Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2870
2026-04-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/633
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2870 → ECLI:NL:RBDHA:2025:12863 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Artt. 9, 10 en 10b Wet Bpm. Naheffingsaanslag Bpm. Taxatierapport kan niet dienen. Belanghebbende heeft gestelde (ex-)schade niet aannemelijk gemaakt. WOK-status. Koerslijst terecht toegepast voor bepaling verschuldigde bpm.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2024:59 Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2021:415 Hoge Raad 26-03-2021
- ECLI:NL:HR:2021:507 Hoge Raad 09-04-2021
- ECLI:NL:HR:2024:147 Hoge Raad 02-02-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.894 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/633
Uitspraak van 23 april 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: R. Lammers)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juli 2025, nummer SGR 22/4671.
Procesverloop
1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.208;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.461;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 27 januari 2026 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 26 februari 2026 een nader stuk ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft ter zake van een Mercedes-Benz GLC (de auto) aangifte bpm gedaan. De datum van eerste toelating van de auto is 14 september 2019.
2.2.
Uit een op 26 januari 2021 gedagtekend taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (de taxateur) blijkt dat de taxateur de auto op 7 augustus 2020 heeft geïnspecteerd. Daarbij is de handelsinkoopwaarde bepaald op € 2.956. De taxateur heeft daarvoor een koerslijstwaarde van € 32.307 als uitgangspunt genomen en daarop een waardevermindering toegepast wegens schade, ex-schade en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand door de RDW. De historische nieuwprijs is door de taxateur bepaald op € 69.439.
2.3.
Bij een keuring van 21 januari 2021 heeft de RDW de WOK-status (“wachten op keuren-status”) gegeven aan de auto. Vervolgens heeft de RDW op 8 maart 2021 wederom de WOK-status gegeven aan de auto.
2.4.
De aangifte is op 20 januari 2021 gedagtekend en op 2 februari 2021 door de Inspecteur ontvangen. In de aangifte is conform het taxatierapport uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 2.956. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 666 is door belanghebbende voldaan.
2.5.
Belanghebbende is bij e-mailbericht met dagtekening 3 februari 2021 uitgenodigd om de auto op 5 februari 2021 bij DRZ te tonen. Belanghebbende is niet verschenen en heeft de auto niet getoond.
2.6.
De naheffingsaanslag bpm bedraagt € 6.755. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 64.830 en een handelsinkoopwaarde van € 31.944 op basis van de koerslijst XRAY. Er is geen waardevermindering wegens schade, schadeverleden of ontbreken van een oordeel over de kilometerstand in aanmerking genomen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“11. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. Een uitspraak op bezwaar wordt bekendgemaakt door verzending daarvan aan degene die bezwaar heeft gemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend als de rechtbank het voor het einde van de beroepstermijn heeft ontvangen. Als het beroepschrift buiten de termijn, en dus te laat, is ingediend, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. Indien tijdige bekendmaking van de uitspraak op bezwaar wordt betwist, rust op verweerder de last om aannemelijk te maken dat en op welke datum de uitspraak is verzonden en dat het stuk aan een postvervoerbedrijf ter verzending is aangeboden. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden.[1]
12. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar op 31 maart 2022 is gedagtekend en dat het beroepschrift op 2 augustus 2022 is ontvangen. In beginsel betekent dit dat het beroepschrift te laat is ingediend. Nu eiseres stelt dat zij de uitspraak op bezwaar pas rond 28 juni 2022 heeft ontvangen, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar al eerder is verzonden. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat er geen verzendadministratie is waaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar is verzonden en aan welk postvervoerbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verweerder daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast. Dat niet valt uit te sluiten dat de uitspraak op bezwaar al eerder is verzonden, maakt het voorgaande niet anders. De e-mail van 4 juli 2022 biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar beroep.
13. De bewijslast dat op de handelsinkoopwaarde van € 31.944 een waardevermindering wegens schade of schadeverleden in aanmerking moet worden genomen rust op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daar niet in geslaagd. In het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Het rapport biedt op zichzelf ook onvoldoende houvast om een waardevermindering wegens schade of schadeverleden op te baseren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de auto desgevraagd niet bij DRZ is getoond en tussen de inspectie door de taxateur en de aangifte bijna een half jaar is verstreken. De door eiseres overgelegde facturen maken evenmin het door eiseres gecalculeerde schadebedrag van € 24.601 aannemelijk, omdat, naar verweerder terecht opmerkt, ten aanzien van alle facturen niet kan worden vastgesteld dat zij op de auto betrekking hebben en zijn de facturen - op één factuur na - ook niet voorzien van naam, adres en woonplaatsgegevens.
14. Het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand kan een waardedrukkende factor zijn, omdat dit zou kunnen duiden op kilometertellerfraude. Eiseres heeft in dit geval echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Voor een waardevermindering wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand bestaat dan ook geen aanleiding.
15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de naheffingsaanslag met inachtneming van een historische nieuwprijs van € 69.980, een handelsinkoopwaarde van € 31.994 en extra leeftijdskorting verminderen tot € 6.208. Alles wat eiseres verder nog in algemene stellingen heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de naheffingsaanslag nog verder verminderd dient te worden. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.
16. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van het bezwaar en beroep is twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
17. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn, worden onder meer gerekend:
“[…] de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.”[2]
18. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 22 oktober 2021 en het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 2 augustus 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 15 juli 2025 gedaan. Dat is afgerond 3 jaar en ruim 8 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat door eiseres meerdere malen is verzocht om uitstel van de door de rechtbank voorgestelde zittingsdata aanleiding de redelijke termijn ter verlengen met 3 maanden. Gelet hierop bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 1 jaar en ruim 5 maanden. Eiseres heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. De overschrijding dient voor één derde te worden toegerekend aan de bezwaarfase en voor twee derde aan de beroepsfase.
Proceskosten
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
(…)
[1] Hoge Raad 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59.
[2] Hoge Raad 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.”
Geschil in hoger beroep
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de door belanghebbendes taxateur vastgestelde schade en terecht geen waardevermindering heeft toegepast wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag, en tot vergoeding van proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat vóór toepassing van de in geschil zijnde correctie de historische nieuwprijs van de auto op € 69.980 en de handelsinkoopwaarde op € 31.994 moeten worden vastgesteld.
5.2.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met waarde verminderende factoren als schade, ontbreken oordeel kilometerstand en schadeverleden. Daarnaast stelt belanghebbende dat het niet toepassen van een waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ tot strijd met artikel 110 van het VWEU leidt.
5.3.
Zoals volgt uit de punten 2.1 en volgende van deze uitspraak is de auto op 7 augustus 2020 door belanghebbendes taxateur geïnspecteerd terwijl diens rapport op 26 januari 2021 is gedagtekend en de aangifte op 2 februari 2021 is ontvangen door de Inspecteur. Reeds hieruit volgt dat het taxatierapport niet kan dienen als basis van de aangifte, nu niet duidelijk is of het rapport de staat van de auto weerspiegelt op het moment waarop de aangifte is ingediend.
5.4.
De Inspecteur heeft daarnaast terecht gesteld dat de auto op het moment van het doen van aangifte essentiële gebreken vertoonde en de WOK-status had. Op grond van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 bestaat vanwege de WOK-status in beginsel geen recht op een vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet bpm (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Alsdan dient in een situatie waarop het Kennisgroepstandpunt KG:013:2022:5 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021) van toepassing is, de verschuldigde bpm ofwel op basis van de forfaitaire tabel ofwel op basis van een koerslijst te worden bepaald. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag uiteindelijk gebaseerd op de door DRZ gegenereerde koerslijst XRAY nu deze voor belanghebbende tot de meest gunstige uitkomst zou leiden.
5.5.
Ten overvloede verwijst het Hof naar de rechtsoverwegingen 13 en 14 in de uitspraak van de Rechtbank, waaruit volgt dat het taxatierapport naast formele ook materiële gebreken heeft. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne.
5.6.
Het betoog van belanghebbende dat rekening moet worden gehouden met het schadeverleden van de auto faalt bovendien, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147. Belanghebbende heeft geen deskundigenonderzoek laten verrichten waaruit de werkelijke waarde verminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde volgt ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden.
