Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2569
2025-09-23
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.342.312_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:2569 → ECLI:NL:RBZWB:2024:1341
Inhoudsindicatie
Werkgever moet loon werknemer betalen over de periode dat werknemer situatief arbeidsongeschikt is geweest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.811 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.312/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
Car Store [YY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Car Store,
advocaat: voorheen mr. D. Alblas te Barendrecht (onttrokken),
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, gemeente Sluis,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 februari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen Car Store als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Waar gaat het geschil over?
[geïntimeerde] heeft in het kader van een arbeidsovereenkomst gewerkt voor Car Store. Die arbeidsovereenkomst is inmiddels geëindigd. Partijen strijden in hoger beroep over de vraag of de kantonrechter terecht Car Store heeft veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het loon over de periode dat er sprake was van (situatieve) arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] . Het hof is van oordeel dat de grief van Car Store tegen het vonnis van de kantonrechter niet slaagt en bekrachtigt het bestreden vonnis.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10271177/ CV EXPL 23-57)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep, met als bijlage het bestreden vonnis;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord met productie;
de mondelinge behandeling die op 24 juli 2025 heeft plaats gevonden.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
- Car Store is opgericht op 18 juli 2022 en exploiteert een garagebedrijf dat is
gevestigd aan [adres] (hierna: het adres van Car Store). Enig
bestuurder en aandeelhouder van Car Store is R-L-R B.V., kantoorhoudende op het adres
van Car Store (hierna: de holding). Enig bestuurder en aandeelhouder van de holding is [persoon A]
(hierna: [persoon A] ). [persoon A] is ook enig bestuurder (en voormalig enig
aandeelhouder) van [xx] Garage B.V. (hierna: ZBG), kantoorhoudende te
[A] . In de periode van 22 februari 2021 tot 23 juni 2022 was ZBG gevestigd op het
adres van Car Store en exploiteerde zij daar een garagebedrijf. ZBG is op 13 juni 2023
failliet verklaard.
- [geïntimeerde] is op l juni 2021 voor de duur van een jaar bij ZBG in dienst getreden in de
functie van allround medewerker, tegen een uurloon van € 10,80 bruto per uur exclusief 8%
vakantiebijslag. In de arbeidsovereenkomst is geen arbeidsomvang opgenomen. Artikel 3
(“Werktijden en plaats werkzaamheden ”) luidt als volgt: “Werknemer werkt als
oproepkracht.
I. Werkgever is verplicht werknemer op te roepen indien de overeengekomen
werkzaamheden voorhanden zijn.
2. Werknemer is verplicht aan een oproep van werkgever gehoor te geven.
3. Werkgever zal tijdig voordat de werkzaamheden aanvangen de oproep doen
plaatsvinden.
De werkzaamheden worden verricht te [YY] of op locatie door werkgever bepaald. "
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf
(hierna: de cao) van toepassing. In artikel 38 van de cao is bepaald: “De werknemer mag
voor iemand anders dan de werkgever werken of zelf een bedrijf starten buiten de
tijdstippen waarop de werknemer volgens zijn dienstrooster voor de werkgever werkt. De
werknemer moet dit wel vooraf melden bij de werkgever. De werkgever mag dit alleen
weigeren wanneer dit gerechtvaardigd is op grond van objectieve redenen. Aantekening:
Objectieve redenen zijn bijvoorbeeld: gezondheid en veiligheid, de bescherming van de
vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie of het vermijden van belangenconflicten. ”
- [geïntimeerde] is na 31 mei 2022 bij ZBG werkzaam gebleven.
- ZBG heeft [geïntimeerde] salarisspecificaties over de periode tot en met de maand juli 2022
verstrekt. Over de maanden augustus en september 2022 heeft [geïntimeerde] van Car Store
salarisspecificaties ontvangen.
- Car Store heeft [geïntimeerde] een voorstel gedaan voor een nieuwe arbeidsovereenkomst.
- Op 10, 13 en 16 oktober 2022 heeft Car Store aan [geïntimeerde] mededeling gedaan van
gewijzigde arbeidstijden. Op 14 oktober 2022 heeft [persoon A] aan [geïntimeerde] stukken overhandigd en
heeft [geïntimeerde] een verklaring ondertekend luidende:
“Bij deze bevestig ik [geïntimeerde] Dat ik onder gesloten omslag de volgende documenten
heb ontvangen
1) Copie onaangepast werk overeenkomst
2) Copie husregels en personeelshandboek
3) Een schrijven aan mij persoonlijk"
Het ‘schrijven’ betreft een brief met dagtekening 11 oktober 2022 waarin aan [geïntimeerde] is
meegedeeld:
“In bijlage uw onaangepaste Arbeids overeenkomst .
Wij wijzen u op het artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, wij stellen u hierbij u ook
nogmaals in kennis van Het personeels handboek waarvan we een exemplaar meesturen.
Wij attenderen u op Hoofdstuk 8 artikel 8.3
Wij eisen dan ook dat u uw neven werkzaamheden Bij don George in [B] en uw neven
activiteit in [C] (...) waar u een loods huurt om aan auto s te werken zonder Btw nr
of kvk nr en zonder milieu vergunning per direct stopt zet.
Voor uw werkzaamheden bij Dhl Heeft u wel onze toestemming verkregen, [volgt
handgeschreven tekst:] Op Di - Do en zaterdag [einde handgeschreven tekst]
Wij Zullen bij verder uitvoering van nevenwerkzaamheden zeker sancties ondernemen "
- Car Store heeft [geïntimeerde] bij brief van 18 oktober 2022, onder verwijzing naar de brief van 11 oktober 2022, een waarschuwing gegeven wegens werkweigering op maandag 17 oktober 2022 van 9.00 uur tot 10.00 uur en van 16. 15 uur tot 18.00 uur, roken op de werkvloer, gebruik maken van de mobiele telefoon tijdens werkuren, en het verrichten van ‘oneerlijke concurrentie werkzaamheden’, onder aanzegging van contractuele boetes en een ontslag op staande voet ingeval van herhaling.
- Car Store heeft op 17 oktober 2022 opdracht verleend aan Recherchebureau Zeeland
(hierna: RZ) voor een onderzoek naar [geïntimeerde] . RZ heeft op 3 november 2022 daarover
gerapporteerd.
- De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft Car Store bij brief van 19 oktober 2022
meegedeeld dat [geïntimeerde] niet is gebonden aan enig verbod op het verrichten van
nevenwerkzaamheden, dat Care Store zijn werktijden niet eenzijdig kan wijzigen, dat te
weinig loon is betaald en dat [geïntimeerde] zich vanwege spanningsklachten als gevolg van
intimiderend en bedreigend gedrag van [persoon A] ziekmeldt, met het verzoek om een bedrijfsarts
in te schakelen.
- Op 2 november 2022 heeft [geïntimeerde] met de bedrijfsarts gesproken. De bedrijfsarts
heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] situatief arbeidsongeschikt is en dat partijen moeten
proberen onderling tot een oplossing te komen.
- Car Store heeft op 4 november 2022 bij het UWV een aanvraag voor een
deskundigenoordeel ingediend. In deze aanvraag heeft zij vermeld:
"Dhr heeft 3 maal waarschuwing gehad wegens werkweigering vervolgens heeft hij zich
ziek gemeld via een advocaat
heeft als reden opgeven dat ik schreeuw tegen hem er zijn getuige verklaringen dat ik nooit
geschreeuwd heb tegen hem
Dhr was zonder kvk en btw nr een gelijk soort bedrijf begonnen waarbij hij tegen de cao
regels verstote en hebben hem daarop aangepsroken
toen heeft hij zich ziek gemeld
tijdens zijn ziekte ging hij volledig aan het werk Bij DHL waar hij op di -do- en zaterdag al
werkte
dus ook op de ziekte dagen bij ons bedrijf ging hij daar werken
tevens ging hij werken van 17.00 hr tot 23.30 bij Don George een choarma zaak als
bezorger
aangezien zijn werk bij ons voor 90 % ook met het rijden van voertuigen betrefd kan hij
perfect zijn werk blijven uitvoeren
hij weigert ook aan een re intregratie gesprek deel te nemmen. ”
- Het UWV heeft op 13 december 2022 het advies van de bedrijfsarts bevestigd en
geoordeeld dat [geïntimeerde] zijn eigen werk bij Car Store niet kon verrichten. De
verzekeringsgeneeskundige rapportage van 12 december 2022 luidt onder meer als volgt:
"De BA acht werknemer per 02 november 2022 volledig arbeidsgeschikt voor arbeid, maar
thans lijdt werken bij eigen werkgever zonder goede afspraken tot schade van de
gezondheid. De BA kan werknemer derhalve niet geschikt achten voor werken bij CAR
STORE [YY] B. V. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen werkgever
en werknemer. Werknemer geeft aan dat indien hij er weer gaat werken echt
arbeidsongeschikt raakt. De BA gaat hierin mee. Indien werkgever eist dat werknemer komt
werken, is de kans groot dat er reële ziekte uit voortvloeit wat de duur van de impasse
verlengt.
Volgens werknemer zijn de klachten werk gerelateerd.
Beperkingen van de betrokkene: situationeel niet in staat te werken bij CAR STORE
[YY] B. V., wel in staat tot werken bij de werkgever mits beide partijen samen tot
een oplossing komen.
Bij klant speelt medische problematiek.
Het is duidelijke dat er arbeidsrechtelijk problematiek is echter UWV doet hier geen
uitspraken over.
De vraag is nu: is er een medische reden om aan te nemen dat klant per 2 november 2022
ongeschikt is voor zijn werk. Het was duidelijk dat er medisch problematiek speelt. De
bedrijfsarts geeft aan dat er per 2 november 2022 een preventief aspect is om te stellen dat
klant niet arbeidsgeschikt is voor werken bij Car Store [YY] . Dit lijkt gezien klant zijn
medische problematiek op dat moment (2 november 2022) een terechte conclusie.
De conclusie is dan ook dat de bedrijfsarts een correct advies heeft gegeven wal betreft de
arbeidsongeschiktheid.”
- Aan het dienstverband van [geïntimeerde] met Car Store is op 31 mei 2023 van rechtswege een eind gekomen.
3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie veroordeling van Car Store bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 10.709,88 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 juni 2022 tot l oktober 2023, € 1.233,64 bruto aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente over € 4.525,18 vanaf de dag van dagvaarding (20 december 2022), met veroordeling van Car Store in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
daarover bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zowel [xx] Garage B.V. als Car Store hebben ten onrechte een te laag uurloon betaald. Bovendien heeft Car Store niet alle door [geïntimeerde] gewerkte uren uitbetaald. Vanaf 1 oktober 2022 tot einde dienstverband heeft Car Store in het geheel geen loon aan [geïntimeerde] betaald.
3.2.3.
Car Store heeft in conventie verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , althans tot matiging van de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten.. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In reconventie vordert Car Store vordert primair dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 166.000,00 aan boetes, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2022 dan wel vanaf de datum van het vonnis, dan wel subsidiair te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] de normen als bedoeld in artikel 7:611 BW en artikel 6:162 BW heeft geschonden en aansprakelijk is voor de door Car Store geleden en te lijden schade, op te maken bij staat, met (primair en subsidiair) veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.
Car Store heeft aan haar vorderingen in reconventie, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft zich schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie ten opzichte van Car Store. Hij heeft daarmee in strijd met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig en in strijd met zijn verplichting zich als een goed werknemer te gedragen gehandeld en is op grond daarvan boetes verschuldigd. Door toedoen van het handelen van [geïntimeerde] heeft Car Store (omzet)schade geleden.
3.2.4.
[geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd. Op dit verweer, voor zover in hoger beroep nog van belang of aan de orde, komt het hof hierna terug.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 26 april 2023 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.
3.2.6.
In het eindvonnis van 28 februari 2024 heeft de kantonrechter in conventie Car Store veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 8.614,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.525,18, met ingang van 20 december 2022, tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van Car Store in de proceskosten ad € 886,08, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak tot de dag van volledige betaling. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Car Store afgewezen, met veroordeling van Car Store in de proceskosten ad € 330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak tot de dag van volledige betaling.
3.3.
Car Store heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Car Store heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van [geïntimeerde] in zijn vorderingen dan wel het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties (inclusief nakosten).
3.4.
Omvang van het geschil in hoger beroep
Gelet op de (hierna inhoudelijk te bespreken) grief van Car Store, op het feit dat Car Store geen grief heeft gericht tegen de door de kantonrechter in reconventie gegeven oordelen (onder andere leidende tot afwijzing van alle vorderingen van Car Store) en op de inhoud van de in de memorie van grieven vermelde vordering in hoger beroep, komt het hof tot het oordeel dat het hoger beroep van Car Store alleen betrekking heeft op de beslissing van de kantonrechter over de verplichting van Car Store tot het doorbetalen van loon over de periode dat [geïntimeerde] (situatief) arbeidsongeschikt was. De overige, partijen in eerste aanleg verdeeld houdende geschilpunten en de oordelen van de kantonrechter daarover, zijn in hoger beroep daarom niet meer aan de orde.
3.5.
De door Car Store aangevoerde grief luidt als volgt.
Ten onrechte heeft de kantonrechter in r.o. 4.19. bepaald:
“Uit het advies van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV volgt dat
in oktober 2022 van [geïntimeerde] vanwege de verstoorde arbeidsrelatie met [persoon A] en de
(dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, redelijkerwijs niet kon worden
gevergd dat hij zijn werkzaamheden bij Car Store zou voortzetten. Dat deze situatie is
ontstaan, moet naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op wijze waarop Car
Store zich voorafgaand aan de ziekmelding jegens [geïntimeerde] heeft opgesteld, voor haar
rekening komen. Van Car Store had mogen verwacht dat zij zich als goed werkgever
zou hebben ingespannen om een conflict met [geïntimeerde] te voorkomen en dat zij daartoe
met hem in gesprek zou zijn gegaan over zijn nevenwerkzaamheden en de vraag hoe
deze zich verhouden tot hetgeen daarover in de cao is bepaald. Dat zij zich daartoe
daadwerkelijk heeft ingespannen is niet gebleken, integendeel. Car Store heeft met
haar handelwijze niet op een oplossing, maar op verdere escalatie van het conflict
aangestuurd. Dat klemt te meer omdat [geïntimeerde] al vanaf 1 juni 2021 voor [persoon A]
werkzaam was en zij volgens Car Store zelf tot medio 2022 een goede arbeidsrelatie
hadden, en [geïntimeerde] bovendien onweersproken heeft gesteld dat bij zijn indiensttreding
in 2021 al met [persoon A] is gesproken over het verrichten van nevenwerkzaamheden. Het
had dan ook op de weg van Car Store gelegen om eerst met [geïntimeerde] , al dan niet met
tussenkomst van een derde, in gesprek te gaan. Car Store heeft geen feiten en
omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijs niet (meer) van haar kon worden gevergd. Ook nadat [geïntimeerde] was
uitgevallen en de bedrijfsarts had geadviseerd om tot onderling overleg te komen,
heeft Car Store zich daartoe niet ingespannen. Van enige poging daartoe,
bijvoorbeeld via mediation, is niet gebleken. Het verweer van Car Store dat [geïntimeerde] er
zelf voor heeft gekozen niet meer te komen werken en hij niet aan zijn re-integratie-verplichtingen heeft voldaan, gaat niet op. Dat [geïntimeerde] na zijn ziekmelding
geen werkzaamheden meer voor Car Store heeft verricht, maar wel (en volgens Car
Store meer dan voorheen) voor DHL en Don George maakt dat niet anders. Het gaat
hier immers niet om arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, maar om situationele
arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit de verstoorde arbeidsverhouding tussen [persoon A]
en [geïntimeerde] . Niet gebleken is dat Car Store op énig moment na 19 oktober 2022 heeft
geprobeerd de oorzaken van de situationele arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] weg te
nemen en dat [geïntimeerde] daaraan onvoldoende heeft willen meewerken."
In de toelichting op de grief heeft Car Store, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het ligt op de weg van [geïntimeerde] om te onderbouwen dat de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging) van psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd zijn werkzaamheden te verrichten. De werknemer is daarbij in beginsel gehouden om alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken hiervan weg te nemen. In dat geval behoudt hij zijn recht op loon op grond van artikel 7:628 BW.
Uit niets blijkt volgens Car Store dat [geïntimeerde] medewerking heeft verleend aan de eenvoudige eis van Car Store om de door hem verrichte (concurrerende) nevenwerkzaamheden per direct te staken. De weigering van Car Store om toestemming te geven voor die concurrerende en onrechtmatige) werkzaamheden was objectief gerechtvaardigd (als bedoeld in artikel 38 van de toepasselijke CAO), omdat die werkzaamheden onrechtmatig waren en het bedrijfsdebiet van Car Store schaadden. [geïntimeerde] weigerde ondanks uitnodiging daartoe het gesprek hierover aan te gaan. Car Store heeft niet ten onrechte de zaak op scherp gezet, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. Het heeft dus niet aan Car Store gelegen dat [geïntimeerde] niet kon terugkeren op de werkvloer.
3.6.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
[geïntimeerde] voert aan dat hij voldoende heeft aangetoond en onderbouwd dat er sprake was van situatieve arbeidsongeschiktheid. Hij verwijst hierbij onder meer naar het advies van de bedrijfsarts (productie 13 inleidende dagvaarding) en naar de inhoud van het door Car Store gevraagde deskundigenoordeel van het UWV (productie 3 conclusie van antwoord in conventie). Dat hij niet terug aan het werk kon bij Car Store kwam niet door de nevenwerkzaamheden die hij verrichtte, maar door het schreeuwen, intimideren en bedreigen door de heer [persoon A] van Car Store. Er was geen veilige werkomgeving meer, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betwist dat hij zijn medewerking heeft geweigerd aan inspanningen die gericht waren op het wegnemen van het gevoel van onveiligheid bij [geïntimeerde] . Het is volgens [geïntimeerde] juist Car Store geweest dat zich niet gericht heeft op een oplossing, maar op conflict en escalatie.
Car Store heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter in overweging 4.20 van het bestreden vonnis, inhoudende dat Car Store haar stelling dat er sprake is van onrechtmatig handelen of strijd met goed werknemerschap onvoldoende heeft onderbouwd. Car Store kan de beweerde onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] en/of het zich niet gedragen als goed werknemer niet ten grondslag leggen aan haar stelling, dat re-integratie van [geïntimeerde] niet mogelijk was omdat hij het onrechtmatige van zijn handelen niet inzag en het dus aan [geïntimeerde] heeft gelegen dat de situatieve arbeidsongeschiktheid voortduurde.
3.7.
Het hof is van oordeel dat de grief niet slaagt en overweegt daarvoor het volgende.
3.7.1.
In artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te betalen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
Een werknemer heeft ook recht op loondoorbetaling indien hij situatief arbeidsongeschikt is als gevolg van arbeidsomstandigheden waarvan de oorzaak in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen en deze voor de werknemer zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. Daarbij geldt dat de werknemer alle medewerking moet verlenen aan het wegnemen van de oorzaak (vergelijk Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:BC7669).
3.7.2.
Vast staat dat [geïntimeerde] zich bij brief van zijn advocaat van 19 oktober 2022 (productie 12 inleidende dagvaarding) ziek heeft gemeld. Hij stelt arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van de arbeidsomstandigheden bij Car Store. Zijn standpunt wordt vervolgens bevestigd door zowel de bedrijfsarts (zie productie 13 inleidende dagvaarding) als door het UWV (zie het deskundigenoordeel dat als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie is overgelegd).
In de kern heeft Car Store hier niets anders tegen ingebracht dan dat zij volgens haar gelijk heeft in de discussie over de vraag of er sprake was van ontoelaatbare nevenwerkzaamheden van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] zich in dat standpunt had moeten schikken. Daarmee gaat Car Store ten onrechte voorbij aan het feit dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie die mede is ingegeven door de handelwijze van Car Store. Het hof wijst hierbij op de inhoud van de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 19 oktober 2022, waaruit blijkt dat er sprake was van een aantal geschilpunten (onder andere over eenzijdige wijziging door Car Store van de arbeidsovereenkomst en de arbeidsuren), waarbij [geïntimeerde] zich door de opstelling van de heer [persoon A] van Car Store bedreigd en geïntimideerd heeft gevoeld, met als gevolg dat hij zich geestelijk en lichamelijk niet meer in staat voelde om bij Car Store te komen werken. Ook bleek Car Store een recherchebureau te hebben ingeschakeld. Dit bureau heeft [geïntimeerde] op een tweetal data (26 en 27 oktober 2022, zie pagina 3 van het als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie overgelegde rapport van het recherchebureau) geobserveerd. Dat dit heimelijk observeren in opdracht van Car Store negatieve invloed op de arbeidsrelatie en de mogelijkheden van [geïntimeerde] om weer bij Car Store aan de slag te gaan heeft gehad acht het hof meer dan aannemelijk.
Van Car Store had als goed werkgever mogen worden verwacht dat zij zich had ingespannen om een conflict met [geïntimeerde] te voorkomen. Van daadwerkelijke op een oplossing voor de gerezen discussie gerichte inspanningen van Car Store is niet gebleken en Car Store heeft geen pogingen ondernomen om constructief met [geïntimeerde] in gesprek te komen over de kwestie van de nevenwerkzaamheden. In de kern laat de opstelling van Car Store zich samenvatten/beperken als “meteen stoppen met de nevenwerkzaamheden, anders volgen er zeker sancties”.
Zoals ook de kantonrechter terecht heeft overwogen (tegen welke overweging Car Store geen althans geen onderbouwde grief heeft gericht), heeft Car Store zich ook nadat [geïntimeerde] was uitgevallen en de bedrijfsarts had geadviseerd om er in onderling overleg uit te komen niet daadwerkelijk ingespannen om het conflict op de een of andere manier (bijvoorbeeld door mediation) op te lossen en daarmee de oorzaken van de situatieve arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] weg te nemen. Bij gebreke van dergelijke oplossingsgerichte initiatieven van Car Store, kan [geïntimeerde] niet worden verweten, zoals Car Store doet, dat hij onvoldoende daaraan heeft willen meewerken.
3.7.3.
De conclusie is dat de grief van Car Store faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
3.7.4.
Het hof zal Car Store, omdat het hof haar in hoger beroep in het ongelijk stelt, veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Het salaris van de advocaat begroot het hof op € 1.716,00 (2 punten x tarief I).
