Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2821
2026-09-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.347.468/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwikkeling zakelijke huurrelatie; gehuurde onbebouwde grond. Geen cumulatie van contractuele boete. Afwijzing gevorderde interne kosten en werkelijke advocaatkosten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Hoge Raad 06-04-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.408 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.468/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10904131/24-405
Arrest van 15 september 2026
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.W.M. Steenbergen, kantoorhoudend in Sassenheim,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.M. Hetterscheidt, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn buren op een bedrijventerrein aan de [adres] in [plaats] . Tussen partijen zijn conflicten ontstaan. De procedure gaat thans met name over de afwikkeling van de huurovereenkomst van [appellant] met [geïntimeerde] , in samenhang met erfdienstbaarheden van overpad. Partijen hebben beiden vorderingen ingesteld.
1.2
De kantonrechter heeft de vorderingen over en weer deels toegewezen en de proceskosten gecompenseerd.
1.3
Het hof oordeelt op onderdelen anders.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 oktober 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024;
het arrest van dit hof van 17 december 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel en vermeerdering van eis van [geïntimeerde] , met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] en reactie op de vermeerderde eis.
3Feitelijke achtergrond
3.1
Aan de [adres] in [plaats] heeft [appellant] van 2008 tot in 2025 een perceel met bedrijfsloods in eigendom gehad, plaatselijk bekend [adres] 26c in [plaats] (kadastraal nummer thans [nr.1] ). [appellant] heeft hier zijn steenhouwersbedrijf uitgeoefend.
3.2
[appellant] heeft tevens het naastgelegen achterterrein gehuurd van de heer [naam] (en later van zijn rechtsopvolgster [geïntimeerde] ). Dit achterterrein sloot direct aan op de bedrijfsloods van [appellant] , met de grote, meestal gebruikte toegangsdeur daarin. De huurovereenkomst is geëindigd per 1 augustus 2023, na opzegging door [geïntimeerde] omdat zij het achterterrein zelf nodig had voor haar bedrijfsvoering.
3.3
Zoals mede blijkt uit onderstaande kaart zijn de percelen rondom het bedrijf van [appellant] – behoudens het naastgelegen perceel met kadastraal nummer [nr.2] dat eigendom is van een derde en wordt verhuurd – eigendom van [geïntimeerde] , met als bestuurder de heer [naam] . Het gaat hierbij om:(i) perceel [adres] 24/24a (kadastraal nummer [nr.3] ), ook achterterrein genoemd, (ii) perceel met kadastraal nummer [nr.4] en (iii) perceel [adres] 26/26a/26t (kadastraal nummer [nr.5] ). Daarnaast zijn er percelen met panden in de buurt waar de heer [naam] nauw bij is betrokken. Het hof verwijst hiervoor naar de percelen op genoemde kaart met omschrijving ‘ [de holding] ’. De zoon van de heer [naam] is bestuurder van de Holding.
3.4
[appellant] als heersend erf ( [nr.1] ) heeft het recht van overpad ten laste van [geïntimeerde] om te komen en te gaan van en naar de openbare weg zodanig dat rondom het complex kan worden gereden, met vrachtwagens over een strook grond van ongeveer drie meter gelegen op een afstand van minimaal 80 cm van de oostelijke gevelmuur van het complex. Feitelijk gaat het om twee toegangswegen, vanaf de [adres] gezien een toegangsweg rechts en een toegangsweg links. De weg links wordt in de regel gebruikt.
3.5
[geïntimeerde] heeft ten behoeve van [adres] 26/26a/26t (kadastraal nummer [nr.5] ) een recht van overpad, met een vrachtwagen, over het perceel van [appellant] .
4Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank (samengevat)
4.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en tal van vorderingen ingesteld, die (samengevat) als strekking hebben dat [appellant] het achtterrein moet ontruimen en achterstallige huur, boete en kosten moet betalen.
4.2
[appellant] heeft in reconventie tegenvorderingen ingesteld.
4.3
De kantonrechter heeft [appellant] tot ontruiming veroordeeld, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft de overige vorderingen over en weer deels toegewezen en de proceskosten gecompenseerd.
5. Vorderingen in hoger beroep (samengevat, voor zover in hoger beroep aan de orde)
5.1
De ontruimingsbeslissingen zijn niet meer in geschil. Het gaat in de procedure in hoger beroep in essentie om twee kernvragen, te weten:(i) over welke periode is [appellant] nog huur/een vergoeding voor het achterterrein verschuldigd en (ii) heeft hij aan het einde van de huurovereenkomst het gehuurde ontruimd en ontruimd gehouden. Met het antwoord op deze vragen hangen ook de beslissingen op na te noemen vorderingen van [geïntimeerde] samen. De volgende beslissingen van de kantonrechter zijn in hoger beroep in geschil:
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van achterstallige huurpenningen over de maanden november en december 2022, met wettelijke handelsrente.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van achterstallige huurpenningen over de maanden januari tot en met juli 2023, met wettelijke handelsrente.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van de contractuele boetes van € 18.300,-.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 2.922,78 over de periode 1 augustus 2023 tot 1 februari 2024, met wettelijke handelsrente.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf 1 februari 2024 tot de daadwerkelijke ontruiming, met wettelijke handelsrente.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van ontruimingskosten, met boete.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van interne kosten.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van de werkelijke advocaatkosten.