5.7.
Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur terecht geen rekening gehouden met de door belanghebbende gestelde schade, schadeverleden en het ontbreken van een oordeel kilometerstand. Hij heeft de naheffingsaanslag dan ook terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/633
Uitspraak van 23 april 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: R. Lammers)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juli 2025, nummer SGR 22/4671.
Procesverloop
1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.208;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.461;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 27 januari 2026 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 26 februari 2026 een nader stuk ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft ter zake van een Mercedes-Benz GLC (de auto) aangifte bpm gedaan. De datum van eerste toelating van de auto is 14 september 2019.
2.2.
Uit een op 26 januari 2021 gedagtekend taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (de taxateur) blijkt dat de taxateur de auto op 7 augustus 2020 heeft geïnspecteerd. Daarbij is de handelsinkoopwaarde bepaald op € 2.956. De taxateur heeft daarvoor een koerslijstwaarde van € 32.307 als uitgangspunt genomen en daarop een waardevermindering toegepast wegens schade, ex-schade en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand door de RDW. De historische nieuwprijs is door de taxateur bepaald op € 69.439.
2.3.
Bij een keuring van 21 januari 2021 heeft de RDW de WOK-status (“wachten op keuren-status”) gegeven aan de auto. Vervolgens heeft de RDW op 8 maart 2021 wederom de WOK-status gegeven aan de auto.
2.4.
De aangifte is op 20 januari 2021 gedagtekend en op 2 februari 2021 door de Inspecteur ontvangen. In de aangifte is conform het taxatierapport uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 2.956. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 666 is door belanghebbende voldaan.
2.5.
Belanghebbende is bij e-mailbericht met dagtekening 3 februari 2021 uitgenodigd om de auto op 5 februari 2021 bij DRZ te tonen. Belanghebbende is niet verschenen en heeft de auto niet getoond.
2.6.
De naheffingsaanslag bpm bedraagt € 6.755. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 64.830 en een handelsinkoopwaarde van € 31.944 op basis van de koerslijst XRAY. Er is geen waardevermindering wegens schade, schadeverleden of ontbreken van een oordeel over de kilometerstand in aanmerking genomen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“11. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. Een uitspraak op bezwaar wordt bekendgemaakt door verzending daarvan aan degene die bezwaar heeft gemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend als de rechtbank het voor het einde van de beroepstermijn heeft ontvangen. Als het beroepschrift buiten de termijn, en dus te laat, is ingediend, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. Indien tijdige bekendmaking van de uitspraak op bezwaar wordt betwist, rust op verweerder de last om aannemelijk te maken dat en op welke datum de uitspraak is verzonden en dat het stuk aan een postvervoerbedrijf ter verzending is aangeboden. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden.[1]
12. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar op 31 maart 2022 is gedagtekend en dat het beroepschrift op 2 augustus 2022 is ontvangen. In beginsel betekent dit dat het beroepschrift te laat is ingediend. Nu eiseres stelt dat zij de uitspraak op bezwaar pas rond 28 juni 2022 heeft ontvangen, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar al eerder is verzonden. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat er geen verzendadministratie is waaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar is verzonden en aan welk postvervoerbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verweerder daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast. Dat niet valt uit te sluiten dat de uitspraak op bezwaar al eerder is verzonden, maakt het voorgaande niet anders. De e-mail van 4 juli 2022 biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar beroep.
13. De bewijslast dat op de handelsinkoopwaarde van € 31.944 een waardevermindering wegens schade of schadeverleden in aanmerking moet worden genomen rust op eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daar niet in geslaagd. In het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Het rapport biedt op zichzelf ook onvoldoende houvast om een waardevermindering wegens schade of schadeverleden op te baseren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de auto desgevraagd niet bij DRZ is getoond en tussen de inspectie door de taxateur en de aangifte bijna een half jaar is verstreken. De door eiseres overgelegde facturen maken evenmin het door eiseres gecalculeerde schadebedrag van € 24.601 aannemelijk, omdat, naar verweerder terecht opmerkt, ten aanzien van alle facturen niet kan worden vastgesteld dat zij op de auto betrekking hebben en zijn de facturen - op één factuur na - ook niet voorzien van naam, adres en woonplaatsgegevens.