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het op 28 februari 2024 door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, tussen partijen gewezen vonnis;
veroordeelt Car Store in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.065,00, te weten € 349,00 aan griffierecht en € 1.716,00 aan salaris advocaat en veroordeelt Car Store tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak van dit arrest;
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, J.M.H. Schoenmakers en A.E. Bos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.312/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
Car Store [YY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Car Store,
advocaat: voorheen mr. D. Alblas te Barendrecht (onttrokken),
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, gemeente Sluis,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 februari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen Car Store als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Waar gaat het geschil over?
[geïntimeerde] heeft in het kader van een arbeidsovereenkomst gewerkt voor Car Store. Die arbeidsovereenkomst is inmiddels geëindigd. Partijen strijden in hoger beroep over de vraag of de kantonrechter terecht Car Store heeft veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het loon over de periode dat er sprake was van (situatieve) arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] . Het hof is van oordeel dat de grief van Car Store tegen het vonnis van de kantonrechter niet slaagt en bekrachtigt het bestreden vonnis.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10271177/ CV EXPL 23-57)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep, met als bijlage het bestreden vonnis;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord met productie;
de mondelinge behandeling die op 24 juli 2025 heeft plaats gevonden.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
- Car Store is opgericht op 18 juli 2022 en exploiteert een garagebedrijf dat is
gevestigd aan [adres] (hierna: het adres van Car Store). Enig
bestuurder en aandeelhouder van Car Store is R-L-R B.V., kantoorhoudende op het adres
van Car Store (hierna: de holding). Enig bestuurder en aandeelhouder van de holding is [persoon A]
(hierna: [persoon A] ). [persoon A] is ook enig bestuurder (en voormalig enig
aandeelhouder) van [xx] Garage B.V. (hierna: ZBG), kantoorhoudende te
[A] . In de periode van 22 februari 2021 tot 23 juni 2022 was ZBG gevestigd op het
adres van Car Store en exploiteerde zij daar een garagebedrijf. ZBG is op 13 juni 2023
failliet verklaard.
- [geïntimeerde] is op l juni 2021 voor de duur van een jaar bij ZBG in dienst getreden in de
functie van allround medewerker, tegen een uurloon van € 10,80 bruto per uur exclusief 8%
vakantiebijslag. In de arbeidsovereenkomst is geen arbeidsomvang opgenomen. Artikel 3
(“Werktijden en plaats werkzaamheden ”) luidt als volgt: “Werknemer werkt als
oproepkracht.
I. Werkgever is verplicht werknemer op te roepen indien de overeengekomen
werkzaamheden voorhanden zijn.
2. Werknemer is verplicht aan een oproep van werkgever gehoor te geven.
3. Werkgever zal tijdig voordat de werkzaamheden aanvangen de oproep doen
plaatsvinden.
De werkzaamheden worden verricht te [YY] of op locatie door werkgever bepaald. "
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf
(hierna: de cao) van toepassing. In artikel 38 van de cao is bepaald: “De werknemer mag
voor iemand anders dan de werkgever werken of zelf een bedrijf starten buiten de
tijdstippen waarop de werknemer volgens zijn dienstrooster voor de werkgever werkt. De
werknemer moet dit wel vooraf melden bij de werkgever. De werkgever mag dit alleen
weigeren wanneer dit gerechtvaardigd is op grond van objectieve redenen. Aantekening:
Objectieve redenen zijn bijvoorbeeld: gezondheid en veiligheid, de bescherming van de
vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie of het vermijden van belangenconflicten. ”
- [geïntimeerde] is na 31 mei 2022 bij ZBG werkzaam gebleven.
- ZBG heeft [geïntimeerde] salarisspecificaties over de periode tot en met de maand juli 2022
verstrekt. Over de maanden augustus en september 2022 heeft [geïntimeerde] van Car Store
salarisspecificaties ontvangen.
- Car Store heeft [geïntimeerde] een voorstel gedaan voor een nieuwe arbeidsovereenkomst.
- Op 10, 13 en 16 oktober 2022 heeft Car Store aan [geïntimeerde] mededeling gedaan van
gewijzigde arbeidstijden. Op 14 oktober 2022 heeft [persoon A] aan [geïntimeerde] stukken overhandigd en
heeft [geïntimeerde] een verklaring ondertekend luidende:
“Bij deze bevestig ik [geïntimeerde] Dat ik onder gesloten omslag de volgende documenten
heb ontvangen
1) Copie onaangepast werk overeenkomst
2) Copie husregels en personeelshandboek
3) Een schrijven aan mij persoonlijk"
Het ‘schrijven’ betreft een brief met dagtekening 11 oktober 2022 waarin aan [geïntimeerde] is
meegedeeld:
“In bijlage uw onaangepaste Arbeids overeenkomst .
Wij wijzen u op het artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, wij stellen u hierbij u ook
nogmaals in kennis van Het personeels handboek waarvan we een exemplaar meesturen.
Wij attenderen u op Hoofdstuk 8 artikel 8.3
Wij eisen dan ook dat u uw neven werkzaamheden Bij don George in [B] en uw neven
activiteit in [C] (...) waar u een loods huurt om aan auto s te werken zonder Btw nr
of kvk nr en zonder milieu vergunning per direct stopt zet.
Voor uw werkzaamheden bij Dhl Heeft u wel onze toestemming verkregen, [volgt
handgeschreven tekst:] Op Di - Do en zaterdag [einde handgeschreven tekst]
Wij Zullen bij verder uitvoering van nevenwerkzaamheden zeker sancties ondernemen "
- Car Store heeft [geïntimeerde] bij brief van 18 oktober 2022, onder verwijzing naar de brief van 11 oktober 2022, een waarschuwing gegeven wegens werkweigering op maandag 17 oktober 2022 van 9.00 uur tot 10.00 uur en van 16. 15 uur tot 18.00 uur, roken op de werkvloer, gebruik maken van de mobiele telefoon tijdens werkuren, en het verrichten van ‘oneerlijke concurrentie werkzaamheden’, onder aanzegging van contractuele boetes en een ontslag op staande voet ingeval van herhaling.
