Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2570
2025-09-23
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.343.130_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:2570 → ECLI:NL:RBLIM:2024:1238
Inhoudsindicatie
Opdrachtgevers betwisten in beide instanties het maken van een prijsafspraak voor verleende juridische diensten. Zij voeren in hoger beroep echter bij herhaling precies hetzelfde aan als wat door de dienstverlener als verweer is aangevoerd, zodat maar een conclusie mogelijk is, namelijk dat dat verweer slaagt. Volgt bekrachtiging van het vonnis zonder bespreking van de afzonderlijke grieven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.002 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.130/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] ,
3. [appellante sub 3],wonende te [woonplaats] ,
4. [appellant sub 4]
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen [appellanten] ,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp te Maastricht-Airport,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [xx] Juridisch Advies,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. N. Kloth te Heerlen.
op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.
1De kern van de zaak
1.1.
[geïntimeerde] heeft voor [appellanten] achterstallige huurpenningen bij een huurder van [appellanten] geïncasseerd. Als honorarium heeft [geïntimeerde] een derde van het daadwerkelijk geïncasseerde bedrag berekend en onder zich gehouden. [appellanten] stellen dat [geïntimeerde] dat niet mocht doen, omdat zij dat niet met [geïntimeerde] hadden afgesproken. [appellanten] hebben betaling van het door [geïntimeerde] gehouden bedrag gevorderd.
1.2.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter overwogen dat [appellanten] en [geïntimeerde] wel een honorarium ter hoogte een derde van het daadwerkelijk voor [appellanten] geïncasseerde bedrag voor het werk hebben afgesproken. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] daarom afgewezen.
1.3.
Het hof komt tot hetzelfde oordeel en zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen.
2Het verloop van het geding
2.1.
Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10607503 \ CV EXPL 23-2973) verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het tussenarrest van 27 augustus 2024, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
het proces-verbaal van de op 5 november 2024 gehouden mondelinge behandeling na aanbrengen;
de memorie van grieven met een productie;
de memorie van antwoord met producties;
de akte van [appellanten] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De feiten
3.1.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
[appellanten] verhuren een aantal appartementen. [geïntimeerde] is een juridisch dienstverleenster. Zij heeft in opdracht van [appellanten] in de eerste helft van 2019 achterstallige huurpenningen geïncasseerd van [persoon A] , een van de huurders.
3.3.
[appellanten] en [geïntimeerde] waren voor de zaak [persoon A] overeengekomen dat [geïntimeerde] voor haar werkzaamheden, bij succes, een derde van de daadwerkelijk geïncasseerde bedrag als honorarium in rekening mocht brengen exclusief verschotten en btw.
3.4.
In de tweede helft van 2019 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde] opdracht gegeven om ook van een andere huurder, [persoon B] , achterstallige huur te incasseren.
3.5.
[geïntimeerde] heeft [persoon B] aangeschreven en zij is namens [appellanten] tegen [persoon B] een procedure gestart die heeft geresulteerd in een (verstek)vonnis. [persoon B] heeft nadien op de kantoorrekening van [geïntimeerde] € 22.766,32 betaald. [geïntimeerde] heeft daarvan € 7.267,12 excl. btw (33,33 % van het ontvangen bedrag), € 1.526,10 aan btw en € 964,96 aan verschotten gefactureerd en onder zich gehouden ter vergoeding van haar honorarium en kosten, in totaal € 8.793,22. Het restant van € 13.973,10 heeft zij aan [appellanten] doorbetaald.
4Standpunten van partijen
In eerste aanleg
4.1.
In eerste aanleg hebben [appellanten] – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 8.793,22, vermeerderd met beslag- en (proces)kosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[appellanten] hebben daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat zij wel een opdracht met betrekking tot [persoon B] aan [geïntimeerde] hebben gegeven, maar daarbij geen (vaste) prijsafspraak hebben gemaakt.
4.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten met rente. Zij heeft aangevoerd dat voor [persoon B] dezelfde prijsafspraak is gemaakt als eerder voor [persoon A] .
4.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen in de kosten veroordeeld.
In hoger beroep
4.5.
[appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het vonnis (zo begrijpt het hof) en – samengevat – dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 8.793,22, althans € 6.693,22, vermeerderd met beslag- en (proces)kosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. Zij hebben daartoe vijf grieven geformuleerd.
4.6.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met rente.
4.7.
Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat twee van de appellanten in Duitsland wonen en [geïntimeerde] in België woont. Het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 26 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Daarnaast is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is.
Overeengekomen honorarium
5.2.
Het hof merkt op dat het in deze zaak niet draait om de vraag of door [appellanten] een opdracht aan [geïntimeerde] is gegeven om voor hen tegen [persoon B] rechtsmaatregelen te treffen. Dat zo’n opdracht is gegeven hebben [appellanten] ter zitting in eerste aanleg, bij monde van hun advocaat, uitdrukkelijk en uit eigen beweging erkend (randnummer 7, spreekaantekeningen mr. Wittendorp, ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg), waarvan [appellanten] in randnummer 1 van hun memorie van grieven hebben verzocht (onder meer) dat in dit hoger beroep als ingelast en herhaald te beschouwen.
5.3.
De kernvraag in dit hoger beroep is wat daarbij is afgesproken over het honorarium en de kosten.
5.4.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat dezelfde financiële voorwaarden golden als voor de opdracht met betrekking tot huurder [persoon A] .
5.5.
In randnummer 11 van de memorie van grieven schrijven [appellanten] , voor zover hier van belang, het volgende:
“Via verhuurmakelaar [YY] is de opdracht verstrekt aan [geïntimeerde] om juridische bijstand te verlenen in de zaak [persoon A] . (…) [appellanten] heeft verzocht deze afspraak, onder dezelfde voorwaarden, te maken voor de zaak [persoon B] [onderstreping: hof].”
5.6.
Even verderop, in de randnummers 17 en 18 van de memorie van grieven zeggen [appellanten] :
“17. In de zaak [persoon A] , ten aanzien van [adres A] , hebben partijen afgesproken dat [geïntimeerde] eenderde van de ontvangen huurpenningen in rekening zou brengen, als tegenprestatie voor juridische dienstverlening vanuit [geïntimeerde] . In die zaak is een opdrachtbevestiging getekend op 4 april 2019.
18. Nadat [persoon B] een huurachterstand heeft opgebouwd heeft [appellanten] [geïntimeerde] wederom ingeschakeld. Besproken werd dat [appellanten] bereid was om een opdracht aan [geïntimeerde] te verstrekken, op basis van dezelfde voorwaarden als voor de zaak [persoon A] [onderstreping: hof]. Een schriftelijke opdrachtbevestiging in de zaak [persoon B] werd evenwel niet verzonden.”
5.7.
Het hof stelt vast dat [appellanten] exact hetzelfde stellen als wat [geïntimeerde] als verweer tegen hun vorderingen heeft aangevoerd: namelijk tegen [persoon B] zou tegen hetzelfde honorarium worden opgetreden als tegen [persoon A] . Wat de afspraken bij [persoon A] waren, is tussen partijen niet in geschil: een derde van de geïncasseerde opbrengst als honorarium, vermeerderd met btw en verschotten (opdrachtbevestiging [persoon A] , productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg). Ook niet in geschil is dat [geïntimeerde] in de zaak [persoon B] conform die parameters heeft gedeclareerd (zie r.o. 3.5). Tot slot blijkt uit de geciteerde passages dat het initiatief voor deze opdracht met deze prijsafspraak door [appellanten] is genomen. Dat er, zoals [appellanten] stellen, geen schriftelijke opdrachtbevestiging is opgesteld doet daar, als dat al klopt, niets aan af, aangezien tussen partijen ook mondeling een overeenkomst van opdracht tot stand kan komen.
5.8.
Het voorgaande maakt dat in deze procedure geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [geïntimeerde] conform de door [appellanten] aan haar gegeven opdracht met betrekking tot [persoon B] heeft gehandeld. Dat [geïntimeerde] daarbij bovendien het gewenste resultaat heeft behaald (betaling door [persoon B] ) staat vast.
5.9.
Nu [geïntimeerde] conform de aan haar gegeven opdracht heeft gehandeld en gedeclareerd kan enkel afwijzing van de vorderingen van [appellanten] volgen. Zij hebben immers geen recht op enige betaling, omdat [geïntimeerde] niet meer dan overeengekomen heeft gedeclareerd.
5.10.
Geen van de door [appellanten] geformuleerde grieven kan tot een ander oordeel leiden, zelfs niet als een of meer daarvan zou(den) slagen. Het hof zal een bespreking van de afzonderlijke grieven daarom achterwege laten.
Proceskosten
5.11.
