Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2744

2026-09-08 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.347.996/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.347.996/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Deze zaak gaat over twee woningen die samen een twee-onder-een-kapwoning vormen. De eigenaren van de ene woning hebben hun woning in 2019 gedeeltelijk met palen laten funderen om verdere verzakking van hun woning tegen te gaan. De eigenaren van de andere woning zijn van mening dat daarmee onrechtmatig jegens hen is gehandeld en vorderen schadevergoeding. Omdat de woningen een constructieve eenheid vormen, is het constructief onverantwoord en onrechtmatig om slechts een van beide woningen (gedeeltelijk) van een paalfundering te voorzien. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof bekrachtigt dit vonnis

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.369 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht


Zaaknummer hof : 200.347.996/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/616443 / HA ZA 21-726




Arrest van 8 september 2026




in de zaak van





[appellante],

wonend in [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn,



tegen





1
[geïntimeerde 1],


2. [geïntimeerde 2],

wonend in Nieuwkoop,
geïntimeerden,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans, kantoorhoudend in Goes.



Het hof zal partijen hierna [appellante] en [geïntimeerden] noemen.





1De zaak in het kort
Deze zaak gaat over twee woningen die samen een twee-onder-een-kapwoning vormen. De eigenaren van de ene woning hebben hun woning in 2019 gedeeltelijk met palen laten funderen om verdere verzakking van hun woning tegen te gaan. De eigenaren van de andere woning zijn van mening dat daarmee onrechtmatig jegens hen is gehandeld en vorderen schadevergoeding. Omdat de woningen een constructieve eenheid vormen, is het constructief onverantwoord en onrechtmatig om slechts een van beide woningen (gedeeltelijk) van een paalfundering te voorzien. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof bekrachtigt dit vonnis.



2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 15 augustus 2024 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024;


de memorie van grieven tevens houdende verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging (art. 351 Rv) van [appellante], met producties;


de conclusie van antwoord in incident van [geïntimeerden];


de memorie van antwoord van [geïntimeerden], met producties;


een akte uitlaten van [appellante];


een antwoordakte van [geïntimeerden]






3Feiten en procedure bij de rechtbank

3.1
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.16 van het tussenvonnis van 22 februari 2022 een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.


3.2
Het gaat in deze zaak om het volgende.



[appellante] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn de eigenaren van de woning aan [adres 1] te [plaats]. [geïntimeerden] zijn de eigenaren van de woning aan [adres 2] te [plaats]. De woningen vormen samen een twee-onder-een-kapwoning. Beide woningen hebben aan de voorzijde een erker en aan de achterzijde een aanbouw. De tussenmuur staat op een gezamenlijke fundering.


De woningen staan op veengrond, wat deze met name bij langdurige droogte gevoelig maakt voor verzakking. Sinds 2013 zijn er in opdracht van de gemeente jaarlijks metingen uitgevoerd om de verzakkingen van de woningen in kaart te brengen.



[geïntimeerden] hebben hun woning in 1988 gekocht en laten verbouwen. Daarbij hebben zij de grondvloer van het hoofdgebouw laten vervangen door een zogenoemde broodjesvloer.



[appellante] en [betrokkene] hebben hun woning in 2007 gekocht. In 2016 hebben zij de aanbouw aan de achterzijde laten plaatsen. Deze aanbouw is op palen gefundeerd. In 2018 hebben zij een schuimbetonvloer laten aanbrengen.


Begin 2019 hebben [appellante] en [betrokkene] aan [geïntimeerden] medegedeeld dat zij overwogen om een fundering onder hun woning aan te brengen. In december 2019 hebben zij een paalfundering laten aanbrengen onder de zijgevel van het hoofdgebouw en onder de voorgevel naast de erker. De muur tussen de nummers [1] en [2] is toen niet voorzien van een paalfundering.




3.3

[geïntimeerden] hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [appellante] en [betrokkene] aansprakelijk zijn voor de schade die [geïntimeerden] lijden als gevolg van het aanbrengen van de paalfundering onder de woning van [appellante] en [betrokkene]. Verder hebben zij gevorderd dat [appellante] en [betrokkene] worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 82.092,96, met rente en te bepalen dat de resterende schadevergoeding nader wordt opgemaakt bij staat.