Compensatie van de proceskosten.
5.2
[appellant] klaagt met vier grieven over toewijzing van de vorderingen (b), (c, tot een bedrag van € 18.300,-) en (d).
5.3
[geïntimeerde] op haar beurt klaagt met haar zes grieven over afwijzing van de vorderingen (a), (e ), (f), (g), (h) en over de compensatie van de proceskosten (i). Daarnaast vordert zij in hoger beroep voor het eerst:(j) een contractuele boete van € 4.250,- gedurende 17 dagen in de periode vanaf 1 januari 2024 tot 1 april 2025 dat [appellant] in gebreke bleef om het achterterrein te ontruimen en ontruimd te houden en(k) verbeurde dwangsommen van in totaal € 4.000,- wegens overtreding op 3 februari 2024, 12 februari 2025, 20 februari 2025 en 13 maart 2025 van de ontruimingsbeslissingen van de kantonrechter.
6Beoordeling in hoger beroep
De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep
Grief 1 van [appellant]
6.1
In deze grief geeft [appellant] zijn visie op de zaak en stelt hij dat de kantonrechter hem ten onrechte als agressor ten opzichte van de heer [naam] heeft behandeld. Het hof verwerpt de grief als thans niet ter zake dienende.
Grief 2 van [appellant]
6.2
Deze grief bevat een klacht over toewijzing van vordering (b). Volgens deze grief heeft de kantonrechter miskend dat partijen in december 2022 mondeling afspraken hebben gemaakt, met name inhoudende dat [appellant] van januari 2023 tot augustus 2023 (het einde van de huurovereenkomst) geen huur zou hoeven te betalen. Deze afspraak/ overeenkomst was, aldus [appellant] , bedoeld als tegenprestatie voor het feit dat [geïntimeerde] meer en meer zelf gebruik ging maken van het achterterrein, hoewel [appellant] nog steeds huurder ervan was.
6.3
Het hof is het met de kantonrechter eens dat deze afspraak/overeenkomst niet is komen vast te staan. [geïntimeerde] heeft de mondelinge afspraak betwist, terwijl de gestelde afspraak niet blijkt uit het gespreksverslag van 20 december 2022. Weliswaar is het punt van de huurvrije periode van januari tot augustus 2023 door de advocaat van [appellant] ter sprake gebracht, maar uit het verslag volgt niet dat over de kwestie bindende afspraken zijn gemaakt. Het gegeven dat het in de eerste helft van 2023 (na het gesprek van december 2022) betrekkelijk rustig is geweest, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat de advocaat van [geïntimeerde] heeft toegegeven dat het gehuurde achterterrein af en toe door [geïntimeerde] werd gebruikt voor haar bedrijfsvoering ontslaat [appellant] niet van zijn verplichting tot huurbetaling. In het geval het huurgenot niet door verhuurder wordt verschaft staan huurder de middelen van opschorting of gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst ten dienste. Er is geen aanwijzing dat [appellant] deze middelen heeft benut. Het hof verwerpt de grief.
Grief 3 van [appellant]
6.4
Hiermee klaagt [appellant] over beslissing (c), de contractuele boete van € 18.300,-, waartoe hij is veroordeeld wegens niet tijdige betaling van de huurpenningen over januari 2023 tot augustus 2023.
6.5
Uit de beoordeling van grief 2 volgt dat [appellant] de huur over januari tot augustus 2023 verschuldigd was en deze niet tijdig heeft betaald. Dit betekent dat hij de contractuele boete, die is voorzien in de toepasselijke algemene bepalingen, moet betalen. Echter, anders dan de kantonrechter ziet het hof, evenals overigens de meeste gerechten op dit moment, bij de uitleg van deze boetebepaling geen grond voor cumulatie. Dit betekent dat [appellant] over zeven maanden een boete verschuldigd is, en wel de minimaal verschuldigde boete van € 300,- per maand en niet meer dan dat. Het hof verwerpt de subsidiaire stelling van [geïntimeerde] dat de boete over 17 maanden berekend moet worden. Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat de door de kantonrechter toegewezen boete van € 18.300,- ook disproportioneel voorkomt in relatie tot de (beperkte) verschuldigde huursom.
6.6
De grief slaagt in zoverre. Het boetebedrag komt aldus uit op 7 x € 300,- = € 2.100,-.
Grief 4 van [appellant]
6.7
Met deze grief klaagt [appellant] over de gebruiksvergoeding (d) na einde huurovereenkomst over de periode 1 augustus 2023 tot en met januari 2024 van in totaal € 2.922,78 (zes x € 487,13) waartoe hij is veroordeeld. De kantonrechter heeft in rov. 4.6 van het vonnis, aldus nog steeds [appellant] , ten onrechte geoordeeld dat hij in die periode gebruik heeft gemaakt van het achterterrein van [geïntimeerde] op een andere manier dan het gaan naar de openbare weg en laden of lossen (dit mag hij op grond van de erfdienstbaarheid van overpad). Volgens [appellant] heeft hij (of een klant of leverancier) nooit langer dan kortstondig met een auto achter zijn pand gestaan (binnen de drie meter zone van zijn recht van overpad). Als langer overleg met een klant of leverancier nodig was, verzocht hij betrokkene altijd om eerst in- en uit te laden en dan aan de zijkant (op zijn eigen terrein) te parkeren. Wat de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s betreft, gaat het volgens [appellant] bovendien slechts om enkele momentopnamen die geen gebruiksvergoeding rechtvaardigen gelijk aan de maandhuur.
6.8
Het hof stelt voorop dat het [appellant] (en zijn klanten) op grond van zijn recht van overpad is toegestaan om te laden en te lossen binnen de ruimte van 3 m en 80 cm. In beginsel hoort kortstondig parkeren en het maken van een praatje van enkele minuten hier niet bij.
6.9
Wat hier verder ook van zij, het hof ziet geen grondslag voor de door [geïntimeerde] (naar het hof begrijpt op grond van artikel 7:225 BW) gevorderde gebruiksvergoeding. Het achterterrein was immers ook volgens de eigen stellingen en foto’s vrijwel geheel leeg en toegankelijk voor [geïntimeerde] , behoudens incidenteel een auto (of andere zaak waarvan onduidelijk is gebleven van wie die was) dicht bij de bedrijfsloods van [appellant] . Méér is niet komen vast te staan, noch tegenover de betwisting door [appellant] voldoende concreet te bewijzen aangeboden door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft aldus het gebruik van het gehuurde niet ‘gemist’ in de zin van genoemd artikel. Dit artikel biedt dus geen grondslag voor een vergoeding gelijk aan de maandhuur, evenmin als de redelijkheid die [geïntimeerde] in eerste aanleg noemt.
6.10
Resteert de algemene grondslag voor schadevergoeding, de onrechtmatige daad die [geïntimeerde] noemt. [geïntimeerde] heeft haar schade als gevolg van die onrechtmatige daad niet toegelicht of onderbouwd, terwijl die ook niet anderszins aannemelijk is geworden.
6.11
De grief slaagt. De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep
Grief I van [geïntimeerde]
6.12
Met deze grief klaagt [geïntimeerde] over de afwijzing van de gevorderde huur en rente over de maanden november en december 2022. Weliswaar is de huur betaald, maar deze betalingen moeten volgens [geïntimeerde] op grond van artikel 6:44 BW eerst worden toegerekend aan de kosten van € 1.000,-.
6.13
Het hof verwerpt de grief, gelet op de imputatieregel van artikel 6:43 lid 1 BW. [appellant] heeft immers blijkens zijn betalingsbewijs uitdrukkelijk de maanden november en december 2022 voor de betaling aangewezen.
Grief II van [geïntimeerde]
6.14
Deze grief gaat over de afwijzing van de gevorderde ontruimingskosten van € 544,- en de daarmee verband houdende boete van € 2.000,-. Volgens [geïntimeerde] stonden op 1 augustus 2023 nog veel spullen van [appellant] op het achterterrein. Zij verwijst hiervoor met name naar de foto’s in productie 3 bij memorie van grieven in incidenteel appel. De heer [naam] heeft naar zijn zeggen de spullen tussen 4 en 8 augustus 2023 (op 7 augustus met behulp van zijn zoon) eigenhandig verwijderd, waarna het terrein op 8 augustus leeg was.
6.15
[appellant] heeft betwist dat de spullen op de foto’s van hem waren. Hij had zijn spullen op 1 augustus 2023 al van het achterterrein verwijderd. Daarna bevonden zich daar alleen nog spullen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft geen bewijs geleverd. De overgelegde foto’s zijn daartoe ontoereikend, aldus nog steeds [appellant] . Daarnaast betwist [appellant] het verwijderen ervan door [geïntimeerde] , terwijl hij het opgevoerde aantal uren buitensporig vindt.
6.16
Het hof verwerpt de grief. De door [geïntimeerde] overgelegde foto’s geven tegenover de betwisting door [appellant] geen uitsluitsel over de eigendom van de spullen. [geïntimeerde] heeft verder niet toegelicht welke spullen zij wanneer heeft verwijderd en heeft evenmin nader concreet bewijs aangeboden. Aldus is niet komen vast te staan dat [appellant] zijn plicht tot verwijderen heeft geschonden. Dit betekent dat er geen grondslag is voor veroordeling van [appellant] op dit punt. Ditzelfde geldt voor de in verband hiermee gevorderde boete van € 2.000,-.
Grief III van [geïntimeerde]
klaagt hiermee over de afwijzing van de gevorderde gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huurtermijn in de periode van 1 februari 2024 tot de algehele ontruiming. Het hof verwerpt deze grief op dezelfde gronden als de beoordeling van grief 4 in het principaal hoger beroep (in rov 6.9 en 6.10). Van een door [appellant] gepleegde onrechtmatige daad is geen sprake, nog los van het feit dat onvoldoende is gesteld dat sprake is van enige schade en het hof daarvan ook niet is gebleken.
