Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2835

2026-09-15 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.363.605/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.605/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1493; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/313

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Uitleg CAO. Maatstaf 7:638 lid 2 BW. Geen gewichtige redenen werkgever om de aangevraagde vakantie van werknemer te weigeren. OOSV wegens plichtsverzuim / werkweigering niet rechtsgeldig.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.051 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.363.114/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11761989\ RP VERZ 25-50480





Beschikking van 15 september 2026





in de zaak van





[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] (gemeente [gemeente]),
verzoekster,
advocaat: mr. K. Collée, kantoorhoudend in Leiden,



tegen





[verweerder]
,
wonend in [woonplaats],
verweerder,
advocaat: mr. J.W.M. Soentjens, kantoorhoudend in ’s-Heerenberg.



Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en [verweerder].




1De zaak in het kort

1.1
Een werkgever heeft de verlofaanvraag van een werknemer afgewezen. De werknemer is vervolgens toch op vakantie gegaan, waarna de werkgever hem op staande voet heeft ontslagen. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het verlof niet geweigerd had mogen worden. Tegen deze beslissing is de werkgever in hoger beroep gegaan.


1.2
Het hof is het eens met de kantonrechter zodat de beslissing van de kantonrechter wordt bekrachtigd.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij het op 24 december 2025 ter griffie ingekomen beroepschrift (met producties 1 t/m 9) is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 25 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking). In aanvulling hierop heeft mr. Collée namens [verzoekster] per e-mail van 22 april 2026 producties 10 t/m 14 toegezonden.


2.2

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat op 8 april 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.


2.3
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 29 april 2026. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt en aan partijen is verzonden.


2.4
Aan het dossier is voorts toegevoegd de brief van mr. Collée van 19 mei 2026 waarin zij namens [verzoekster] enkele opmerkingen maakt over het proces-verbaal.




3Feitelijke achtergrond

3.1

[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1980, is per 6 maart 2019 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] in de functie van chauffeur op basis van een fulltime dienstverband. De arbeidsovereenkomst vermeldt onder meer het navolgende:


“Artikel 6 Vakantiedagen.



6.1


Werknemer heeft bij indiensttreding recht op vakantie / ATV met behoud van salaris conform de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de CAO BGV. Deze dagen kunnen worden opgenomen in overleg met de werkgever via Mijn InSite.

(…)

Artikel 14 Overige bepalingen
.

(…)



14.2

Op deze overeenkomst zijn verder van toepassing de bepalingen zoals vastgelegd in de (laatstelijk) van kracht zijnde CAO BGV.



14.3 (…)
(…) Via Mijn InSite kan werknemer alle procedures, reglementen en/of handboeken raadplegen die van toepassing zijn. Deze verschillende procedures, reglementen en/of handboeken maken onlosmakelijk deel uit van deze arbeidsovereenkomst. Door ondertekening van deze arbeidsovereenkomst verklaart werknemer zich akkoord met de inhoud van de verschillende procedures, reglementen en/ of handboeken. Werkgever behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om de geldende procedures, reglementen en/ of handboeken eenzijdig te wijzigen.


14.4

De werkgever behoudt zich het recht voor om de arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen indien hij daarbij een zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”


3.2
Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de ‘Cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen’ (hierna: de cao). In de cao is onder meer het volgende opgenomen:


“Artikel 67a

Vakantie


1. Ten aanzien van de vakantie gelden -met inachtneming van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel- de wettelijke bepalingen, geregeld in artikel 7:634 BW en verder.

(…)

7.d. De werkgever stelt de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast na overleg met de werknemer, waarbij de aanvang van de aaneengesloten vakantie zoveel mogelijk zal zijn gelegen in de periode van 1 mei tot en met 30 september. (…)”



3.3
Op 29 mei 2024 heeft [verzoekster] haar medewerkers er in een e-mailbericht aan herinnerd dat verlofaanvragen uitsluitend via het digitale systeem AFAS kunnen worden ingediend en dat mondelinge aanvragen, aanvragen via Whatsapp of aanvragen zonder goedkeuring van HR niet in behandeling worden genomen.


3.4

In het Handboek Personeel van [verzoekster] uit januari 2025 (hierna: het personeelshandboek) is onder meer het navolgende opgenomen:
“4.4 Opnemen van vakantie en verlof
(…) Op onze verlofregeling is CAO artikel 67a van toepassing.

Uitgangspunten

(…)
 In de periode van 1 april tot en met 30 juni is structureel sprake van verhoogde bedrijfsdrukte als gevolg van seizoensgebonden vraag van opdrachtgevers. In deze periode is de personele bezetting kritisch. In deze periode wordt bij voorkeur geen verlof toegekend. Het niet volgen van het verlofbeleid in deze periode kan de bedrijfscontinuïteit ernstig in gevaar brengen.. (…)”



3.5
Op 19 januari 2025 heeft [verweerder] verlof aangevraagd voor de periode van 21 april tot en met 4 mei 2025. Op 20 januari 2025 heeft [verzoekster] het verzoek afgewezen onder vermelding van “seizoensdrukte”.


3.6
Bij e-mail van 28 januari 2025 heeft [verzoekster] aan al haar medewerkers laten weten dat vanwege de te verwachten seizoensdrukte in de maanden april, mei en juni geen vakantieverlof kan worden aangevraagd of verleend:


“(…) Wij willen jullie graag attenderen op de richtlijn dat er tijdens de maanden april, mei en juni geen vakantieverlof kan worden aangevraagd. Deze maatregel is noodzakelijk vanwege de seizoensdrukte in deze periode, zodat we onze operationele verplichtingen kunnen blijven nakomen. Losse vrije dagen binnen deze periode blijven in overleg mogelijk (…).

Let op: het boeken van vakanties voordat je een officiële goedkeuring in AFAS hebt ontvangen, betekent niet automatisch dat je verlof ook daadwerkelijk is goedgekeurd of goedgekeurd zal worden. Zorg ervoor dat je altijd wacht op de bevestiging in de app voordat je verdere afspraken maakt. (…)”



3.7
Op 29 januari 2025 heeft [verweerder] opnieuw verlof aangevraagd. Dit keer voor een kortere periode, te weten van 21 april 2025 tot en met 29 april 2025. [verzoekster] heeft op 31 januari 2025 ook dit verzoek afgewezen “ivm drukte”.


3.8
Op 11 februari 2025 heeft [verweerder] met zijn direct leidinggevende gesproken over de geweigerde verlofaanvraag. Per e-mail van 14 februari 2025 heeft deze aan [verweerder] bevestigd dat de verlofaanvraag is geweigerd:


“(…) Zoals al eerder aangegeven geldt er voor alle medewerkers een verlofstop in april, mei en juni vanwege de seizoensdrukte. Dit beleid is noodzakelijk om onze operationele verplichtingen te waarborgen en geldt voor iedereen. Een uitzondering zou niet fair zijn naar andere collega’s die ook graag weg zouden willen in deze populaire periode. (…)”



3.9
Op 13 maart 2025 heeft [verweerder] voor een derde keer verlof aangevraagd voor een nog iets kortere periode, te weten van 22 april 2025 tot en met 29 april 2025. Op 24 maart 2025 is ook dit verzoek afgewezen:



“Ik heb een eventuele uitzondering besproken, helaas is dat niet mogelijk gebleken…”




3.10
Per e-mail van 11 april 2025 heeft [verzoekster] nogmaals aan [verweerder] toegelicht waarom zijn verlofaanvragen voor de maand april 2025 zijn geweigerd, onder verwijzing naar de eerdere e-mails van 28 januari 2025 en 14 februari 2025.


3.11
Op 14 april 2025 heeft [verweerder] per e-mail aan [verzoekster] aangegeven het niet eens te zijn met de afwijzing van zijn verlofaanvraag en ook dat als [verzoekster] wilde dat hij zijn vakantie zou annuleren, [verzoekster] de kosten van de annulering van zijn vakantie diende te vergoeden. Hierop heeft [verzoekster] bij e-mail van 17 april 2025 gereageerd dat er geen aanleiding was om haar eerdere besluit te herzien.


3.12
Op 18 april 2025 heeft [verweerder] aan het einde van zijn werkdag aan [verzoekster] toegezegd dat hij na het Paasweekend, op 22 april 2025, met de heer [naam] zou bellen over de planning. [verweerder] heeft bij die gelegenheid niets gezegd over zijn aankomende vakantie.


3.13

[verweerder] is op vakantie gegaan en heeft op 22 april 2025 vanuit Griekenland met [naam] gebeld. Tijdens het telefoongesprek heeft [naam] gevraagd of [verweerder] naar hem onderweg was voor een opdracht. [verweerder] was die dag ingepland, maar liet [naam] telefonisch weten niet te kunnen komen, omdat hij op vakantie was.


3.14
Diezelfde dag is [verweerder] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:


“(…) Op basis van het telefoongesprek dat u vandaag met ons hebt gevoerd, is gebleken dat u zich momenteel op Zakynthos bevindt, ondanks het feit dat uw verlofaanvraag voor deze periode eerder uitdrukkelijk is afgewezen. Hiermee bent u op eigen initiatief, zonder toestemming van de werkgever, afwezig van werk.

Zoals u weet is uw eerste verlofaanvraag van 29 januari 2025 tijdig en gemotiveerd afgewezen. Ook uw tweede aanvraag van 13 maart 2025 is om dezelfde reden binnen de wettelijke termijn afgewezen. Beide verlofafwijzingen zijn uitgebreid met een persoonlijk gesprek en mailuitwisselingen gemotiveerd. U bent bovendien herhaaldelijk gewezen op het geldende verlofbeleid en op het risico van het boeken van vakanties zonder goedkeuring.


Desondanks hebt u ervoor gekozen om alsnog op vakantie te gaan. Hiermee is sprake van ongeoorloofde afwezigheid en bewuste werkweigering, hetgeen een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:678 BW. Uw afwezigheid leidt tot een directe verstoring van de personeelsplanning en bedrijfsvoering, temeer in een periode waarin volledige inzetbaarheid noodzakelijk is vanwege seizoensdrukte.


Wij zeggen daarom per direct uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op wegens deze dringende reden. (…)”



3.15
Met ingang van 10 juni 2025 is [verweerder] bij een andere werkgever in dienst getreden.




4Procedure bij de rechtbank

4.1

[verweerder] heeft bij verzoekschrift van 18 juni 2025 de kantonrechter gevraagd om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. [verweerder] heeft daarvoor aangevoerd dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven.


4.2

[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [verweerder].


4.3
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. De kantonrechter heeft de verzochte billijke vergoeding afgewezen, de overige verzoeken van [verweerder] toegewezen en [verzoekster] in de proceskosten veroordeeld.




5Verzoek in hoger beroep

5.1

[verzoekster] verzoekt het hof – zakelijk weergegeven – de bestreden beschikking te vernietigen, de toegewezen transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding alsnog af te wijzen, voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van de door [verzoekster] onverschuldigd betaalde transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding, wettelijke rente en de proceskostenvergoeding in eerste aanleg, alsmede om [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.


5.2
Kort gezegd zien de bezwaren (grieven) van [verzoekster] tegen de bestreden beschikking op het volgende.

5.2.1
De kantonrechter heeft een verkeerd toetsingskader gebruikt en heeft ten onrechte geoordeeld dat er verlof was verleend. Er is in artikel 67a lid 7d van de cao en in artikel 4.4 van het Personeelshandboek voorzien in de vaststelling van vakantie. De hoofdregel van artikel 7:638 lid 2 BW waarop de beslissing van de kantonrechter is gebaseerd, gaat daarom niet op. De verlofaanvraag van [verweerder] was door [verzoekster] (terecht) afgewezen en [verweerder] was gewaarschuwd. Hij was daarnaast op de hoogte van de verlofstop in de betreffende periode. Desondanks is hij op vakantie gegaan. Het ontslag op staande voet is daarom terecht gegeven.


5.2.2
De redenen op grond waarvan [verzoekster] de verlofaanvraag heeft afgewezen, zijn gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:638 lid 2 BW, zodat ook om die reden het gevraagde verlof terecht was afgewezen.


5.2.3
Als het hof van oordeel is dat [verzoekster] de verlofaanvraag niet mocht afwijzen en daarmee het verlof moet worden geacht te zijn verleend, heeft [verweerder] nog steeds ten onrechte geweigerd zijn werkzaamheden uit te voeren. De verlofaanvraag was immers feitelijk afgewezen en [verweerder] wist dat. Door desondanks op vakantie te gaan is [verweerder] ingegaan tegen een redelijke instructie. Door op 18 april 2025 aan [verzoekster] te bevestigen dat hij op 22 april 2025 zou bellen voor zijn nieuwe rit die week heeft [verweerder] bovendien [verzoekster] in de waan gelaten dat hij in de week van 22 april 2025 zijn ritten gewoon zou rijden. Deze omstandigheden vormen eveneens een dringende reden voor het verleende ontslag op staande voet.



5.3

[verweerder] heeft de grieven van [verzoekster] bestreden en heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
De grieven komen er in de kern op neer dat het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is geweest omdat [verweerder] daarvoor een dringende reden heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof falen de grieven. Daartoe overweegt het hof als volgt.


6.2
Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst (ontslag op staande voet) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking genomen worden. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.


6.3
Het hof stelt voorop dat in dit kader alleen de aan [verweerder] meegedeelde redenen in de ontslagbrief van 22 april 2025 in aanmerking kunnen worden genomen. Het gaat dus om ongeoorloofde afwezigheid en bewuste werkweigering. Hieraan ligt ten grondslag dat [verweerder], ondanks het afwijzen van zijn verlofverzoek, op vakantie is gegaan en niet zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd.


6.4
Partijen strijden hierbij over de vraag of [verzoekster] dat verlofverzoek terecht heeft geweigerd. Of een werkgever verlof heeft mogen weigeren is namelijk relevant voor de beoordeling van de aard en de ernst van de afwezigheid van de werknemer. Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat [verzoekster] de verlofaanvraag van [verweerder] ten onrechte heeft geweigerd en overweegt daartoe het volgende.


6.5

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat uit de cao en het personeelshandboek volgt dat de werkgever mag bepalen wanneer de werknemer verlof op mag nemen en dat hiermee is afgeweken van (de hoofdregel van) artikel 7:638 lid 2 BW.


6.6
Ingevolge de hoofdregel van artikel 7:638 lid 2 BW stelt de werkgever de vakantie van de werknemer vast conform de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Blijkens de wetsgeschiedenis is van gewichtige redenen als bedoeld in art. 7:638 lid 2 BW sprake wanneer het inwilligen van een verzoek om vakantie tot een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering leidt. De gevolgen van de verstoring van de bedrijfsvoering zullen steeds moeten worden afgewogen tegen de gevolgen die het niet inwilligen van het verzoek om vakantie voor de werknemer heeft. Als het belang van de werkgever om het verzoek om vakantie af te wijzen zo zwaar weegt dat het belang van de werknemer daarvoor redelijkerwijs moet wijken, is sprake van een gewichtige reden.Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk aan de werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, is de vakantie van rechtswege vastgesteld conform de wensen van de werknemer (artikel 7:638 lid 2 BW, slotzin). Uit het begin van de openingszin van artikel 7:638 lid 2 BW volgt dat bij cao of schriftelijke overeenkomst kan worden afgeweken van de hoofdregel dat de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vaststelt conform de wensen van de werknemer.


6.7
In dit geval is in artikel 67a lid 7d van de cao (zie r.o. 3.2) opgenomen dat de werkgever de vakantiedagen in overleg met de werknemer vaststelt. De vraag is of, zoals [verzoekster] stelt, deze bepaling inhoudt dat de werkgever een verlofaanvraag van de werknemer kan weigeren ook als daarvoor geen gewichtige redenen zijn zoals bedoeld in artikel 7:638 lid 2 BW. De vraag is dus hoe deze bepaling in de cao moet worden uitgelegd.


6.8
Uitleg van een cao geschiedt naar vaste rechtspraak aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.


6.9
In het licht hiervan kan de uitleg die [verzoekster] aan de bepalingen in de cao geeft – dat de werkgever na overleg met de werknemer mag bepalen wanneer vakantie kan worden opgenomen en dat voor de afwijzing van een aanvraag geen gewichtige redenen nodig zijn – niet als juist worden aanvaard. In artikel 67a lid 7d van de cao staat opgenomen dat na overleg met de werknemer de werkgever de vakantie vaststelt en dat daarbij de aanvang van de aaneengesloten vakantie zoveel mogelijk zal zijn gelegen in de periode van 1 mei tot en met 30 september. Er staat echter niet ook opgenomen dat, ook als er geen gewichtige redenen zijn, het verzoek om vakantieverlof (na overleg) naar eigen inzicht van de werkgever mag worden afgewezen. Aanknopingspunten daarvoor zijn ook niet te vinden in elders in de cao gebruikte formuleringen en/of in een schriftelijke toelichting die voor werkgevers en werknemers kenbaar is. Integendeel, gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in lid 1 van artikel 67a van de cao naar de wettelijke bepalingen omtrent vakantie en verlof in artikel 7:634 e.v. BW, moet worden aangenomen dat, tenzij de cao-bepaling daar expliciet van afwijkt, deze wettelijke bepalingen onverkort gelden, dus ook het bepaalde in artikel 7:638 lid 2 BW.


6.10
Een eventueel van de cao afwijkende regeling in het personeelshandboek kan een dergelijke bevoegdheid voor de werkgever ook niet creëren. De cao betreft volgens artikel 1 van de cao een standaard cao waarvan niet kan worden afgeweken, tenzij de betreffende bepaling uitdrukkelijk anders bepaalt en dat is hier niet aan de orde. Daarnaast geldt nog dat het personeelshandboek niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke overeenkomst tussen partijen als bedoeld in artikel 7:638 lid 2 BW. Weliswaar wordt in artikel 4.13 van de arbeidsovereenkomst verwezen naar de binnen [verzoekster] geldende procedures, reglementen en handboeken, maar daarmee is het personeelshandboek nog niet aan te merken als een schriftelijke overeenkomst in vorenbedoelde zin.


6.11
Dit betekent dat, tenzij er sprake is van gewichtige redenen die zich daartegen verzetten, de vakantie overeenkomstig de wens van de werknemer moet worden vastgesteld, zoals bepaald in artikel 7:638 lid 2 BW.


6.12
De volgende vraag is dan of er zich gewichtige redenen als bedoeld in dit artikel voordeden (vergelijk hierboven r.o. 6.6). Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag van [verweerder] is afgewezen in verband met de seizoensdrukte. Dat het verzochte verlof van [verweerder] (ook na inkorting daarvan tot zeven dagen) zou leiden tot een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering, heeft [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat het in de verzochte verlofperiode erg druk is en anderen - waaronder kantoorpersoneel of externen - worden ingezet, is daarvoor onvoldoende. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat [verzoekster] een belangenafweging heeft gemaakt tussen de gevolgen van de gestelde verstoring van de bedrijfsvoering en de gevolgen van het niet-inwilligen van het verzoek om vakantie voor [verweerder]. [verzoekster] heeft niet weersproken dat [verweerder] aan [verzoekster] kenbaar had gemaakt dat hij deze vakantie graag wilde doorzetten mede in verband met de gezondheidsklachten van zijn echtgenote. In het e-mailbericht van 14 februari 2025 schreef zijn leidinggevende dat [verzoekster] volledig begreep dat hij vrij wilde zijn om tijd door te brengen met zijn gezin. Vervolgens heeft [verzoekster] zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven door in de correspondentie (en ook ter zitting) slechts te benadrukken dat zij geen uitzondering wilde maken op het door haar gevoerde beleid. Verder is de in dit verband door [verzoekster] gestelde omstandigheid dat heel veel werknemers verlof hadden aangevraagd voor deze periode door [verweerder] betwist en door [verzoekster] niet nader onderbouwd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Voldoende specifiek bewijs op dit punt heeft [verzoekster] niet aangeboden. Al met al is onvoldoende aannemelijk geworden dat het belang van [verzoekster] bij afwijzing van het verlofverzoek zo zwaar weegt dat het belang van [verweerder] daarvoor redelijkerwijs moet wijken.


6.13
Er kunnen daarom geen gewichtige redenen worden aangenomen voor het afwijzen van de verlofaanvraag. Dit betekent dat [verzoekster] de verlofaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De afwezigheid van [verweerder] tijdens de door hem aangevraagde en ten onrechte geweigerde verlofperiode kan dan ook niet als plichtsverzuim of ongeoorloofde afwezigheid worden aangemerkt. Dit betekent dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet.


6.14


[verzoekster] verwijt [verweerder] voorts dat hij [verzoekster] in de waan heeft gelaten dat hij zou komen werken, door een belafspraak te maken en daarbij niet aan te geven dat hij op dat moment met vakantie zou zijn. Deze reden heeft [verzoekster] niet (in de ontslagbrief) aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd en kan reeds daarom niet in aanmerking worden genomen. Maar ook als dat anders zou zijn, vormt deze weliswaar ongelukkige handelwijze van [verweerder] naar het oordeel van het hof geen dringende reden voor ontslag op staande voet. [verzoekster] had (ook) in dat geval met een lichtere sanctie kunnen en moeten volstaan.

Conclusie en proceskosten




6.15
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.


6.16

Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.120,-





7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 25 september 2025;


veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 3.120,-;


bepaalt dat als [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.


Deze beschikking is gegeven door mrs. E.I. Mentink, H.J. van Kooten en M.B. Kerkhof en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.



Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596; HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849.


Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596.


Kamerstukken II 1998/99, 26 079, nr. 5, onder 2.3.


O.a. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376 en HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4366.