Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2777
2026-09-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/751
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 9.6 Wet IB 2001; art. 45 AA UR IB2001. Het Brandweermanarrest (HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:444) is geen “nieuwe jurisprudentie” ten opzichte van het Smeerkuilarrest (HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439).
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2022:444 Hoge Raad 25-03-2022
- ECLI:NL:HR:2024:667 Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:HR:1983:AW9439 Hoge Raad 29-06-1983
- ECLI:NL:GHARN:2010:BO44789
- ECLI:NL:GHARL:2015:2915 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2016:11244 Rechtbank Den Haag 19-09-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2022:56 Rechtbank Den Haag 04-01-2022
- ECLI:NL:HR:1983:AW9439 Hoge Raad 29-06-1983
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.118 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/751
Uitspraak van 1 september 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: F.M. Werger),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] ),
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 5 september 2025, nummers SGR 24/8246 en SGR 24/8248.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 66.629 (de aanslag 2020).
1.2.
Belanghebbende heeft aan de Inspecteur een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag 2020 gedaan. De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van het verzoek beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak 24/8246 ongegrond;
- (…);
- (…);
- (…);
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51 aan hem te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 8 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende nog berichten/stukken ingezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die berichten/stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is als vrijwilliger werkzaam geweest bij de brandweer bij de Veiligheidsregio […] (hierna: de Veiligheidsregio). Op 20 augustus 2012 heeft hij in die hoedanigheid een ongeval gehad dat heeft geresulteerd in 4% blijvende invaliditeit aan zijn schouder.
2.2.
De ongevallenverzekering van de Veiligheidsregio voorziet in een jaarlijkse uitkering bij blijvende invaliditeit. Belanghebbende heeft uit dien hoofde via de Veiligheidsregio in de jaren 2020 en 2021 uitkeringen ontvangen van € 2.037 respectievelijk € 51 (de uitkeringen).
2.3.
Belanghebbende heeft op 16 maart 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 en op 29 maart 2022 aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan. In zijn aangiften heeft hij de uitkeringen verantwoord als loon uit vroegere dienstbetrekking.
2.4.
De Inspecteur heeft met dagtekening van 28 mei 2021 de aanslag 2020 opgelegd en met dagtekening 20 mei 2022 de aanslag 2021. Beide aanslagen zijn conform de aangifte opgelegd.
2.5.
Op 25 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:444) heeft de Hoge Raad het zogenoemde Brandweermanarrest gewezen.
2.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 14 maart 2023 de Inspecteur onder verwijzing naar het Brandweermanarrest verzocht de aanslagen 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen, door het belastbare inkomen met de bedragen van de uitkeringen van de Veiligheidsregio te verlagen. De Inspecteur heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat het Brandweermanarrest volgens hem nieuwe rechtspraak vormt.
2.6.
In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de aanslag 2021 conform het verzoek van belanghebbende moet worden verminderd, om de reden dat die aanslag nog niet vaststond op het moment waarop het Brandweermanarrest gewezen werd. Dientengevolge heeft de Rechtbank in haar uitspraak het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2021 (zaaknummer SGR 24/8248) gegrond verklaard en het belastbare inkomen voor het jaar 2021 verminderd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“7. Op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 vindt ambtshalve vermindering van een belastingaanslag uitsluitend plaats op grond van dat artikel, in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. Op grond van artikel 45aa van de Uitv.reg. IB vermindert de inspecteur een belastingaanslag ambtshalve zodra hem gebleken is dat zij tot een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij zich een van de omstandigheden voordoet die zijn beschreven in de onderdelen a tot en met e. Ingevolge onderdeel b vindt geen ambtshalve vermindering plaats, indien
“… de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.”
In zijn arrest van 26 april 2024 [3] heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag wanneer jurisprudentie als ‘nieuw’ heeft te gelden in de zin van deze bepaling. Daarbij heeft hij de volgende maatstaf geformuleerd:
“3.2.8. Een redelijke uitleg van deze regels over nieuwe jurisprudentie brengt mee dat de inspecteur niet met een beroep daarop kan weigeren een belastingaanslag ambtshalve te verminderen, indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag “voortvloeit” uit latere jurisprudentie zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling.
Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.”
8. In het zogenoemde smeerkuilarrest van 1983 [4] oordeelde de Hoge Raad dat de vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die een werknemer ontvangt van zijn werkgever uit hoofde van diens aansprakelijkheid niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij moeten worden aangemerkt als daaruit te zijn genoten (‘bovenbronnelijk’ is), zulks evenwel
“… behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst”.
In het brandweermanarrest overwoog de Hoge Raad:
“Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt – een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat het brandweermanarrest geen nieuwe rechtspraak is, in de zin van artikel 45aa, aanhef en onder b, van de Uitv.reg. IB, om de reden dat – volgens hem – met dat arrest alleen maar een verduidelijking van het smeerkuilarrest gegeven is.
10. Anders dan eiser bepleit, komt het voor de vraag of rechtspraak ‘nieuw’ is niet erop aan of daarmee tot uitdrukking komt wat altijd al gold. Zoals volgt uit het arrest van 26 april 2024 is de maatstaf voor de beantwoording van die vraag, of verweerder bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden.
Of de Hoge Raad met het brandweermanarrest is ‘om’ gegaan, kan dan ook in het midden blijven. Beslissend is of verweerder naar de stand van het recht van voor het brandweermanarrest redelijkerwijs kon menen dat de uitkeringen als loon uit (vroegere) dienstbetrekking belastbaar zijn.
11. Uit de literatuur van voor het brandweermanarrest komt als de overheersende opvatting naar voren dat wanneer een schadevergoeding voortvloeit uit een rechtspositionele regeling zij als loon is belast, los van de vraag of die vergoeding uitgaat boven wat uit hoofde van het aansprakelijkheidsrecht voortvloeit. [5] Deze opvatting ligt ook ten grondslag aan een aantal uitspraken van lagere rechters.[6] Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 redelijkerwijs kon menen van een juiste rechtsopvatting uit te gaan, waarmee het nadien gewezen brandweermanarrest voor de toepassing van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitv.reg. IB heeft te gelden als nieuwe jurisprudentie.
12. Subsidiair beroept eiser zich op het vertrouwen dat hij stelt te kunnen ontlenen aan het antwoord dat de staatssecretaris van Financiën bij brief van 2 juni 2022 heeft gegeven op vragen uit de Tweede Kamer.[7]
13. De desbetreffende vragen uit de Tweede Kamer en het antwoord daarop van de staatssecretaris luiden, voor zover relevant:
“ Vraag 5
Ben u het eens met de conclusie in het bericht dat de uitspraak van 25 maart een nadere invulling is van oorspronkelijke arrest uit 1983 en nadrukkelijk geen nieuwe jurisprudentie is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Ik ben van mening dat sprake is van nieuwe jurisprudentie.
(…)
Vraag 6
Klopt het dat er verschillende rechtsgevolgen zijn van nieuwe jurisprudentie ten opzichte van een nadere uitleg van een oud arrest in relatie tot het recht op teruggave van belasting?
Antwoord 6
Dat klopt.
Als er sprake is van jurisprudentie die is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan («nieuwe jurisprudentie»), vermindert de belastinginspecteur de belastingaanslag inkomstenbelasting die onherroepelijk vast is komen te staan niet op grond van artikel 45aa, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Voor andere regelingen volgt dit uit paragraaf 23, onderdeel 8, onder b, Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
Echter, in het geval sprake zou zijn van een nadere uitleg van een eerder arrest zouden belastingplichtigen bij wie een letselschadevergoeding als belast loon in aanmerking is genomen binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar waarover de aanslag is opgelegd een verzoek tot ambtshalve vermindering van hun aanslag inkomstenbelasting kunnen indienen waaraan tegemoet zou moeten worden gekomen door de belastinginspecteur, mits toepassing van het arrest van 25 maart jongstleden leidt tot de uitkomst dat de belastingaanslag lager diende te worden vastgesteld en aan de overige voorwaarden voor een ambtshalve vermindering is voldaan.”