Grieven IV en V van [geïntimeerde]
6.17
heeft aan interne kosten een bedrag van € 6.000,- gevorderd en aan volledige advocaatkosten een bedrag van € 9.884,49, dan wel subsidiair een bedrag van € 5.401,28. Zij vordert deze kosten als schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door [appellant] , dan wel op grond van artikel 17 algemene bepalingen. Zij klaagt over de afwijzing hiervan. Het hof verwerpt beide grieven.
6.18
Voor vergoeding van interne kosten en volledige advocaatkosten bestaat geen deugdelijke rechtsgrond, zeker niet nu [geïntimeerde] deels ongelijk krijgt. Hierbij komt dat de geschreven uren (wegens interne kosten) in productie 9 in incidenteel hoger beroep nietszeggend zijn en de tijdsbesteding door [appellant] wordt betwist, zodat ook de omvang van die kosten niet is komen vast te staan.
6.19
De omstandigheid dat [appellant] verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] en terzake tegenvorderingen heeft ingesteld, is niet als onrechtmatig te bestempelen en levert evenmin misbruik van procesrecht op. Ook artikel 17 algemene bepalingen levert daarvoor geen grondslag op, nu partijen in het principaal hoger beroep de eigen kosten zullen moeten dragen en [geïntimeerde] ook de proceskosten van [appellant] in het incidenteel hoger beroep. Er is kortom in dit geval geen grondslag voor schadevergoeding buiten de artikelen 237 Rv en 241 Rv om.
Grief VI van [geïntimeerde]
6.20
Met deze grief klaagt [geïntimeerde] over de compensatie van de proceskosten door de kantonrechter. De grief faalt. Partijen worden door het hof (en waren bovendien door de kantonrechter) over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld (ex artikel 237 lid 1, eerste zin slot, Rv). Het hof zal de compensatie door de kantonrechter in stand laten.
De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde]
6.21
vordert (feitelijk dubbelop):(j) een contractuele boete van € 4.250,- gedurende de dagen na 1 augustus 2023 dat [appellant] in gebreke bleef om te ontruimen, en(k) verbeurde dwangsommen van in totaal € 4.000,- eveneens wegens schending van de ontruimingsverplichting.
6.22
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat [geïntimeerde] niet heeft onderbouwd dat spullen van [appellant] waren achterbleven op het achterterrein, Hier komt bij dat [geïntimeerde] nota bene zelf heeft gesteld dat het achterterrein kort na begin augustus 2023 door hem was ontruimd, zodat ook hierom geen grondslag bestaat om [appellant] tot 17 x een boete van € 250,- en/of dwangsommen (betrekking hebbend op een latere periode) te veroordelen.
6.23
Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellant] het achterterrein niet ontruimd heeft gehouden, wijst het hof er op dat het achterterrein vrijwel leeg en toegankelijk is gebleven. [geïntimeerde] heeft niet voldoende concreet toegelicht welke resterende spullen van [appellant] (en wanneer) op het achterterrein waren geplaatst. De door [geïntimeerde] geproduceerde foto’s zijn, gelet op de betwisting door [appellant] , ontoereikend en vormen onvoldoende bewijs. Nader concreet bewijs heeft [geïntimeerde] niet aangeboden, zodat ook hierom geen grondslag is voor enige veroordeling terzake.
6.24
Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat ook na het einde van de huurovereenkomst de erfdienstbaarheid van overpad ten gunste van [appellant] is blijven bestaan. [appellant] mocht dus een strook van 3,8 meter achter zijn bedrijfsloods blijven gebruiken voor rijden en laden en lossen. Een enkele incidenteel wat langer stilstaande auto rechtvaardigt ook hierom geen veroordeling zoals door [geïntimeerde] gevorderd.
6.25
Dit betekent dat de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen.
Conclusie en proceskosten
6.26
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk. Het hof zal de onderdelen 5.7 en 5.9 van het vonnis vernietigen en beslissen zoals hierna zal worden vermeld. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] is ongegrond. Het vonnis blijft in zoverre in stand. Ook de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. Het hof komt niet toe aan nadere bewijslevering. Er zijn geen concrete feiten te bewijzen aangeboden, die indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.
6.27
Het hof zal de proceskosten in het principaal hoger beroep compenseren, aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. De beslissing om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren blijft in stand.
6.28
Het hof begroot de proceskosten in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
salaris advocaat € 1.176,- (0,5 punt × tarief IV)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.365,-.
7Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024, met uitzondering van de beslissingen in rov. 5.7 en 5.9 van het dictum die worden vernietigd,
en terzake opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling van de contractuele boete van € 2.100,-;
wijst af de door [geïntimeerde] gevorderde gebruiksvergoeding over de periode 1 augustus 2023 tot en met 1 februari 2024, met rente;
bepaalt in het principaal hoger beroep dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.365,-;
bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
wijst af wat in hoger beroep door [geïntimeerde] meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Voorwinden, J.J Dijk en G.J.M. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
productie 18 inleidende dagvaarding en productie 3 in hoger beroep
productie E1 bij akte van 22 mei 2024
Maatstaf HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (rov. 5.1).
