Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2833

2026-09-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.324.032/02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.324.032/02
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-zwagers over of de ene zwager onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij zijn oom op eigen naam heeft laten procederen tegen de andere zwager op grond van een geldlening waarvan de ene zwager wist dat deze niet op de andere zwager kon worden verhaald. Eisvermeerdering ontoelaatbaar. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.046 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.324.032/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/605689 / HA ZA 21-54





Arrest van 22 september 2026




in de zaak van





[appellant]
,
wonend in [woonplaats], Volksrepubliek China,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend in Rotterdam,



tegen





[geïntimeerde]
,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E. Maarsen-Neumann, kantoorhoudend in Haarlem.



Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].





1De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat om de vraag of [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld tegen [geïntimeerde] vanwege een procedure die [oom], een oom van [appellant], heeft gevoerd om betaling van [geïntimeerde] te krijgen.


1.2
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde] in verband met de procedure die [oom] tegen [geïntimeerde] heeft gevoerd. De hoogte van de schade wordt in hoger beroep niet anders dan in eerste aanleg is toegewezen.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 20 december 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 21 september 2022 (hierna: het bestreden vonnis);


het arrest van dit hof van 16 mei 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);


de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;


de memorie van antwoord van [geïntimeerde] tevens houdende incidentele memorie van grieven, met bijlagen;


de akte overlegging productie van 7 november 2023 van [appellant], met bijlage;


de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant];


de akte van 6 februari 2024 van [geïntimeerde], met bijlagen;


de antwoordakte van 5 maart 2024 van [appellant];


de akte overlegging producties van 9 april 2024 van [geïntimeerde], met bijlagen;


de producties 22 en 23 ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegd op 17 maart 2025 door [geïntimeerde];


de akte overlegging producties alsmede akte houdende vermeerdering eis ingekomen op 12 juni 2025 van [geïntimeerde], met bijlagen.




2.2
Op 19 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. De zaak is daarna enige tijd aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen als gevolg waarvan de zaak is doorgehaald. De zaak is vervolgens weer opgebracht en er is om arrest gevraagd.




3Feitelijke achtergrond

3.1

Partijen hebben geen (kenbare) grieven gericht tegen de door de rechtbank onder 3 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Het hof gaat ook van deze feiten uit.

Familieverhoudingen




3.2

[appellant] was tot 17 mei 2017 getrouwd met [naam ex-partner] (hierna: [ex-partner]). [ex-partner] woont in Nederland en [appellant] in China. [geïntimeerde] is getrouwd met de zus van [ex-partner] en zij wonen ook in Nederland. [naam oom] (hierna: [oom]) is een oom van [appellant] en hij woont ook in China.


3.3


[ex-partner] en [appellant] zijn in het kader van (de afwikkeling van) hun echtscheiding in diverse juridische procedures in Nederland en China verwikkeld (geweest). In de Nederlandse procedure(s) is [appellant] bijgestaan door mr. [naam advocaat].

Procedure [oom] tegen [geïntimeerde]




3.4
heeft op 2 juli 2015 om 23:42 uur (Chinese tijd) van zijn bankrekening in China een bedrag van 95.116,- RMB (renminbi) overgemaakt naar een bankrekening op naam van [naam 1]. Op 7 juli 2015 om 02:48 uur heeft hij een bedrag van 197.141,- RMB overgemaakt naar een bankrekening op naam van [naam 2] en op 9 juli 2015 om 00.45 uur een bedrag van 54.666,- RMB naar een bankrekening op naam van [naam 3].


3.5
Van de bankrekening bij Standard Chartered Bank (Hong Kong) Limited met nummer [rekeningnummer] (hierna: de SCB-rekening) zijn op een bankrekening van [geïntimeerde] in Nederland op 2 juli 2015 (Nederlandse tijd) een bedrag van € 13.750,- bijgeschreven, op 6 juli 2015 een bedrag van € 28.850,- en op 8 juli 2015 een bedrag van € 8.000,-, totaal € 50.600,-. De SCB-rekening stond toen op naam van [oom].


3.6
Mr. [naam advocaat] heeft [geïntimeerde] gesommeerd tot terugbetaling aan [oom] van het bedrag van € 50.600,- vermeerderd met contractuele rente.


