Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2865

2026-04-14 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/131
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Artt. 9, 10 en 10b Wet Bpm. Artikel 110 VWEU. Naheffingsaanslag Bpm. Waardevermindering wegens schade niet aannemelijk gemaakt. Waardedaling wegens geen oordeel RDW kilometerstand niet aannemelijk gemaakt. Gebruik koerslijst XRAY bij naheffingsaanslag.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.740 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/131



Uitspraak van 14 april 2026


in het geding tussen:



[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 februari 2025, nummer SGR 23/7529.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.052 (de naheffingsaanslag). Daarbij is bij beschikking € 14 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:


“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 25 april 2025 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 17 februari 2026 een nader stuk met bijlagen ingekomen.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.




Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 18 mei 2022 op aangifte een bedrag van € 6.192 aan bpm voldaan voor de registratie van een BMW X3 M40i xDrive (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 22 oktober 2018. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 26 mei 2022.



2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 22 april 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 10 mei 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 115.420 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 37.514 (koerslijst XRAY). De taxateur heeft hierop een bedrag van € 15.684 (€ 13.384,38 totale gecalculeerde reparatiekosten -/- € 700 correctie gebruikssporen + € 3.000 “correctie ‘geen oordeel’ kilometerstand RDW-voertuigrapport”) in mindering gebracht in verband met schade aan de auto en ontbreken van een oordeel kilometerstand RDW. Op basis hiervan is de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 21.830.



2.3.
Belanghebbende heeft op 23 mei 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 24 mei 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 113.454, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 38.967 (koerslijst XRAY). Hierop is geen waardevermindering toegepast, omdat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd.



2.4.
De Inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2023 een naheffingsaanslag ten bedrage van € 5.052 (€ 11.244 verschuldigde bpm -/- € 6.192 voldane bpm) opgelegd aan belanghebbende. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het rapport van DRZ.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:



“Koerslijst handelsinkoopwaarde


7. Eiser stelt dat de door hem overgelegde koerslijst van X-Ray en niet de door verweerder overgelegde koerslijst van X-Ray moet worden gebruikt om de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen. De door verweerder gehanteerde koerslijst gaat immers uit van een duurdere executive model, terwijl de auto geen executive model is. Daarnaast blijkt volgens eiser uit de uitdraai van de SilverDAT VIN-informatie van de auto dat de auto geen alarm klasse 3 heeft, terwijl een executive model alarm klasse 3 als standaarduitrusting heeft.

8. Verweerder heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de door hem gehanteerde koerslijst van X-Ray een betere onderbouwing geeft van de handelsinkoopwaarde van de auto. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de auto is geproduceerd voor de Duitse markt en dat de auto in deze uitvoering niet op de koerslijst van X-Ray voorkomt. DRZ heeft de historische nieuwprijs op basis van de koerslijst van X-Ray berekend, terwijl de taxateur de historische nieuwprijs met behulp van een andere koerslijst (AutotelexPro) heeft berekend en daarbij de fabrieksopties op € 8.829 heeft vastgesteld en dit bedrag aan fabrieksopties ook in de koerslijst van X-Ray heeft meegenomen. Een combinatie van (informatie uit) verschillende koerslijsten is echter niet toegestaan. Daarnaast heeft verweerder onweersproken gesteld dat DRZ de opties in de koerslijst van X-Ray heeft geselecteerd, waardoor automatisch de juiste bedragen van de opties zijn opgenomen. De taxateur van eiser heeft dit echter niet gedaan. Bovendien heeft verweerder aangegeven dat in de SilverDAT VIN-informatie van de auto in het DRZ rapport staat vermeld dat de auto is uitgerust met een alarmsysteem met code 302, hetgeen, naar verweerder stelt en de rechtbank aannemelijk acht, er op duidt dat de auto met alarmklasse 3 is uitgerust.



Schade


9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.[2] Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er daarmee niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had die het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door DRZ geen schade is aangetroffen. Daarnaast geven de foto’s in het taxatierapport en het rapport van DRZ onvoldoende uitsluitsel over de aard en omvang van de gestelde schade. Verweerder heeft dan ook terecht geen waardevermindering als gevolg van schade in aanmerking genomen.

10. Eiser heeft verder aangevoerd dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto. Verweerder noch DRZ is echter gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Afgezien daarvan heeft eiser niet geconcretiseerd welke schade volgens hem dan ten onrechte als normale gebruikssporen is aangemerkt. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.

11. De stelling van eiser dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor is, slaagt niet. Het ontbreken van een dergelijk oordeel kan een waardedrukkende factor zijn, omdat dit zou kunnen duiden op tellerfraude. Met betrekking tot deze specifieke auto wijst evenwel niets in de richting van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Eiser heeft verder ook geen onderbouwing overgelegd waaruit volgt dat het enkel ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand leidt tot een mindere waarde van de auto. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat een waardevermindering in acht moet worden genomen voor het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto.


(…)



[2] vgl Hoge Raad 17 januari 2020:ECLl:NL:2020:63”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.