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.468/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10904131/24-405
Arrest van 15 september 2026
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.W.M. Steenbergen, kantoorhoudend in Sassenheim,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.M. Hetterscheidt, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn buren op een bedrijventerrein aan de [adres] in [plaats] . Tussen partijen zijn conflicten ontstaan. De procedure gaat thans met name over de afwikkeling van de huurovereenkomst van [appellant] met [geïntimeerde] , in samenhang met erfdienstbaarheden van overpad. Partijen hebben beiden vorderingen ingesteld.
1.2
De kantonrechter heeft de vorderingen over en weer deels toegewezen en de proceskosten gecompenseerd.
1.3
Het hof oordeelt op onderdelen anders.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 oktober 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024;
het arrest van dit hof van 17 december 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel en vermeerdering van eis van [geïntimeerde] , met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] en reactie op de vermeerderde eis.
3Feitelijke achtergrond
3.1
Aan de [adres] in [plaats] heeft [appellant] van 2008 tot in 2025 een perceel met bedrijfsloods in eigendom gehad, plaatselijk bekend [adres] 26c in [plaats] (kadastraal nummer thans [nr.1] ). [appellant] heeft hier zijn steenhouwersbedrijf uitgeoefend.
3.2
[appellant] heeft tevens het naastgelegen achterterrein gehuurd van de heer [naam] (en later van zijn rechtsopvolgster [geïntimeerde] ). Dit achterterrein sloot direct aan op de bedrijfsloods van [appellant] , met de grote, meestal gebruikte toegangsdeur daarin. De huurovereenkomst is geëindigd per 1 augustus 2023, na opzegging door [geïntimeerde] omdat zij het achterterrein zelf nodig had voor haar bedrijfsvoering.
3.3
Zoals mede blijkt uit onderstaande kaart zijn de percelen rondom het bedrijf van [appellant] – behoudens het naastgelegen perceel met kadastraal nummer [nr.2] dat eigendom is van een derde en wordt verhuurd – eigendom van [geïntimeerde] , met als bestuurder de heer [naam] . Het gaat hierbij om:(i) perceel [adres] 24/24a (kadastraal nummer [nr.3] ), ook achterterrein genoemd, (ii) perceel met kadastraal nummer [nr.4] en (iii) perceel [adres] 26/26a/26t (kadastraal nummer [nr.5] ). Daarnaast zijn er percelen met panden in de buurt waar de heer [naam] nauw bij is betrokken. Het hof verwijst hiervoor naar de percelen op genoemde kaart met omschrijving ‘ [de holding] ’. De zoon van de heer [naam] is bestuurder van de Holding.
3.4
[appellant] als heersend erf ( [nr.1] ) heeft het recht van overpad ten laste van [geïntimeerde] om te komen en te gaan van en naar de openbare weg zodanig dat rondom het complex kan worden gereden, met vrachtwagens over een strook grond van ongeveer drie meter gelegen op een afstand van minimaal 80 cm van de oostelijke gevelmuur van het complex. Feitelijk gaat het om twee toegangswegen, vanaf de [adres] gezien een toegangsweg rechts en een toegangsweg links. De weg links wordt in de regel gebruikt.
3.5
[geïntimeerde] heeft ten behoeve van [adres] 26/26a/26t (kadastraal nummer [nr.5] ) een recht van overpad, met een vrachtwagen, over het perceel van [appellant] .
4Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank (samengevat)
4.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en tal van vorderingen ingesteld, die (samengevat) als strekking hebben dat [appellant] het achtterrein moet ontruimen en achterstallige huur, boete en kosten moet betalen.
4.2
[appellant] heeft in reconventie tegenvorderingen ingesteld.
4.3
De kantonrechter heeft [appellant] tot ontruiming veroordeeld, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft de overige vorderingen over en weer deels toegewezen en de proceskosten gecompenseerd.
5. Vorderingen in hoger beroep (samengevat, voor zover in hoger beroep aan de orde)
5.1
De ontruimingsbeslissingen zijn niet meer in geschil. Het gaat in de procedure in hoger beroep in essentie om twee kernvragen, te weten:(i) over welke periode is [appellant] nog huur/een vergoeding voor het achterterrein verschuldigd en (ii) heeft hij aan het einde van de huurovereenkomst het gehuurde ontruimd en ontruimd gehouden. Met het antwoord op deze vragen hangen ook de beslissingen op na te noemen vorderingen van [geïntimeerde] samen. De volgende beslissingen van de kantonrechter zijn in hoger beroep in geschil:
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van achterstallige huurpenningen over de maanden november en december 2022, met wettelijke handelsrente.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van achterstallige huurpenningen over de maanden januari tot en met juli 2023, met wettelijke handelsrente.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van de contractuele boetes van € 18.300,-.
Veroordeling van [appellant] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 2.922,78 over de periode 1 augustus 2023 tot 1 februari 2024, met wettelijke handelsrente.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf 1 februari 2024 tot de daadwerkelijke ontruiming, met wettelijke handelsrente.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van ontruimingskosten, met boete.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van interne kosten.
Afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling van de werkelijke advocaatkosten.
Compensatie van de proceskosten.
5.2
[appellant] klaagt met vier grieven over toewijzing van de vorderingen (b), (c, tot een bedrag van € 18.300,-) en (d).
5.3
[geïntimeerde] op haar beurt klaagt met haar zes grieven over afwijzing van de vorderingen (a), (e ), (f), (g), (h) en over de compensatie van de proceskosten (i). Daarnaast vordert zij in hoger beroep voor het eerst:(j) een contractuele boete van € 4.250,- gedurende 17 dagen in de periode vanaf 1 januari 2024 tot 1 april 2025 dat [appellant] in gebreke bleef om het achterterrein te ontruimen en ontruimd te houden en(k) verbeurde dwangsommen van in totaal € 4.000,- wegens overtreding op 3 februari 2024, 12 februari 2025, 20 februari 2025 en 13 maart 2025 van de ontruimingsbeslissingen van de kantonrechter.
6Beoordeling in hoger beroep
De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep
Grief 1 van [appellant]
6.1
In deze grief geeft [appellant] zijn visie op de zaak en stelt hij dat de kantonrechter hem ten onrechte als agressor ten opzichte van de heer [naam] heeft behandeld. Het hof verwerpt de grief als thans niet ter zake dienende.
Grief 2 van [appellant]
6.2
Deze grief bevat een klacht over toewijzing van vordering (b). Volgens deze grief heeft de kantonrechter miskend dat partijen in december 2022 mondeling afspraken hebben gemaakt, met name inhoudende dat [appellant] van januari 2023 tot augustus 2023 (het einde van de huurovereenkomst) geen huur zou hoeven te betalen. Deze afspraak/ overeenkomst was, aldus [appellant] , bedoeld als tegenprestatie voor het feit dat [geïntimeerde] meer en meer zelf gebruik ging maken van het achterterrein, hoewel [appellant] nog steeds huurder ervan was.
6.3
Het hof is het met de kantonrechter eens dat deze afspraak/overeenkomst niet is komen vast te staan. [geïntimeerde] heeft de mondelinge afspraak betwist, terwijl de gestelde afspraak niet blijkt uit het gespreksverslag van 20 december 2022. Weliswaar is het punt van de huurvrije periode van januari tot augustus 2023 door de advocaat van [appellant] ter sprake gebracht, maar uit het verslag volgt niet dat over de kwestie bindende afspraken zijn gemaakt. Het gegeven dat het in de eerste helft van 2023 (na het gesprek van december 2022) betrekkelijk rustig is geweest, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat de advocaat van [geïntimeerde] heeft toegegeven dat het gehuurde achterterrein af en toe door [geïntimeerde] werd gebruikt voor haar bedrijfsvoering ontslaat [appellant] niet van zijn verplichting tot huurbetaling. In het geval het huurgenot niet door verhuurder wordt verschaft staan huurder de middelen van opschorting of gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst ten dienste. Er is geen aanwijzing dat [appellant] deze middelen heeft benut. Het hof verwerpt de grief.
Grief 3 van [appellant]
6.4
Hiermee klaagt [appellant] over beslissing (c), de contractuele boete van € 18.300,-, waartoe hij is veroordeeld wegens niet tijdige betaling van de huurpenningen over januari 2023 tot augustus 2023.
6.5
Uit de beoordeling van grief 2 volgt dat [appellant] de huur over januari tot augustus 2023 verschuldigd was en deze niet tijdig heeft betaald. Dit betekent dat hij de contractuele boete, die is voorzien in de toepasselijke algemene bepalingen, moet betalen. Echter, anders dan de kantonrechter ziet het hof, evenals overigens de meeste gerechten op dit moment, bij de uitleg van deze boetebepaling geen grond voor cumulatie. Dit betekent dat [appellant] over zeven maanden een boete verschuldigd is, en wel de minimaal verschuldigde boete van € 300,- per maand en niet meer dan dat. Het hof verwerpt de subsidiaire stelling van [geïntimeerde] dat de boete over 17 maanden berekend moet worden. Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat de door de kantonrechter toegewezen boete van € 18.300,- ook disproportioneel voorkomt in relatie tot de (beperkte) verschuldigde huursom.
6.6
De grief slaagt in zoverre. Het boetebedrag komt aldus uit op 7 x € 300,- = € 2.100,-.
Grief 4 van [appellant]
6.7
Met deze grief klaagt [appellant] over de gebruiksvergoeding (d) na einde huurovereenkomst over de periode 1 augustus 2023 tot en met januari 2024 van in totaal € 2.922,78 (zes x € 487,13) waartoe hij is veroordeeld. De kantonrechter heeft in rov. 4.6 van het vonnis, aldus nog steeds [appellant] , ten onrechte geoordeeld dat hij in die periode gebruik heeft gemaakt van het achterterrein van [geïntimeerde] op een andere manier dan het gaan naar de openbare weg en laden of lossen (dit mag hij op grond van de erfdienstbaarheid van overpad). Volgens [appellant] heeft hij (of een klant of leverancier) nooit langer dan kortstondig met een auto achter zijn pand gestaan (binnen de drie meter zone van zijn recht van overpad). Als langer overleg met een klant of leverancier nodig was, verzocht hij betrokkene altijd om eerst in- en uit te laden en dan aan de zijkant (op zijn eigen terrein) te parkeren. Wat de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s betreft, gaat het volgens [appellant] bovendien slechts om enkele momentopnamen die geen gebruiksvergoeding rechtvaardigen gelijk aan de maandhuur.