Het hof zal [appellanten] , als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 349,00
Salaris advocaat € 3.035,00 (2,5 punten x tarief II)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.562,00
6De uitspraak
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in het hoger beroep van € 3.562,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van volledige betaling. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, bovendien vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening;
6.3.
verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, A.C. van Campen en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.130/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] ,
3. [appellante sub 3],wonende te [woonplaats] ,
4. [appellant sub 4]
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen [appellanten] ,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp te Maastricht-Airport,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [xx] Juridisch Advies,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. N. Kloth te Heerlen.
op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.
1De kern van de zaak
1.1.
[geïntimeerde] heeft voor [appellanten] achterstallige huurpenningen bij een huurder van [appellanten] geïncasseerd. Als honorarium heeft [geïntimeerde] een derde van het daadwerkelijk geïncasseerde bedrag berekend en onder zich gehouden. [appellanten] stellen dat [geïntimeerde] dat niet mocht doen, omdat zij dat niet met [geïntimeerde] hadden afgesproken. [appellanten] hebben betaling van het door [geïntimeerde] gehouden bedrag gevorderd.
1.2.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter overwogen dat [appellanten] en [geïntimeerde] wel een honorarium ter hoogte een derde van het daadwerkelijk voor [appellanten] geïncasseerde bedrag voor het werk hebben afgesproken. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] daarom afgewezen.
1.3.
Het hof komt tot hetzelfde oordeel en zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen.
2Het verloop van het geding
2.1.
Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10607503 \ CV EXPL 23-2973) verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het tussenarrest van 27 augustus 2024, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
het proces-verbaal van de op 5 november 2024 gehouden mondelinge behandeling na aanbrengen;
de memorie van grieven met een productie;
de memorie van antwoord met producties;
de akte van [appellanten] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De feiten
3.1.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
[appellanten] verhuren een aantal appartementen. [geïntimeerde] is een juridisch dienstverleenster. Zij heeft in opdracht van [appellanten] in de eerste helft van 2019 achterstallige huurpenningen geïncasseerd van [persoon A] , een van de huurders.
3.3.
[appellanten] en [geïntimeerde] waren voor de zaak [persoon A] overeengekomen dat [geïntimeerde] voor haar werkzaamheden, bij succes, een derde van de daadwerkelijk geïncasseerde bedrag als honorarium in rekening mocht brengen exclusief verschotten en btw.
3.4.
In de tweede helft van 2019 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde] opdracht gegeven om ook van een andere huurder, [persoon B] , achterstallige huur te incasseren.
3.5.
[geïntimeerde] heeft [persoon B] aangeschreven en zij is namens [appellanten] tegen [persoon B] een procedure gestart die heeft geresulteerd in een (verstek)vonnis. [persoon B] heeft nadien op de kantoorrekening van [geïntimeerde] € 22.766,32 betaald. [geïntimeerde] heeft daarvan € 7.267,12 excl. btw (33,33 % van het ontvangen bedrag), € 1.526,10 aan btw en € 964,96 aan verschotten gefactureerd en onder zich gehouden ter vergoeding van haar honorarium en kosten, in totaal € 8.793,22. Het restant van € 13.973,10 heeft zij aan [appellanten] doorbetaald.
4Standpunten van partijen
In eerste aanleg
4.1.
In eerste aanleg hebben [appellanten] – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 8.793,22, vermeerderd met beslag- en (proces)kosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[appellanten] hebben daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat zij wel een opdracht met betrekking tot [persoon B] aan [geïntimeerde] hebben gegeven, maar daarbij geen (vaste) prijsafspraak hebben gemaakt.
4.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten met rente. Zij heeft aangevoerd dat voor [persoon B] dezelfde prijsafspraak is gemaakt als eerder voor [persoon A] .
4.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen in de kosten veroordeeld.
In hoger beroep
4.5.
[appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het vonnis (zo begrijpt het hof) en – samengevat – dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 8.793,22, althans € 6.693,22, vermeerderd met beslag- en (proces)kosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. Zij hebben daartoe vijf grieven geformuleerd.
4.6.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met rente.
4.7.
Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat twee van de appellanten in Duitsland wonen en [geïntimeerde] in België woont. Het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 26 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Daarnaast is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is.
Overeengekomen honorarium
5.2.
