Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2571

2025-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.346.099_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-09-23
Publicatiedatum
2025-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.346.099_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Is sprake van onrechtmatige onttrekkingen door dochter aan vermogen erflaatster? Verplichting tot rekening en verantwoording af te leggen aan erfgenaam?

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.911 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.346.099/01




arrest van 23 september 2025




in de zaak van





[persoon A] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon B],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als: de bewindvoerder,
advocaat: mr. A. Smeekes te Breda,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong te Tilburg.



op het bij exploot van dagvaarding van 12 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 september 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de bewindvoerder als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/419427 / HA ZA 24-101)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis.





2De kern van de zaak in hoger beroep


Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van [persoon C] (hierna te noemen: erflaatster). Zij was de moeder van [persoon B] en [geïntimeerde] . De goederen van [persoon B] zijn bij beschikking van 24 juli 2023 onder bewind gesteld van de bewindvoerder, die tevens de echtgenoot is van [persoon B] . De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] aanzienlijke bedragen aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken, die -zonder haar instemming- niet ten goede zijn gekomen aan erflaatster. In deze procedure vordert de bewindvoerder deze bedragen -die hij stelt op € 73.623,00- terug. Daarnaast vordert de bewindvoerder € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [geïntimeerde] is het hier niet mee eens. De rechtbank heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven en de vorderingen van de bewindvoerder afgewezen. De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld met als doel dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] vindt dat het oordeel van de rechtbank juist is.





3Het geding in hoger beroep


3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven;


de memorie van antwoord met een productie.


Verder hebben beide partijen nadere producties overgelegd, waarop het hof hierna zal ingaan.



Nadere producties [geïntimeerde]





3.2.
Mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong heeft namens [geïntimeerde] nadere producties overgelegd, te weten productie 2, die tijdig bij brief van 12 augustus 2025 is overgelegd en producties 3 tot en met 6, die zijn overgelegd bij akte van 29 augustus 2025 en daarmee niet tijdig zijn ingediend. Zij heeft verzocht deze producties tijdens de mondelinge behandeling in het geding te mogen brengen. Mr. Smeekes heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof beslist dat deze producties deel uitmaken van de processtukken, nu deze gelet op de aard en omvang kort en eenvoudig te doorgronden zijn, mr. Smeekes daartegen geen bezwaar heeft geuit en hij tijdens de mondelinge behandeling de gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren. Van strijd met de goede procesorde is daarom geen sprake.



Nadere producties bewindvoerder





3.3.
Mr. Smeekes heeft op zijn beurt op 18 augustus 2025 een ‘Akte overlegging producties’ van twee pagina’s overlegd, met daarbij de producties A, B en C en waarbij hij nogmaals een bewijsaanbod doet.


3.3.1.
De producties A, B en C beslaan in totaal 684 pagina’s.


Productie A is een door de bewindvoerder gemaakt overzicht van het gemiddelde uitgavenpatroon van erflaatster en is een pagina.


Productie B is een door de bewindvoerder opgestelde toelichting van een pagina inzake de medische nummering en aanduiding in het medische dossier en bevat tevens een internuitdraai van twee pagina’s met titel ‘ZZP indicaties uitgelegd:


9 zorgzwaartepakketten’.
Productie C is onderverdeeld in:

- een document genaamd ‘Hoofdrapport’ d.d. 15 augustus 2025. Dit is een 144 pagina’s tellend rapport opgesteld door de bewindvoerder zelf. Het bevat vele nieuwe feiten, stellingen, juridische grondslagen en een aanpassing van de vorderingen.
- Productie 01 tot en met 49 met bijlagen (veelal voorzien van een toelichting van de bewindvoerder), waaronder medische stukken over erflaatster, medische gegevens van [persoon B] , notariële stukken, bankafschriften, diverse zelf opgestelde overzichten gemaakt naar aanleiding van de bankafschriften, een weerlegging door de bewindvoerder van de door [geïntimeerde] overgelegde producties bij conclusie van antwoord en een door de bewindvoerder opgestelde ‘tegenanalyse’ van de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] in eerste aanleg.




3.3.2.
Op 21 augustus 2025 heeft mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong namens [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van deze producties.



3.3.3.
Het hof zal dit bezwaar grotendeels honoreren en beslissen dat de volgende stukken in het geding mogen worden gebracht: de akte, productie B met toelichting en Productie C, doch uitsluitend voor zover het betreft de subproducties 01, 02 en 03 en zonder de daarbij behorende toelichting. De overige stukken worden wegens strijd met de goede procesorde dan wel strijd met het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging en/of strijd met de twee-conclusie-regel buiten beschouwing gelaten.



3.3.4.

Het hof overweegt daartoe als volgt.
Volgens artikel 353 Rv geldt in hoger beroep verplichte procesvertegenwoordiging. Dat betekent dat partijen slechts bij advocaat kunnen procederen. In hoger beroep geldt bovendien een maximumomvang voor de indiening van processtukken, te weten maximaal 25 pagina’s voor de memorie van grieven en memorie van antwoord.




3.3.5.
Ten aanzien van productie A, het Hoofdrapport, en productie C, voor zover het betreft de door bewindvoerder zelf opgestelde analyses die deel uitmaken van de subproducties 01 tot en met 49 met bijlagen, alsmede de toelichtingen bij die producties, overweegt het hof als volgt. Het gaat hier om zelf opgestelde stukken die in feite vele nieuwe feiten en stellingen bevatten, alsmede een eiswijziging en daarmee naar het oordeel van hof een verkapte nieuwe memorie van grieven. Dit is in de eerste plaats in strijd met het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging. Alleen daarom kunnen deze documenten niet worden toegelaten. Verder overschrijden deze documenten vele malen de maximaal toegestane omvang van processtukken in hoger beroep.Tot slot geldt dat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel meebrengt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven worden aangevoerd. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959).



3.3.6.
Op deze ‘in-beginsel-strakke-regel’ kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Dit zal met name het geval zijn als de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken. Verder kan in het algemeen het aanvoeren van een grief na het nemen van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat -indien dan nog mogelijk- een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.



3.3.7.
Mr. Smeekes heeft namens de bewindvoerder gesteld dat hij nog net voor de zitting de beschikking heeft gekregen over het medisch dossier van erflaatster, maar hij heeft niet vermeld wanneer hij hierover de beschikking heeft gekregen. De zeer uitgebreide aan de hand daarvan opgestelde stukken doen op zijn minst vermoeden dat dit al eerder was dan vijftien dagen voor de zitting. Wat hier van zij, dit rechtvaardigt niet dat in dit stadium van de procedure allerlei nieuwe feiten en stellingen worden ingenomen die niets van doen hebben met de medische gegevens. Indien mr. Smeekes een uitzondering had gewild op de twee-conclusie regel had van hem verwacht kunnen worden dat hij als procesadvocaat een concrete grief zou richten en zou toelichten waarom in dit geval een uitzondering op de twee-conclusie-regel gerechtvaardigd was. Dat ontbreekt.



