Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0211

2005-07-19 Strafrecht 20-000303-05
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2005-07-19
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
20-000303-05
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het beroepen vonnis (rechtbank Breda 10-11-2004, LJN AR5394) met dien verstande dat, het hof aan de in het beroepen vonnis opgenomen motivering van de vrijspraak van het aan de verdachte onder 1. en 3. ten laste gelegde nog toevoegt, dat bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is komen vast te staan, dat de dood van [slachtoffer] door de onder 1. weergegeven toediening van medicijnen is veroorzaakt. Ten aanzien van die toediening is het hof, de inhoud van de verklaringen dan wel berichten van de deskundigen tot de overtuiging gekomen, dat - gezien zowel de aard van de middelen als de dosering ervan - verdachtes bedoeling bestrijding van de bij [slachtoffer] waargenomen symptomen was en niet de beëindiging van diens leven.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.222 tekens)
Parketnummer: 20-000303-05
Uitspraak : 19 juli 2005
TEGENSPRAAK




Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken


Arrest


gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Breda van 10 november 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-001703-03 tegen:



[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
wonende te [adres].



Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.


Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtachtig dagen, waarvan honderdtweeënzeventig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en met opheffing van het geschorste bevel gevangenhouding.


Tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Vonnis waarvan beroep

Het hof bevestigt het beroepen vonnis met dien verstande dat, nu namens de verdachte het verweer dienaangaande in hoger beroep niet is herhaald, het hof voor hetgeen is overwogen in de overweging "De ontvankelijkheid van de officier van justitie" het hiernavolgende in de plaats stelt:

"Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in zijn vordering worden ontvangen."

en voorts met dien verstande, dat het hof aan de in het beroepen vonnis opgenomen motivering van de vrijspraak van het aan de verdachte onder 1. en 3. ten laste gelegde nog toevoegt, dat bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is komen vast te staan, dat de dood van [slachtoffer] door de onder 1. weergegeven toediening van medicijnen is veroorzaakt.

Ten aanzien van die toediening is het hof, de inhoud van de verklaringen dan wel berichten van de deskundigen [deskundige 1], [deskundige 2] en [deskundige 3] in aanmerking genomen, tot de overtuiging gekomen, dat - gezien zowel de aard van de middelen als de dosering ervan - verdachtes bedoeling bestrijding van de bij [slachtoffer] waargenomen symptomen was en niet de beëindiging van diens leven.


BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep.



Aldus gewezen door
mr. Huurman-van Asten, vice-president, als voorzitter,
mr. Bergkotte, vice-president, en mr. De Poorter, vice-president, als raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Kroes, griffier,
en op 19 juli 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.