Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2830

2026-09-15 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.357.161/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.357.161/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Geschil over omvang dienstverband en, in verband daarmee, hoogte salaris. Beoordeling na horen van getuigen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.199 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.357.161/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11459654 VZ VERZ 24-10508





Beschikking van 15 september 2026





in de zaak van




NewBahar International B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verzoekster,
advocaat: mr. C. Choy, kantoorhoudend in Den Haag,



tegen





[verweerster]
,
wonend in [woonplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. G.A.H. Wiekamp, kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht.



Het hof noemt partijen hierna NewBahar en [verweerster] .





1De zaak in het kort

1.1

[verweerster] is van 1 april 2024 tot 1 april 2025 in dienst geweest bij NewBahar. Volgens de arbeidsovereenkomst was dat voor gemiddeld twintig uur per week. Volgens [verweerster] heeft zij veertig uur per week gewerkt en betaalde NewBahar haar voor twintig uur per week per bank en voor twintig uur contant. NewBahar betwist dat [verweerster] meer dan twintig uur per week heeft gewerkt.


1.2
De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerster] om NewBahar te veroordelen tot betaling van achterstallig loon toegewezen. Na het horen van getuigen komt het hof tot een bekrachtiging van die beschikking.




2Procesverloop in hoger beroep
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 21 juli 2025, is NewBahar in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2025.



[verweerster] heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 10 december 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Aansluitend aan de mondelinge behandeling zijn op voorstel van NewBahar en zonder bezwaar van [verweerster] getuigen gehoord. De getuigenverhoren zijn voortgezet op 27 januari en 15 april 2026.



Beide partijen hebben een memorie na enquête genomen.



Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.




3Feitelijke achtergrond

3.1

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 april 2024 als administratief medewerkster bij NewBahar in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is haar functie ten onrechte aangeduid als ‘verkoopmedewerker’. Vermeld is verder dat het dienstverband is aangegaan voor gemiddeld twintig uur per week en dat het salaris € 1.203,70 bruto per maand bedraagt. Op haar bankrekening ontving [verweerster] een salaris van € 1.234,- netto per maand.


3.2
Medio september 2024 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Op grond van de toepasselijke cao voor foodservice en groothandel in levensmiddelen (hierna: de cao) is bij ziekte gedurende de eerste 26 weken 100% van het salaris verschuldigd.


3.3
Omdat [verweerster] tijdens haar ziekte aanvankelijk in het geheel geen salaris ontving, heeft zij in kort geding betaling gevorderd. Ter zitting van 10 januari 2025 in kort geding zijn partijen het volgende overeengekomen:1. Partijen zijn het erover eens dat het salaris over de maanden oktober, november en december 2024 en de wettelijke verhoging nog niet betaald is. Het totaalbedrag daarvan is € 5.182,80. Dat is gebaseerd op een maandsalaris van € 1.234,- netto. Dit laat onverlet het standpunt van [verweerster] dat het werkelijk verschuldigde salaris hoger is. 2. (…)New Bahar betaalt het totale bedrag van € 5.434,80 [inclusief proceskosten in kort geding, hof] vandaag (…)3. New Bahar betaalt vanaf januari 2025 aan [verweerster] haar salaris inclusief vakantietoeslag en andere vergoedingen (…) tot het einde van de arbeidsovereenkomst, 1 april 2025 (…) 7. (…) De verzoekschrift procedure [dat is deze procedure, hof] zal worden voortgezet.Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als de vaststellingsovereenkomst.




4Procedure bij de kantonrechter

4.1
Bij inleidend verzoekschrift heeft [verweerster] , voor zover nu nog relevant, de kantonrechter verzocht NewBahar te veroordelen aan [verweerster] te betalen over de periode van 1 oktober 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst het overeengekomen loon van (in totaal) € 2.900,- netto per maand (met nevenverzoeken) met de veroordeling van NewBahar in de proceskosten.


4.2
Aan dit verzoek heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat zij veertig uur per week voor NewBahar heeft gewerkt. Zij ontving voor dat werk € 1.234,- netto per maand op haar bankrekening (voor twintig uur) en maandelijks een envelop met daarin aan contanten € 1.666,- netto (voor nog eens twintig uur), zodat zij in totaal € 2.900,- netto per maand ontving. Gelet op de cao moet haar ook tijdens haar ziekte het gehele salaris worden betaald, aldus [verweerster] .


4.3
NewBahar heeft verweer gevoerd.


4.4
De mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft op 10 januari 2025 plaatsgevonden, tegelijk met het kort geding dat is beëindigd door de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter heeft bij beschikking van 7 februari 2025 aan [verweerster] bewijs opgedragen.


4.5
Bij beschikking van 28 april 2025 heeft de kantonrechter NewBahar bevolen de contactgegevens van een aantal getuigen in het geding te brengen.


4.6
NewBahar heeft met een beroep op de volgens haar door medewerkers ervaren intimiderende houding van [verweerster] de contactgegevens van deze getuigen niet verstrekt. De kantonrechter heeft bij eindbeschikking van 6 juni 2025 (hierna: de eindbeschikking) geoordeeld, kort gezegd, dat in deze zaak het belang van de waarheidsvinding gaat boven het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Door de weigering om aan het bevel te voldoen heeft NewBahar [verweerster] de kans ontnomen om haar stellingen te bewijzen door middel van het horen van getuigen. Daaraan heeft de kantonrechter het gevolg verbonden dat het verzoek tot betaling van achterstallig loon van in totaal € 2.900,- netto per maand met nevenverzoeken zonder nadere bewijslevering voor toewijzing in aanmerking komt.




5Verzoek in hoger beroep

5.1
NewBahar is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met de eindbeschikking van de kantonrechter. Zij verzoekt - zakelijk weergegeven - die beschikking te vernietigen en [verweerster] te veroordelen om aan haar terug te betalen € 15.382,22, te vermeerderen met wettelijke rente, met de veroordeling van [verweerster] in de proceskosten in beide instanties.


5.2
In dat verband heeft NewBahar één grief aangevoerd, gericht tegen rechtsoverweging 2.6 van de eindbeschikking. Volgens haar kan de beschikking niet in stand blijven omdat NewBahar bij beroepschrift alsnog getuigenbewijs heeft aangeboden en daarbij alle contactgegevens van de in eerste aanleg voorgedragen getuigen alsnog heeft genoemd.


5.3

[verweerster] heeft de grief bestreden. Zij heeft aangevoerd dat het alsnog horen van getuigen in strijd is met de goede procesorde, althans dat NewBahar daardoor misbruik van recht maakt. Tenminste behoort de bewijslast te worden omgekeerd, aldus steeds [verweerster] . Daarbij moet zwaar wegen dat NewBahar een bevel van de kantonrechter niet heeft opgevolgd.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het hof zal hierna beoordelen of [verweerster] na het horen van de getuigen in hoger beroep alsnog het bewijs heeft geleverd dat de kantonrechter haar bij beschikking van 7 februari 2025 had opgedragen. Zoals hierna zal blijken, acht het hof dat bewijs geleverd. Dat betekent dat [verweerster] geen belang heeft bij haar bezwaren tegen het alsnog horen van getuigen in hoger beroep en bij de door haar bepleite omkering van de bewijslast.


6.2
De volgende getuigen zijn gehoord: 1. [getuige 1] , statutair directeur van NewBahar;2. [getuige 2] , inkoopmanager bij NewBahar;3. [getuige 3] , van 2021 tot 2025 werkzaam bij NewBahar;4. [getuige 4] , zus van [verweerster] ;5. [getuige 5] , ex-partner van [verweerster] ;6. [verweerster] , partijgetuige;7. [getuige 7] , werknemer van NewBahar, twee keer gehoord;8. [getuige 8] , productiemanager bij NewBahar;9. [getuige 9] , zus van [verweerster] .


6.3
Ter inleiding op de bespreking van het getuigenbewijs merkt het hof op dat het debat over het aan [verweerster] toekomende loon zich heeft toegespitst op het aantal uren per week dat [verweerster] in de betrokken periode bij NewBahar heeft gewerkt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het door [verweerster] gestelde verschuldigde loon van € 2.900,- netto per maand hoort bij een werkweek van veertig uur.