4.2.
Belanghebbende concludeert:


tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;


tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;


primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;


subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag door rekening te houden met de door belanghebbende gestelde schade en deze in mindering te brengen op de koerslijstwaarde van XRAY als toegepast door DRZ;


meer subsidiair uitgaande van de M40i uitvoering van de auto, met toepassing van de taxatiemethode, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 37.448 en de historische nieuwprijs op € 114.448;


meer subsidiair uitgaande van de M40i Executive uitvoering van de auto, met toepassing van de taxatiemethode, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 39.121 en de historische nieuwprijs op € 114.502.




Indien het Hof van oordeel is dat de door belanghebbende gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt, concludeert belanghebbende op basis van de inkoopwaarde en historische nieuwprijs opgenomen in de door hem overgelegde koerslijsten XRAY:



nog meer subsidiair tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 10.714 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.522 voor de M40i uitvoering van de auto;


meest subsidiair tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 11.187 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.955 voor de M40i Executive uitvoering van de auto.




Verder verzoekt belanghebbende het Hof hem een proceskostenvergoeding toe te kennen en daarbij geen toepassing te verlenen aan artikel 19a van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.




4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep



Schade




5.1.
Belanghebbende beroept zich op een vermindering van de handelsinkoopwaarde met een bedrag aan schade vanwege diverse schadeposten aan de auto. Hij wijst daarbij op de foto’s die met het taxatierapport zijn overgelegd. Tijdens de schouw door DRZ is geen schade anders dan normale gebruikssporen aangetroffen.



5.2.
De beoordelaar van DRZ heeft, naast normale gebruikssporen, geen schade aan de auto aangetroffen. In het rapport van DRZ is opgenomen dat alle (in het taxatierapport van belanghebbende) opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen of als gebruikersschade kunnen worden aangemerkt. Bij gebruikssporen is daarnaast rekening gehouden met leeftijd en kilometerstand van de auto, aldus het rapport. De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 9 en 10 van haar uitspraak op goede gronden geoordeeld dat de Inspecteur met het rapport van DRZ de conclusies uit het taxatierapport en de daarbij behorende schadecalculatie voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het Hof ziet in de tot het dossier behorende foto’s van de auto en eventuele schadeposities geen reden voor een vermindering wegens schade. Voorts heeft belanghebbende de door hem in aanmerking genomen schade niet op een andere manier onderbouwd. Zo zijn geen reparatienota’s of andere bewijzen van schade overgelegd. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde schade op het moment van aangifte aanwezig was.



5.3.
Het Hof ziet geen aanleiding om een bedrag aan schade in aanmerking te nemen en volgt de Inspecteur in zijn conclusies.



Correctie vanwege geen oordeel RDW over kilometerstand





5.4.
Belanghebbende stelt dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 3.000. Hij verwijst daartoe naar het taxatierapport dat hij heeft laten opstellen. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.



5.5.
De bewijslast dat door het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand sprake is van een waarde drukkend effect rust op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst XRAY is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de auto. In het taxatierapport van de kant van belanghebbende wordt door de taxateur weliswaar melding gemaakt van “Correctie vanwege 'geen oordeel' kilometerstand RDW-voertuigrapport”, maar geen melding gemaakt van de aannemelijkheid van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid van de feitelijke kilometerstand. Zoals voorts blijkt uit de door de Inspecteur overgelegde e-mailcorrespondentie met twee koerslijstproviders, zien ook deze koerslijstproviders geen aanleiding rekening te houden met een dergelijke correctie. Gelet op een en ander is belanghebbende niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel’ kilometerstand aannemelijk te maken.



Koerslijst





5.6.
In geschil is voorts of de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een juiste koerslijst. Belanghebbende stelt dat de door DRZ gegenereerde koerslijst XRAY is gebaseerd op onjuiste informatie omdat de Inspecteur ten onrechte uitgaat van een ‘Executive’ uitvoering en ten onrechte een aantal opties, zoals akoestisch glas en alarmklasse 3, niet meeneemt. De Inspecteur weerspreekt dit en stelt dat de auto is geproduceerd voor de Duitse markt en dat een ‘Executive’ voor de Nederlandse markt geen ‘Executive’ voor de Duitse markt hoeft te zijn. De door DRZ gegenereerde koerslijst kan volgens de Inspecteur dienen.



5.7.
Het Hof volgt de stellingen van belanghebbende niet. In het midden kan blijven of de auto een M40 ‘Executive’ uitvoering betreft dan wel een M40i ‘gewone’ uitvoering. Niet gebleken is dat de door DRZ gegenereerde koerslijst XRAY welke ten grondslag heeft gelegen aan de naheffingsaanslag is gebaseerd op onjuiste gegevens zoals belanghebbende stelt. De SilverDat VIN-informatie van de auto heeft immers ten grondslag gelegen aan de door DRZ gegenereerde koerslijst zoals blijkt uit de rapportage van DRZ. Daaruit blijkt dat, anders dan belanghebbende stelt, wel degelijk akoestisch glas en een alarmklasse 3 zijn inbegrepen. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de Inspecteur dan ook terecht uitgegaan van de door DRZ gegenereerde koerslijst.



Slotsom





5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten


6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.




De griffier, de voorzitter,








L. van den Bogerd W. de Wit




De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.