- Car Store heeft op 17 oktober 2022 opdracht verleend aan Recherchebureau Zeeland
(hierna: RZ) voor een onderzoek naar [geïntimeerde] . RZ heeft op 3 november 2022 daarover
gerapporteerd.
- De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft Car Store bij brief van 19 oktober 2022
meegedeeld dat [geïntimeerde] niet is gebonden aan enig verbod op het verrichten van
nevenwerkzaamheden, dat Care Store zijn werktijden niet eenzijdig kan wijzigen, dat te
weinig loon is betaald en dat [geïntimeerde] zich vanwege spanningsklachten als gevolg van
intimiderend en bedreigend gedrag van [persoon A] ziekmeldt, met het verzoek om een bedrijfsarts
in te schakelen.
- Op 2 november 2022 heeft [geïntimeerde] met de bedrijfsarts gesproken. De bedrijfsarts
heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] situatief arbeidsongeschikt is en dat partijen moeten
proberen onderling tot een oplossing te komen.
- Car Store heeft op 4 november 2022 bij het UWV een aanvraag voor een
deskundigenoordeel ingediend. In deze aanvraag heeft zij vermeld:
"Dhr heeft 3 maal waarschuwing gehad wegens werkweigering vervolgens heeft hij zich
ziek gemeld via een advocaat
heeft als reden opgeven dat ik schreeuw tegen hem er zijn getuige verklaringen dat ik nooit
geschreeuwd heb tegen hem
Dhr was zonder kvk en btw nr een gelijk soort bedrijf begonnen waarbij hij tegen de cao
regels verstote en hebben hem daarop aangepsroken
toen heeft hij zich ziek gemeld
tijdens zijn ziekte ging hij volledig aan het werk Bij DHL waar hij op di -do- en zaterdag al
werkte
dus ook op de ziekte dagen bij ons bedrijf ging hij daar werken
tevens ging hij werken van 17.00 hr tot 23.30 bij Don George een choarma zaak als
bezorger
aangezien zijn werk bij ons voor 90 % ook met het rijden van voertuigen betrefd kan hij
perfect zijn werk blijven uitvoeren
hij weigert ook aan een re intregratie gesprek deel te nemmen. ”
- Het UWV heeft op 13 december 2022 het advies van de bedrijfsarts bevestigd en
geoordeeld dat [geïntimeerde] zijn eigen werk bij Car Store niet kon verrichten. De
verzekeringsgeneeskundige rapportage van 12 december 2022 luidt onder meer als volgt:
"De BA acht werknemer per 02 november 2022 volledig arbeidsgeschikt voor arbeid, maar
thans lijdt werken bij eigen werkgever zonder goede afspraken tot schade van de
gezondheid. De BA kan werknemer derhalve niet geschikt achten voor werken bij CAR
STORE [YY] B. V. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen werkgever
en werknemer. Werknemer geeft aan dat indien hij er weer gaat werken echt
arbeidsongeschikt raakt. De BA gaat hierin mee. Indien werkgever eist dat werknemer komt
werken, is de kans groot dat er reële ziekte uit voortvloeit wat de duur van de impasse
verlengt.
Volgens werknemer zijn de klachten werk gerelateerd.
Beperkingen van de betrokkene: situationeel niet in staat te werken bij CAR STORE
[YY] B. V., wel in staat tot werken bij de werkgever mits beide partijen samen tot
een oplossing komen.
Bij klant speelt medische problematiek.
Het is duidelijke dat er arbeidsrechtelijk problematiek is echter UWV doet hier geen
uitspraken over.
De vraag is nu: is er een medische reden om aan te nemen dat klant per 2 november 2022
ongeschikt is voor zijn werk. Het was duidelijk dat er medisch problematiek speelt. De
bedrijfsarts geeft aan dat er per 2 november 2022 een preventief aspect is om te stellen dat
klant niet arbeidsgeschikt is voor werken bij Car Store [YY] . Dit lijkt gezien klant zijn
medische problematiek op dat moment (2 november 2022) een terechte conclusie.
De conclusie is dan ook dat de bedrijfsarts een correct advies heeft gegeven wal betreft de
arbeidsongeschiktheid.”
- Aan het dienstverband van [geïntimeerde] met Car Store is op 31 mei 2023 van rechtswege een eind gekomen.
3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie veroordeling van Car Store bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 10.709,88 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 juni 2022 tot l oktober 2023, € 1.233,64 bruto aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente over € 4.525,18 vanaf de dag van dagvaarding (20 december 2022), met veroordeling van Car Store in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
daarover bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zowel [xx] Garage B.V. als Car Store hebben ten onrechte een te laag uurloon betaald. Bovendien heeft Car Store niet alle door [geïntimeerde] gewerkte uren uitbetaald. Vanaf 1 oktober 2022 tot einde dienstverband heeft Car Store in het geheel geen loon aan [geïntimeerde] betaald.
3.2.3.
Car Store heeft in conventie verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , althans tot matiging van de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten.. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In reconventie vordert Car Store vordert primair dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 166.000,00 aan boetes, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2022 dan wel vanaf de datum van het vonnis, dan wel subsidiair te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] de normen als bedoeld in artikel 7:611 BW en artikel 6:162 BW heeft geschonden en aansprakelijk is voor de door Car Store geleden en te lijden schade, op te maken bij staat, met (primair en subsidiair) veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.
Car Store heeft aan haar vorderingen in reconventie, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft zich schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie ten opzichte van Car Store. Hij heeft daarmee in strijd met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig en in strijd met zijn verplichting zich als een goed werknemer te gedragen gehandeld en is op grond daarvan boetes verschuldigd. Door toedoen van het handelen van [geïntimeerde] heeft Car Store (omzet)schade geleden.