6.4

[verweerster] heeft over het aantal door haar gewerkte uren verklaard:- dat zij nadat zij, al in de eerste maand van haar dienstverband, oppas had kunnen regelen (haar voormalige schoonouders) veertig uur per week is gaan werken voor NewBahar;- dat haar door [getuige 1] [ [getuige 1] , statutair directeur van NewBahar, hof] en door ‘ [leidinggevende] ’ die als haar leidinggevende bij NewBahar werkzaam was en haar opdrachten gaf, is toegezegd dat haar arbeidsovereenkomst (voor twintig uur per week) zou worden aangepast in verband met de uitbreiding van de werkuren;- dat het contract niet werd aangepast, en dat zij er wel om had gevraagd;- dat zij ervan uitging dat dat goed zou komen en dat het eerlijk ging;- dat zij in april 2024 van voormelde leidinggevende [leidinggevende] een envelop met contanten ontving voor de gewerkte uren boven de twintig uur;- dat zij ook over mei/juni 2024, na de terugkeer van [getuige 1] van zijn vakantie, een betaling in contanten ontving;- dat zij na haar ziekmelding in september 2024 en oktober 2024 de contante betalingen nog heeft ontvangen;- dat [getuige 1] bij het afhalen van de contante betaling in oktober 2024 wilde dat [verweerster] een ontslagbrief tekende en dat zij dat heeft geweigerd;- dat de contante betaling telkens € 1.666,- netto bedroeg en dat zij dit bedrag vijf keer van [leidinggevende] en één keer van [getuige 1] heeft ontvangen;- dat zij tot haar ziekmelding de hele dag aanwezig was op kantoor en in principe van 8.00 tot 17.00 uur werkte maar vaak nog tijd moest inhalen omdat zij iets te laat arriveerde, dat zij vaak als eerste kantoormedewerker aankwam en dat haar soms ook gevraagd werd om aankomsttijdstippen van anderen te noteren, dat zij ‘meedeed’ met de rookpauzes van de afdeling productie om 10.00, 13.00 en 15.00 uur en dat zij aan het einde van de werkdag nog retourbonnen inboekte;- dat er op het kantoor contant geld binnenkwam, afkomstig van leveranciers.


6.5
De verklaring van [verweerster] over de gewerkte uren wordt ondersteund door de verklaring van haar ex-partner en vader van haar kind [getuige 5] (niet te verwarren met de hiervoor vermelde [leidinggevende] ). Hij heeft gedetailleerd verklaard over zijn rol bij het brengen en halen van hun dochter, nu 9 jaar oud, naar zijn ouders die als oppas fungeerden wanneer [verweerster] werkte. Nadat hij in de ochtend zijn dochter bij [verweerster] had opgehaald bracht hij haar naar school of naar zijn ouders en aan het einde van de werkdag bracht hij, in overleg met [verweerster] over het tijdstip waarop zij van haar werk vertrok (doorgaans na 18.00 uur), zijn dochter terug naar [verweerster] . Een vergelijkbare verklaring had [getuige 5] ook al schriftelijk afgelegd in de procedure bij de kantonrechter. Deze schriftelijke verklaring is onderschreven door [naam 1] , de (oppas)grootvader.


6.6
Voormelde verklaring van [verweerster] is niet weerlegd door de verklaring van [getuige 1] , inhoudende, kort gezegd, dat de werkzaamheden van [verweerster] beperkt waren tot 20 uur per week (in beginsel van 8.00 tot 12.00 uur in de ochtend), waarvoor zij maandelijks salaris per bank ontving, waarbij [verweerster] een grote vrijheid zou hebben gehad wat de invulling van die uren betreft en veel uren verzuimd zou hebben.


