Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:209

2025-01-28 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 200.346.190_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-01-28
Publicatiedatum
2025-01-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.346.190_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Griffierecht te laat voldaan. Toepassing hardheidsclausule.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.531 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.346.190/01




arrest van 28 januari 2025




in de zaak van



1. [bewindvoerder A]handelend onder de naam [bedrijf A] , gevestigd te [vestigingsplaats] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [persoon A] en [persoon B] tot 5 november 2024, en vanaf 5 november 2024 als procespartijen:
2. [persoon A] ,
3. [persoon B] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: de bewindvoerder respectievelijk [persoon A] , [persoon B] en gezamenlijk [appellanten] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven ,



tegen





[stichting XX] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [stichting XX] ,
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven ,



op het bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 mei 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats [vestigingsplaats] , gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en [stichting XX] als eiseres.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10817124 CV EXPL 24-761)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
De bewindvoerder heeft bij voormeld exploot [stichting XX] gedagvaard te verschijnen op de zitting van dit hof van 24 september 2024. De zaak is ook op de rol van die datum ingeschreven. Ter zake het verschuldigde griffierecht heeft de zaak ter controle van betaling van het griffierecht op de rol gestaan van 22 oktober 2024 en 29 oktober 2024. Op de rol van 5 november 2024 is geconstateerd dat de bewindvoerder het griffierecht nog niet had voldaan en is de zaak voor ‘Afwachten griffierecht appellant’ gezet. Op de rol van 12 november 2024 is geconstateerd dat de bewindvoerder het griffierecht niet tijdig had voldaan.



2.2.
De zaak is vervolgens conform de bepalingen van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) verwezen naar de rol van 26 november 2024 voor akte partijen. [appellanten] konden zich uitlaten over toepassing van artikel 127a lid 3 Rv en [stichting XX] kon zich uitlaten over een voorgenomen incidenteel appel. Op die rol hebben [appellanten] en [stichting XX] een akte genomen.



2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





3De beoordeling


3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) dienden [appellanten] het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldatum
– 24 september 2024 – te voldoen, dus uiterlijk op 22 oktober 2024. Op grond van artikel 2.5 van het LPR is die betalingstermijn met twee weken verlengd. Dat betekent dat het griffierecht van [appellanten] uiterlijk op 5 november 2024 had moeten zijn voldaan.




3.2.
Uit de opgave van de financiële administratie is gebleken dat [appellanten] het griffierecht in deze zaak op 6 november 2024 hebben betaald. Dat is (één dag) te laat.



3.3.


[appellanten] hebben in hun akte over toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 127a lid 3 Rv het volgende aangevoerd.
Op 4 november 2024 heeft de bewindvoerder de advocaat van [appellanten] bericht dat zij niet voldoende geld heeft om de griffienota te kunnen betalen, dat zij bezig is hiervoor bijzondere bijstand bij de gemeente aan te vragen en dat de nota wordt voldaan zodra het mogelijk is. Het beschermingsbewind is op verzoek van de bewindvoerder met ingang van 5 november 2024 opgeheven.
Bij H16-formulier van 5 november 2024 bericht de advocaat van [appellanten] het hof dat het griffierecht die dag zal worden voldaan. Hij geeft hierbij onder meer aan dat [appellanten] in een financieel moeilijke situatie zaten omdat [persoon B] tijdelijk geen inkomen had vanwege een medische ingreep in het buitenland en dat de huur te ver vooruit wordt betaald.
Bij akte stellen [appellanten] dat zij voor kwijtschelding van het griffierecht in aanmerking komen nu de bewindvoerder bezig is om bijzondere bijstand voor het griffierecht aan te vragen.
Verder heeft de advocaat van [appellanten] , om te voorkomen dat [appellanten] zouden worden ontslagen, toegezegd het griffierecht te zullen voldoen. Hoewel hij op het genoemde H16-formulier van 5 november 2024 heeft aangegeven dat het griffierecht die dag voldaan zou worden, omdat hij in de veronderstelling was dat de betaaltermijn uit de eerste aanmaning (dagtekening 23 oktober 2024, ontvangen op 29 oktober 2024) diezelfde dag nog zou aflopen, bleek dit volgens de advocaat onterecht aangezien deze betaaltermijn liep tot en met 6 november 2024. Op 6 november 2024 is het griffierecht voldaan.

[appellanten] stellen dat [stichting XX] door deze omstandigheden in het geheel niet is geschaad in haar (proces)belang en dat voorzetting van de procedure niet strijdig is met de goede procesorde. Het beëindigen van de procedure zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit kader merken [appellanten] op dat zij in eerste aanleg niet zijn bijgestaan door een rechtsbijstandverlener én dat in het executie kort geding een betalingsoverzicht is overgelegd dat hun standpunt ondersteunt en dat zij – na de eindafrekening van de servicekosten, die heeft plaatsgevonden na het wijzen van het vonnis – een vordering op [stichting XX] hebben die een (eventuele) huurachterstand aanzienlijk overstijgt.




3.4.

[stichting XX] heeft de beschikkingen van de rechtbank overgelegd waaruit blijkt dat het bewind van [persoon A] en [persoon B] per 5 november 2024 is opgeheven. Verder heeft [stichting XX] laten weten dat indien het hof op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslag van instantie verleend, zij geen behoefte heeft aan incidenteel hoger beroep. Mocht er geen ontslag van instantie plaatsvinden en de memorie van grieven nog mogen worden ingediend, wenst [stichting XX] het recht op incidenteel hoger beroep te behouden.



3.5.
Het hof stelt allereerst voorop dat gebleken is dat het beschermingsbewind over de goederen van [persoon A] en [persoon B] per 5 november 2024 is opgeheven, dat dit een schorsingsgrond ex artikel 225 Rv betreft, maar dat [appellanten] de zaak (stilzwijgend) heeft hervat doordat de akte op eigen naam is ingediend. [appellanten] dienen dan als formele procespartijen te worden aangemerkt.



3.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wgbz en artikel 353 juncto artikel 127a lid 2 Rv dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellanten het door hen verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig hebben voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (artikel 127a lid 3 Rv).



3.7

Het hof ziet in wat [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv toe te passen. Met name betrekt het hof daarbij de omstandigheden dat de bewindvoerder aan de advocaat van [appellanten] heeft bericht dat zij niet voldoende geld hebben om het griffierecht te betalen en dat zij bezig is hiervoor bijzondere bijstand aan te vragen. Daags daarna is het bewind opgeheven terwijl dat ook de laatste dag was waarop het griffierecht voldaan moest zijn. De advocaat van [appellanten] heeft vervolgens het hof bericht dat [appellanten] in een financieel moeilijke situatie zat omdat [persoon B] tijdelijk geen inkomen had vanwege een medische ingreep in het buitenland en dat de huur te ver vooruit wordt betaald. Om te voorkomen dat [stichting XX] van de instantie zou worden ontslagen heeft de advocaat van [appellanten] toegezegd het griffierecht te zullen voldoen, wat hij op 6 november 2024 heeft gedaan.
Onder deze omstandigheden zou ontslag van instantie naar het oordeel van het hof leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het hof zal het opleggen van die sanctie daarom achterwege laten.




3.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv slaagt.



3.9.

[persoon A] c.s. zullen in de gelegenheid worden gesteld om een memorie van grieven te nemen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.





4De uitspraak


Het hof:



verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2025 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellanten] ;



iedere verdere beslissing wordt aangehouden.



Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2025.



griffier rolraadsheer