3.3.8.

Voor de overige -niet zelf opgestelde- documenten gevoegd bij Productie B en C met bijlagen overweegt het hof als volgt. Uit artikel 87 lid 6, dat op grond van artikel 353 Rv ook van toepassing is in hoger beroep volgt dat, onverminderd artikel 85 Rv, processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij memorie van grieven dan wel memorie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding moeten worden gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.
Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 87 Rv (zie Tweede kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35175, nr. 3, pagina 3) is het uitgangspunt van de wetgever dat alle stukken zo veel mogelijk bij de start van de procedure ingediend moeten worden of anders uiterlijk tot tien dagen voor de mondelinge behandeling. Stukken die in beginsel tijdig zijn overgelegd, kunnen volgens de wetgever toch vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35175, nr. 3, pagina's 26 en 72). De wetgever sluit hierbij aan bij de bestaande jurisprudentie, die handvatten biedt voor de invulling van de goede procesorde. Het hof verwijst in dit verband ook naar HR 3 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO0197).



3.3.1. (…)
Inachtneming van de in het procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken staat derhalve niet eraan in de weg dat toch op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval geoordeeld wordt dat de stukken niet voldoende tijdig zijn overgelegd. (…).3.3.2. Wel kan aan de in een procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken het uitgangspunt worden ontleend dat in het algemeen indiening van nadere stukken (ruimschoots) voor het in het procesreglement bedoelde tijdstip heeft te gelden als zodanig tijdig dat de wederpartij er voldoende van kennis zal kunnen nemen om er adequaat op te kunnen reageren, zo nodig met een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, dan wel om bij nadere akte op de ingediende stukken te mogen reageren. Dit brengt mee dat de rechter op binnen de geldende termijn overgelegde nadere stukken bij de beoordeling acht dient te slaan, tenzij de rechter – naar aanleiding van het door de wederpartij daartegen gemaakt bezwaar of ambtshalve – gemotiveerd anders beslist op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarvan uit de uitspraak of het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. Daarbij zal de rechter hebben te beoordelen of het gaat om stukken waarvan de aard en omvang een beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en, zo dat niet van de wederpartij kon worden gevergd, of aanleiding bestaat een maatregel te treffen teneinde een voldoende kennisneming en voorbereiding van een reactie alsnog mogelijk te maken. Hierbij kan van belang zijn of met het oog op het belang van de wederpartij verwacht had mogen worden dat de stukken bij een eerdere gelegenheid in de procedure werden overgelegd, en dat, zeker in de procedure in hoger beroep, de pleitzitting in het algemeen de laatste gelegenheid zal zijn tot nadere feitelijke onderbouwing van een vordering of verweer.



3.3.9.
Bij deze subproducties bij Productie C met bijlagen gaat het om zeer omvangrijke stukken met bijlagen, die niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Door deze -weliswaar binnen de tien-dagen termijn- maar kort (te weten 15 dagen) voor de mondelinge behandeling in het geding te brengen, wordt de wederpartij geschaad in het belang van een verdediging omdat deze onvoldoende gelegenheid heeft om zich hiertegen deugdelijk te verweren. De mondelinge behandeling, waar slechts beperkte spreektijd geldt, leent zich hiervoor niet. Daarbij komt dat bij deze producties, gelet op de aard en de datum daarvan, met uitzondering van de subproducties 01, 02 en 03, niet valt in te zien waarom deze niet eerder in het geding konden worden gebracht. Een verklaring daarvoor ontbreekt. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zal laten. Het hof zal verder nog een uitzondering maken voor productie B met toelichting. Deze hangt samen met de medische documenten en is ook overigens kort en eenvoudig te doorgronden, zodat [geïntimeerde] voldoende tijd heeft gehad zich voor te bereiden op een verweer daartegen en daar ook tijdens de mondelinge behandeling gelegenheid toe heeft gehad. De conclusie is dus dat Productie B met toelichting zal worden toegelaten en van productie C de subproducties 01, 02 en 03 zonder toelichting. Alle overige documenten / producties zullen geen deel uitmaken van de processtukken.




3.4.
Op 2 september 2025 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij spreekaantekeningen overgelegd.



3.5.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





4De beoordeling


4.1.

De feiten



4.1.1.
De rechtbank heeft in het vonnis van 4 september 2024 in r.o. 2.1. tot en met 2.5. vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De bewindvoerder heeft weliswaar in grief 1 in zijn algemeenheid een grief gericht tegen de feitenvaststelling dan wel de wijze van waardering of de wijze waarop de feiten in de beoordeling zijn betrokken, maar hij heeft geen duidelijk grief gericht tegen de feiten vastgesteld in r.o. 2.1. tot en met 2.5. Deze staan dus ook in hoger beroep vast. Verder staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast, omdat deze niet, althans niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Het hof zal ook deze feiten hierna opnemen.



4.1.2.


[persoon C] (hierna: erflaatster) is overleden op 11 februari 2022.

[persoon B] ( [persoon B] ) en [geïntimeerde] zijn de twee kinderen van erflaatster. In haar
testament heeft erflaatster [persoon B] en [geïntimeerde] tot haar erfgenaam benoemd. [geïntimeerde] heeft
de nalatenschap verworpen.




4.1.3.


[persoon B] is gehuwd met de bewindvoerder die bij beschikking van 24 juli 2023 is
benoemd tot bewindvoerder over de goederen van [persoon B] .




4.1.4.

Erflaatster verbleef vanaf 20 juli 2020 op de afdeling Puccini van verzorgingstehuis Kievitshorst. Daarvoor heeft zij enige tijd verbleven op de afdeling Chopin van dat verzorgingstehuis. In het medisch dossier (productie 01, pagina 23 bij de datum 25-03-2021 staat hierover het volgende vermeld:

“(…) Mevrouw is in de eerste instantie op Chopin (verzorgingshuis) komen wonen, omdat ze thuis niet langer in staat was om goed voor zichzelf te zorgen, waardoor overbelasting van mantelzorger (dochter) en verwaarlozing van mevrouw dreigde. Op afdeling Chopin gaf mevrouw ook regelmatig aan weg te willen. Zij heeft herhaaldelijk pogingen gedaan van de afdeling te komen, onder andere is zij meerdere keren met de rollator richting de trap aangetroffen. Zij probeerde de straat op te gaan en naar huis te gaan. Hierdoor ontstond een onveilige situatie voor mevrouw en medebewoners, die mevrouw hier ook in betrok. Hierop is mevrouw op basis van een art. 21 opgenomen op afdeling Puccini. (…)”

Op 9 augustus 2021 is zij overgeplaatst naar de gesloten afdeling (productie 01, pagina 24 en 25 bij de datum 01-09-2021). Daar staat:

“Leven in vrijheid: (…) mw mag momenteel niet zelfstandig de afdeling af (want dan geen grenzen meer te geven), wel met bezoek/begeleiding.”





4.1.5.

Uit haar medisch dossier bij De Wever staat bij de datum 11-11-2019 (productie 01, pagina 9, 12 en 16):

“Mevrouw thuis bezocht. Er stond een afspraak voor huisbezoek” (pagina 9):

“Mevrouw belt zeer regelmatig naar haar dochter. Apparaten die nieuw zijn kan zij niet meer bedienen.” (pagina 12)
“Dochter heeft het doen van de administratie overgenomen Ze vond aanmaningen en post die niet was afgehandeld. Mevrouw geeft aan dat het wel goed gaat, ook al voelt ze dat ze wel ouder wordt. Mevrouw heeft haar bankpasje uitgeleend aan een thuiszorg medewerker. Deze heeft € 1500 gepind Mevrouw liet de onderzoeker binnen zonder dat ze haar kende Mevrouw heeft opnieuw haar bankpasje uitgeleend aan een thuiszorg Daarna heeft dochter het bankpasje mee naar huis genomen. Mevrouw overziet dit niet meer.

Huisarts geeft in februari 2019 aan dat er cognitieve achteruitgang plaatsvind. Hier is geen onderzoek door een geriater voor gedaan. Mevrouw is therapie ontrouw. Medicatie wordt aangeleverd in een baxter rol. Medicatie wordt aangereikt door de wijkverpleging. Vochtbeperking en gewicht worden bijgehouden.


Mevrouw heeft een alarmering Ze maakt hier veelvuldig gebruik van. Ze alarmeert niet adequaat. Belt daarnaast meerdere malen per dag naar haar dochter ter bevestiging of aandacht. Mevrouw is niet in staat om in te schatten dat ze zorg nodig heeft en kan deze zorg niet adequaat inschakelen.” (op pagina 16)




4.1.6.

In het Eindverslag van de psycholoog van De Wever van 14 juli 2020 (productie 01, pagina 39) door wie zij gezien is voor een uitgebreide cognitieve screening staat:
“Samenvatting en conclusie

Gezien wordt een 88-jarige vrouw die wegens toegenomen somatische zorgbehoefte opgenomen is in het verzorgingshuis begin 2020, na een opname in het ziekenhuis. Mw. laat volgens de zorg claimend gedrag zien (ze heeft moeite met alleen zijn), vertoont dwaalgedrag zowel binnenhuis als buitenshuis, heeft veel sturing nodig en is onrustig. Er wordt gevraagd om een inschatting te maken van het cognitief functioneren; is er sprake van een neurocognitieve stoornis? Daarnaast wordt er om advies gevraagd met betrekking tot het toekomstig woonzorgconcept.


Anamnestisch komt naar voren dat mw. angst ervaart dat er iets met haar gebeurt en dat ze veel onzekerheid ervaart. Daarnaast rapporteert mw. vergeetachtigheid, snel vermoeid te zijn en er moeite mee te hebben om alleen te zijn. Tot slot benoemt mw. zich regelmatig neerslachtig te voelen en vaak te moeten huilen.


Hetero anamnestisch komt naar voren dat mw. achteruit gegaan is. Er wordt gerapporteerd dat mw. met name problemen heeft met haar geheugen. Zowel recente zaken als zaken in het verleden, worden niet onthouden. Ook wordt aangegeven dat mw. minder helder is tijdens gesprekken en er niet goed uit ziet. Tot slot komt naar voren dat mw. al jaren duizeligheid ervaart.


Vanuit de zorg komt naar voren dat mw. veel onrust ervaart. Ze dwaalt vaak zowel over de afdeling als buitenhuis, vraagt veel om aandacht en heeft moeite om alleen te zijn. Mw. heeft veel sturing nodig in haar handelen. Er is sprake geweest van opstandig gedrag. De zorg merkt op dat mw. regelmatig duizelig is en vaak emotioneel. Er is sprake geweest van gevaarlijke situaties waarbij mw. alleen de trap afgelopen is, waarbij de zorg aangeeft bang te zijn voor valgevaar.





Vanuit de korte neuropsychologische screening komt naar voren dat er ernstige cognitieve problemen gevonden worden op diverse cognitieve domeinen, waaronder het geheugen (waaronder het oriëntatievermogen), de taal en het executief functioneren.





Geconcludeerd wordt dat er sprake is van uitgebreide neurocognitieve stoornis, van onbekende etiologie. Ernst is matig te noemen (Clinical Dementia Rating: 2). De ernst is dusdanig dat de huidige woonvorm van mw. onvoldoende zorg kan bieden en daardoor geen verantwoorde leefomgeving is voor mw. Een beschermend leefklimaat met voldoende toezicht en structuur wordt, gezien mw. haar functioneren en cognitieve stoornissen, sterk aanbevolen. Mw. heeft een structurele behoefte aan zorg en sturing, waarbij het van belang is dat de zorg 24 uur per dag direct te leveren is en er voortdurend sprake is van nabijheid van de zorgverlening.”





4.1.7.

In het ‘psychologisch rapport ten behoeve van de aanvraag CIZ indicatie’ van De Wever d.d. 11 mei 2021 (productie 01, pagina’s 33 en 34) staat: “Problematiek: Mw. benoemt regelmatig dat ze naar huis wil. Vraagt daarbij waarom dit

niet kan en wordt onrustig wat zich uit in kortademigheid en zweten, waarbij zij regelmatig opstaat, verplaatst of naar personeel loopt.


Daarnaast is mw. gedurende de dag geregeld op zoek naar haar dochter waarbij mw. veel aandacht en nabijheid vraagt en zij een groot beroep doet op het personeel. Dit uit zich onder andere in aanklampen, achter de zorgverleners aanlopen, mee de kamer van andere bewoners oplopen en op deuren bonken. Mw. heeft met momenten ook confrontaties met andere bewoners wat leidt tot conflicten met medebewoners.


(…)


Nu mw. een dementie heeft en ze de afdelingen niet kent waar veel structuur geboden wordt, verliest mw. de controle. Hierdoor wordt ze angstig en paniekerig en vraagt ze veel om bevestiging. Dit maakt dat mw. regelmatig zoekt naar veiligheid en controle, waarbij ze zelf de regie neemt om aan te geven dat ze hier niet wil zijn. Vanwege de dementie heeft mw. niet het inzicht om volledig te begrijpen dat het beter voor haar is om op de afdeling te verblijven.





Gevolgen voor de cliënt:




- Confrontatie met onvermogen


- Verminderde stemming en slechtere sociale contacten


- Meer gespannenheid en angst


- Gripsverlies




Gevolgen voor de omgeving:




- Minder fijne sfeer


- Confrontatie met agitatie en overvraging bij medebewoners en medewerkers


- Medewerkers voelen zich regelmatig machteloos en overvraagd door mw.




Conclusie en advies:
Mw. heeft meer nabijheid en sturing nodig, passend bij niveau van functioneren. Daarnaast vanwege de omgang met de gedragsproblematiek, meer 1-op-1 begeleiding. Advies is daarom om een ZZP 7 aan te vragen zodat een meer passende begeleiding geboden kan worden.”




4.1.8.

Op 23 juli 2021 is erflaatster de ZZP indicatie 7 toegekend (productie 01, pagina 6):
“Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding.”
Bij Sociale zelfredzaamheid staat waar het gaat om ‘Zelf allerlei administratieve zaken afhandelen’, ‘Problemen oplossen, besluiten nemen en gevolgen inschatten’ en ‘Dagelijkse routine regelen, structuur in dagindeling’ (productie 01, pagina 16):
“ Kan dit niet zelfstandig/iemand anders moet dit overnemen.”



4.1.9.

In een verslag van de medische verzorging ingevuld op 6 september 2021:

“Sterk vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis. (…) In eerste instantie komt mw. charmant over zelf theatraal wil altijd dat de aandacht op haar gericht is. gebrek aan berouw/spijt, kan zich niet inleven in een ander. er is bijna nooit iets goed. snel jaloers. agressief gedrag.”





4.1.10.
In het medisch rapport van De Wever staat bij de datum 22 september 2021 (productie 01, pagina 25: “Leven in Vrijheid: mw mag momenteel niet zelfstandig de afdeling af (want dan geen grenzen meer te geven), wel met bezoek/begeleiding.”



4.1.11.

Bij brief van 20 maart 2023 heeft de advocaat van de bewindvoerder [geïntimeerde]
verzocht informatie te verstrekken, waarbij gevraagd is naar een kopie van het testament,
van de boedelbeschrijving, aangifte erfbelasting en bankafschriften van erflaatster.
Daarnaast is gevraagd waar erflaatster laatstelijk woonde, waaraan zij is overleden en of zij
is begraven dan wel gecremeerd.




4.1.12.

Bij brief van 3 juli 2023 wordt de bewindvoerder namens [geïntimeerde] bericht dat

[geïntimeerde] nooit bemoeienis heeft gehad met de financiën en administratie van
erflaatster, alsmede dat zij de nalatenschap heeft verworpen. De door de bewindvoerder
verzochte informatie is niet verstrekt.




4.1.13.

De bewindvoerder heeft in die hoedanigheid ten laste van [geïntimeerde] conservatoir
derdenbeslag gelegd onder diverse banken.




4.1.14.
Bij brief van 20 mei 2025 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau bericht dat de bewindvoerder is veroordeeld voor een misdrijf (het vernielen van de banden van de auto van [geïntimeerde] ) en is veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 225,00 en een schadevergoeding aan [geïntimeerde] van € 228,98.




4.2.


De procedure in eerste aanleg
4.2.1. In eerste aanleg heeft de bewindvoerder -kort samengevat- gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [persoon B] :
1. in haar hoedanigheid van vereffenaar althans erfgenaam: een bedrag van € 73.623,00;
2. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [persoon B] te betalen een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding;
3. de kosten van de procedure,
alles te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.2.2.
De rechtbank heeft, overeenkomstig hetgeen [geïntimeerde] heeft geconcludeerd, de bewindvoerder ongelijk gegeven, de vorderingen van de bewindvoerder afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.




4.3.

De procedure in hoger beroep



4.3.1.
De bewindvoerder is het niet eens met deze uitspraak. Hij is met zes grieven in hoger beroep gekomen. Hij heeft in hoger beroep -samengevat- gevorderd:


vernietiging van het bestreden vonnis van 4 september 2024;


toewijzing van zijn -hiervoor onder 4.2.1. weergegeven- vorderingen in eerste aanleg en


veroordeling in de proceskosten met wettelijke rente.





4.3.2.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en concludeert tot integrale bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.



4.3.3.
De grieven leggen de vorderingen van de bewindvoerder in eerste aanleg in volle omvang ter beoordeling voor, te weten de vordering om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van (i) een bedrag van € 73.623,00 en (ii) een bedrag van € 2.000,00 uit hoofde van immateriële schadevergoeding.




4.4.

De vordering van € 73.623,00



4.4.1.
Deze vordering is opgebouwd uit onttrekkingen aan de bankrekeningen bij [bank A] € 41.330,25 (+ wettelijke rente daarover van € 9.084,42) en [bank B] van € 13.783,92 (+ de wettelijke rente daarover van € 4.001,08) alsmede een bedrag ter zake de inboedel die de bewindvoerder begroot op € 5.000,00 (+ wettelijke rente daarover van € 424,00). Het hof zal eerst de onttrekkingen aan de bankrekeningen bij de [bank A] en [bank B] beoordelen en daarna de inboedel.



4.4.2.
De bewindvoerder legt aan deze vordering -in de kern- ten grondslag dat [geïntimeerde] feitelijk het beheer voerde over de administratie en financiën van erflaatster. Erflaatster was daartoe gelet op de hoge leeftijd van moeder, het feit dat zij niet thuis was in de digitale wereld en haar zwakke fysieke en geestelijke gezondheid en (later) dementie niet meer toe in staat. [geïntimeerde] beschikte over een eigen bankpas voor de rekening van moeder. Uit de bankafschriften is gebleken dat er in de loop der jaren vele bedragen zijn opgenomen van de bankrekening van moeder die niet voor moeder waren bestemd maar voor [geïntimeerde] zelf en vrienden van haar. Erflaatster is zich hiervan niet bewust geweest. Hiermee heeft [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld dan wel is [geïntimeerde] ongerechtvaardigd verrijkt, zodus nog steeds de bewindvoerder.



4.4.3.
De bewindvoerder heeft verwezen naar een door hem gemaakte overzicht van diverse banktransacties /onttrekkingen vanaf de [rekening bij bank A] van erflaatster (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) en de rekening van erflaatster bij [bank B] (productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg) en naar diverse bankafschriften. De banktransacties vanaf de [bank A] -rekening kunnen volgens de bewindvoerder worden onderverdeeld in de volgende (categorieën van) bedragen:



Boodschappen en inkopen in de periode 2016-2021 € 4.817,14


Kosten huisdieren in de periode van 25 oktober 2017 t/m 8 februari 2022: € 287,37


Twee Steden Ziekenhuis in augustus 2021 en januari 2022: € 37,50


Kledingwinkels in de periode 7 september 2018 t/m 29 oktober 2021: € 1.017,60


Wonen/interieur in juli 2017 (€ 678,00), in januari 2021 (€ 150,00) respectievelijk oktober 2021(€ 35,00):€ 860,00


Kapper in de periode 24 maart 2021 t/m 23 november 2021: € 149,50


Geldopnames vanaf 1 september 2016 t/m datum overlijden: € 20.300,00


Overschrijving naar vrienden van [geïntimeerde] in 2020 en in 2021: € 968,97


Overschrijvingen aan [geïntimeerde] in de periode 24-02-2020 t/m 1-03-2022: € 7.680,00


Benzinestations in de periode 23 januari 2017 tot en met 7 januari 2022: € 1.092,50


Een verkeersboete (CJIB) op 23 augustus 2021: € 148,00


Autohuur in mei 2021: € 846,97


Uit eten in de periode 2016 - 7 januari 2022: € 3.124,70





4.4.4.

