Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2794
2026-08-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/624
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2794 → ECLI:NL:RBDHA:2025:13353 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 10 Wet bpm. Art. 8 Uitvoeringsregeling bpm. Art. 110 VWEU. Belanghebbende draagt de bewijslast dat de auto ten tijde van RDW-keuring in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de taxatie door haar taxateur. Taxatiemethode niet van toepassing vanwege essentiële gebreken. Bij essentiële gebreken kan de taxatiemethode zonder bewijs over soortgelijke voertuigen die in Nederland rijden niet worden toegepast op grond van eerder beleid.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:HR:2020:318 Hoge Raad 21-02-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.563 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/624
Uitspraak van 5 augustus 2026
in het geding tussen:
V.O.F. [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 23/8631.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.612 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2023 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 17 maart 2020. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 1.202 is door belanghebbende voldaan.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport dat is opgesteld door [naam taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023 en het taxatierapport is opgemaakt op 20 januari 2023. In het taxatierapport is uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 155 g/km, een historische nieuwprijs van € 54.037 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 19.500. De taxateur heeft voor een bedrag van € 15.032,68 aan schade aan de auto geconstateerd. Van deze schade heeft hij een bedrag van € 14.500 (afgerond 96,5%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat die daarmee vastgesteld op € 5.000. De historische bruto bpm is vastgesteld op € 13.001 en de verschuldigde bpm op € 1.202 (€ 5.000/€ 54.037 x € 13.001 = € 1.202; afschrijving afgerond 90,75%).
2.3.
De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de auto op 2 februari 2023 gekeurd. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 161 g/km (NEDC) en 217 g/km (WLTP).
2.4.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van de auto van 161 g/km en de daarbij behorende bruto bpm van € 15.545. De verschuldigde bpm van € 6.814 heeft hij berekend met toepassing van de forfaitaire tabel van artikel 8, lid 5 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitvoeringsregeling; afschrijving 56,165%).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft voor zover in hoger beroep van belang geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Bruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken
8. De auto vertoonde ten tijde van de taxatie van eiseres een aantal essentiële gebreken, waaronder geactiveerde airbags aan de bestuurderszijde en bijrijderszijde. De auto is echter goedgekeurd door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) zodat de taxatie van eiseres niet de staat van de auto op het moment van het belastbare feit weergeeft. Reeds om die reden kan het taxatierapport niet dienen. Daarbij komt dat in het taxatierapport zonder verdere motivering een percentage van 35% wordt afgetrokken van de gemiddelde vraagprijs, de kilometerstand van de referentievoertuigen significant afwijkt van de kilometerstand van de auto op de datum van goedkeuring RDW, er sprake is van een ander motorvermogen, andere cilinderinhoud en bouwjaar ten opzichte van de referentievoertuigen en is uitgegaan van een lagere CO2-uitstoot dan die de RDW heeft bepaald. Bovendien wijkt de aankoopprijs fors af van de getaxeerde waarde. Verweerder heeft terecht de verschuldigde Bpm berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
9. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het Kennisgroepstandpunt[1] en de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021 gaat ten onrechte uit van de bruikbaarheid van het taxatierapport en slaagt reeds daarom niet.
(…)”
[1] artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Rechtbank de bewijslast ter zake van de aanwezigheid van een essentieel gebrek aan de auto juist heeft verdeeld, of sprake is van een materieel essentieel gebrek, en, als dit laatste het geval is, of belanghebbende dan een beroep toekomt op historisch beleid zodat alsnog rekening kan worden gehouden met schade. Voorts is in geschil of belanghebbende een beroep toekomt op de koerslijst van AutotelexPro (ATP) voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
4.2.
Belanghebbende concludeert:
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar; en
primair tot vernietiging van de aanslag;
subsidiair: tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 16.096 (koerslijst ATP minus € 15.032 schade), vaststelling van de nieuwprijs op € 57.526, vaststelling van de verschuldigde bpm op € 4.349 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.147; en
meer subsidiair: tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 20.305 (koerslijst ATP minus € 10.823 schade, 72% van de schade), vaststelling van de nieuwprijs op € 57.526, vaststelling van de verschuldigde bpm op € 5.486 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.248.
Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase en een proceskostenvergoeding voor de fase van beroep en hoger beroep, waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) voor die laatste fase buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Ongewijzigde staat van de auto bij keuring RDW - bewijslast
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank in r.o. 8 van haar uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het taxatierapport niet de staat van de auto op het moment van het belastbare feit weergeeft, omdat de auto ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende een aantal essentiële gebreken vertoonde, maar de auto wel is goedgekeurd door de RDW. Volgens belanghebbende legt de Rechtbank daarmee ten onrechte de bewijslast dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende bij belanghebbende.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.3.
In artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling is onder meer bepaald dat de taxatiemethode slechts kan worden toegepast als gebruik wordt gemaakt van een taxatierapport waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. De staat van de auto ten tijde van het afschrijvingsmoment moet gelijk zijn aan de staat van de auto ten tijde van de fysieke opname door de taxateur (zie de toelichting op de genoemde bepaling bij de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821, Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
5.4.
De Inspecteur betwist dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Deze twijfel onderbouwt de Inspecteur door te wijzen op gebreken die hij heeft afgeleid uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s en die volgens hem essentiële gebreken vormen in de zin van hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Meer specifiek wijst de Inspecteur in het verweerschrift in eerste aanleg op de volgende gebreken:
“- koplampen voorzijde;
- voorbumper met scherpe delen;
- RV scherm met scherpe delen;
- motorkap met scherpe delen;
- geactiveerde/ontbrekende airbag stuur; en
- geactiveerde airbag dashboard bijrijder.”
Met deze gebreken zou de auto volgens de Inspecteur niet door de RDW goedgekeurd worden.
5.5.
Belanghebbende heeft de bewijslast ten aanzien van de op het afschrijvingsmoment in aanmerking te nemen schade. Indien belanghebbende bij de aangifte bpm gebruikmaakt van een taxatierapport, dient te zijn voldaan aan de voorwaarde dat de auto zich ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat bevindt als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Indien de Inspecteur gemotiveerd betwist dat dit het geval is, is het aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in gelijke staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opnamen door de taxateur van belanghebbende. Belanghebbende heeft hiertoe geen feiten en omstandigheden gesteld.
5.6.
Belanghebbende stelt dat zij aan haar wettelijke bewijsverplichting heeft voldaan door een taxatierapport te overleggen dat is opgemaakt op basis van een fysieke opname binnen een maand voorafgaand aan de keuring door de RDW. Als de Inspecteur vindt dat de staat van de auto ten tijde van de keuring door de RDW anders is dan ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende, dan heeft de Inspecteur daarvan de bewijslast, aldus belanghebbende. Deze stelling gaat, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2, 5.3 en 5.5 is overwogen, uit van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van de taxatiemethode en kan daarom niet worden aanvaard. Dit wordt niet anders doordat, zoals belanghebbende stelt, de Inspecteur de mogelijkheid heeft de auto op te roepen voor een hertaxatie bij de Dienst Domeinen Roerende Zaken en belanghebbende de auto daarvoor zes werkdagen na de keuring door de RDW in ongewijzigde staat moet laten, of doordat de Inspecteur foto’s van de auto ten tijde van de keuring door de RDW bij de RDW kan opvragen. Als de Inspecteur van deze mogelijkheden geen gebruik maakt, laat dit onverlet dat de Inspecteur op andere wijzen gemotiveerd kan betwisten dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Als de Inspecteur dat, zoals in het onderhavige geval, doet, dan rust de bewijslast dat de auto wel in dezelfde staat verkeerde op belanghebbende. Belanghebbendes klacht faalt.
Had de auto essentiële gebreken?
5.7.
De Inspecteur stelt dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de auto essentiële gebreken had, die voorafgaand aan de keuring door de RDW geheel of gedeeltelijk zijn hersteld. Hij verwijst daarbij naar de in 5.4 genoemde gebreken.
5.8.
Belanghebbende stelt dat de auto geen essentiële gebreken had en daarom door de RDW is goedgekeurd. De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat geactiveerde airbags essentiële gebreken zijn en dat de auto daarom voorafgaand aan de keuring moet zijn hersteld. Geactiveerde airbags zijn geen essentieel gebrek, aldus belanghebbende. Zij wijst in dit verband erop dat de RDW dit niet heeft vastgesteld, ook niet in antwoord op vragen die de Inspecteur in dit kader heeft gesteld. Voorts wijst zij op correspondentie tussen de Belastingdienst en de RDW in een andere zaak, waarin de RDW volgens belanghebbende bevestigt dat geactiveerde airbags geen reden zijn om een WOK-status toe te kennen of om de auto anderszins af te keuren.
5.9.
Het Hof stelt voorop dat in artikel 8, lid 3, Uitvoeringsregeling is bepaald dat de taxatiemethode uitsluitend kan worden toegepast als een motorrijtuig voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Uit de tekst van deze bepaling in de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat het niet voldoen aan de eisen van de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, afgezien van een aantekening in het kentekenregister, kan blijken uit het taxatierapport, de aangifte, op het moment dat de auto wordt getoond aan DRZ, of anderszins en dat aan alle eisen van deze hoofdstukken moet zijn voldaan (zie de toelichting op de genoemde bepaling uit de Uitvoeringsregeling bij de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821, Stcrt. 2021, 48636, p. 22 en 23).
5.10.
Uit het taxatierapport blijkt dat de voorbumper, het rechtervoorscherm en de motorkap vervangen moeten worden. Op grond van artikel 5.2.48, lid 1, Regeling voertuigen mogen personenauto’s geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Gelet op de door belanghebbende onweersproken gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat bij de voorbumper, het rechter voorscherm en de motorkap sprake is van scherpe delen, is het Hof van oordeel dat in zoverre ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende sprake was van essentiële gebreken aan de auto, zodat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
5.11.
Nu de taxatiemethode niet kan worden toegepast vanwege de aanwezigheid van essentiële gebreken ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende, komt het Hof niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of de door belanghebbende in hoger beroep ingediende koerslijst van AutotelexPro kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, zoals belanghebbende voorstaat. De taxatiemethode kan immers om andere redenen dan de onderbouwing van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat reeds niet worden toegepast. De overgelegde koerslijst brengt hierin geen verandering. Omdat de taxatiemethode niet van toepassing is komt het Hof evenmin toe aan belanghebbendes klachten tegen de beperking van de aftrek wegens schade tot 72% (tot 1 januari 2023) en 31% (vanaf 1 januari 2023) van de vastgestelde schade zoals bepaald in paragraaf 3.5 van Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling.
Kan de taxatiemethode worden toegepast op grond van beleid?
5.12.
Voor het geval het Hof van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b Wet bpm en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit bpm, zoals gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Stcrt, 2021, 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)).
5.13.
Artikel 10b, lid 1, Wet bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9 Wet bpm, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.
5.14.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.
5.15.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen als de auto rijden waarvan de bij belanghebbende niet geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu zij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat zulke soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/624
Uitspraak van 5 augustus 2026
in het geding tussen:
V.O.F. [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 23/8631.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.612 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2023 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 17 maart 2020. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 1.202 is door belanghebbende voldaan.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport dat is opgesteld door [naam taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023 en het taxatierapport is opgemaakt op 20 januari 2023. In het taxatierapport is uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 155 g/km, een historische nieuwprijs van € 54.037 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 19.500. De taxateur heeft voor een bedrag van € 15.032,68 aan schade aan de auto geconstateerd. Van deze schade heeft hij een bedrag van € 14.500 (afgerond 96,5%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat die daarmee vastgesteld op € 5.000. De historische bruto bpm is vastgesteld op € 13.001 en de verschuldigde bpm op € 1.202 (€ 5.000/€ 54.037 x € 13.001 = € 1.202; afschrijving afgerond 90,75%).
2.3.
De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de auto op 2 februari 2023 gekeurd. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 161 g/km (NEDC) en 217 g/km (WLTP).
2.4.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van de auto van 161 g/km en de daarbij behorende bruto bpm van € 15.545. De verschuldigde bpm van € 6.814 heeft hij berekend met toepassing van de forfaitaire tabel van artikel 8, lid 5 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitvoeringsregeling; afschrijving 56,165%).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft voor zover in hoger beroep van belang geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Bruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken
8. De auto vertoonde ten tijde van de taxatie van eiseres een aantal essentiële gebreken, waaronder geactiveerde airbags aan de bestuurderszijde en bijrijderszijde. De auto is echter goedgekeurd door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) zodat de taxatie van eiseres niet de staat van de auto op het moment van het belastbare feit weergeeft. Reeds om die reden kan het taxatierapport niet dienen. Daarbij komt dat in het taxatierapport zonder verdere motivering een percentage van 35% wordt afgetrokken van de gemiddelde vraagprijs, de kilometerstand van de referentievoertuigen significant afwijkt van de kilometerstand van de auto op de datum van goedkeuring RDW, er sprake is van een ander motorvermogen, andere cilinderinhoud en bouwjaar ten opzichte van de referentievoertuigen en is uitgegaan van een lagere CO2-uitstoot dan die de RDW heeft bepaald. Bovendien wijkt de aankoopprijs fors af van de getaxeerde waarde. Verweerder heeft terecht de verschuldigde Bpm berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
9. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het Kennisgroepstandpunt[1] en de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021 gaat ten onrechte uit van de bruikbaarheid van het taxatierapport en slaagt reeds daarom niet.
(…)”
[1] artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Rechtbank de bewijslast ter zake van de aanwezigheid van een essentieel gebrek aan de auto juist heeft verdeeld, of sprake is van een materieel essentieel gebrek, en, als dit laatste het geval is, of belanghebbende dan een beroep toekomt op historisch beleid zodat alsnog rekening kan worden gehouden met schade. Voorts is in geschil of belanghebbende een beroep toekomt op de koerslijst van AutotelexPro (ATP) voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
4.2.
Belanghebbende concludeert:
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar; en
primair tot vernietiging van de aanslag;
subsidiair: tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 16.096 (koerslijst ATP minus € 15.032 schade), vaststelling van de nieuwprijs op € 57.526, vaststelling van de verschuldigde bpm op € 4.349 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.147; en
meer subsidiair: tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 20.305 (koerslijst ATP minus € 10.823 schade, 72% van de schade), vaststelling van de nieuwprijs op € 57.526, vaststelling van de verschuldigde bpm op € 5.486 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.248.
Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase en een proceskostenvergoeding voor de fase van beroep en hoger beroep, waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) voor die laatste fase buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Ongewijzigde staat van de auto bij keuring RDW - bewijslast
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank in r.o. 8 van haar uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het taxatierapport niet de staat van de auto op het moment van het belastbare feit weergeeft, omdat de auto ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende een aantal essentiële gebreken vertoonde, maar de auto wel is goedgekeurd door de RDW. Volgens belanghebbende legt de Rechtbank daarmee ten onrechte de bewijslast dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende bij belanghebbende.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.3.
In artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling is onder meer bepaald dat de taxatiemethode slechts kan worden toegepast als gebruik wordt gemaakt van een taxatierapport waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. De staat van de auto ten tijde van het afschrijvingsmoment moet gelijk zijn aan de staat van de auto ten tijde van de fysieke opname door de taxateur (zie de toelichting op de genoemde bepaling bij de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821, Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
5.4.
De Inspecteur betwist dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Deze twijfel onderbouwt de Inspecteur door te wijzen op gebreken die hij heeft afgeleid uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s en die volgens hem essentiële gebreken vormen in de zin van hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Meer specifiek wijst de Inspecteur in het verweerschrift in eerste aanleg op de volgende gebreken:
“- koplampen voorzijde;
- voorbumper met scherpe delen;
- RV scherm met scherpe delen;
- motorkap met scherpe delen;
- geactiveerde/ontbrekende airbag stuur; en
- geactiveerde airbag dashboard bijrijder.”
Met deze gebreken zou de auto volgens de Inspecteur niet door de RDW goedgekeurd worden.
5.5.
Belanghebbende heeft de bewijslast ten aanzien van de op het afschrijvingsmoment in aanmerking te nemen schade. Indien belanghebbende bij de aangifte bpm gebruikmaakt van een taxatierapport, dient te zijn voldaan aan de voorwaarde dat de auto zich ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat bevindt als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Indien de Inspecteur gemotiveerd betwist dat dit het geval is, is het aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in gelijke staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opnamen door de taxateur van belanghebbende. Belanghebbende heeft hiertoe geen feiten en omstandigheden gesteld.
5.6.
Belanghebbende stelt dat zij aan haar wettelijke bewijsverplichting heeft voldaan door een taxatierapport te overleggen dat is opgemaakt op basis van een fysieke opname binnen een maand voorafgaand aan de keuring door de RDW. Als de Inspecteur vindt dat de staat van de auto ten tijde van de keuring door de RDW anders is dan ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende, dan heeft de Inspecteur daarvan de bewijslast, aldus belanghebbende. Deze stelling gaat, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2, 5.3 en 5.5 is overwogen, uit van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van de taxatiemethode en kan daarom niet worden aanvaard. Dit wordt niet anders doordat, zoals belanghebbende stelt, de Inspecteur de mogelijkheid heeft de auto op te roepen voor een hertaxatie bij de Dienst Domeinen Roerende Zaken en belanghebbende de auto daarvoor zes werkdagen na de keuring door de RDW in ongewijzigde staat moet laten, of doordat de Inspecteur foto’s van de auto ten tijde van de keuring door de RDW bij de RDW kan opvragen. Als de Inspecteur van deze mogelijkheden geen gebruik maakt, laat dit onverlet dat de Inspecteur op andere wijzen gemotiveerd kan betwisten dat de auto ten tijde van de keuring door de RDW in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende. Als de Inspecteur dat, zoals in het onderhavige geval, doet, dan rust de bewijslast dat de auto wel in dezelfde staat verkeerde op belanghebbende. Belanghebbendes klacht faalt.
Had de auto essentiële gebreken?
5.7.
De Inspecteur stelt dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de auto essentiële gebreken had, die voorafgaand aan de keuring door de RDW geheel of gedeeltelijk zijn hersteld. Hij verwijst daarbij naar de in 5.4 genoemde gebreken.
5.8.
Belanghebbende stelt dat de auto geen essentiële gebreken had en daarom door de RDW is goedgekeurd. De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat geactiveerde airbags essentiële gebreken zijn en dat de auto daarom voorafgaand aan de keuring moet zijn hersteld. Geactiveerde airbags zijn geen essentieel gebrek, aldus belanghebbende. Zij wijst in dit verband erop dat de RDW dit niet heeft vastgesteld, ook niet in antwoord op vragen die de Inspecteur in dit kader heeft gesteld. Voorts wijst zij op correspondentie tussen de Belastingdienst en de RDW in een andere zaak, waarin de RDW volgens belanghebbende bevestigt dat geactiveerde airbags geen reden zijn om een WOK-status toe te kennen of om de auto anderszins af te keuren.
5.9.
Het Hof stelt voorop dat in artikel 8, lid 3, Uitvoeringsregeling is bepaald dat de taxatiemethode uitsluitend kan worden toegepast als een motorrijtuig voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Uit de tekst van deze bepaling in de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat het niet voldoen aan de eisen van de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, afgezien van een aantekening in het kentekenregister, kan blijken uit het taxatierapport, de aangifte, op het moment dat de auto wordt getoond aan DRZ, of anderszins en dat aan alle eisen van deze hoofdstukken moet zijn voldaan (zie de toelichting op de genoemde bepaling uit de Uitvoeringsregeling bij de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821, Stcrt. 2021, 48636, p. 22 en 23).
5.10.
Uit het taxatierapport blijkt dat de voorbumper, het rechtervoorscherm en de motorkap vervangen moeten worden. Op grond van artikel 5.2.48, lid 1, Regeling voertuigen mogen personenauto’s geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Gelet op de door belanghebbende onweersproken gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat bij de voorbumper, het rechter voorscherm en de motorkap sprake is van scherpe delen, is het Hof van oordeel dat in zoverre ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende sprake was van essentiële gebreken aan de auto, zodat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
5.11.
Nu de taxatiemethode niet kan worden toegepast vanwege de aanwezigheid van essentiële gebreken ten tijde van de fysieke opname door de taxateur van belanghebbende, komt het Hof niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of de door belanghebbende in hoger beroep ingediende koerslijst van AutotelexPro kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, zoals belanghebbende voorstaat. De taxatiemethode kan immers om andere redenen dan de onderbouwing van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat reeds niet worden toegepast. De overgelegde koerslijst brengt hierin geen verandering. Omdat de taxatiemethode niet van toepassing is komt het Hof evenmin toe aan belanghebbendes klachten tegen de beperking van de aftrek wegens schade tot 72% (tot 1 januari 2023) en 31% (vanaf 1 januari 2023) van de vastgestelde schade zoals bepaald in paragraaf 3.5 van Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling.
Kan de taxatiemethode worden toegepast op grond van beleid?
5.12.
Voor het geval het Hof van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b Wet bpm en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit bpm, zoals gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Stcrt, 2021, 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)).
5.13.
Artikel 10b, lid 1, Wet bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9 Wet bpm, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.
5.14.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.
5.15.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen als de auto rijden waarvan de bij belanghebbende niet geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu zij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat zulke soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.