3.7


[oom] heeft vervolgens [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en betaling gevorderd van € 50.600,-. [geïntimeerde] heeft het bestaan van de vordering betwist en aangevoerd dat [appellant] de procedure heeft geïnitieerd als drukmiddel tegen de achtergrond van de moeizame echtscheidingsprocedure waarin [appellant] met [ex-partner] was verwikkeld. [geïntimeerde] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat sprake was van misbruik van procesrecht en op die grond veroordeling van [oom] in de volledige proceskosten gevorderd, waarbij [geïntimeerde] zich onder meer beroept op een e-mail van 27 september 2018 van [appellant] aan mr. [naam advocaat]. Deze e-mail gaat over een aanbod van [appellant] aan [ex-partner] tot een schikking in hun echtscheidingsgeschil en daarin staat onder meer:

“Mr. [oom] will nolle proseque/withdraw a lawsuit with [geïntimeerde] from the court for their loan case, which I take responsibility for it.”




3.8

In een tussenvonnis heeft de rechtbank Den Haag [oom] een bewijsopdracht gegeven. Bij eindvonnis van de rechtbank van 13 november 2019 heeft de rechtbank de vordering van [oom] afgewezen, daartoe overwegend dat [oom] niet in de bewijsopdracht is geslaagd. De vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de volledige proceskosten heeft de rechtbank afgewezen, met de volgende overweging:

“Het oordeel dat [[oom], hof] niet is geslaagd in de bewijsopdracht brengt niet zonder meer mee dat hij zijn bevoegdheid heeft misbruikt. Gelet op de antwoordakte van [geïntimeerde] van 24 juli 2019, de daarbij overgelegde producties en de omstandigheid dat [[oom], hof] ervan heeft afgezien zich over deze producties uit te laten, bestaan er serieuze aanwijzingen dat [appellant] de initiator van de procedure is en dat deze is ingesteld tegen de achtergrond van de echtscheidingsprocedure tussen [appellant] en [[ex-partner], hof]. Echter daarmee is de drempel om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht (door [[oom], hof]) naar het oordeel van de rechtbank nog niet genomen. Hieruit volgt dat [geïntimeerde] geen aanspraak heeft op vergoeding van zijn volledige proceskosten, maar op een vergoeding aan de hand van het liquidatietarief.”




3.9


[oom] is door de rechtbank in de proceskosten veroordeeld, die aan de zijde van [geïntimeerde] zijn begroot op € 895,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat. [geïntimeerde] heeft via mr. [naam advocaat] [oom] verzocht aan de proceskostenveroordeling te voldoen, maar betaling is uitgebleven.

Conservatoir beslag ten laste van [appellant]




3.10

[geïntimeerde] heeft op 26 november 2020 voor € 45.000,- inclusief rente en kosten, conservatoire (derden)beslagen ten laste van [appellant] laten leggen, onder meer onder een notariskantoor. [appellant] heeft in kort geding opheffing daarvan gevorderd, dan wel het opnieuw begroten van de vordering op een lager bedrag.


3.11

Bij mondelinge uitspraak van 18 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het bedrag waarvoor beslag mag worden gelegd nader begroot op € 5.500,- inclusief rente en kosten, het meer of anders gevorderde afgewezen en de kosten tussen partijen gecompenseerd.

Procedures in China




3.12

[geïntimeerde] is betrokken in diverse procedures in China, aangespannen door [oom] al dan niet samen met [appellant], waarin wordt gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van € 50.600,-.


3.13

[geïntimeerde] is in China bij vonnis van 10 augustus 2023 bij verstek veroordeeld om dit bedrag aan [oom] te voldoen. Dit vonnis is in hoger beroep vernietigd en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank die het verstekvonnis heeft gewezen. Deze procedure is op 5 november 2024 aanhangig gemaakt. [oom] heeft deze procedure vervolgens ingetrokken op 6 december 2024.


3.14

[appellant] en [oom] hebben [geïntimeerde] op 3 januari 2025 in een procedure betrokken voor dezelfde Chinese rechtbank en hebben daarin dezelfde vordering als eerder ingesteld. In deze zaak heeft op 13 mei 2025 een zitting plaatsgevonden, waarvan een transcript is overgelegd.




4Procedure bij de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, (i) betaling van zijn (werkelijke proces)kosten in de procedure tegen [oom] (en overige schade) tot een beloop van € 59.178,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente, en (ii) verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens door [oom] op basis van een non-existente geldvordering een juridische procedure tegen [geïntimeerde] te laten starten, terwijl [appellant] wist dat [oom] helemaal geen vordering op [geïntimeerde] had, met veroordeling van [appellant] in de beslag- en proceskosten, met rente.