[geïntimeerde] heeft betwist dat zij het financieel beheer voerde. Het klopt dat erflaatster af en toe hulp kreeg en dat [geïntimeerde] op enig moment rekeningen die per post kwamen betaalde, maar volgens [geïntimeerde] heeft erflaatster te allen tijde zelf zicht gehouden op haar banktransacties en had zij zelf de regie over haar financiën. [geïntimeerde] heeft verder betwist dat zij onrechtmatig gehandeld zou hebben of ongerechtvaardigd verrijkt zou zijn en dat de bedragen die zijn opgenomen niet voor erflaatster bestemd zouden zijn geweest en/of zonder haar opdracht en/of medeweten zouden zijn besteed. Zij heeft wel tot op het laatst uitstapjes met erflaatster gemaakt en haar zo nog een leuke anderhalf jaar bezorgd toen erflaatster in het verzorgingstehuis verbleef. Verder heeft [geïntimeerde] de gestelde geestelijke gezondheid van erflaatster betwist. Alleen al uit het feit dat erflaatster tot april 2020 zelfstandig woonde kan geconcludeerd worden dat erflaatster nog goed bij zinnen was. Alle transacties hebben plaatsgevonden in opdracht van, dan wel in samenspraak met moeder, aldus [geïntimeerde] .



4.4.5.
Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat de stelplicht (en zo nodig de bewijslast) van de stelling van de bewindvoerder dat [geïntimeerde] het financieel beheer deed en dat de onttrekkingen die hij ter discussie stelt, door [geïntimeerde] zijn verricht, op hem rust. Hetzelfde geldt voor de stelling dat onttrekkingen van de bankrekeningen van erflaatster niet voor erflaatster bestemd waren maar voor [geïntimeerde] zelf en vrienden van haar en dat [geïntimeerde] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld of ongerechtvaardigd is verrijkt. Dit betekent dus dat de bewindvoerder (i) niet alleen gemotiveerd moet stellen (en als dit gemotiveerd betwist wordt, moet bewijzen) dat [geïntimeerde] de onttrekkingen heeft gedaan van deze rekeningen, maar ook (ii) dat deze niet direct dan wel indirect ten goede zijn gekomen aan erflaatster, maar aan [geïntimeerde] en vrienden van haar én in dat laatste geval (iii) dat dit zonder instemming van erflaatster gebeurde.


4.4.6.
Het hof overweegt als volgt. Duidelijk is dat er onttrekkingen zijn gedaan, maar uit het overzicht blijkt niet welke onttrekkingen door [geïntimeerde] zijn gedaan en welke door erflaatster. De bewindvoerder stelt ook niets (concreets) waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] alle onttrekkingen heeft gedaan. Het enkele feit dat [geïntimeerde] in de periode 2014 en 2015 mederekeninghouder was van een bankrekening van [bank A] vormt -nog daargelaten dat dit niet op de periode ziet waarop de vordering is gebaseerd- geen bevestiging daarvan. Ook is niet voldoende dat [geïntimeerde] een extra bankpasje had. Erflaatster woonde gedurende de periode 2016 tot in ieder geval 11 november 2019, toen er nog een huisbezoek heeft plaatsgevonden en zij nog thuiszorg kreeg (zie r.o. 4.1.5. hiervoor) nog zelfstandig en had ook zelf een bankpas. Maar ook toen zij was opgenomen in het verzorgingstehuis, betekent dit nog niet dat het (altijd) [geïntimeerde] is geweest die bedragen heeft opgenomen. Evengoed kan erflaatster -al dan niet vergezeld van [geïntimeerde] of iemand anders- die bedragen zelf hebben opgenomen. Vervolgens geldt dat, als er al van wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] bedragen heeft onttrokken/gepind, dit ook nog niet betekent dat deze niet ten goede zijn gekomen aan erflaatster en -als dat wel zo was- dat erflaatster het daarmee niet eens was. Wat de bewindvoerder in feite wil is dat [geïntimeerde] alsnog in het kader van haar verweer bij alle banktransacties uitlegt of zij deze heeft onttrokken, hoe deze ten goede zijn gekomen aan erflaatster -en als dat niet zo was- dat dit dan met instemming van erflaatster is gedaan. Dit komt in feite erop neer dat hij rekening en verantwoording verlangt van [geïntimeerde] . Een dergelijke verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan echter in zijn algemeenheid niet worden verlangd van [geïntimeerde] in het kader van haar betwisting van de stellingen van de bewindvoerder. Dat kan echter onder omstandigheden anders zijn. Dat betekent dat ook in hoger beroep -anders dan waarvan de bewindvoerder uitgaat- bij deze vordering eerst de voorvraag moet worden beantwoord of [geïntimeerde] gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen.



Gehoudenheid tot het doen van rekening en verantwoording?





4.4.7.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording stelt het hof het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089) kan een
verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274).




4.4.8.

De bewindvoerder heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een wettelijke of uit rechtshandeling
voortvloeiende verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, zodat het
aankomt op de vraag of sprake is van een daartoe verplichtende rechtsverhouding die
voortvloeit uit ongeschreven recht (r.o. 4.5. van het bestreden vonnis). Dit betekent dat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.




4.4.9.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of [geïntimeerde] überhaupt moet worden geacht het financieel beheer te hebben gevoerd en als dat wel het geval was, vanaf wanneer.
De bewindvoerder gaat ervan uit dat dit al vanaf 2016 was, maar het hof ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat dit al voor 11 november 2019 het geval was. In een passage uit haar medisch dossier (weergegeven hiervoor in r.o. 4.1.5.) staat bij die datum dat de dochter ( [geïntimeerde] ) de administratie heeft overgenomen omdat ze allemaal ongeopende brieven vond. Uit het feit dat brieven ongeopend bleven en dat zij toen de administratie daarvan overnam, volgt naar het oordeel van het hof dat erflaatster kennelijk haar administratie tot die tijd zelf deed, althans niet [geïntimeerde] . Voor die datum beschikte erflaatster ook zelf ook een bankpas. Zonder nadere feiten die in een andere richting wijzen, neemt het hof daarom aan dat erflaatster tot 11 november 2019 zelf het beheer over haar financiën voerde. Nu de bewindvoerder onvoldoende heeft gesteld komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de bewindvoerder om bewijs te leveren van zijn stelling dat [geïntimeerde] de banktransacties in deze periode heeft verricht.




4.4.10.
Het hof voegt daar nog aan toe, dat zelfs als [geïntimeerde] erflaatster in die periode (af en toe) behulpzaam is geweest bij het doen van boodschappen of af en toe gepind heeft voor haar of haar heeft geholpen met online bankieren, dit dan nog niet zonder meer betekent dat [geïntimeerde] rekening en verantwoording moet afleggen. Het ging om een familieverhouding waarin het doorgaans niet gebruikelijk is administratie te voeren. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat erflaatster al vanaf het begin in 2016 geen zicht had op haar financiën en niet voor haar belangen kon opkomen. Het feit dat zij op leeftijd was en wat hulp thuis kreeg, zoals maaltijden of huishoudelijke hulp, rechtvaardigt die conclusie niet. Dat zij geestelijke beperkingen had en dat deze dan dusdanig waren dat zij niet meer in staat was haar financiën te overzien, blijkt niet uit de stukken. Erflaatster heeft het kennelijk goed gevonden dat [geïntimeerde] een bankpas had en over haar gelden kon beschikken en geen aanleiding gezien om rekening en verantwoording te vragen. De hoogte en aard van de uitgaven waren ook niet buitensporig gelet op het feit dat erflaatster nog zelfstandig woonde en het een periode van meerdere jaren betrof. Erflaatster was vrij was over haar geld te beschikken. [geïntimeerde] heeft ook een voldoende verklaring gegeven voor bijvoorbeeld de kosten voor de kat en aangetoond dat erflaatster wel degelijk een kat had. Over de periode tot 11 november 2019 bestaat er dan ook geen verplichting voor [geïntimeerde] om rekening en verantwoording af te leggen. Dat in die periode sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen door [geïntimeerde] heeft de bewindvoerder dan ook onvoldoende geconcretiseerd en toegelicht. Aan het bewijsaanbod van de bewindvoerder dat moeder niet in staat was om een laptop te bedienen en/of te internetbankieren en de stelling dat moeder fysiek en geestelijk niet in staat was ver te lopen naar automaten en winkels om geld op te nemen en/of boodschappen te doen, gaat het hof voorbij, nu uit het voorgaande blijkt dat deze feiten - ook indien bewezen- niet tot een ander oordeel leiden



4.4.11.

Voor de periode vanaf 11 november 2019 acht het hof het aannemelijk dat [geïntimeerde] erflaatster meer behulpzaam was bij haar financiën. Dit blijkt uit het feit dat zij vanaf dat moment de bankpas heeft meegenomen en de administratie heeft overgenomen. Dit betekent echter naar het oordeel van het hof van oordeel niet zonder meer dat [geïntimeerde] vanaf dat moment zelfstandig het financieel beheer voerde en dat erflaatster niet meer in staat was haar eigen financiële beslissingen te nemen en voor haar eigen financiële belangen op te komen. Dat zij brieven ongeopend liet en hulp nodig had bij de afhandeling van de post rechtvaardigt die conclusie niet. Ook de omstandigheid dat zij nieuwe apparaten niet meer kon bedienen betekent nog niet dat zij niet meer zelfstandig beslissingen kon nemen over haar financiën. In het eindverslag van de psycholoog van De Wever van 14 juli 2020 (r.o. 4.1.6. hiervoor) staat immers ook dat op dat moment de ernst van de neurocognitieve stoornis matig te noemen was. Verder is in dit verband van belang de verklaring van [persoon E] , een relatie van [geïntimeerde] en haar echtgenoot die erflaatster regelmatig samen met [geïntimeerde] bezocht, die schrijft:

Toen moeder, [persoon C] , in 2020, naar de Kievitshorst ging, omdat ze erg slecht ter been werd, is ze naar een afdeling gegaan waar ze kon gaan en staan waar ze wilde. [geïntimeerde] en ik bezochten moeder meerder malen per week. Uitstapjes waren meer regelmaat dan uitzondering. [geïntimeerde] deed voor moeder de was, de strijk en de boodschappen.


Moeder is augustus 2021 verhuist naar het verzorgingstehuis De Hazelaar, waar ze in Februari 2022 is overleden. In deze periode zijn we nog regelmatig met haar naar het restaurant gegaan en hebben we haar nog vaak meegenomen om te wandelen en een terrasje te bezoeken.


Mijn ervaring is, dat ik moeder een mond fiat mens vond, die heel goed voor zichzelf op kwam. Een week voor haar overlijden was moeder nog goed aanspreekbaar en werd door haar nog steeds opdrachten uitgedeeld.”

Ook uit de verklaring van [persoon D] naar voren dat erflaatster nog goed kon aangeven wat ze wilde.
Verder komt uit diverse passages van haar medische dossier (zie de passages weergegeven in r.o. 4.1.6. hiervoor) naar voren dat de reden van haar opname in het verzorgingstehuis mede ingegeven was door gedragsproblemen (haar angst om alleen te zijn, het risico op valgevaar, het claimend gedrag en haar agressie). Het door [geïntimeerde] overgelegde verslag van de medische zorg ingevuld op 6 september 2021 waarin staat dat er een sterk vermoeden is van een persoonlijkheidsstoornis (zie r.o. 4.1.9. hiervoor) bevestigt dit beeld.
Tegen die achtergrond heeft de bewindvoerder onvoldoende onderbouwd dat erflater – in ieder geval tot de datum van het psychologisch rapport van 11 mei 2021 waarin wordt geadviseerd om een ZZP7 indicatie aan te vragen (zie r.o. 4.1.7. hiervoor) niet in staat was voor haar belangen op te komen. Omdat de bewindvoerder onvoldoende heeft gesteld komt het hof alleen daarom al niet toe aan het aanbod van de bewindvoerder om bewijs te leveren ten aanzien van de door hem gestelde geestelijke toestand van erflaatster en zijn stelling dat erflaatster zich niet bewust is geweest van de geldtransacties en daarvoor geen goedkeuring heeft gegeven. Ook overigens is daartoe geen aanleiding nu het bewijsaanbod onvoldoende specifiek en ter zake dienend is. De bewindvoerder wil dit bewijs leveren door [geïntimeerde] als getuige te horen alsook de mensen van wie (door [geïntimeerde] ) een schriftelijke verklaring is overgelegd en medewerkers van het verzorgingstehuis, zonder aan te geven wie. Nu er echter al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd die de verklaringen van de bewindvoerder niet ondersteunen had van hem verwacht kunnen worden nader te vermelden in hoeverre deze mensen anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Voor bewijslevering via de benoeming van een deskundige zoals een geriater die aan de hand van de (medische) dossiers van erflaatster zou kunnen beoordelen of en zo ja in welke mate aannemelijk is dat moeder haar bankzaken nog heeft kunnen beheren en begrijpen en in hoeverre aannemelijk is dat sprake is geweest van een afhankelijkheidsrelatie van moeder ten opzichte van [geïntimeerde] ziet het hof in dit stadium van de procedure geen aanleiding meer. De bewindvoerder heeft nadat hij de medische stukken heeft ontvangen ervoor gekozen om eerst zelf een omvangrijk rapport op te stellen met eigen analyses, in plaats van een rapport van een deskundige over te leggen. Het aanbod om dit alsnog te doen om daarmee alsnog aan zijn stelplicht te kunnen voldoen, acht het hof te laat. Voor bewijslevering door middel van schriftelijke stukken is geen opdracht door de rechter nodig.




4.4.12.
Nu erflaatster het gedurende die periode kennelijk goed heeft gevonden dat [geïntimeerde] haar behulpzaam was bij haar financiën en kennelijk geen aanleiding heeft gezien om [geïntimeerde] ter verantwoording te roepen, ziet het hof -bij gebreke van stellingen die dit wel rechtvaardigen- geen aanknopingspunten om een dergelijke verplichting wel aan te nemen jegens de bewindvoerder.



4.4.13.

Maar ook na 11 mei 2021 kan niet zonder meer geoordeeld worden dat erflaatster niet in staat is geweest haar wil te bepalen. Uit het medisch dossier blijkt aan de ene kant dat haar cognitief vermogen steeds verder achteruitging, dat haar sociale redzaamheid dusdanig was dat zij niet meer in staat was om zelfstandig besluiten te nemen en dat er door de betrokken deskundigen is geadviseerd een ZZP7 indicatie aan te vragen. Aan de andere kant volgt uit de conclusie in het psychologische rapport ten behoeve van de aanvraag CIZ-indicatie van 11 mei 2021 (zie r.o. 4.1.7. hiervoor) dat dit advies mede is ingegeven door de gedragsproblematiek van erflaatster. Verder volgt uit de verklaring van [persoon F] , gespecialiseerd verzorgende en zorgcoördinator in de periode dat erflaatster op de gesloten afdeling verbleef, en de hiervoor weergegeven verklaring van [persoon E] , dat erflaatster ook toen zij op de gesloten afdeling zat nog erg heldere momenten had. [persoon F] verklaart:

Je vroeg of ik nog wist hoevaak je bij je moeder op bezoek kwam in de tijd ze bij ons op Mondriaan verbleef

Ik weet natuurlijk niet meer exact hoevaak, wel dat je moeder probleem gedrag had waardoor ze tijdelijk ons moet blijven. Dit gedrag bestond uit dat ze vroeg/eisde dat dat vooral jij maar ook verpleging en zelfs andere cliënten hun familie bij haar bleven zitten. (…) Je moeder had nog erg heldere momenten op een dag (…)”




4.4.14.
Echter zelfs als veronderstellenderwijze ervan moet worden uitgegaan dat erflaatster vanaf 11 mei 2021 niet meer in staat was haar wil te bepalen en voor haar financiële belangen op te komen, dan brengt dit naar het oordeel van het hof nog niet zonder meer mee dat voor [geïntimeerde] een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording is ontstaan. Gelet op de familierelatie en het feit dat [geïntimeerde] als enige dochter die nog contact had met erflaatster, ook maar geconfronteerd werd met een moeder die steeds hulpbehoevender werd, is het hof van oordeel dat enige terughoudendheid moet worden aangehouden in het vaststellen van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het ligt namelijk voor de hand dat in een dergelijke relatie geen kwitanties worden verstrekt, geen bonnetjes worden afgetekend en niet steeds tot op de cent nauwkeurig wordt afgerekend. Deze terughoudendheid vindt een grens bij financiële handelingen die [geïntimeerde] ten behoeve van zichzelf heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet kunnen worden gerekend tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster (vgl. Hof Amsterdam 11 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1272).


4.4.15.

Dat sprake is geweest van dergelijke financiële handelingen vanaf 11 mei 2021 heeft de bewindvoerder naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd gesteld, met uitzondering van een aantal transacties waarvoor [geïntimeerde] een goede verklaring heeft gegeven. Nog daargelaten dat de bewindvoerder niet van alle uitgaven heeft gesteld wanneer deze zijn gedaan, geldt dat de gestelde uitgaven weergegeven in r.o. 4.4.3. onder a) tot en met f) en j) en m) voor: boodschappen en inkopen, huisdieren, het ziekenhuis, kleding, woon/interieurwinkels, de kapper, benzine en uit eten voor het overgrote deel zijn gedaan voor 11 mei 2021, een periode waarin de rekening en verantwoordingsplicht niet gold. Voor uitgaven in de periode vanaf 11 mei 2021 geldt dat de bewindvoerder onvoldoende heeft toegelicht dat deze niet tot het gewone uitgavenpatroon kunnen worden gerekend. Het enkele feit dat erflaatster op een gesloten afdeling verbleef betekent niet dat ze geen kosten meer had voor boodschappen, drogist, uitjes / uit eten, kleding, persoonlijke verzorging etc.
Met betrekking tot de gestelde geldopnames die volgens de bewindvoerder € 20.300,00 bedragen (post g) heeft hij, ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, niet kunnen toelichten hoe hij tot dit bedrag komt en in welke periode deze bedragen zijn opgenomen. Uit de door de bewindvoerder bij inleidende dagvaarding overgelegde productie 7 (een door de bewindvoerder gemaakt overzicht dat de banktransacties bij de [bank A] zou weergegeven) en productie 8 (een door de bewindvoerder gemaakt overzicht van de banktransacties bij de [bank B] ) kan dit bedrag niet worden afgeleid. Ook ten aanzien van het bedrag van de overschrijvingen naar [geïntimeerde] van € 7.680,00 (post h) is het zonder nadere toelichting onduidelijk hoe de bewindvoerder tot dit bedrag komt. Van [geïntimeerde] kan alleen daarom niet verlangd worden dat zij een toelichting geeft. Over de gestelde overschrijvingen naar vrienden van [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] -onbestreden- aangevoerd dat [persoon G] de pedicure was en [persoon H] de kapper. Bij de verkeersboete (CJIB) van 23 augustus 2021 gaat het om een bedrag van € 148,00, terwijl uit het dossier en de vele door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen volgt dat [geïntimeerde] vaak met erflaatster uitjes deed. Dat zij een keer een boete heeft betaald, leidt dan niet ineens tot een rekening en verantwoordingsplicht. Over de autohuur heeft in mei 2021 van € 846,97 heeft [geïntimeerde] ter zitting bij het hof ook een afdoende verklaring gegeven.




4.4.16.
Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerde] niet gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen over de onttrekkingen. Nu, zoals het hof eerder heeft overwogen, de bewindvoerder niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen dan wel dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt, is de vordering van € 73.623,00 in zoverre niet toewijsbaar. Ook aan het beroep van de bewindvoerder op vernietiging van eventuele schenkingen gaat het hof voorbij. Nog daargelaten dat niet is toegelicht om welke schenkingen het zou gaan, is ook hier niet is gebleken dat eventuele schenkingen niet met instemming van erflaatster zijn gedaan.



De vordering tot vergoeding van de waarde van de inboedel





4.4.17.
In het gevorderde bedrag van € 73.623,00 is een bedrag van € 5.000,00 opgenomen als schadevergoeding voor weggeraakte inboedel van erflaatster. Volgens de bewindvoerder heeft [geïntimeerde] deze inboedel, persoonlijke zaken, zoals sieraden (waaronder een gouden ketting) en foto’s, weggemaakt. Het door de bewindvoerder opnieuw in hoger beroep gevorderde bedrag van € 5.000,00 is de door de bewindvoerder geschatte waarde.



4.4.18.

[geïntimeerde] heeft deze vordering opnieuw gemotiveerd betwist en verwezen naar een verklaring van [persoon I] die heeft verklaard dat hij toen, erflaatster verhuisde van de Kievitshorst naar de Hazelaar, zijn hulp aan [geïntimeerde] heeft aangeboden, omdat hij over wat meer ruimte beschikt “om wat meubilair naar de stort te rijden daar Poubelle het niet showroomwaardig vond.” Het betrof volgens hem: “een versleten relax fauteuille en wat oude kamerstoelen, verder stond er niks van waarde meer in haar kamertje (..).”



4.4.19.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze vordering niet toewijsbaar is. [geïntimeerde] heeft de stellingen van de bewindvoerder mede aan de hand van de hiervoor genoemde verklaring gemotiveerd betwist en de bewindvoerder heeft geen, althans onvoldoende feiten gesteld om dit in een ander daglicht te plaatsen. Daarom ziet het hof ook geen aanleiding voor bewijslevering. Dit geldt ook voor het aanbod van de bewindvoerder om bewijs te leveren van zijn stelling dat de sieraden/ketting niet gestolen is door personeel van het verzorgingstehuis te horen. Nog daargelaten dat dit aanbod onvoldoende concreet is omdat de bewindvoerder niet heeft aangevoerd wie daarover na zo veel jaren nog een verklaring zou kunnen afleggen acht het hof dit aanbod ook niet ter zake dienend. Zelfs als de bewindvoerder zou kunnen bewijzen dat de ketting (door personeel van het verzorgingstehuis) niet gestolen is, betekent dit immers nog niet dat de ketting ten tijde van het overlijden van erflaatster nog aanwezig was.




4.5.

Immateriële schadevergoeding



4.5.1.
De bewindvoerder heeft zijn door de rechtbank afgewezen vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding in hoger beroep opnieuw ter beoordeling voorgelegd. Hij heeft hieraan -verkort weergegeven- ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] :



[persoon B] niet heeft geïnformeerd over het overlijden van erflaatster



[persoon B] niet heeft geïnformeerd over en betrokken bij de uitvaart


niet heeft willen vertellen wat er met erflaatster is gebeurd (of zij begraven of gecremeerd is en of er een gedenkplaats voor erflaatster is), alsook


het feit dat [geïntimeerde] de dierbare spullen met bijzondere herinneringen aan moeder heeft weggemaakt.


Volgens de bewindvoerder heeft [persoon B] daardoor geen tastbare herinneringen aan haar moeder doordat [geïntimeerde] deze zonder overleg heeft weggemaakt. Het rouwproces van [persoon B] is daardoor verstoord en het gepasseerd zijn als zodanig heeft [persoon B] in haar rouwproces geraakt. Volgens de bewindvoerder heeft [geïntimeerde] hiermee onrechtmatig althans in strijd met artikel 8 EVRM gehandeld.



4.5.2.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen, omdat de bewindvoerder onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat op [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden de verplichting rustte om [persoon B] te waarschuwen over het overlijden en haar bij de uitvaart te betrekken. Niet ter discussie staat dat er tussen [geïntimeerde] en [persoon B] al vanaf 2013 geen enkel contact meer was. Partijen van mening verschillen tot wanneer erflaatster nog contact heeft gehad met de bewindvoerder. Volgens [geïntimeerde] hebben [persoon B] en de bewindvoerder in 2013 het contact met erflaatster hebben verbroken omdat erflaatster niet meer toeliet dat hij kon telebankieren voor haar. Volgens de bewindvoerder had erflaatster hem in 2016 nog een keer om hulp gevraagd bij online bankieren maar is hij daar direct mee gestopt. Ter zitting in hoger beroep stelt de bewindvoerder dat [persoon B] tot in 2019 nog wel naar erflaatster toe ging, maar dat hij, toen [persoon B] de diagnose dementie kreeg, het advies kreeg om hen uit elkaar te houden, omdat dit te confronterend was voor [persoon B] . Dat dit -indien juist- bij [geïntimeerde] bekend was is gesteld noch gebleken. Nog daargelaten dat voor deze bezoeken geen aanknopingspunten te vinden zijn in het dossier, staat wel vast dat er al vele jaren niet of nauwelijks contact was tussen [persoon B] en erflaatster. De bewindvoerder heeft verder niet betwist dat hij ermee bekend was dat erflaatster verbleef in een verzorgingshuis en dat zij bij overlijden 89 jaar oud was en dat hij en [persoon B] desalniettemin nooit geïnformeerd hebben naar de gezondheid van erflaatster. Niet bij erflaatster zelf en ook niet bij [geïntimeerde] . In het licht van deze omstandigheden hoefde [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet te begrijpen dat het voor [persoon B] belangrijk was om geïnformeerd te worden over het overlijden van erflaatster. Voor het aannemen van een plicht daartoe is geen grondslag. [persoon B] en de bewindvoerder hebben zelf het risico aanvaard dat zij niet op de hoogte zouden worden gesteld van haar overlijden en betrokken zouden worden bij de uitvaart. [geïntimeerde] heeft ter zitting in eerste aanleg verteld waar de as van erflaatster is uitgestrooid, zo blijkt uit het bestreden vonnis (waartegen in zoverre geen grief is gericht). Nu, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] dierbare spullen met bijzondere herinneringen aan moeder heeft weggemaakt, is er geen grondslag voor een vergoeding van immateriële schadevergoeding. Het vonnis moet op dit punt dan ook bekrachtigd worden.


5. Slotsom



De slotsom is dat de grieven niet slagen, althans niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden en dat het hof het bestreden vonnis integraal zal bekrachtigen.



6. Proceskosten



Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.







7De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het bestreden vonnis van 4 september 2024;



wijst de vorderingen van de bewindvoerder af;



compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.




Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, M. van der Schoor en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.



griffier rolraadsheer