6.7
Het hof merkt deze verklaring gelet op de navolgende feiten en omstandigheden aan als ongeloofwaardig. a) [getuige 1] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat met [verweerster] toegewerkt zou worden naar een dienstverband van veertig uur per week. Tot een uitbouw van uren is het door toedoen van [verweerster] , die zou hebben geschreeuwd en personeelsleden zou hebben bedreigd, niet gekomen. Zo zou [verweerster] tegen hem, [getuige 1] , hebben geroepen: ‘ik ga je uit het raam gooien’. [getuige 1] heeft geen verklaring gegeven waaruit kan volgen waarom hij dergelijke uitspraken kennelijk wel accepteerde van een werknemer die twintig uur in dienst was maar niet van één die veertig uur in dienst was. Stukken waaruit kan volgen dat [verweerster] is aangesproken op dit gedrag bevinden zich evenmin in het dossier. [getuige 1] heeft weliswaar verklaard dat zijn vader en broer hierover kunnen getuigen, maar het hof constateert dat hij hen niet als getuigen heeft voorgebracht. Het hof hecht daarom geen geloof aan deze beweringen van [getuige 1] . Ondertussen komt een en ander de geloofwaardigheid van [getuige 1] ook anderszins niet ten goede.b) [getuige 1] heeft ook verklaard dat op het bedrijf geen urenregistratiesysteem aanwezig was om de aanwezigheid van medewerkers te monitoren en dat het door toedoen van het vorige administratiekantoor niet goed ging met de administratie waardoor bijvoorbeeld de functie van [verweerster] verkeerd stond vermeld in de arbeidsovereenkomst. [getuige 1] kan verder niet verklaren waarom er in de schriftelijke arbeidsovereenkomst een maandsalaris van € 1.207,70 bruto is vermeld en aan [verweerster] per bank € 1.234,- netto aan maandsalaris werd betaald. Daarmee staat vast dat er ten tijde van het dienstverband van [verweerster] bij NewBahar geen deugdelijke administratie voorhanden was. [getuige 1] heeft daarover bij de mondelinge behandeling bij het hof ook letterlijk verklaard dat NewBahar destijds werd ‘geadviseerd door een administratiekantoor waardoor het een zooitje is geworden’. Dat laatste komt voor rekening van NewBahar. Vast staat dus dat de verklaring van [getuige 1] niet is gebaseerd op een deugdelijke administratie. Uit een en ander rijst bovendien het beeld van een onderneming waarvan de organisatie niet op orde was. Dat beeld draagt niet bij aan de overtuigende kracht van de verklaring van [getuige 1] .c) NewBahar heeft ook in hoger beroep niet loyaal meegewerkt aan de waarheidsvinding. Het hof rekent het NewBahar en haar statutair directeur aan dat in hoger beroep de meergenoemde [leidinggevende] niet als getuige is gehoord. [getuige 1] heeft verklaard dat [leidinggevende] niet bij NewBahar in dienst is maar, daar komt zijn verklaring op neer, slechts vriendendiensten verricht. [verweerster] verklaart anders en zij is niet de enige. [getuige 8] heeft op de vraag wie er allemaal op kantoor werkten, geantwoord: “ [getuige 2] , [getuige 5] , [verweerster] en Mohammed” en [getuige 7] : “ [naam 2] , [leidinggevende] en nog iemand met een baard”. Tegenover de verklaring van [getuige 1] staan dus drie andersluidende verklaringen over de werkzaamheden van [leidinggevende] bij NewBahar. Daar komt bij dat aangenomen moet worden dat NewBahar het in haar macht had om ervoor te zorgen dat [leidinggevende] als getuige zou verschijnen. Haar advocaat heeft op 15 april 2026 aan dit hof geschreven niet over de adresgegevens van [leidinggevende] te beschikken omdat [leidinggevende] niet bij NewBahar in dienst is geweest. Volgens deze e-mail heeft NewBahar [leidinggevende] wel bereid gevonden om vrijwillig als getuige te verschijnen. Het hof leidt daaruit af dat [leidinggevende] bereikbaar was voor NewBahar. Er is geen verklaring gegeven voor het feit dat [leidinggevende] desondanks niet is verschenen. Ook hier geldt dat een en ander afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van [getuige 1] .


6.8
Uit de verklaring van [getuige 7] , ten slotte, volgt dat hem, net als aan [verweerster] , is voorgesteld uit dienst te treden na zijn ziekmelding (waarbij hem volgens zijn verklaring tijdelijke contante betalingen zijn aangeboden). Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van [getuige 7] te twijfelen. Deze verklaring versterkt de verklaring van [verweerster] .


6.9
Het voorgaande overziende, is het hof al met al van oordeel dat [verweerster] in het bewijs is geslaagd. De overige getuigenverklaringen brengen daarin geen verandering omdat zij niet specifiek genoeg zijn en feitelijk geen inzicht bieden in het aantal door [verweerster] gewerkte uren. De getuigen hebben [verweerster] op wisselende tijdstippen bij NewBahar gezien maar een consistent beeld kan aan die verklaringen niet worden ontleend, of het moest zijn dat de aanwezigheid van [verweerster] in ieder geval niet beperkt is geweest tot de door [getuige 1] genoemde werkuren van 8.00 tot 12.00 uur in de ochtend. De doorbetaling van salaris tijdens ziekte op basis van de cao moet dus gebaseerd zijn op een dienstverband van veertig uur per week. Niet ter discussie staat dat het volledige salaris daarvoor € 2.900,- netto per maand bedraagt.Conclusie en proceskosten


6.10
De conclusie is dat het hoger beroep van NewBahar niet slaagt. Daarom zal het hof de eindbeschikking bekrachtigen. Het hof zal NewBahar als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.


6.11

Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)taxe getuigen € 145,-

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.566,-.







7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2025;


veroordeelt NewBahar in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 4.566,-;


bepaalt dat als NewBahar niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, NewBahar de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Nijhuis, R.J.F. Thiessen en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.