4.2

[appellant] heeft op zijn beurt (in voorwaardelijke reconventie) gevorderd, verkort weergegeven, opheffing van het op 26 november 2020 door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] gelegde beslag onder het notariskantoor, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] dit beslag onrechtmatig heeft gelegd en aansprakelijk is voor de door [appellant] hierdoor geleden en te lijden schade en veroordeling van [geïntimeerde] tot het betalen van € 7.864,09, met rente, als voorschot op de schadevergoeding, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.


4.3
De rechtbank heeft in conventie voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde] door willens en wetens een juridische procedure in Nederland te entameren op naam van een ander op basis van een non-existente geldvordering en [appellant] veroordeeld tot betaling van € 895,- als schadevergoeding en € 1.249,70 aan beslagkosten. De proceskosten in conventie zijn voor het overige gecompenseerd. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, heeft de rechtbank deze niet inhoudelijk behandeld en afgewezen. [appellant] is in de proceskosten van € 717,- in reconventie veroordeeld.


4.4
De rechtbank heeft aan dit oordeel, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

4.4.1

[geïntimeerde] en [appellant] hebben een afspraak gemaakt over het bieden van hulp door [appellant] aan [geïntimeerde] bij het overboeken van geld vanuit China naar Nederland. [appellant] kon (feitelijk) beschikken over bankrekeningen in China waaronder de SCB-rekening. [appellant] heeft [geïntimeerde] in juli 2015 geholpen met het overboeken van gelden van [geïntimeerde] naar Nederland en hij heeft daarbij gebruik gemaakt of laten maken van de SCB-rekening. [oom] heeft niet eerst geld naar [geïntimeerde] overgemaakt, voordat [geïntimeerde] geld naar de Chinese rekeningen overmaakte. Het bedrag dat [geïntimeerde] naar de drie door [appellant] opgegeven Chinese rekeningen heeft overgemaakt, komt (nagenoeg) overeen met de bedragen die kort daarna vanuit de SCB-rekening naar [geïntimeerde] in Nederland zijn overgemaakt. [appellant] heeft [oom] aangestuurd om een vordering tegen [geïntimeerde] in te stellen gegrond op de betalingen die in juli 2015 vanaf de SCB-rekeningen waren gedaan, terwijl hij wist dat die betalingen enkel plaatsvonden om de door [geïntimeerde] gewenste overboeking mogelijk te maken en van een geldlening van [oom] aan [geïntimeerde] voor een gelijk bedrag geen sprake was. Daarmee heeft [appellant] onrechtmatig gehandeld tegenover [geïntimeerde].


4.4.2
Inzet van de procedure voor [geïntimeerde] is dat [appellant] hem schadeloos zal stellen voor de kosten die [geïntimeerde] heeft moeten maken in verband met de door [appellant] onrechtmatig via [oom] geïnitieerde procedure in Nederland en overige schade. Van de gevorderde schade is alleen € 895,-, het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht in de procedure tegen [oom], toewijsbaar. Van de overige gevorderde schade (advieskosten in China, juridische kosten in Nederland, reiskosten, niet-geïncasseerde proceskostenveroordeling in de procedure van [geïntimeerde] tegen [oom] en gederfde inkomsten) is niet komen vast te staan dat deze (door [geïntimeerde]) is geleden. Deze posten komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.





5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellant] vordert dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en dat zijn reconventionele vordering alsnog wordt toegewezen.


5.2

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord en memorie van grieven in incidenteel appel gevorderd, kort gezegd, zijn vordering alsnog integraal toe te wijzen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Vervolgens heeft [geïntimeerde] zijn eis bij akte vermeerderd. Hij vordert nu, zakelijk weergegeven, dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een hoger bedrag aan schadevergoeding en wel tot € 115.969,97, zijnde de door [geïntimeerde] gestelde geleden werkelijke en reële schade wegens de procedures in Nederland en € 76.498,04, zijnde de door [geïntimeerde] gestelde geleden werkelijke en reële schade wegens de procedures in China, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
Vooropgesteld wordt dat er door partijen geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter bevoegd is over het onderhavige geschil te oordelen en dat daarbij Nederlands recht van toepassing is. Het hof ziet ook geen reden om daarover anders te oordelen, zodat bij de oordelen van de rechtbank daarover zal worden aangesloten.


6.2

Het hof zal het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep hierna samen behandelen. Het hof zal eerst beoordelen of de eisvermeerdering van [geïntimeerde], waar [appellant] zich tegen heeft verzet, toelaatbaar is.

Eisvermeerdering [geïntimeerde]




6.3
heeft zijn vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg gegrond op het door hem gestelde onrechtmatig handelen van [appellant]. Dat handelen bestaat er naar zeggen van [geïntimeerde] in dat [appellant] [oom] een procedure in Nederland tegen [geïntimeerde] heeft laten voeren, terwijl hij wist dat [oom] geen vordering had op [geïntimeerde] (de procedure als bedoeld in 3.7-3.9 hiervoor). De schade die hij stelt te hebben geleden, zijn de werkelijke kosten gemaakt voor het voeren van die procedure. [geïntimeerde] vordert in de akte houdende vermeerdering van eis naast die schade ook schade die hij stelt te hebben geleden:


door de andere procedures die in Nederland zijn gevoerd (de beslag- en kortgedingprocedure als bedoeld in 3.10 en 3.11 hiervoor en deze procedure);


door de door [oom] en/of [appellant] geïnitieerde procedures tegen hem in China (zoals omschreven in 3.12-3.14 hiervoor).




6.4
De in art. 347 lid 1 Rv besloten tweeconclusieregel beperkt de – ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv – aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.


6.5
Vooropgesteld wordt dat [appellant] uitdrukkelijk niet heeft ingestemd met de eiswijziging. Verder geldt dat de schade die [geïntimeerde] in de akte vordert voor de beslag- en kortgedingprocedure, schadeposten zijn die [geïntimeerde] al bekend waren ten tijde van het indienen van zijn memorie van antwoord/grieven in incidenteel appel. Deze posten hadden dus bij die gelegenheid kunnen en moeten worden opgevoerd. Voor de gevorderde vergoeding van de door [geïntimeerde] daadwerkelijk gemaakte proceskosten in deze procedure geldt hetzelfde. Dit deel van de eisvermeerdering is dan ook – als in strijd met de tweeconclusieregel – niet toelaatbaar en wordt gepasseerd. Aan de eisvermeerdering in de akte wordt ook voorbijgegaan voor zover het gaat om de schade die [geïntimeerde] stelt te hebben geleden door procedures in China. [geïntimeerde] bedoelt in de akte kennelijk naar voren te brengen dat [appellant] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door (ook) in China tegen [geïntimeerde] te procederen. Dit is een nieuwe vordering die niet toelaatbaar is, omdat [appellant] zich tegen die nieuwe vordering in dit stadium van de procedure niet (adequaat) heeft kunnen verweren. Dit deel van de eisvermeerdering in de akte is dan ook in strijd met de goede procesorde.


6.6

Het voorgaande leidt ertoe dat de akte voor wat betreft de daarin opgenomen eisvermeerdering wordt gepasseerd. Het hof zal dus de in de memorie van antwoord en memorie van grieven in incidenteel appel omschreven vordering van [geïntimeerde] beoordelen. Waar het hof in het navolgende spreekt over de procedure tussen [oom] en [geïntimeerde], betreft het dus niet de Chinese maar de Nederlandse procedure.

Onrechtmatig handelen [appellant] (principaal hoger beroep grief 1)




6.7
Het principaal hoger beroep stelt in de kern aan de orde het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door (op naam van [oom]) een procedure in Nederland te voeren tegen [geïntimeerde], terwijl hij wist dat [oom] geen vordering heeft op [geïntimeerde]. Grief 1 van het principaal hoger beroep ziet daarop.


6.8

[appellant] voert tegen het hiervoor omschreven oordeel van de rechtbank het volgende aan:


De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde] niet de juiste maatstaf aangelegd; beoordeeld moet worden of sprake is van misbruik van procesrecht;



[appellant] heeft [oom] op geen enkele manier aangestuurd om de procedure te voeren tegen [geïntimeerde] en [appellant] heeft ook niet de procedure gevoerd (op naam van [oom]); [oom] heeft dat zelf geïnitieerd en kon hier zelf over beschikken;



[appellant] heeft [geïntimeerde] niet geholpen met het overboeken van geld uit China naar Nederland;



[appellant] is niet de rechthebbende op bankrekeningen van derden in China en ook niet de ubo (ultimate beneficial owner) van de SCB-rekening.




6.9
Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden beoordeeld aan de hand van de strikte maatstaf van misbruik van procesrecht. [geïntimeerde] heeft zijn vordering tegen [appellant] gebaseerd op een onrechtmatig handelen van [appellant]. Bij de beoordeling van die vordering geldt de maatstaf van artikel 6:162 BW. Dat de door [geïntimeerde] gevorderde schade bestaat uit de door [geïntimeerde] in een gerechtelijke procedure gemaakte (werkelijke) proceskosten maakt nog niet dat de strikte maatstaf moet worden aangelegd. Deze strikte maatstaf geldt bij de beoordeling van de vraag of in een gerechtelijke procedure (in dit geval de procedure van [oom] tegen [geïntimeerde] in Nederland) een procespartij ([oom]) de werkelijk gemaakte proceskosten van de andere partij ([geïntimeerde]) moet vergoeden. Daarvan is hier geen sprake, omdat [appellant] geen partij was in die procedure zoals hij ook zelf erkent. [appellant] kan zich in het kader van zijn verweer tegen vordering van [geïntimeerde] er ook niet met succes op beroepen dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [oom] geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt.


6.10
Het hof is van oordeel dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld tegen [geïntimeerde] door [oom] een procedure te laten voeren tegen [geïntimeerde] gegrond op een geldlening die zou blijken uit de betalingen die in juli 2015 vanaf de SCB-rekeningen waren gedaan, terwijl hij wist dat van een geldlening van [oom] aan [geïntimeerde] geen sprake was, omdat niet [oom] maar [appellant] feitelijk over de rekening kon beschikken en hij de bedragen aan [geïntimeerde] had overgemaakt. Dit is in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid en levert een onrechtmatige daad op. De rechtbank heeft de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] op dit punt onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] heeft gehandeld, dan ook terecht toegewezen. Tegen dat wat de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd (zie 4.4.1 hiervoor), heeft [appellant] in hoger beroep eigenlijk niet meer naar voren gebracht dan hij in eerste aanleg heeft gedaan en waarvan de rechtbank (terecht) heeft geoordeeld dat het niet kan leiden tot het aannemen van het door [appellant] gestelde.


6.11
Dat [geïntimeerde] in China is veroordeeld om het bedrag van de vermeende lening aan [oom] te betalen, onderschrijft het betoog van [appellant] ook niet. Het verstekvonnis is immers in hoger beroep vernietigd en [oom] heeft de vordering daarna ingetrokken. De stukken over de procedures in China die [geïntimeerde] heeft overgelegd, onderschrijven juist dat [appellant] [oom] heeft aangezet tot het voeren van de procedure tegen [geïntimeerde] in Nederland. Uit de vertaling van het transcript van de zitting van 13 mei 2025 volgt dat [appellant] tijdens die zitting heeft verklaard dat hij heeft bemiddeld en gefaciliteerd bij het zoeken van een Nederlandse advocaat voor het voeren van een procedure tegen [geïntimeerde]. [appellant] had dus een actieve rol bij het initiëren van de procedure van [oom] tegen [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft verder, in deze procedure en tijdens de zitting in China op 13 mei 2025, aangevoerd dat de Chinese advocaat van [geïntimeerde] in het hoger beroep tegen het verstekvonnis op de zitting het aan de SCB-rekening gekoppelde telefoonnummer heeft gebeld en dat [appellant] toen heeft opgenomen. [appellant] heeft dat niet weersproken. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [appellant] het aan de SCB-rekening gekoppelde telefoonnummer gebruikte en daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook ten tijde van de overboekingen van de SCB-rekening over die rekening kon beschikken en dat deze toen aan hem toebehoorde. Hij en dus niet [oom] heeft het geld naar [geïntimeerde] overgeboekt, wat past in wat [geïntimeerde] in deze procedure stelt, namelijk dat [appellant] [geïntimeerde] heeft geholpen met het doen van overboekingen van China naar Nederland.


6.12
Tot slot had het op de weg van [appellant] gelegen om een verklaring of iets dergelijks van [oom] in het geding te brengen waaruit zou volgen dat [oom] destijds opdracht voor de procedure heeft gegeven, hier de verantwoordelijkheid voor nam en niet werd aangestuurd door [appellant], dan wel ter zake specifiek bewijs aan te bieden. Dat geldt vooral nu op geen enkele wijze directe betrokkenheid van [oom] bij de procedure die tegen [geïntimeerde] is aangespannen blijkt (in de procedure tussen [oom] en [geïntimeerde] heeft de raadsvouw van [oom], mr. [naam advocaat], verklaard [oom] nooit persoonlijk ontmoet te hebben en [oom] voor zover zij weet nooit in Nederland is geweest) en [appellant] op dat punt in de onderhavige procedure wel stellingen namens [oom] inneemt. Daarnaast had [appellant] het blijkens de mail van 27 september 2018 aan zijn raadsvrouw van destijds, mr. [naam advocaat], (zie onder 3.7) ook nog in zijn macht [oom] ervan te overtuigen de vordering te laten rusten, zodat een verklaring van [oom] op dit punt meer dan voor de hand had gelegen.


6.13

Grief 1 van het principaal hoger beroep slaagt dus niet.

Schade [geïntimeerde]




6.14
De rechtbank heeft van de door [geïntimeerde] opgevoerde schadeposten enkel het griffierecht in de procedure van [oom] tegen [geïntimeerde] en de beslagkosten toegewezen. De andere schadeposten (advieskosten in China, juridische kosten in Nederland, reiskosten, niet-geïncasseerde proceskostenveroordeling in de procedure van [geïntimeerde] tegen [oom] en gederfde inkomsten) heeft de rechtbank afgewezen. Het principaal hoger beroep voert grieven (2-5) aan tegen de toegewezen schadeposten en het incidenteel hoger beroep komt (met één grief) op tegen de afwijzing van de andere opgevoerde schadeposten.


- Advieskosten China (incidenteel hoger beroep)



6.15

[geïntimeerde] voert aan dat hij voor de procedure tegen [oom] diverse malen advies heeft moeten inwinnen bij een Chinese advocaat en verder dat hij direct via WeChat betalingen aan een Chinese advocaat heeft gedaan en dat de rest van het bedrag, vanwege restricties, door zijn familie is betaald. [geïntimeerde] onderbouwt dit met WeChat-screenshots.


6.16

[geïntimeerde] heeft deze kosten, in het licht van de betwisting daarvan door [appellant], onvoldoende onderbouwd. Op de screenshots zijn alleen bedragen te zien en daaronder Chinese tekens. Als al wordt aangenomen dat dit betaalbewijzen zijn, dan kan nog niet worden aangenomen dat het gaat om bedragen voor werkzaamheden van de Chinese advocaat ten behoeve van de procedure van [oom] tegen [geïntimeerde]. Facturen van de Chinese advocaat gesteld op naam van [geïntimeerde] voor de door [geïntimeerde] gestelde verrichte werkzaamheden ontbreken. Ook al zouden betalingen zijn gedaan voor die werkzaamheden, dan is niet duidelijk geworden of deze zijn gedaan door [geïntimeerde] en dat dit dus schade van hemzelf is. Een schriftelijke verklaring van de Chinese advocaat die een en ander had kunnen ophelderen en/of bevestigen, ontbreekt. Voor zover het gaat om door familieleden betaalde bedragen ontbreekt in hoger beroep iedere onderbouwing en is ook onduidelijk of, en zo ja hoe, [geïntimeerde] deze bedragen heeft terugbetaald of moet terugbetalen. Het hof kan al met al niet vaststellen of op dit punt sprake is van door [geïntimeerde] geleden schade.


- Vliegtickets (incidenteel hoger beroep)



6.17

[geïntimeerde] vordert kosten van tickets voor retourvluchten van Amsterdam naar Peking in verband met de procedure van [oom] tegen [geïntimeerde].


6.18
Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De facturen van de vliegtickets zijn gericht aan de onderneming van [geïntimeerde], [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf]), zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze ook door [naam bedrijf] zijn voldaan en gedragen. Er is dus geen sprake van door [geïntimeerde] geleden schade.


- Advocaatkosten en Kostenveroordeling salaris advocaat in de procedure [oom] - [geïntimeerde] (incidenteel hoger beroep)



6.19

[geïntimeerde] vordert vergoeding van de kosten van zijn advocaat voor werkzaamheden die zien op de procedure tegen [oom]. Daartoe heeft hij een factuur van € 3.667,51 en een factuur van € 6.502,60 (totaal € 10.170.11) overgelegd. Daarnaast heeft hij een verklaring van [naam bedrijf] in het geding gebracht. Ook wil [geïntimeerde], behalve de vergoeding van € 895,- aan griffierecht (zie hieronder onder 6.26 e.v.), ook vergoeding van [appellant] van de overige proceskosten (van € 3.222,-) waartoe [oom] is veroordeeld, omdat hij deze kosten niet heeft kunnen innen bij [oom].


6.20
Voorop gesteld wordt, zoals ook reeds door de kantonrechter onder 4.21.8. van het bestreden vonnis is overwogen, dat het bedrag van € 3.222,- voor vergoeding van de advocaatkosten in de kostenveroordeling ook opgenomen is in het bedrag van € 10.170,11 aan advocaatkosten. Voor een aparte vergoeding is dus in elk geval geen grond, omdat [geïntimeerde] dan meer vergoed zou krijgen dan hij aan schade heeft geleden. Beoordeeld zal dan ook alleen worden of [geïntimeerde] recht heeft op vergoeding van de advocaatkosten van € 10.170,11.


6.21
De facturen van de advocaat zijn gericht aan [naam bedrijf]. Daarover brengt [geïntimeerde] het volgende naar voren. De advocaat verrichtte werkzaamheden voor zowel [naam bedrijf] als [geïntimeerde] en daarom zijn de facturen gericht aan [naam bedrijf]. De tijdverantwoordingsoverzichten die horen bij die facturen zijn wel gericht aan [geïntimeerde]. De facturen komen uiteindelijk via de rekening-courant verhouding die tussen hem en [naam bedrijf] bestaat voor zijn eigen rekening. Het gaat dus om werkzaamheden die de advocaat heeft verricht voor [geïntimeerde] en niet voor [naam bedrijf] en die [geïntimeerde] ook heeft betaald.


6.22
De advocaatkosten komen naar het oordeel van het hof niet voor vergoeding in aanmerking. Hoewel [geïntimeerde] een verklaring van [naam bedrijf] in het geding heeft gebracht die weergeeft dat er tussen hem en [naam bedrijf] een rekening-courant verhouding bestaat en [geïntimeerde] het bedrag aan [naam bedrijf] heeft betaald, ontbreken stukken waaruit de betaling en/of verrekening en/of – zoals vereist – het door [naam bedrijf] aan [geïntimeerde] door middel van btw-facturen in rekening brengen van deze kosten blijkt. Het hof kan aldus niet vaststellen of sprake is van schade die door [geïntimeerde] is geleden.


- Gederfde inkomsten (incidenteel hoger beroep)



6.23

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij schade heeft geleden doordat hij tijd – die hij had kunnen steken in het drijven van [naam bedrijf] – heeft moeten besteden aan het voeren van de procedure tegen [oom].


6.24
Het hof stelt voorop dat gederfde inkomsten van [geïntimeerde] als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, gelet op het onrechtmatig handelen waarvoor [appellant] aansprakelijk is.


6.25
De rechtbank heeft overwogen dat als [geïntimeerde] minder tijd spendeert aan [naam bedrijf] dat, zonder nadere toelichting, schade is van [naam bedrijf] en niet van [geïntimeerde] zelf. [geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep niet voldoende toegelicht waarom niet [naam bedrijf] maar hijzelf inkomsten heeft gederfd. [geïntimeerde] heeft enkel gesteld dat hij de kosten die de IT-medewerkers van [naam bedrijf] hebben besteed aan deze kwestie aan [naam bedrijf] heeft betaald, maar [geïntimeerde] heeft dat niet met stukken onderbouwd. [geïntimeerde] heeft verder de door hem bestede uren bijgehouden, maar dat [geïntimeerde] daarvoor een vergoeding aan [naam bedrijf] heeft voldaan, blijkt niet uit de stukken. Ook van deze kosten kan het hof niet tot het oordeel komen dat het gaat om door [geïntimeerde] geleden schade, zodat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt.


- Griffierecht (principaal hoger beroep grief 2)



6.26
Grief 2 van het principaal hoger beroep komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] € 895,- (het griffierecht in de door [oom] geïnitieerde procedure tegen [geïntimeerde] griffierecht) moet vergoeden als schade. Voor zover wordt aangevoerd dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld omdat niet hij maar [oom] die procedure aanhangig heeft gemaakt, slaagt de grief niet omdat bij de beoordeling van grief 1 van het principaal hoger beroep is geoordeeld dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld tegen [geïntimeerde] door [oom] aan te zetten de procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig te maken.


6.27
De grief voert verder aan dat van schade geen sprake kan zijn totdat duidelijk is dat de vordering tegen [oom] tot betaling van € 895,- oninbaar blijkt en dat [geïntimeerde] dit niet heeft aangetoond. Bovendien heeft [geïntimeerde] de schade niet geleden, omdat niet hij maar [naam bedrijf] het griffierecht heeft voldaan.


6.28
Het hof overweegt daarover het volgende. [geïntimeerde] heeft, ook al in eerste aanleg, aangevoerd dat het vonnis tegen [oom] in China feitelijk niet ten uitvoer kan worden gelegd en dat hij bij de (Nederlandse) advocaat van [oom] heeft aangedrongen op betaling maar dat daaraan geen gevolg is gegeven. [appellant] zet daartegen in hoger beroep onvoldoende tegenover, zodat het betoog van [appellant] als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. Daarnaast stelt het hof vast dat op heden nog steeds is niet voldaan aan het vonnis 13 november 2019.


6.29

[appellant] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet [geïntimeerde] maar [naam bedrijf] het griffierecht heeft betaald. Dit standpunt heeft [appellant] echter niet onderbouwd met stukken op grond waarvan dat kan worden aangenomen. De procedure is door [oom] gevoerd tegen [geïntimeerde], zodat het griffierecht ook aan [geïntimeerde] in rekening is gebracht. Voorts heeft [geïntimeerde] de factuur die hij voor het griffierecht heeft ontvangen in het geding gebracht en deze factuur staat (in tegenstelling tot andere facturen) op zijn naam en niet op die van [naam bedrijf] (productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg). Er moet dan ook worden aangenomen dat het griffierecht namens [geïntimeerde] is betaald en daarmee voor zijn rekening is gekomen, zodat hij schade heeft geleden.


6.30
Dit leidt ertoe dat grief 2 van het principaal hoger beroep tevergeefs is voorgesteld.


- Beslag(kosten) (principaal hoger beroep grief 3 en 4)



6.31
Grief 4 van het principaal hoger beroep voert aan dat de vordering van [appellant] tot opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde beslag moet worden toegewezen, omdat [geïntimeerde] het beslag heeft gelegd voor een pretentieuze vordering en enkel om [appellant] tegen te werken. Zoals uit het voorgaande volgt, had [geïntimeerde] een vordering wegens door hem geleden schade tegen [appellant] en dus een rechtmatig belang om het beslag te (doen) leggen. Deze grief faalt.


6.32
Grief 3 van het principaal hoger beroep komt op tegen het toewijzen van de beslagkosten. Voor zover wordt aangevoerd dat [geïntimeerde] ten onrechte beslag heeft gelegd, faalt die grief op grond van de vorige overweging. De grief voert verder aan dat toewijzing van € 1.249,70 aan beslagkosten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat het bedrag veel lager is dan de toegewezen hoofdsom en 90% van de hoofdsom is afgewezen. Hierin volgt het hof [appellant] niet. Voor het toewijzen van de beslagkosten is voldoende dat de hoofdsom deels is toegewezen. Dat de hoofdsom maar voor een klein deel is toegewezen, is niet relevant. De beslagkosten zijn dus terecht toegewezen. Deze grief slaagt niet.


- Proceskostenveroordeling in eerste aanleg (principaal hoger beroep grief 5 en incidenteel hoger beroep)



6.33
Grief 5 van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep komen op tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg.


6.34
Grief 5 van het principaal hoger beroep bouwt voort op de grieven 1-4 van het principaal hoger beroep, waarvan al is geoordeeld dat deze niet slagen, en faalt daarom.


6.35
Volgens het incidenteel hoger beroep heeft [appellant], kort gezegd, onrechtmatig gehandeld tegen [geïntimeerde] door hem op te zadelen met een procedure (gevoerd op naam van [oom]) gebaseerd op een (naar [appellant] wist) niet-bestaande geldvordering en heeft [appellant] de waarheidsplicht geschonden door informatie achter te houden van de rechtbank. Een en ander rechtvaardigt volgens [geïntimeerde] een volledige proceskostenveroordeling.


6.36

Voor een volledige proceskostenveroordeling is geen plaats. Zoals uit de bespreking van de grieven die zien op de schade van [geïntimeerde] volgt, heeft de rechtbank terecht een groot deel van de door [geïntimeerde] gevorderde schade afgewezen. Een compensatie van de proceskosten is dan ook aangewezen.

Bewijsaanbod




6.37

Het hof passeert het bewijsaanbod van zowel [appellant] als [geïntimeerde], omdat het onvoldoende concreet is.

Slotsom en proceskosten.




6.38
De slotsom is dat zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep niet slaagt. Dit leidt ertoe dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen. [appellant] zal als de in het principaal hoger beroep volledig in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [geïntimeerde] worden veroordeeld en [geïntimeerde] zal als de volledig in het ongelijk gestelde partij in het incidenteel hoger beroep in de proceskosten van [appellant] worden veroordeeld.


6.39
De proceskosten in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden als volgt begroot:


griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 7.056,- (3 punten × € 2.352,- (tarief IV))

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.028,-



6.40
De proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden aan de zijde van [appellant] als volgt begroot:


salaris advocaat € 2.940,- (2,5 punten × € 1.176, - (de helft van tarief IV))

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.129,-





7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt het bestreden vonnis;


veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 8.028,-;


bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 3.129,-;


bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. M. Verkerk, J.W. Frieling en L. Reurich en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.



HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064, onder 4.1.3.


HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, onder 5.1.