3.2.4.
[geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd. Op dit verweer, voor zover in hoger beroep nog van belang of aan de orde, komt het hof hierna terug.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 26 april 2023 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.
3.2.6.
In het eindvonnis van 28 februari 2024 heeft de kantonrechter in conventie Car Store veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 8.614,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.525,18, met ingang van 20 december 2022, tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van Car Store in de proceskosten ad € 886,08, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak tot de dag van volledige betaling. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Car Store afgewezen, met veroordeling van Car Store in de proceskosten ad € 330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak tot de dag van volledige betaling.
3.3.
Car Store heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Car Store heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van [geïntimeerde] in zijn vorderingen dan wel het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties (inclusief nakosten).
3.4.
Omvang van het geschil in hoger beroep
Gelet op de (hierna inhoudelijk te bespreken) grief van Car Store, op het feit dat Car Store geen grief heeft gericht tegen de door de kantonrechter in reconventie gegeven oordelen (onder andere leidende tot afwijzing van alle vorderingen van Car Store) en op de inhoud van de in de memorie van grieven vermelde vordering in hoger beroep, komt het hof tot het oordeel dat het hoger beroep van Car Store alleen betrekking heeft op de beslissing van de kantonrechter over de verplichting van Car Store tot het doorbetalen van loon over de periode dat [geïntimeerde] (situatief) arbeidsongeschikt was. De overige, partijen in eerste aanleg verdeeld houdende geschilpunten en de oordelen van de kantonrechter daarover, zijn in hoger beroep daarom niet meer aan de orde.
3.5.
De door Car Store aangevoerde grief luidt als volgt.
Ten onrechte heeft de kantonrechter in r.o. 4.19. bepaald:
“Uit het advies van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV volgt dat
in oktober 2022 van [geïntimeerde] vanwege de verstoorde arbeidsrelatie met [persoon A] en de
(dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, redelijkerwijs niet kon worden
gevergd dat hij zijn werkzaamheden bij Car Store zou voortzetten. Dat deze situatie is
ontstaan, moet naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op wijze waarop Car
Store zich voorafgaand aan de ziekmelding jegens [geïntimeerde] heeft opgesteld, voor haar
rekening komen. Van Car Store had mogen verwacht dat zij zich als goed werkgever
zou hebben ingespannen om een conflict met [geïntimeerde] te voorkomen en dat zij daartoe
met hem in gesprek zou zijn gegaan over zijn nevenwerkzaamheden en de vraag hoe
deze zich verhouden tot hetgeen daarover in de cao is bepaald. Dat zij zich daartoe
daadwerkelijk heeft ingespannen is niet gebleken, integendeel. Car Store heeft met
haar handelwijze niet op een oplossing, maar op verdere escalatie van het conflict
aangestuurd. Dat klemt te meer omdat [geïntimeerde] al vanaf 1 juni 2021 voor [persoon A]
werkzaam was en zij volgens Car Store zelf tot medio 2022 een goede arbeidsrelatie
hadden, en [geïntimeerde] bovendien onweersproken heeft gesteld dat bij zijn indiensttreding
in 2021 al met [persoon A] is gesproken over het verrichten van nevenwerkzaamheden. Het
had dan ook op de weg van Car Store gelegen om eerst met [geïntimeerde] , al dan niet met
tussenkomst van een derde, in gesprek te gaan. Car Store heeft geen feiten en
omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijs niet (meer) van haar kon worden gevergd. Ook nadat [geïntimeerde] was
uitgevallen en de bedrijfsarts had geadviseerd om tot onderling overleg te komen,
heeft Car Store zich daartoe niet ingespannen. Van enige poging daartoe,
bijvoorbeeld via mediation, is niet gebleken. Het verweer van Car Store dat [geïntimeerde] er
zelf voor heeft gekozen niet meer te komen werken en hij niet aan zijn re-integratie-verplichtingen heeft voldaan, gaat niet op. Dat [geïntimeerde] na zijn ziekmelding
geen werkzaamheden meer voor Car Store heeft verricht, maar wel (en volgens Car
Store meer dan voorheen) voor DHL en Don George maakt dat niet anders. Het gaat
hier immers niet om arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, maar om situationele
arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit de verstoorde arbeidsverhouding tussen [persoon A]
en [geïntimeerde] . Niet gebleken is dat Car Store op énig moment na 19 oktober 2022 heeft
geprobeerd de oorzaken van de situationele arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] weg te
nemen en dat [geïntimeerde] daaraan onvoldoende heeft willen meewerken."
In de toelichting op de grief heeft Car Store, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het ligt op de weg van [geïntimeerde] om te onderbouwen dat de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging) van psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd zijn werkzaamheden te verrichten. De werknemer is daarbij in beginsel gehouden om alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken hiervan weg te nemen. In dat geval behoudt hij zijn recht op loon op grond van artikel 7:628 BW.
Uit niets blijkt volgens Car Store dat [geïntimeerde] medewerking heeft verleend aan de eenvoudige eis van Car Store om de door hem verrichte (concurrerende) nevenwerkzaamheden per direct te staken. De weigering van Car Store om toestemming te geven voor die concurrerende en onrechtmatige) werkzaamheden was objectief gerechtvaardigd (als bedoeld in artikel 38 van de toepasselijke CAO), omdat die werkzaamheden onrechtmatig waren en het bedrijfsdebiet van Car Store schaadden. [geïntimeerde] weigerde ondanks uitnodiging daartoe het gesprek hierover aan te gaan. Car Store heeft niet ten onrechte de zaak op scherp gezet, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. Het heeft dus niet aan Car Store gelegen dat [geïntimeerde] niet kon terugkeren op de werkvloer.
