Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2796

2026-08-05 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/626
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/626
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1953

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

De door DRZ gehanteerde nettocatalogusprijs is te hoog en kan om die reden niet door belanghebbende worden gebruikt voor de vaststelling van de historische nieuwprijs.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.551 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/626



Uitspraak van 5 augustus 2026


in het geding tussen:



[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/65.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 12.123 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 200 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.160. De Inspecteur heeft een proceskostenvergoeding toegekend van € 592.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.747,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.


1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.807 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Land Rover Defender 2.2 TD (de auto). De datum van eerste toelating is 7 april 2015. De auto betreft het model Land Rover Defender 110.



2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. van 16 februari 2021. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 45.020 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 8.222. Op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur een bedrag van € 5.022 in mindering gebracht in verband met aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten, waardoor hij de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van de auto heeft bepaald op € 3.200. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 81.799 (CO2-uitstoot van 295 g/km).



2.3.
Tot de gedingstukken behoort een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 26 februari 2021. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 101.151 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 23.096. Deze handelsinkoopwaarde is gebaseerd op een koerslijst van Eurotax van het (referentie)voertuig Land Rover Defender 90 Diesel 2.2 Station Wagon. DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade aannemelijk geacht.



2.4.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 12.123 aan bpm nageheven. Daarbij is hij uitgegaan van de historische bruto bpm van € 81.799 en is de verschuldigde bpm berekend op basis van de forfaitaire tabel (afschrijving van 78,08%), omdat het taxatierapport van belanghebbende volgens de Inspecteur niet kon dienen en de auto niet voorkomt op een koerslijs.



2.5.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.160. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische (bruto) bpm van € 81.799 (CO2-uitstoot van 295 g/km), een historische nieuwprijs van € 101.151 en een handelsinkoopwaarde van € 19.752 (koerslijst Eurotax van DRZ, inclusief correctiefactoren markt- en dealersituatie).



2.6.
Tot de gedingstukken behoort een inkoopfactuur van de auto. Belanghebbende heeft de auto ingekocht voor € 40.000.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:



“Taxatierapport en schade


8. Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het door haar overlegde taxatierapport kan dienen voor de berekening van de te betalen Bpm. De bewijslast ten aanzien van de in haar taxatierapport vermelde schade rust op eiseres. Eiseres heeft in beroep niets ingebracht tegen het standpunt van DRZ dat geen andere schade dan gebruikersschade aanwezig is. Eiseres is dan ook niet geslaagd in haar bewijslast. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank het taxatierapport ook op andere punten zodanig gebrekkig dat het niet bruikbaar is voor de bepaling van de vermindering van de verschuldigde Bpm. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de taxateur in de opgenomen koerslijst van een ander model Land Rover is uitgegaan, de taxateur enkel op basis van ongedateerde foto’s de door hem gestelde schade heeft vastgesteld en het daardoor niet is vast te stellen wanneer de opname van de auto heeft plaatsgevonden en of de op de foto’s aanwezige schade aanwezig was op het moment van opname. Daarnaast volgt uit de inkoopfactuur dat de aankoopprijs van de auto € 40.000 (ex BTW en Bpm) bedraagt. Het is dan zeer onwaarschijnlijk dat de auto slechts een waarde van € 3.200 vertegenwoordigt. Er kan derhalve geen beroep worden gedaan op de taxatiemethode.

9. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar een bijstelling markt- en dealersituatie toegepast. Aangezien er geen koerslijst voor de uitvoering van de auto beschikbaar is, kan de koerslijstmethode niet worden toegepast. Verweerder heeft dan ook terecht de afschrijving van de auto vastgesteld op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel; door de verlaging in de bezwaarfase is de aanslag te laag vastgesteld. Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel om andere elementen uit de koerslijst toe te passen. Zoals hiervoor overwogen is een beroep op de koerslijstmethode niet mogelijk. Eiseres kan dan ook aan de uitspraak op bezwaar geen vertrouwen ontlenen dat de naheffingsaanslag verder dient te worden verminderd.



Historische nieuwprijs


10. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8 en 9 kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm en is de afschrijving van de auto terecht bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Alsdan is de historische nieuwprijs niet relevant voor de bepaling van de verschuldigde Bpm.


(…)




Proceskosten bezwaar


12. Eiseres heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024[2] verweerder ten onrechte is uitgegaan van het lagere tarief. Het beroep is voor zover het is gericht tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar gegrond. De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande aanleiding de in het bestreden besluit toegekende proceskostenvergoeding te vernietigen en deze vast te stellen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op in totaal € 1.294 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en een wegingsfactor 1).


(…)




Proceskosten


14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit en hetgeen hierboven over de bezwaarfase is overwogen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.294 voor de bezwaarfase en € 453,50 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25), in totaal € 1.747,50. Omdat het beroep alleen gegrond is wat betreft de waarde per punt in bezwaar, hanteert de rechtbank voor de beroepsfase wegingsfactor 0,25.[3]


(…)



[2] Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
[3]vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of belanghebbende een beroep toekomt op de taxatiemethode, omdat de auto niet voorkomt op een koerslijst.



4.1.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet op een koerslijst voorkomt.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot partiële vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 23.096, tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 126.683, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op een bedrag van € 14.913 en tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 9.106. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in beroep onder aftrek van de reeds door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in deze fase alsmede om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet bpm) buiten toepassing blijft.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Belanghebbende stelt voor het eerst ter zitting in hoger beroep dat de taxatiemethode moet worden toegepast, omdat de auto niet voorkomt in een koerslijst. Daarbij stelt belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde op € 23.096 moet worden gesteld conform de koerslijst in het rapport van DRZ en dat moet worden aangesloten bij de netto catalogusprijs van € 37.404 uit het rapport van DRZ. Uitgaande van de voornoemde netto catalogusprijs bedraagt de historische nieuwprijs € 126.683, aldus belanghebbende (€ 37.404 + € 7.854 btw + € 81.799 (historische) bruto bpm).



5.2.
Ter zake van de door belanghebbende voorgestane historische nieuwprijs is het Hof van oordeel dat deze niet kan worden gevolgd. Belanghebbende neemt als uitgangspunt voor de berekening van de historische nieuwprijs de netto catalogusprijs uit het rapport van DRZ van € 37.404. Deze is door DRZ berekend door de historische nieuwprijs van een Land Rover Defender 90 Diesel 2.2. Station Wagon te nemen (€ 101.151) en daarop in aftrek te brengen de btw over de opties (€ 1.298) en de bpm behorende bij een auto met een CO2-uitstoot van 295 g/km (€ 62.449). DRZ heeft echter verzuimd bij de bepaling van de netto catalogusprijs de CO2-dieseltoeslag in aanmerking te nemen (€ 19.350, waardoor de bruto bpm op het niet in geschil zijnde bedrag van € 81.799 uitkomt) en de btw over de netto catalogusprijs in aanmerking te nemen (€ 3.359). De door DRZ gehanteerde netto catalogusprijs van € 37.404 kan dus niet worden gehanteerd en zou dus € 15.993 moeten zijn. Een netto catalogusprijs van € 15.993 leidt immers tot de historische nieuwprijs van € 101.151 (€ 15.993 + € 3.359 (21% btw) + € 81.799 (bpm)). Daar komt bij dat de door DRZ gehanteerde koerslijst naar het oordeel van het Hof niet bruikbaar is. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat dit een afwijkend model is ten opzichte van de auto. Ten opzichte van de Land Rover Defender 90 Diesel 2.2 Station Wagon geldt dat de auto 7 inch langer is, een 17,1 inch langere wielbasis heeft, een zitplaats meer heeft, 18,4 kubieke voet meer laadruimte heeft en twee deuren meer heeft. Het Hof overweegt daarbij dat op de koerslijst is vermeld dat het (referentie)voertuig drie deuren en vier zitplaatsen heeft, terwijl op de foto’s van DRZ duidelijk zichtbaar is dat de auto vijf deuren en meer dan vier zitplaatsen heeft. De door belanghebbende aangedragen overeenkomsten tussen een Land Rover Defender 90 Diesel 2.2 Station Wagon en de auto maken leiden niet tot een ander oordeel.



5.3.
Voor zover belanghebbende stelt dat door het verlagen van de naheffingsaanslag het vertrouwen is ontstaan dat de netto catalogusprijs van € 37.404 wel kan dienen, overweegt het Hof dat de vermindering van de naheffingsaanslag niet is gebaseerd op deze netto catalogusprijs, maar dat is uitgegaan van de nieuwprijs inclusief opties uit de (onjuiste) koerslijst van Eurotax van de Land Rover Defender 90 Diesel 2.2 Station Wagon. Belanghebbendes standpunt faalt.



5.4.
Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.



Slotsom





5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten en griffierecht


6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.





Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.




De griffier, de voorzitter,












T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden




De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.