Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2976

2026-09-30 Strafrecht 22-000016-21 PO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
22-000016-21 PO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de betrokkene bij arrest van heden als verdachte in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is vrijgesproken van de aan de vordering gerelateerde strafbare feiten. Het Openbaar Ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.418 tekens)
Rolnummer: 22-000016-21 PO
Parketnummer: 10-750353-17
Datum uitspraak: 30 september 2026



TEGENSPRAAK




Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:





[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .





Procesgang


De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 38.842,- ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.



De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 december 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 18.282,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag. Hierbij is de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 366 dagen.



Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.





Onderzoek van de zaak


Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.





Vordering van de advocaat-generaal


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.







Beoordeling van het vonnis


Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.





Beoordeling van de vordering


Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de betrokkene bij arrest van heden als verdachte in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is vrijgesproken van de aan de vordering gerelateerde strafbare feiten.



Het Openbaar Ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.












BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.





Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. H. Steenhuis en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.



Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.