3.6.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
[geïntimeerde] voert aan dat hij voldoende heeft aangetoond en onderbouwd dat er sprake was van situatieve arbeidsongeschiktheid. Hij verwijst hierbij onder meer naar het advies van de bedrijfsarts (productie 13 inleidende dagvaarding) en naar de inhoud van het door Car Store gevraagde deskundigenoordeel van het UWV (productie 3 conclusie van antwoord in conventie). Dat hij niet terug aan het werk kon bij Car Store kwam niet door de nevenwerkzaamheden die hij verrichtte, maar door het schreeuwen, intimideren en bedreigen door de heer [persoon A] van Car Store. Er was geen veilige werkomgeving meer, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betwist dat hij zijn medewerking heeft geweigerd aan inspanningen die gericht waren op het wegnemen van het gevoel van onveiligheid bij [geïntimeerde] . Het is volgens [geïntimeerde] juist Car Store geweest dat zich niet gericht heeft op een oplossing, maar op conflict en escalatie.
Car Store heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter in overweging 4.20 van het bestreden vonnis, inhoudende dat Car Store haar stelling dat er sprake is van onrechtmatig handelen of strijd met goed werknemerschap onvoldoende heeft onderbouwd. Car Store kan de beweerde onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] en/of het zich niet gedragen als goed werknemer niet ten grondslag leggen aan haar stelling, dat re-integratie van [geïntimeerde] niet mogelijk was omdat hij het onrechtmatige van zijn handelen niet inzag en het dus aan [geïntimeerde] heeft gelegen dat de situatieve arbeidsongeschiktheid voortduurde.
3.7.
Het hof is van oordeel dat de grief niet slaagt en overweegt daarvoor het volgende.
3.7.1.
In artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te betalen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
Een werknemer heeft ook recht op loondoorbetaling indien hij situatief arbeidsongeschikt is als gevolg van arbeidsomstandigheden waarvan de oorzaak in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen en deze voor de werknemer zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. Daarbij geldt dat de werknemer alle medewerking moet verlenen aan het wegnemen van de oorzaak (vergelijk Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:BC7669).
3.7.2.
Vast staat dat [geïntimeerde] zich bij brief van zijn advocaat van 19 oktober 2022 (productie 12 inleidende dagvaarding) ziek heeft gemeld. Hij stelt arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van de arbeidsomstandigheden bij Car Store. Zijn standpunt wordt vervolgens bevestigd door zowel de bedrijfsarts (zie productie 13 inleidende dagvaarding) als door het UWV (zie het deskundigenoordeel dat als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie is overgelegd).
In de kern heeft Car Store hier niets anders tegen ingebracht dan dat zij volgens haar gelijk heeft in de discussie over de vraag of er sprake was van ontoelaatbare nevenwerkzaamheden van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] zich in dat standpunt had moeten schikken. Daarmee gaat Car Store ten onrechte voorbij aan het feit dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie die mede is ingegeven door de handelwijze van Car Store. Het hof wijst hierbij op de inhoud van de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 19 oktober 2022, waaruit blijkt dat er sprake was van een aantal geschilpunten (onder andere over eenzijdige wijziging door Car Store van de arbeidsovereenkomst en de arbeidsuren), waarbij [geïntimeerde] zich door de opstelling van de heer [persoon A] van Car Store bedreigd en geïntimideerd heeft gevoeld, met als gevolg dat hij zich geestelijk en lichamelijk niet meer in staat voelde om bij Car Store te komen werken. Ook bleek Car Store een recherchebureau te hebben ingeschakeld. Dit bureau heeft [geïntimeerde] op een tweetal data (26 en 27 oktober 2022, zie pagina 3 van het als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie overgelegde rapport van het recherchebureau) geobserveerd. Dat dit heimelijk observeren in opdracht van Car Store negatieve invloed op de arbeidsrelatie en de mogelijkheden van [geïntimeerde] om weer bij Car Store aan de slag te gaan heeft gehad acht het hof meer dan aannemelijk.
Van Car Store had als goed werkgever mogen worden verwacht dat zij zich had ingespannen om een conflict met [geïntimeerde] te voorkomen. Van daadwerkelijke op een oplossing voor de gerezen discussie gerichte inspanningen van Car Store is niet gebleken en Car Store heeft geen pogingen ondernomen om constructief met [geïntimeerde] in gesprek te komen over de kwestie van de nevenwerkzaamheden. In de kern laat de opstelling van Car Store zich samenvatten/beperken als “meteen stoppen met de nevenwerkzaamheden, anders volgen er zeker sancties”.
Zoals ook de kantonrechter terecht heeft overwogen (tegen welke overweging Car Store geen althans geen onderbouwde grief heeft gericht), heeft Car Store zich ook nadat [geïntimeerde] was uitgevallen en de bedrijfsarts had geadviseerd om er in onderling overleg uit te komen niet daadwerkelijk ingespannen om het conflict op de een of andere manier (bijvoorbeeld door mediation) op te lossen en daarmee de oorzaken van de situatieve arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] weg te nemen. Bij gebreke van dergelijke oplossingsgerichte initiatieven van Car Store, kan [geïntimeerde] niet worden verweten, zoals Car Store doet, dat hij onvoldoende daaraan heeft willen meewerken.
3.7.3.
De conclusie is dat de grief van Car Store faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
3.7.4.
Het hof zal Car Store, omdat het hof haar in hoger beroep in het ongelijk stelt, veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Het salaris van de advocaat begroot het hof op € 1.716,00 (2 punten x tarief I).
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het op 28 februari 2024 door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, tussen partijen gewezen vonnis;
veroordeelt Car Store in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.065,00, te weten € 349,00 aan griffierecht en € 1.716,00 aan salaris advocaat en veroordeelt Car Store tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak van dit arrest;
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, J.M.H. Schoenmakers en A.E. Bos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer