verstreken zonder dat dit tot resultaat heeft geleid. Op de vraag van het hof hoe de schade kan worden vastgesteld, heeft de advocaat van [geïntimeerden] slechts geantwoord: ‘Dat is een vraag die ons ook bezig houdt. Ik denk op basis van de facturen. En ik hoopte dat de tweede expert op basis van de opmerkingen van rechtbank met een beter rapport zou komen.’.



6.26.
Gelet op al het voorgaande ziet het hof aanleiding de schade ex aequo et bono te begroten. Daarbij is voldoende aannemelijk dat [persoon A] kosten heeft moeten maken voor het drogen van de bedrijfsruimte en voor het herstel van het stucwerk en het sauswerk. [persoon B] zal ook kosten hebben moeten maken om op te ruimen en te drogen. Verder zal hij waterschade aan zijn gereedschappen en de andere in de bedrijfsruimte aanwezige zaken hebben gehad. Aangenomen kan worden dat een gevolg is geweest dat het autoschadeherstelbedrijf van [persoon B] stil heeft gestaan. Dit zo zijnde, begroot het hof de schade ex aequo et bono op in totaal € 20.000,00, waarbij € 7.500,00 toekomt aan [persoon A] en € 12.500,00 aan [persoon B] . Het hof realiseert zich dat met name [persoon B] niet al de schade die hij in zijn ogen heeft geleden vergoed krijgt, maar de omstandigheid dat die schade niet meer goed is vast te stellen heeft een drukkend effect. Dat die schade niet meer goed is vast te stellen, komt in het bijzonder door het tijdsverloop voor zijn rekening en risico. In het licht hiervan, ziet het hof geen aanleiding om het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding te matigen, zoals door [xx] (subsidiair) is verzocht.



6.27.
Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank terecht de vordering in reconventie heeft afgewezen, omdat het beroep van [persoon A] op opschorting en verrekening slaagt.



6.28.
Het hof heeft onder ogen gezien of het toewijzen van dit schadebedrag – € 20.000,00 – meebrengt dat [xx] slechter wordt van haar hoger beroep. Van schending van het verbod van reformatio in peius is, alles overwegende, echter geen sprake. Per saldo is de uitkomst van dit hoger beroep namelijk niet ongunstiger voor [xx] . Ook voor haar komt er immers definitief een einde aan het geschil. Zij kan door [geïntimeerden] niet meer worden betrokken in een schadestaatprocedure, met alle gevolgen – waaronder kosten – van dien (waaronder ook de kosten om CSH daarin te betrekken). Voorts weegt mee dat [xx] niet langer het door de rechtbank toegewezen voorschot op de schadevergoeding verschuldigd is en dat de vordering met betrekking tot de expertisekosten door het hof alsnog wordt afgewezen. Hieruit volgt dat de grieven 4 tot en met 6 gedeeltelijk slagen.



in de vrijwaringszaak





6.29.
Grief 1 is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank in de vrijwaringszaak zoals hiervoor weergegeven in rov. 6.2.12. Volgens CSH mocht zij, nu in de hoofdzaak het schadevergoedingsdebat nog geheel open ligt, er blijkens rechtspraak op vertrouwen dat de vrijwaringszaak aangehouden zou worden tot de uitspraak in de schadestaat, waarna CSH indien nodig in de vrijwaringsprocedure nog schadevergoedingsrechtelijke verweren zou kunnen voeren.



6.30.
Deze grief faalt. Ten eerste berust deze grief op een verkeerde uitleg van het vonnis in de vrijwaringzaak. De rechtbank heeft CSH veroordeeld om aan [xx] te betalen waartoe [xx] in de hoofdzaak is veroordeeld, niet waartoe [xx] zal worden veroordeeld in de schadestaatprocedure. Dit is ook in overeenstemming met hetgeen CSH heeft gevorderd. Gelet daarop hoefde de rechtbank de beslissing in de vrijwaringszaak niet aan te houden. Ten tweede heeft het hof in het onderhavige arrest een concreet schadebedrag vastgesteld. Daarmee is verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer aan de orde. Om beide redenen is er ook in hoger beroep geen aanleiding is om de beslissing in de vrijwaringzaak aan te houden.



6.31.
Nu [geïntimeerden] schadevergoeding hebben gevorderd in de hoofdzaak, had CSH er rekening mee moeten houden dat de rechtbank dan wel het hof in de hoofdzaak schadevergoeding zou vaststellen (zoals zowel de rechtbank als het hof hebben gedaan). Voor zover zij in de vrijwaringzaak meer of andere verweren had willen voeren dan zij heeft gedaan, heeft zij daarvoor de gelegenheid gehad. Die gelegenheid was er in haar processtukken in eerste aanleg en in hoger beroep, maar ook nog tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, waar de vrijwaringszaak gezamenlijk met de hoofdzaak is behandeld en waar het hof het onderwerp ‘schade’ expliciet aan de orde heeft gesteld.



6.32.
Met grief 2 grieft CSH tegen de overweging van het vonnis in de vrijwaringszaak dat CSH jegens [xx] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onder aannemingsovereenkomst en daarom aansprakelijk is voor de schade die [xx] daardoor leidt. CSH stelt zich op het standpunt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [xx] , wat met zich meebrengt dat CSH niet aansprakelijk is voor alle schade die [xx] dient te vergoeden op grond van het vonnis in de hoofdzaak, maar slechts voor een beperkt deel van deze schade.



6.33.
Volgens CSH is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [xx] , omdat het overeengekomene op grond van de onder aannemingsovereenkomst minimaal is. Er zijn geen afspraken en/of inlichtingen verstrekt door [xx] , specifiek over het al dan niet doorwerken bij regenval. Als die wel waren verstrekt, dan had CSH zich hieraan gehouden en was er geen (water)schade ontstaan. Het ontstaan van (water)schade is hierom in overwegende mate het gevolg van het tekortschieten van [xx] , aldus CSH.



6.34.
Ook deze grief faalt. [xx] heeft hiertegen onder meer ingebracht dat het als algemeen bekend moet worden verondersteld dat het openbreken van een dak in de stromende regen getuigt van onverantwoordelijkheid. Volgens haar voert te ver dat zij had moeten waarschuwen voor dergelijke nalatigheid. Het hof deelt dit standpunt van [xx] , zoals ook blijkt uit de overwegingen over aansprakelijkheid in de hoofdzaak. Overigens heeft [persoon G] , bestuurder van CSH, ook te kennen gegeven tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat als de regen zo erg is, hij zich niet kan voorstellen dat er gesaneerd gaat worden. Niettemin hebben zijn medewerkers dat op de bewuste ochtend wel gedaan. Van eigen schuld van [xx] is dan ook geen sprake.



Slotsom en afwikkeling





in de hoofdzaak




6.35.1.
De slotsom in de hoofdzaak is dat de grieven van [xx] gedeeltelijk slagen. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep in de hoofdzaak, voor zover aan de orde in hoger beroep (zie rov. 6.3.3), zal worden vernietigd, en wel voor zover de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen, een voorschot op de schadevergoeding heeft toegekend en de vordering met betrekking tot de expertisekosten heeft toegewezen. De vordering van [persoon A] strekkende tot schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Daarvoor komt – zoals hiervoor is overwogen in rov. 6.26 – € 7.500,00 toe aan [persoon A] en € 12.500,00 aan [persoon B] . Over dit bedrag is [xx] wettelijke rente verschuldigd als hierna in het dictum bepaald. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.



6.35.2.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [xx] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep in de hoofdzaak. Daarbij merkt het hof op dat [xx] geheel in de kosten wordt veroordeeld, nu de – fel omstreden – aansprakelijkheidsvraag in het nadeel van [xx] wordt beslecht, ook al wordt slechts een gedeelte van de gevorderde schadevergoeding toegewezen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:



Griffierechten € 783,00


Salaris advocaat € 3.642,00 (3 punten x tarief II)


Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 4.603,00



in de vrijwaringszaak





6.35.3.

De beoordeling in de vrijwaringszaak leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep in de vrijwaringszaak dient te worden bekrachtigd. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Gelet daarop zal CSH als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld, zoals door [xx] (primair) is gevorderd.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [xx] zullen vastgesteld worden op:



Griffierechten € 2.135,00


Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten x tarief II)


Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 4.741,00


De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.








7De uitspraak


Het hof:




in de hoofdzaak




vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in hoger beroep aan de orde, doch uitsluitend voor zover de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen, een voorschot op de schadevergoeding heeft toegekend en de vordering met betrekking tot de expertisekosten heeft toegewezen;



in zoverre opnieuw recht doende:



veroordeelt [xx] tot betaling aan [geïntimeerden] van € 20.000,00, zoals hiervoor overwogen in rov. 6.35.1, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 12 juni 2019 tot de dag der volledige betaling;



verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;



veroordeelt [xx] in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.603,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [xx] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



wijst het meer of anders gevorderde af;




in de vrijwaringszaak




bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;



veroordeelt CSH in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.741,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als CSH niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt CSH in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M. van der Schoor en R.J. Voorink en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.




griffier rolraadsheer