14. Deze antwoorden zijn in zoverre ambigue, dat de staatssecretaris op de vijfde vraag eenduidig te kennen geeft het niet ermee eens te zijn dat het brandweermanarrest een nadere invulling is van het smeerkuilarrest, en dat daarmee naar zijn mening sprake is van nieuwe jurisprudentie, terwijl hij dat met zijn antwoord op de zesde vraag min of meer expliciet open laat. Op de zesde vraag zegt hij immers niet meer dan dat als het brandweermanarrest geldt als een nadere uitleg van het smeerkuilarrest moet worden geduid, ambtshalve vermindering geboden is. Ambigue als zij mogen zijn, in de antwoorden is hoe dan ook niet te lezen dat het brandweermanarrest naar de opvatting van de staatssecretaris als nadere uitleg van het smeerkuilarrest moet worden geduid, zodat daaraan evenmin kan worden ontleend dat volgens hem dat arrest niet als ‘nieuwe jurisprudentie’ moet worden aangemerkt. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt daarmee.
15. Op grond van wat hiervoor is overwogen moet het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2020 ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
16. Omdat het beroep in de zaak betreffende het jaar 2021 gegrond is (zie r.o. 6) bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
(…)
[3] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:667.
[4] HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439 (BNB 1984/2)
[5] Zie het overzicht in aantekening 22.1 op artikel 10 in de Vakstudie Encyclopedie Loonbelasting.
[6] Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 2 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO44789, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2915, rechtbank Den Haag 19 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11244 en 18 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:56.
[7] Brief van 2 juni 2022, kenmerk 2022Z07670, Kamerstukken II, 2021-2022, aanhangsel van de handelingen nr. 2955.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In het principaal hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag 2020 juist is, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.
4.2.
De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank dat belanghebbende een proceskosten toekomt met betrekking tot de procedure in de bezwaarfase.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch alleen voor zover de Rechtbank het beroep in de zaak 24/8246 betreffende de aanslag 2020 ongegrond heeft verklaard, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag 2020 en tot vermindering van de aanslag 2020.
4.4.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.108, en concludeert te dien aanzien tot een vermindering van die proceskostenvergoeding tot een bedrag van € 1.814.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.
2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd.
3. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.”
5.2.
De in het hiervoor weergegeven artikel 9.6, lid 2, bedoelde ministeriele regeling is neergelegd in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001) en luidt, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt:
“De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. (…);
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
(…)”.
5.3.
De toelichting op artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling houdt het volgende in:
“In het ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen waarin door de inspecteur een onjuiste belastingaanslag inkomstenbelasting ambtshalve wordt verminderd. De regels voor ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting zijn dezelfde als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen (vergelijk artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Ook sluiten deze regels aan bij de regels uit het Beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, nr. 19523). Dit is om de regels voor ambtshalve vermindering zoveel mogelijk met elkaar te stroomlijnen, ongeacht of het gaat om inkomensgegevens, te weten het verzamelinkomen of belastbare jaarloon (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994), de belastingaanslagen inkomstenbelasting (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) of andere belastingen (artikel 65 van de AWR in samenhang met het voornoemde beleidsbesluit). Dit is ook van belang als in de toekomst de gewenste uitbreiding van de rechtsbescherming bij ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting naar de vennootschapsbelasting plaatsvindt.”
5.4.1.
In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld over de voorgangers van de hiervoor vermelde regeling in artikel 9.6 IB 2001 juncto artikel 45aa UR IB 2001 te weten de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142 (de Resolutie van 1991) en paragraaf 5.1 van het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven van 10 december 2009, Stcrt. 2009, 19523 (het Besluit van 2009).
5.4.2.
De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.2.6 van dat arrest geoordeeld dat uit de toelichting op artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, blijkt dat met dat artikel, alsmede artikel 30b van de Uitvoeringsregeling AWR en paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, een uniforme regeling over ambtshalve vermindering is beoogd en dat daaruit volgt dat artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling op dezelfde wijze moet worden toegepast als paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, die op zijn beurt teruggaat op de in 3.2.2 geciteerde passage van de Resolutie van 1991.
5.4.3.
Voorts heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.2.3 van het arrest geoordeeld dat uit onderdeel 9.1 van de Resolutie van 1991, de geciteerde passage, voortvloeit dat een belastingaanslag niet ambtshalve wordt verminderd vanwege het feit dat de inspecteur bij het opleggen van die belastingaanslag is uitgegaan van een opvatting die voor de belastingplichtige ongunstiger is dan de rechtsopvatting waarvan de Hoge Raad is uitgegaan in een arrest dat is gewezen op of na de dag waarop die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan en heeft in rechtsoverweging 3.2.7 van het arrest overwogen dat hetgeen in rechtsoverweging 3.2.3 is geoordeeld ook geldt voor de uitleg van artikel 45aa UR IB 2001.
5.5.
Een en ander heeft geleid tot het in rechtsoverweging 3.2.8 van het arrest weergegeven oordeel van de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van deze regels over nieuwe jurisprudentie meebrengt dat de inspecteur niet met een beroep daarop kan weigeren een belastingaanslag ambtshalve te verminderen, indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag “voortvloeit” uit latere jurisprudentie zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling. Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.
5.6.
Derhalve dient te worden onderzocht of het oordeel van de Hoge Raad in het Brandweermanarrest afwijkt, en derhalve als nieuwe jurisprudentie aan te merken is, ten opzichte van het arrest van 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, hierna: het Smeerkuilarrest.
5.7.
De Hoge Raad heeft in het Smeerkuilarrest als hoofdregel geformuleerd:
“(…) Overwegende dienaangaande:
dat het middel de vraag aan de orde stelt of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding ter zake van door hem als gevolg van een ongeval geleden immateriële schade en verlies aan arbeidskracht moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld –
niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;
dat het Hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking moet worden aangemerkt;
dat het middel mitsdien gegrond is;
(…)”
5.8.1.
De Hoge Raad heeft in het Brandweermanarrest deze hoofdregel herhaald:
“4.2 In het (…) arrest van 29 juni 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht – behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst – niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt.”
5.8.2.
In voormelde rechtsoverweging 4.2 herhaalt de Hoge Raad de hoofdregel zoals die is geformuleerd in het Smeerkuilarrest. In zoverre is geen sprake van nieuwe jurisprudentie.
5.9.1.
De Hoge Raad heeft aan de in 5.8.1 weergegeven rechtsoverweging het volgende toegevoegd:
“Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
5.9.2.
Uit deze – ten opzichte van het Smeerkuilarrest aanvullende – rechtsoverweging blijkt dat de uitzondering op de hoofdregel slechts van toepassing is indien en voorzover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit de aansprakelijkheid voortvloeit. Ook blijkt uit de rechtsoverweging dat sprake is van een verduidelijking van de uitzondering op de hoofdregel. Van een afwijking op de in het Smeerkuilarrest gegeven hoofdregel is derhalve geen sprake, zodat niet gesproken van worden van “nieuwe jurisprudentie”.
5.10.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep opgemerkt dat hij geen aanleiding heeft om te concluderen dat de werkgever van belanghebbende meer heeft uitgekeerd dan voortvloeit uit diens aansprakelijkheid. Voorts heeft de Inspecteur opgemerkt dat indien de situatie van belanghebbende aan de rechtsregels zoals neergelegd in het Brandweermanarrest getoetst wordt, de ontvangen bedragen geen belastbaar loon vormen en derhalve onbelast zijn.
5.11.
Gelijk hiervoor is overwogen heeft de Hoge Raad in het Brandweermanarrest geen nieuwe rechtsregels geformuleerd die afwijken van de rechtsregels die zijn geformuleerd in het Smeerkuilarrest. Derhalve is het gelijk aan belanghebbende.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
5.12.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard het met de Inspecteur eens te zijn dat de Rechtbank ten onrechte de Inspecteur heeft veroordeeld tot een vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase.
Slotsom
5.13.
Het principaal hoger beroep is gegrond. De aanslag 2020 dient te worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 66.629 -/- € 2.037 =) € 64.592.
5.14.
Het incidenteel hoger beroep is gegrond. De proceskosten in eerste aanleg dienen te worden vastgesteld op € 1.814.
Proceskosten
6. Er zijn termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten, welke kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de hogerberoepsfase, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage worden vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1, met een bedrag van € 934 bedrag per punt.
Beslissing
Het Gerechtshof.
verklaart het principaal hoger beroep gegrond;
verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met uitzondering van de beslissing omtrent de aanslag 2020 en de proceskosten;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2020 tot een bedrag van € 64.592;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.814 en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868, en
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 148 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J Vonk, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd P.J.J. Vonk
De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/751
Uitspraak van 1 september 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: F.M. Werger),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] ),
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 5 september 2025, nummers SGR 24/8246 en SGR 24/8248.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 66.629 (de aanslag 2020).
1.2.
Belanghebbende heeft aan de Inspecteur een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag 2020 gedaan. De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van het verzoek beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak 24/8246 ongegrond;
- (…);
- (…);
- (…);
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51 aan hem te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 8 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende nog berichten/stukken ingezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die berichten/stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is als vrijwilliger werkzaam geweest bij de brandweer bij de Veiligheidsregio […] (hierna: de Veiligheidsregio). Op 20 augustus 2012 heeft hij in die hoedanigheid een ongeval gehad dat heeft geresulteerd in 4% blijvende invaliditeit aan zijn schouder.
2.2.
De ongevallenverzekering van de Veiligheidsregio voorziet in een jaarlijkse uitkering bij blijvende invaliditeit. Belanghebbende heeft uit dien hoofde via de Veiligheidsregio in de jaren 2020 en 2021 uitkeringen ontvangen van € 2.037 respectievelijk € 51 (de uitkeringen).
2.3.
Belanghebbende heeft op 16 maart 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 en op 29 maart 2022 aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan. In zijn aangiften heeft hij de uitkeringen verantwoord als loon uit vroegere dienstbetrekking.
2.4.
De Inspecteur heeft met dagtekening van 28 mei 2021 de aanslag 2020 opgelegd en met dagtekening 20 mei 2022 de aanslag 2021. Beide aanslagen zijn conform de aangifte opgelegd.
2.5.
Op 25 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:444) heeft de Hoge Raad het zogenoemde Brandweermanarrest gewezen.
2.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 14 maart 2023 de Inspecteur onder verwijzing naar het Brandweermanarrest verzocht de aanslagen 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen, door het belastbare inkomen met de bedragen van de uitkeringen van de Veiligheidsregio te verlagen. De Inspecteur heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat het Brandweermanarrest volgens hem nieuwe rechtspraak vormt.
2.6.
In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de aanslag 2021 conform het verzoek van belanghebbende moet worden verminderd, om de reden dat die aanslag nog niet vaststond op het moment waarop het Brandweermanarrest gewezen werd. Dientengevolge heeft de Rechtbank in haar uitspraak het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2021 (zaaknummer SGR 24/8248) gegrond verklaard en het belastbare inkomen voor het jaar 2021 verminderd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“7. Op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 vindt ambtshalve vermindering van een belastingaanslag uitsluitend plaats op grond van dat artikel, in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. Op grond van artikel 45aa van de Uitv.reg. IB vermindert de inspecteur een belastingaanslag ambtshalve zodra hem gebleken is dat zij tot een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij zich een van de omstandigheden voordoet die zijn beschreven in de onderdelen a tot en met e. Ingevolge onderdeel b vindt geen ambtshalve vermindering plaats, indien
“… de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.”
In zijn arrest van 26 april 2024 [3] heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag wanneer jurisprudentie als ‘nieuw’ heeft te gelden in de zin van deze bepaling. Daarbij heeft hij de volgende maatstaf geformuleerd:
“3.2.8. Een redelijke uitleg van deze regels over nieuwe jurisprudentie brengt mee dat de inspecteur niet met een beroep daarop kan weigeren een belastingaanslag ambtshalve te verminderen, indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag “voortvloeit” uit latere jurisprudentie zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling.
Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.”
8. In het zogenoemde smeerkuilarrest van 1983 [4] oordeelde de Hoge Raad dat de vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die een werknemer ontvangt van zijn werkgever uit hoofde van diens aansprakelijkheid niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij moeten worden aangemerkt als daaruit te zijn genoten (‘bovenbronnelijk’ is), zulks evenwel
“… behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst”.
In het brandweermanarrest overwoog de Hoge Raad:
“Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt – een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat het brandweermanarrest geen nieuwe rechtspraak is, in de zin van artikel 45aa, aanhef en onder b, van de Uitv.reg. IB, om de reden dat – volgens hem – met dat arrest alleen maar een verduidelijking van het smeerkuilarrest gegeven is.
10. Anders dan eiser bepleit, komt het voor de vraag of rechtspraak ‘nieuw’ is niet erop aan of daarmee tot uitdrukking komt wat altijd al gold. Zoals volgt uit het arrest van 26 april 2024 is de maatstaf voor de beantwoording van die vraag, of verweerder bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden.
Of de Hoge Raad met het brandweermanarrest is ‘om’ gegaan, kan dan ook in het midden blijven. Beslissend is of verweerder naar de stand van het recht van voor het brandweermanarrest redelijkerwijs kon menen dat de uitkeringen als loon uit (vroegere) dienstbetrekking belastbaar zijn.
11. Uit de literatuur van voor het brandweermanarrest komt als de overheersende opvatting naar voren dat wanneer een schadevergoeding voortvloeit uit een rechtspositionele regeling zij als loon is belast, los van de vraag of die vergoeding uitgaat boven wat uit hoofde van het aansprakelijkheidsrecht voortvloeit. [5] Deze opvatting ligt ook ten grondslag aan een aantal uitspraken van lagere rechters.[6] Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 redelijkerwijs kon menen van een juiste rechtsopvatting uit te gaan, waarmee het nadien gewezen brandweermanarrest voor de toepassing van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitv.reg. IB heeft te gelden als nieuwe jurisprudentie.
12. Subsidiair beroept eiser zich op het vertrouwen dat hij stelt te kunnen ontlenen aan het antwoord dat de staatssecretaris van Financiën bij brief van 2 juni 2022 heeft gegeven op vragen uit de Tweede Kamer.[7]
13. De desbetreffende vragen uit de Tweede Kamer en het antwoord daarop van de staatssecretaris luiden, voor zover relevant:
“ Vraag 5
Ben u het eens met de conclusie in het bericht dat de uitspraak van 25 maart een nadere invulling is van oorspronkelijke arrest uit 1983 en nadrukkelijk geen nieuwe jurisprudentie is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Ik ben van mening dat sprake is van nieuwe jurisprudentie.
(…)
Vraag 6
Klopt het dat er verschillende rechtsgevolgen zijn van nieuwe jurisprudentie ten opzichte van een nadere uitleg van een oud arrest in relatie tot het recht op teruggave van belasting?
Antwoord 6
Dat klopt.
Als er sprake is van jurisprudentie die is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan («nieuwe jurisprudentie»), vermindert de belastinginspecteur de belastingaanslag inkomstenbelasting die onherroepelijk vast is komen te staan niet op grond van artikel 45aa, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Voor andere regelingen volgt dit uit paragraaf 23, onderdeel 8, onder b, Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
Echter, in het geval sprake zou zijn van een nadere uitleg van een eerder arrest zouden belastingplichtigen bij wie een letselschadevergoeding als belast loon in aanmerking is genomen binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar waarover de aanslag is opgelegd een verzoek tot ambtshalve vermindering van hun aanslag inkomstenbelasting kunnen indienen waaraan tegemoet zou moeten worden gekomen door de belastinginspecteur, mits toepassing van het arrest van 25 maart jongstleden leidt tot de uitkomst dat de belastingaanslag lager diende te worden vastgesteld en aan de overige voorwaarden voor een ambtshalve vermindering is voldaan.”
14. Deze antwoorden zijn in zoverre ambigue, dat de staatssecretaris op de vijfde vraag eenduidig te kennen geeft het niet ermee eens te zijn dat het brandweermanarrest een nadere invulling is van het smeerkuilarrest, en dat daarmee naar zijn mening sprake is van nieuwe jurisprudentie, terwijl hij dat met zijn antwoord op de zesde vraag min of meer expliciet open laat. Op de zesde vraag zegt hij immers niet meer dan dat als het brandweermanarrest geldt als een nadere uitleg van het smeerkuilarrest moet worden geduid, ambtshalve vermindering geboden is. Ambigue als zij mogen zijn, in de antwoorden is hoe dan ook niet te lezen dat het brandweermanarrest naar de opvatting van de staatssecretaris als nadere uitleg van het smeerkuilarrest moet worden geduid, zodat daaraan evenmin kan worden ontleend dat volgens hem dat arrest niet als ‘nieuwe jurisprudentie’ moet worden aangemerkt. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt daarmee.
15. Op grond van wat hiervoor is overwogen moet het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2020 ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
16. Omdat het beroep in de zaak betreffende het jaar 2021 gegrond is (zie r.o. 6) bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
(…)
[3] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:667.
[4] HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439 (BNB 1984/2)
[5] Zie het overzicht in aantekening 22.1 op artikel 10 in de Vakstudie Encyclopedie Loonbelasting.
[6] Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 2 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO44789, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2915, rechtbank Den Haag 19 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11244 en 18 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:56.
[7] Brief van 2 juni 2022, kenmerk 2022Z07670, Kamerstukken II, 2021-2022, aanhangsel van de handelingen nr. 2955.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In het principaal hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag 2020 juist is, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.
4.2.
De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank dat belanghebbende een proceskosten toekomt met betrekking tot de procedure in de bezwaarfase.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch alleen voor zover de Rechtbank het beroep in de zaak 24/8246 betreffende de aanslag 2020 ongegrond heeft verklaard, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag 2020 en tot vermindering van de aanslag 2020.
4.4.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.108, en concludeert te dien aanzien tot een vermindering van die proceskostenvergoeding tot een bedrag van € 1.814.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.
2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd.
3. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.”
5.2.
De in het hiervoor weergegeven artikel 9.6, lid 2, bedoelde ministeriele regeling is neergelegd in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001) en luidt, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt:
“De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. (…);
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
(…)”.
5.3.
De toelichting op artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling houdt het volgende in:
“In het ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen waarin door de inspecteur een onjuiste belastingaanslag inkomstenbelasting ambtshalve wordt verminderd. De regels voor ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting zijn dezelfde als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen (vergelijk artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Ook sluiten deze regels aan bij de regels uit het Beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, nr. 19523). Dit is om de regels voor ambtshalve vermindering zoveel mogelijk met elkaar te stroomlijnen, ongeacht of het gaat om inkomensgegevens, te weten het verzamelinkomen of belastbare jaarloon (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994), de belastingaanslagen inkomstenbelasting (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) of andere belastingen (artikel 65 van de AWR in samenhang met het voornoemde beleidsbesluit). Dit is ook van belang als in de toekomst de gewenste uitbreiding van de rechtsbescherming bij ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting naar de vennootschapsbelasting plaatsvindt.”
5.4.1.
In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld over de voorgangers van de hiervoor vermelde regeling in artikel 9.6 IB 2001 juncto artikel 45aa UR IB 2001 te weten de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142 (de Resolutie van 1991) en paragraaf 5.1 van het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven van 10 december 2009, Stcrt. 2009, 19523 (het Besluit van 2009).
5.4.2.
De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.2.6 van dat arrest geoordeeld dat uit de toelichting op artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, blijkt dat met dat artikel, alsmede artikel 30b van de Uitvoeringsregeling AWR en paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, een uniforme regeling over ambtshalve vermindering is beoogd en dat daaruit volgt dat artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling op dezelfde wijze moet worden toegepast als paragraaf 5.1 van het Besluit van 2009, die op zijn beurt teruggaat op de in 3.2.2 geciteerde passage van de Resolutie van 1991.
5.4.3.
Voorts heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.2.3 van het arrest geoordeeld dat uit onderdeel 9.1 van de Resolutie van 1991, de geciteerde passage, voortvloeit dat een belastingaanslag niet ambtshalve wordt verminderd vanwege het feit dat de inspecteur bij het opleggen van die belastingaanslag is uitgegaan van een opvatting die voor de belastingplichtige ongunstiger is dan de rechtsopvatting waarvan de Hoge Raad is uitgegaan in een arrest dat is gewezen op of na de dag waarop die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan en heeft in rechtsoverweging 3.2.7 van het arrest overwogen dat hetgeen in rechtsoverweging 3.2.3 is geoordeeld ook geldt voor de uitleg van artikel 45aa UR IB 2001.
5.5.
Een en ander heeft geleid tot het in rechtsoverweging 3.2.8 van het arrest weergegeven oordeel van de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van deze regels over nieuwe jurisprudentie meebrengt dat de inspecteur niet met een beroep daarop kan weigeren een belastingaanslag ambtshalve te verminderen, indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag “voortvloeit” uit latere jurisprudentie zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling. Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.
5.6.
Derhalve dient te worden onderzocht of het oordeel van de Hoge Raad in het Brandweermanarrest afwijkt, en derhalve als nieuwe jurisprudentie aan te merken is, ten opzichte van het arrest van 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, hierna: het Smeerkuilarrest.
5.7.
De Hoge Raad heeft in het Smeerkuilarrest als hoofdregel geformuleerd:
“(…) Overwegende dienaangaande:
dat het middel de vraag aan de orde stelt of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding ter zake van door hem als gevolg van een ongeval geleden immateriële schade en verlies aan arbeidskracht moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld –
niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;
dat het Hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking moet worden aangemerkt;
dat het middel mitsdien gegrond is;
(…)”
5.8.1.
De Hoge Raad heeft in het Brandweermanarrest deze hoofdregel herhaald:
“4.2 In het (…) arrest van 29 juni 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht – behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst – niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt.”
5.8.2.
In voormelde rechtsoverweging 4.2 herhaalt de Hoge Raad de hoofdregel zoals die is geformuleerd in het Smeerkuilarrest. In zoverre is geen sprake van nieuwe jurisprudentie.
5.9.1.
De Hoge Raad heeft aan de in 5.8.1 weergegeven rechtsoverweging het volgende toegevoegd:
“Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
5.9.2.
Uit deze – ten opzichte van het Smeerkuilarrest aanvullende – rechtsoverweging blijkt dat de uitzondering op de hoofdregel slechts van toepassing is indien en voorzover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit de aansprakelijkheid voortvloeit. Ook blijkt uit de rechtsoverweging dat sprake is van een verduidelijking van de uitzondering op de hoofdregel. Van een afwijking op de in het Smeerkuilarrest gegeven hoofdregel is derhalve geen sprake, zodat niet gesproken van worden van “nieuwe jurisprudentie”.
5.10.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep opgemerkt dat hij geen aanleiding heeft om te concluderen dat de werkgever van belanghebbende meer heeft uitgekeerd dan voortvloeit uit diens aansprakelijkheid. Voorts heeft de Inspecteur opgemerkt dat indien de situatie van belanghebbende aan de rechtsregels zoals neergelegd in het Brandweermanarrest getoetst wordt, de ontvangen bedragen geen belastbaar loon vormen en derhalve onbelast zijn.
5.11.
Gelijk hiervoor is overwogen heeft de Hoge Raad in het Brandweermanarrest geen nieuwe rechtsregels geformuleerd die afwijken van de rechtsregels die zijn geformuleerd in het Smeerkuilarrest. Derhalve is het gelijk aan belanghebbende.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
5.12.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard het met de Inspecteur eens te zijn dat de Rechtbank ten onrechte de Inspecteur heeft veroordeeld tot een vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase.
Slotsom
5.13.
Het principaal hoger beroep is gegrond. De aanslag 2020 dient te worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 66.629 -/- € 2.037 =) € 64.592.
5.14.
Het incidenteel hoger beroep is gegrond. De proceskosten in eerste aanleg dienen te worden vastgesteld op € 1.814.
Proceskosten
6. Er zijn termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten, welke kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de hogerberoepsfase, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage worden vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1, met een bedrag van € 934 bedrag per punt.
Beslissing
Het Gerechtshof.
verklaart het principaal hoger beroep gegrond;
verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met uitzondering van de beslissing omtrent de aanslag 2020 en de proceskosten;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2020 tot een bedrag van € 64.592;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.814 en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868, en
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 148 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J Vonk, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd P.J.J. Vonk
De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.