Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2808

2026-09-15 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.359.640
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.359.640
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Trading Affairs vordert op grond van artikel 119 lid 2 Wetboek van Strafvordering van de Staat vergoeding van de verkoopwaarde van in beslag genomen en vernietigde partijen nieuwe psychoactieve stoffen. Het hof wijst de vordering af omdat de partijen niet door de Staat verkocht hadden kunnen worden vanwege het feit dat zij op de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet waren geplaatst. Daarom hadden zij geen verkoopwaarde.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.840 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.359.640/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/689529 / KG ZA 25-771





Arrest in kort geding van 15 september 2026




in de zaak van




Trading Affairs B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. K. Canatan, kantoorhoudend in Amsterdam,



tegen




de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Beekes, kantoorhoudend in Den Haag.



Het hof noemt partijen hierna Trading Affairs en de Staat.





1De zaak in het kort

1.1
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft drie partijen Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS), geïmporteerd door Trading Affairs, in strafvorderlijk beslag genomen. De strafzaken tegen Trading Affairs zijn geseponeerd. De inbeslaggenomen partijen zijn vernietigd. Trading Affairs vordert van de Staat vergoeding van de verkoopwaarde van de inbeslaggenomen partijen. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld waar Trading Affairs aanspraak op kan maken, en is er daarom geen ruimte voor toewijzing van de (geld)vordering van Trading Affairs in kort geding.


1.2
Het hof komt eveneens tot de conclusie dat de vordering van Trading Affairs moet worden afgewezen. Op grond van artikel 119 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan Trading Affairs aanspraak maken op de prijs die de partijen bij verkoop door de bewaarder redelijkerwijze zouden hebben opgebracht. Die prijs is nihil, omdat de partijen niet door de bewaarder hadden kunnen worden verkocht.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 24 september 2025, met producties, waarmee Trading Affairs in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2025; in de dagvaarding zijn de grieven tegen het vonnis opgenomen;


de memorie van antwoord van de Staat;


producties 25 tot en met 29 van Trading Affairs en productie 6 van de Staat, die Trading Affairs en de Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.




2.2
Op 29 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Na de mondelinge behandeling hebben partijen medegedeeld dat zij onderhandelden over een schikking. In verband daarmee heeft het hof zijn arrest enige tijd aangehouden. Op 18 augustus 2026 heeft Trading Affairs alsnog arrest gevraagd.




3Feitelijke achtergrond

3.1
Trading Affairs voerde tot 1 juli 2025 een groothandel in NPS. Dat zijn zogenoemde ‘designer drugs’, die een opwekkende, kalmerende, verdovende of bewustzijn-veranderende werking kunnen hebben en die in sommige gevallen verslavend kunnen werken. Op 1 juli 2025 is de Wijzigingswet Opiumwet in werking getreden en is aan de Opiumwet een lijst van stoffen toegevoegd, met als doel om (samengevat) de productie van en de handel in NPS tegen te gaan.


3.2
Het OM heeft in 2021, 2022 en 2023 drie partijen NPS geïmporteerd door Trading Affairs in strafvorderlijk beslag genomen. Het gaat om een partij van 344 kg 3-MMC, een partij van 400 kg 3-CMC en 110 kg N-ethylbutylon en een partij van 83,5 kg A-PiHP. In alle drie de gevallen zijn de NPS pas na het moment van inbeslagname opgenomen in de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet. Nadat de stoffen in die lijst waren opgenomen, heeft het OM machtigingen afgegeven voor de vernietiging van de partijen, en zijn de partijen door de politie vernietigd:


de partij 3-MMC is in beslag genomen op 15 september 2021. Op 28 oktober 2021 is 3-MMC in de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet opgenomen. Het OM heeft op 2 november 2021 een machtiging tot vernietiging afgegeven. De partij is op 8 november 2021 vernietigd;


de partij 3-CMC en N-ethylbutylon is op 20 april 2022 in beslag genomen. Beide stoffen zijn op 12 september 2023 in de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet opgenomen. Na een machtiging van het OM afgegeven op 21 oktober 2024, is de partij op 5 november 2024 vernietigd;


de partij A-PiHP is op 7 november 2023 in beslag genomen. A-PhiP is op 16 april 2024 in de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet opgenomen. Het OM heeft op 18 oktober 2024 een machtiging tot vernietiging afgegeven. Deze vernietiging heeft op 5 november 2024 plaatsgevonden.




3.3
De strafzaken tegen Trading Affairs met betrekking tot de invoer van deze drie partijen zijn geseponeerd door het OM, of door de rechtbank voor geëindigd verklaard nadat het OM de vervolging van Trading Affairs had gestaakt. Het OM heeft vorderingen tot onttrekking aan het verkeer ingediend met betrekking tot de drie partijen. In twee gevallen zijn de vorderingen tot onttrekking door de rechtbank afgewezen. In het eerste geval heeft de rechtbank de vordering afgewezen omdat de handel in de desbetreffende stoffen ten tijde van de inbeslagneming niet strafbaar was. In het tweede geval heeft de rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer afgewezen omdat de rechtbank niet kon vaststellen dat Trading Affairs een strafbaar feit had gepleegd. In beide gevallen heeft de rechtbank het beklag van Trading Affairs over het gelegde beslag eveneens afgewezen, op grond van de overweging dat een last tot teruggave van de partij maatschappelijk onverantwoord zou zijn, omdat die tot gevolg zou hebben dat een grote hoeveelheid inmiddels bij wet verboden verdovende middelen ongecontroleerd in het verkeer zou worden gebracht. In een derde geval heeft de rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer toegewezen, maar is deze beslissing vernietigd door de Hoge Raad en verwezen naar een andere rechtbank. Deze rechtbank heeft de vordering tot onttrekking aan het verkeer alsnog toegewezen, omdat de partij bij de invoer was omschreven als “Fragrances” met als doel de ware aard van de stoffen te verhullen, en de stoffen inmiddels op de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet waren geplaatst.


3.4
Bij brief van 11 juli 2025 heeft de advocaat van Trading Affairs het College van procureurs-generaal (het College) met een beroep op artikel 119 lid 2 Sv verzocht de verkoopwaarde van de vernietigde partijen op het moment van inbeslagneming te vergoeden. Het College heeft niet op dit verzoek gereageerd.


3.5
Trading Affairs heeft invoerrechten en btw afgedragen met betrekking tot de drie partijen.




4Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
Trading Affairs heeft de Staat gedagvaard en gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van € 1.525.320,57 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, al dan niet bij wijze van voorschot, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten, inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.


4.2
De Staat heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en veroordeling van Trading Affairs in de proceskosten.


4.3
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en Trading Affairs in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wat de waarde van de drie partijen is en dat er daarom in kort geding geen ruimte is voor toewijzing van de vordering van Trading Affairs.





5Vordering in hoger beroep

5.1
Trading Affairs vordert hetzelfde als bij de rechtbank, met veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Trading Affairs heeft twee bezwaren (grieven) aangevoerd tegen het vonnis. De eerste grief is gericht tegen de afwijzing van de vordering van Trading Affairs. De tweede grief is gericht tegen de veroordeling van Trading Affairs in de proceskosten.


5.2
De Staat voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van Trading Affairs in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
De grondslag van de vordering van Trading Affairs is artikel 119 lid 2 Sv. Deze bepaling luidt als volgt: “Indien de bewaarder niet aan de last tot teruggave kan voldoen, omdat de bewaring van het voorwerp overeenkomstig de machtiging bedoeld in artikel 117, tweede lid (…) is beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.” Trading Affairs stelt dat het strafvorderlijk belang bij het beslag is komen te vervallen aangezien de strafzaken tegen haar zijn geseponeerd dan wel beëindigd. Dat moet er volgens Trading Affairs toe leiden dat een last tot teruggave wordt gegeven. Aangezien aan die last niet kan worden voldaan omdat de stoffen na een machtiging van het OM op grond van artikel 117 lid 2 Sv zijn vernietigd, kan Trading Affairs aanspraak maken op de prijs die de stoffen redelijkerwijze zouden hebben opgebracht bij verkoop door de bewaarder. Deze bewaarder maakt deel uit van de Staat en daarom richt de vordering van Trading Affairs zich tegen de Staat. Trading Affairs baseert het gevorderde bedrag van € 1.525.320,57 op de gemiddelde verkoopprijs van de stoffen in de periode 2021-2024, uitgaande van haar eigen administratie.


6.2
De Staat bestrijdt niet dat Trading Affairs in de gegeven omstandigheden een beroep op artikel 119 lid 2 Sv kan doen. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de verkoopopbrengst die de bewaarder had kunnen realiseren, nihil is. Van de Staat kan niet worden verwacht dat hij gevaarlijke stoffen met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid verkoopt. Bovendien waren de stoffen al op de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet geplaatst, zodat de verkoop ervan strafbaar en daarmee zonder meer onmogelijk zou zijn geweest.


6.3
Het geschil tussen partijen spitst zich dus toe op de toepassing van artikel 119 lid 2 Sv, en in het bijzonder de uitleg van de zinsnede “de prijs die het voorwerp bij verkoop door hem (…) redelijkerwijze zou hebben opgebracht”.’


6.4
Bij de toewijzing van geldvorderingen in kort geding moet de rechter terughoudend te werk gaan. De rechter moet niet alleen onderzoeken of de vordering van de eiser voldoende aannemelijk is, maar ook of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico moet meewegen.


6.5
In de eerste plaats moet dus voldoende aannemelijk zijn dat Trading Affairs op grond van artikel 119 lid 2 Sv aanspraak kan maken op de verkoopwaarde van de partijen. Naar het oordeel van het hof strandt de vordering van Trading Affairs al op deze voorwaarde. Het hof licht dat hierna toe.


6.6
Uitgangspunt bij artikel 119 lid 2 Sv is de prijs die het voorwerp bij verkoop door de bewaarder (onderstreping van het hof) heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht. Het hof is het voorshands eens met de Staat dat in de gegeven omstandigheden niet van de bewaarder kon worden verwacht dat hij de stoffen te koop zou aanbieden. De stoffen zijn in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv ten behoeve van de waarheidsvinding (nader forensisch onderzoek). De bewaarder kon de stoffen niet te koop aanbieden zolang deze nog werden onderzocht. Na de strafbaarstelling was verkoop niet toegestaan. Aangezien de stoffen niet te koop konden worden aangeboden, hadden zij geen verkoopwaarde. Voor de toepassing van artikel 119 lid 2 Sv moet er daarom voorshands van worden uitgegaan dat de verkoopprijs die de stoffen redelijkerwijs zouden hebben opgebracht, nihil is. Daar komt nog bij dat de stoffen in de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet zijn opgenomen omdat de stoffen gevaarlijk kunnen zijn voor de volksgezondheid. Ook dit maakt dat de bewaarder de stoffen redelijkerwijze niet te koop kon aanbieden.


6.7
Volgens Trading Affairs kan de Staat zich er niet met succes op beroepen dat de waarde van de stoffen op nihil moet worden gesteld, omdat de Staat geen taxatie heeft laten verrichten van de stoffen voordat zij zijn vernietigd. Het valt echter niet in te zien wat het nut van zo’n taxatie zou zijn geweest. Daarbij zou immers als uitgangspunt hebben moeten gelden dat de stoffen niet zouden kunnen worden verkocht. Daarvan uitgaande zou zo’n taxatie op nihil zijn uitgekomen.


6.8

Trading Affairs heeft verder aangevoerd dat het uitgangspunt dat de stoffen niet verkocht mochten worden, niet valt te rijmen met het feit dat zij invoerrechten en btw over de stoffen heeft moeten afdragen. Door enerzijds de stoffen te vernietigen zonder schadeloosstelling en anderzijds invoerrechten en btw te incasseren over diezelfde stoffen, handelt de Staat volgens Trading Affairs tevens in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Dat de Staat invoerrechten en btw heeft geïncasseerd, verandert echter niets aan het feit dat de bewaarder de stoffen niet te koop had kunnen aanbieden, en de stoffen daarom geen verkoopwaarde hadden. Mogelijk kan Trading Affairs in de omstandigheden van het geval aanspraak maken op teruggave van betaalde invoerrechten en btw. Daarover kan het hof zich echter in deze procedure niet uitspreken.



6.9

Trading Affairs heeft ook een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Volgens Trading Affairs maakt de Staat inbreuk op het eigendomsrecht van Trading Affairs, door het strafvorderlijk beslag op legale goederen net zolang te laten voortduren tot de verkoop niet meer is toegestaan, zodat de eigenaar geen aanspraak kan maken op schadevergoeding. Ook het beroep op deze bepaling faalt. De inbeslagname van de stoffen en de daaropvolgende vernietiging hebben plaatsgevonden in het algemeen belang en op grond van een wettelijke grondslag; de inbeslagname op grond van artikel 94 Sv met het oog op het forensisch onderzoek en de vernietiging op grond van artikel 117 Sv omdat het om verboden stoffen ging. Trading Affairs gaat er bovendien aan voorbij dat weliswaar in twee gevallen de vorderingen tot onttrekking aan het verkeer zijn afgewezen, maar in dezelfde beslissingen ook een last tot teruggave van de stoffen is geweigerd omdat dat maatschappelijk onverantwoord zou zijn gezien de aard van de stoffen.

Conclusie




6.10

De conclusie is dat het hoger beroep van Trading Affairs niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Trading Affairs als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht: € 13.608,-
salaris advocaat: € 13.218,- (2 punten × tarief VIII)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 27.015,-



Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.





7Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2025;

- veroordeelt Trading Affairs in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 27.015,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Trading Affairs deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

- bepaalt dat als Trading Affairs niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Trading Affairs de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Trading Affairs deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.


Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, D.A. Schreuder en C. Mak en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.



Beslissing van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Holland, team strafrecht, van 20 november 2023, parketnummer 15-244441-22 (deze zaak betreft de partij 3-CMS en N-ethylbutylon).


Beslissing van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Holland, team strafrecht, van 15 oktober 2024, parketnummer 15-266955-23 (deze zaak betreft de partij A-PiHP).


Beschikking van de strafkamer van de Hoge Raad van 24 juni 2025, parketnummer 1-993376-21 (deze zaak betreft de partij 3-MMC).


Beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2026, parketnummer 1-993376-21.