Het hof merkt op dat het in deze zaak niet draait om de vraag of door [appellanten] een opdracht aan [geïntimeerde] is gegeven om voor hen tegen [persoon B] rechtsmaatregelen te treffen. Dat zo’n opdracht is gegeven hebben [appellanten] ter zitting in eerste aanleg, bij monde van hun advocaat, uitdrukkelijk en uit eigen beweging erkend (randnummer 7, spreekaantekeningen mr. Wittendorp, ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg), waarvan [appellanten] in randnummer 1 van hun memorie van grieven hebben verzocht (onder meer) dat in dit hoger beroep als ingelast en herhaald te beschouwen.
5.3.
De kernvraag in dit hoger beroep is wat daarbij is afgesproken over het honorarium en de kosten.
5.4.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat dezelfde financiële voorwaarden golden als voor de opdracht met betrekking tot huurder [persoon A] .
5.5.
In randnummer 11 van de memorie van grieven schrijven [appellanten] , voor zover hier van belang, het volgende:
“Via verhuurmakelaar [YY] is de opdracht verstrekt aan [geïntimeerde] om juridische bijstand te verlenen in de zaak [persoon A] . (…) [appellanten] heeft verzocht deze afspraak, onder dezelfde voorwaarden, te maken voor de zaak [persoon B] [onderstreping: hof].”
5.6.
Even verderop, in de randnummers 17 en 18 van de memorie van grieven zeggen [appellanten] :
“17. In de zaak [persoon A] , ten aanzien van [adres A] , hebben partijen afgesproken dat [geïntimeerde] eenderde van de ontvangen huurpenningen in rekening zou brengen, als tegenprestatie voor juridische dienstverlening vanuit [geïntimeerde] . In die zaak is een opdrachtbevestiging getekend op 4 april 2019.
18. Nadat [persoon B] een huurachterstand heeft opgebouwd heeft [appellanten] [geïntimeerde] wederom ingeschakeld. Besproken werd dat [appellanten] bereid was om een opdracht aan [geïntimeerde] te verstrekken, op basis van dezelfde voorwaarden als voor de zaak [persoon A] [onderstreping: hof]. Een schriftelijke opdrachtbevestiging in de zaak [persoon B] werd evenwel niet verzonden.”
5.7.
Het hof stelt vast dat [appellanten] exact hetzelfde stellen als wat [geïntimeerde] als verweer tegen hun vorderingen heeft aangevoerd: namelijk tegen [persoon B] zou tegen hetzelfde honorarium worden opgetreden als tegen [persoon A] . Wat de afspraken bij [persoon A] waren, is tussen partijen niet in geschil: een derde van de geïncasseerde opbrengst als honorarium, vermeerderd met btw en verschotten (opdrachtbevestiging [persoon A] , productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg). Ook niet in geschil is dat [geïntimeerde] in de zaak [persoon B] conform die parameters heeft gedeclareerd (zie r.o. 3.5). Tot slot blijkt uit de geciteerde passages dat het initiatief voor deze opdracht met deze prijsafspraak door [appellanten] is genomen. Dat er, zoals [appellanten] stellen, geen schriftelijke opdrachtbevestiging is opgesteld doet daar, als dat al klopt, niets aan af, aangezien tussen partijen ook mondeling een overeenkomst van opdracht tot stand kan komen.
5.8.
Het voorgaande maakt dat in deze procedure geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [geïntimeerde] conform de door [appellanten] aan haar gegeven opdracht met betrekking tot [persoon B] heeft gehandeld. Dat [geïntimeerde] daarbij bovendien het gewenste resultaat heeft behaald (betaling door [persoon B] ) staat vast.
5.9.
Nu [geïntimeerde] conform de aan haar gegeven opdracht heeft gehandeld en gedeclareerd kan enkel afwijzing van de vorderingen van [appellanten] volgen. Zij hebben immers geen recht op enige betaling, omdat [geïntimeerde] niet meer dan overeengekomen heeft gedeclareerd.
5.10.
Geen van de door [appellanten] geformuleerde grieven kan tot een ander oordeel leiden, zelfs niet als een of meer daarvan zou(den) slagen. Het hof zal een bespreking van de afzonderlijke grieven daarom achterwege laten.
Proceskosten
5.11.
Het hof zal [appellanten] , als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 349,00
Salaris advocaat € 3.035,00 (2,5 punten x tarief II)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.562,00
6De uitspraak
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in het hoger beroep van € 3.562,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van volledige betaling. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, bovendien vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening;
6.3.
verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, A.C. van Campen en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer