Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2761

2026-09-08 Civiel recht 200.359.763/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.359.763/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Dexia / tussenpersoon / advisering / wetenschap

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.331 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.359.763/01
Zaaknummer rechtbank : 11294176 RL EXPL 24-18





Arrest van 8 september 2026





in de zaak van




Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.






1De procedure in eerste aanleg


Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, van 24 juli 2025 (hierna: het bestreden vonnis).






2De procedure in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord met producties;


de akte uitlaten van Dexia;


de antwoordakte van [geïntimeerde];


de door partijen gedeponeerde stukken, waarnaar zij in deze zaak verwijzen.





2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.






3De kern van de zaak


3.1.
Deze zaak gaat over vier effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon genaamd [tussenpersoon] (hierna te noemen: [tussenpersoon]). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door [tussenpersoon] die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als [tussenpersoon] beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.



3.2.

[geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven een voor zover in hoger beroep relevant, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en dat zij de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Daarnaast heeft zij gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld de schade van [geïntimeerde] te vergoeden en Dexia te veroordelen tot het doorhalen van de BKR-registratie, op straffe van een dwangsom, alsmede tot betaling van de proceskosten.



3.3.
Dexia heeft hiertegen verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.840,96 te vermeerderen met de wettelijke rente. Bovendien heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten tussen haar en [geïntimeerde] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Zij heeft ook gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.



3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en Dexia veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 8.342,55 (vermeerderd met de rente), waarbij zij Dexia heeft bevolen het BKR te berichten dat [geïntimeerde] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia afgewezen en Dexia veroordeeld in de proceskosten.






4De beoordeling


4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.



4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.



4.3.

[geïntimeerde] heeft het hof verzocht om Dexia niet ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans de aangevoerde grieven te verwerpen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.



Juridisch kader




4.4.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.



Advisering




4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:



i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;


ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;


iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.




Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.




4.6.

[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “De feitelijke gang van zaken” in haar dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] werd telefonisch benaderd door [medewerker], een medewerker van [tussenpersoon], met de vraag of zij openstond voor een huisbezoek om haar financiële situatie te bespreken. [geïntimeerde] heeft hiermee ingestemd, mede ingegeven door de omstandigheid dat de betreffende medewerker van [tussenpersoon] reeds haar belastingaangiften verzorgde. De medewerker van [tussenpersoon] is vervolgens meerdere keren op huisbezoek geweest bij [geïntimeerde]. Voorafgaand aan het eerste huisbezoek was de medewerker, vanwege de bestaande adviesrelatie, al bekend met de gehele financiële situatie van [geïntimeerde]. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de medewerker nader navraag gedaan naar haar financiële situatie en wensen. Er is toen gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [geïntimeerde]. Bovendien heeft [geïntimeerde] de wens gedeeld dat zij vermogen zou willen opbouwen om haar pensioen aan te vullen, een voorziening te treffen voor de studie van haar kind en te sparen voor toekomstplannen. De medewerker kwam uiteindelijk tot het advies om vier Capital Effect overeenkomsten bij Dexia af te sluiten. Vanwege haar beperkte financiële kennis heeft [geïntimeerde] op het advies van de medewerker van [tussenpersoon] vertrouwd en dit opgevolgd. De medewerker heeft de aanvraag vervolgens in gang gezet en kwam voor het tekenen van de overeenkomsten opnieuw bij [geïntimeerde] thuis. Tot slot heeft de medewerker ervoor gezorgd dat de overeenkomsten in goede orde bij Dexia zijn terechtgekomen. Op deze wijze is [geïntimeerde] de overeenkomsten aangegaan, aldus [geïntimeerde].



4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en [tussenpersoon] is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door [tussenpersoon] aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd haar stellingen en de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Deze herinneringen zeggen volgens Dexia weinig tot niets over wat er werkelijk is voorgevallen tussen [geïntimeerde] en [tussenpersoon]. Van Dexia kan niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van [tussenpersoon] bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia stelt daarbij dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersonen een vaste werkwijze hanteerden die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Volgens Dexia is er genoeg jurisprudentie voorhanden waaruit volgt dat tussenpersonen in veel gevallen niet vergunningplichtig adviseerden en daarom bestaat ook in dit geval de mogelijkheid dat niet vergunningplichtig is geadviseerd. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat [tussenpersoon] een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.


4.8.
Het hof overweegt als volgt. Door [geïntimeerde] zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.



4.9.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.



4.10.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van [tussenpersoon] bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) [tussenpersoon] heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan [tussenpersoon] bekend heeft gemaakt, en (iii) [tussenpersoon] vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat [tussenpersoon] de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [geïntimeerde] dat [tussenpersoon] met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproducten heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd.



4.11.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon], met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van de zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure in 2005-2006 en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.



4.12.
Voor zover Dexia nog aanvoert dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dit verweer verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.



4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.



Wetenschap Dexia




4.14.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].



4.15.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde producties, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat [tussenpersoon] bedrijfsactiviteiten erop zagen om te bemiddelen bij de totstandkoming van onder meer verzekeringen, financieringen en hypotheken. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.



4.16.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat [tussenpersoon] adviseerde. Hierbij komt dat dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.



4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De grieven I en II falen. Hiermee faalt tevens grief III waarmee Dexia klaagt dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld €1.840,96 heeft afgewezen.



BKR-registratie




4.18
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief (IV) op tegen het gebod van de kantonrechter dat zij het Bureau kredietregistratie in Tiel (hierna: BKR) moet berichten dat [geïntimeerde] geen verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomsten meer heeft, onder de voorwaarde dat dit hof oordeelt dat de vordering van [geïntimeerde] op dit punt dient te worden toegewezen. Deze grief faalt omdat uit de voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat Dexia niets meer van [geïntimeerde] heeft te vorderen. De kantonrechter heeft Dexia dus terecht veroordeeld om dit aan het BKR te berichten. Dexia voert verder nog aan dat zij het niet in haar macht heeft de gegevens in het register van het BKR door te laten halen en dat de kantonrechter daarom ten onrechte een dwangsom heeft verbonden aan de veroordeling. Dexia ziet echter over het hoofd dat zij niet is veroordeeld om te bewerkstelligen dat de gegevens worden doorgehaald, maar (slechts) dat zij aan het BKR moet berichten dat zij niets van [geïntimeerde] te vorderen heeft. De grief is dus ook in zoverre ongegrond.



Verklaring voor recht




4.19.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief (V) op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.



Conclusie




4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de volledige schade van [geïntimeerde], vastgesteld op een bedrag van € 8.342,55, dient te vergoeden. Voorts heeft de kantonrechter terecht de vordering van Dexia tot betaling van € 1.840,96 aan restschuld afgewezen.



Slotsom en proceskosten




4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.



4.22.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.






5De uitspraak


Het hof:



5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;



5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 362,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;


5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;


5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mrs. E.I. Mentink, P.M. Verbeek en M.C.M. van Dijk, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.





HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).