6.8
Het hof stelt voorop dat het [appellant] (en zijn klanten) op grond van zijn recht van overpad is toegestaan om te laden en te lossen binnen de ruimte van 3 m en 80 cm. In beginsel hoort kortstondig parkeren en het maken van een praatje van enkele minuten hier niet bij.
6.9
Wat hier verder ook van zij, het hof ziet geen grondslag voor de door [geïntimeerde] (naar het hof begrijpt op grond van artikel 7:225 BW) gevorderde gebruiksvergoeding. Het achterterrein was immers ook volgens de eigen stellingen en foto’s vrijwel geheel leeg en toegankelijk voor [geïntimeerde] , behoudens incidenteel een auto (of andere zaak waarvan onduidelijk is gebleven van wie die was) dicht bij de bedrijfsloods van [appellant] . Méér is niet komen vast te staan, noch tegenover de betwisting door [appellant] voldoende concreet te bewijzen aangeboden door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft aldus het gebruik van het gehuurde niet ‘gemist’ in de zin van genoemd artikel. Dit artikel biedt dus geen grondslag voor een vergoeding gelijk aan de maandhuur, evenmin als de redelijkheid die [geïntimeerde] in eerste aanleg noemt.
6.10
Resteert de algemene grondslag voor schadevergoeding, de onrechtmatige daad die [geïntimeerde] noemt. [geïntimeerde] heeft haar schade als gevolg van die onrechtmatige daad niet toegelicht of onderbouwd, terwijl die ook niet anderszins aannemelijk is geworden.
6.11
De grief slaagt. De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep
Grief I van [geïntimeerde]
6.12
Met deze grief klaagt [geïntimeerde] over de afwijzing van de gevorderde huur en rente over de maanden november en december 2022. Weliswaar is de huur betaald, maar deze betalingen moeten volgens [geïntimeerde] op grond van artikel 6:44 BW eerst worden toegerekend aan de kosten van € 1.000,-.
6.13
Het hof verwerpt de grief, gelet op de imputatieregel van artikel 6:43 lid 1 BW. [appellant] heeft immers blijkens zijn betalingsbewijs uitdrukkelijk de maanden november en december 2022 voor de betaling aangewezen.
Grief II van [geïntimeerde]
6.14
Deze grief gaat over de afwijzing van de gevorderde ontruimingskosten van € 544,- en de daarmee verband houdende boete van € 2.000,-. Volgens [geïntimeerde] stonden op 1 augustus 2023 nog veel spullen van [appellant] op het achterterrein. Zij verwijst hiervoor met name naar de foto’s in productie 3 bij memorie van grieven in incidenteel appel. De heer [naam] heeft naar zijn zeggen de spullen tussen 4 en 8 augustus 2023 (op 7 augustus met behulp van zijn zoon) eigenhandig verwijderd, waarna het terrein op 8 augustus leeg was.
6.15
[appellant] heeft betwist dat de spullen op de foto’s van hem waren. Hij had zijn spullen op 1 augustus 2023 al van het achterterrein verwijderd. Daarna bevonden zich daar alleen nog spullen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft geen bewijs geleverd. De overgelegde foto’s zijn daartoe ontoereikend, aldus nog steeds [appellant] . Daarnaast betwist [appellant] het verwijderen ervan door [geïntimeerde] , terwijl hij het opgevoerde aantal uren buitensporig vindt.
6.16
Het hof verwerpt de grief. De door [geïntimeerde] overgelegde foto’s geven tegenover de betwisting door [appellant] geen uitsluitsel over de eigendom van de spullen. [geïntimeerde] heeft verder niet toegelicht welke spullen zij wanneer heeft verwijderd en heeft evenmin nader concreet bewijs aangeboden. Aldus is niet komen vast te staan dat [appellant] zijn plicht tot verwijderen heeft geschonden. Dit betekent dat er geen grondslag is voor veroordeling van [appellant] op dit punt. Ditzelfde geldt voor de in verband hiermee gevorderde boete van € 2.000,-.
Grief III van [geïntimeerde]
klaagt hiermee over de afwijzing van de gevorderde gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huurtermijn in de periode van 1 februari 2024 tot de algehele ontruiming. Het hof verwerpt deze grief op dezelfde gronden als de beoordeling van grief 4 in het principaal hoger beroep (in rov 6.9 en 6.10). Van een door [appellant] gepleegde onrechtmatige daad is geen sprake, nog los van het feit dat onvoldoende is gesteld dat sprake is van enige schade en het hof daarvan ook niet is gebleken.
Grieven IV en V van [geïntimeerde]
6.17
heeft aan interne kosten een bedrag van € 6.000,- gevorderd en aan volledige advocaatkosten een bedrag van € 9.884,49, dan wel subsidiair een bedrag van € 5.401,28. Zij vordert deze kosten als schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door [appellant] , dan wel op grond van artikel 17 algemene bepalingen. Zij klaagt over de afwijzing hiervan. Het hof verwerpt beide grieven.
6.18
Voor vergoeding van interne kosten en volledige advocaatkosten bestaat geen deugdelijke rechtsgrond, zeker niet nu [geïntimeerde] deels ongelijk krijgt. Hierbij komt dat de geschreven uren (wegens interne kosten) in productie 9 in incidenteel hoger beroep nietszeggend zijn en de tijdsbesteding door [appellant] wordt betwist, zodat ook de omvang van die kosten niet is komen vast te staan.
6.19
De omstandigheid dat [appellant] verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] en terzake tegenvorderingen heeft ingesteld, is niet als onrechtmatig te bestempelen en levert evenmin misbruik van procesrecht op. Ook artikel 17 algemene bepalingen levert daarvoor geen grondslag op, nu partijen in het principaal hoger beroep de eigen kosten zullen moeten dragen en [geïntimeerde] ook de proceskosten van [appellant] in het incidenteel hoger beroep. Er is kortom in dit geval geen grondslag voor schadevergoeding buiten de artikelen 237 Rv en 241 Rv om.
Grief VI van [geïntimeerde]
6.20
Met deze grief klaagt [geïntimeerde] over de compensatie van de proceskosten door de kantonrechter. De grief faalt. Partijen worden door het hof (en waren bovendien door de kantonrechter) over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld (ex artikel 237 lid 1, eerste zin slot, Rv). Het hof zal de compensatie door de kantonrechter in stand laten.
De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde]
6.21
vordert (feitelijk dubbelop):(j) een contractuele boete van € 4.250,- gedurende de dagen na 1 augustus 2023 dat [appellant] in gebreke bleef om te ontruimen, en(k) verbeurde dwangsommen van in totaal € 4.000,- eveneens wegens schending van de ontruimingsverplichting.
6.22
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat [geïntimeerde] niet heeft onderbouwd dat spullen van [appellant] waren achterbleven op het achterterrein, Hier komt bij dat [geïntimeerde] nota bene zelf heeft gesteld dat het achterterrein kort na begin augustus 2023 door hem was ontruimd, zodat ook hierom geen grondslag bestaat om [appellant] tot 17 x een boete van € 250,- en/of dwangsommen (betrekking hebbend op een latere periode) te veroordelen.
6.23
Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellant] het achterterrein niet ontruimd heeft gehouden, wijst het hof er op dat het achterterrein vrijwel leeg en toegankelijk is gebleven. [geïntimeerde] heeft niet voldoende concreet toegelicht welke resterende spullen van [appellant] (en wanneer) op het achterterrein waren geplaatst. De door [geïntimeerde] geproduceerde foto’s zijn, gelet op de betwisting door [appellant] , ontoereikend en vormen onvoldoende bewijs. Nader concreet bewijs heeft [geïntimeerde] niet aangeboden, zodat ook hierom geen grondslag is voor enige veroordeling terzake.
6.24
Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat ook na het einde van de huurovereenkomst de erfdienstbaarheid van overpad ten gunste van [appellant] is blijven bestaan. [appellant] mocht dus een strook van 3,8 meter achter zijn bedrijfsloods blijven gebruiken voor rijden en laden en lossen. Een enkele incidenteel wat langer stilstaande auto rechtvaardigt ook hierom geen veroordeling zoals door [geïntimeerde] gevorderd.
6.25
Dit betekent dat de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen.
Conclusie en proceskosten
6.26
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk. Het hof zal de onderdelen 5.7 en 5.9 van het vonnis vernietigen en beslissen zoals hierna zal worden vermeld. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] is ongegrond. Het vonnis blijft in zoverre in stand. Ook de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. Het hof komt niet toe aan nadere bewijslevering. Er zijn geen concrete feiten te bewijzen aangeboden, die indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.
6.27
Het hof zal de proceskosten in het principaal hoger beroep compenseren, aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. De beslissing om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren blijft in stand.
6.28
Het hof begroot de proceskosten in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
salaris advocaat € 1.176,- (0,5 punt × tarief IV)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.365,-.
7Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024, met uitzondering van de beslissingen in rov. 5.7 en 5.9 van het dictum die worden vernietigd,
en terzake opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling van de contractuele boete van € 2.100,-;
wijst af de door [geïntimeerde] gevorderde gebruiksvergoeding over de periode 1 augustus 2023 tot en met 1 februari 2024, met rente;
bepaalt in het principaal hoger beroep dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.365,-;
bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
wijst af wat in hoger beroep door [geïntimeerde] meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Voorwinden, J.J Dijk en G.J.M. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
productie 18 inleidende dagvaarding en productie 3 in hoger beroep
productie E1 bij akte van 22 mei 2024
Maatstaf HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (rov. 5.1).