14. Het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand kan een waardedrukkende factor zijn, omdat dit zou kunnen duiden op kilometertellerfraude. Eiseres heeft in dit geval echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Voor een waardevermindering wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand bestaat dan ook geen aanleiding.
15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de naheffingsaanslag met inachtneming van een historische nieuwprijs van € 69.980, een handelsinkoopwaarde van € 31.994 en extra leeftijdskorting verminderen tot € 6.208. Alles wat eiseres verder nog in algemene stellingen heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de naheffingsaanslag nog verder verminderd dient te worden. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.
16. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van het bezwaar en beroep is twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
17. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn, worden onder meer gerekend:
“[…] de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.”[2]
18. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 22 oktober 2021 en het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 2 augustus 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 15 juli 2025 gedaan. Dat is afgerond 3 jaar en ruim 8 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat door eiseres meerdere malen is verzocht om uitstel van de door de rechtbank voorgestelde zittingsdata aanleiding de redelijke termijn ter verlengen met 3 maanden. Gelet hierop bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 1 jaar en ruim 5 maanden. Eiseres heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. De overschrijding dient voor één derde te worden toegerekend aan de bezwaarfase en voor twee derde aan de beroepsfase.
Proceskosten
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
(…)
[1] Hoge Raad 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59.
[2] Hoge Raad 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.”
Geschil in hoger beroep
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de door belanghebbendes taxateur vastgestelde schade en terecht geen waardevermindering heeft toegepast wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag, en tot vergoeding van proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat vóór toepassing van de in geschil zijnde correctie de historische nieuwprijs van de auto op € 69.980 en de handelsinkoopwaarde op € 31.994 moeten worden vastgesteld.
5.2.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met waarde verminderende factoren als schade, ontbreken oordeel kilometerstand en schadeverleden. Daarnaast stelt belanghebbende dat het niet toepassen van een waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ tot strijd met artikel 110 van het VWEU leidt.
5.3.
Zoals volgt uit de punten 2.1 en volgende van deze uitspraak is de auto op 7 augustus 2020 door belanghebbendes taxateur geïnspecteerd terwijl diens rapport op 26 januari 2021 is gedagtekend en de aangifte op 2 februari 2021 is ontvangen door de Inspecteur. Reeds hieruit volgt dat het taxatierapport niet kan dienen als basis van de aangifte, nu niet duidelijk is of het rapport de staat van de auto weerspiegelt op het moment waarop de aangifte is ingediend.
5.4.
De Inspecteur heeft daarnaast terecht gesteld dat de auto op het moment van het doen van aangifte essentiële gebreken vertoonde en de WOK-status had. Op grond van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 bestaat vanwege de WOK-status in beginsel geen recht op een vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet bpm (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Alsdan dient in een situatie waarop het Kennisgroepstandpunt KG:013:2022:5 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021) van toepassing is, de verschuldigde bpm ofwel op basis van de forfaitaire tabel ofwel op basis van een koerslijst te worden bepaald. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag uiteindelijk gebaseerd op de door DRZ gegenereerde koerslijst XRAY nu deze voor belanghebbende tot de meest gunstige uitkomst zou leiden.
5.5.
Ten overvloede verwijst het Hof naar de rechtsoverwegingen 13 en 14 in de uitspraak van de Rechtbank, waaruit volgt dat het taxatierapport naast formele ook materiële gebreken heeft. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne.
5.6.
Het betoog van belanghebbende dat rekening moet worden gehouden met het schadeverleden van de auto faalt bovendien, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147. Belanghebbende heeft geen deskundigenonderzoek laten verrichten waaruit de werkelijke waarde verminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde volgt ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden.
5.7.
Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur terecht geen rekening gehouden met de door belanghebbende gestelde schade, schadeverleden en het ontbreken van een oordeel kilometerstand. Hij heeft de naheffingsaanslag dan ook terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.