3.4

[appellante] en [betrokkene] hebben ieder voor zich de vorderingen betwist.


3.5
De rechtbank heeft een deskundige benoemd om – kort gezegd – te beoordelen of de door [appellante] en [betrokkene] aangebrachte paalfundering noodzakelijk was, of deze op een verantwoorde manier is uitgevoerd, of de aangebrachte fundering schade veroorzaakt aan de woning van [geïntimeerden], of er alternatieve schadeoorzaken zijn aan te wijzen en wat de kosten voor herstel zijn.


3.6
De door de rechtbank benoemde deskundige (Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB)) heeft – samengevat weergegeven en voor zover van belang – het volgende geoordeeld:



[appellante] en [betrokkene] waren genoodzaakt werkzaamheden aan de fundering van hun woning te verrichten, omdat door het onderheien van de aanbouw en de voortgaande zakking van de rest van de woning, schade aan hun woning optrad.


Funderingsherstel aan woningen die op staal gefundeerd zijn (zoals de onderhavige woningen) kan alleen verantwoord worden uitgevoerd als dit ook bij alle aangrenzende woningen behorende tot de constructieve eenheid gebeurt. In dit geval had ook [adres 2] gelijktijdig met [adres 1] op palen geplaatst moeten worden.



[naam 1] is ingeschakeld door [appellante] en [betrokkene] om een berekening te maken om voor deze werkzaamheden een omgevingsvergunning te krijgen. Deze berekening acht STAB gebrekkig en niet afdoende om aan te tonen dat de fundering aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 voldoet.


Omdat de dragende wanden van [adres 2] en de woningscheidende wand tussen [1] en [2] niet op een paalfundering geplaatst zijn, blijven die meer zakken dan de op palen gefundeerde delen van [adres 1]. Daardoor is binnen vijf à tien jaar schade aan de woning van [geïntimeerden] (en aan die van [appellante] en [betrokkene]) te verwachten.


Het extra gewicht dat [geïntimeerden] door het aanbrengen van de broodjesvloer hebben toegevoegd is zo beperkt dat dit niet tot bouwkundige schade aan de woningen heeft geleid.


De aanbouw aan [adres 2] is in het verleden harder gezakt dan het hoofdgebouw, maar die verschilzakking lijkt gestabiliseerd. De aanbouw zelf heeft daarom niet geleid tot de door [geïntimeerden] gestelde schade.


STAB verwacht dat door het verder inklinken van de bodem in de komende decennia schade aan de woningen door (ongelijke) verzakking zou zijn opgetreden, ook wanneer [adres 1] niet deels op palen zou zijn gefundeerd. Dit kan schade aan de woningen opleveren en zal effect hebben op de economische waarde van de woningen.


Dat [geïntimeerden] eerder geconstateerde trillingsschade door bouwverkeer niet hebben laten repareren heeft geen invloed op de omvang van de schade door de ongelijkmatige zakking.


STAB kan niet bepalen welk deel van de schade is toe te rekenen aan de werkzaamheden aan [adres 1] en welk deel aan de verzakking door het inklinken van de veenbodem. STAB kan dan ook geen percentuele aansprakelijkheid bepalen en adviseert om advies in te winnen bij een makelaar/taxateur.


Volgens STAB is de enige realistische manier om de woningen te stabiliseren en schade in de toekomst te voorkomen om de delen van de twee-onder-een-kapwoning die nu nog niet op palen staan, ook op palen te plaatsen. De kosten voor dit funderingsherstel zijn naar prijspeil augustus 2023 geraamd op afgerond € 235.000,- inclusief BTW. Naar prijspeil derde kwartaal 2019 was dit € 198.000,- inclusief BTW.




3.7
De rechtbank heeft in het eindvonnis de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen.




4Beoordeling in hoger beroep

4.1
In hoger beroep heeft [appellante] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – naar het hof begrijpt – tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden], met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.


4.2

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.


4.3
Voorafgaand aan de beoordeling van de grieven van [appellante] merkt het hof op dat [appellante] in haar laatste akte nog diverse nieuwe stellingen heeft opgeworpen. In zoverre is deze akte in strijd met de tweeconclusieregel. Het hof zal op deze stellingen geen acht slaan.



Heeft [appellante] onrechtmatig gehandeld?




4.4
De rechtbank heeft over het onrechtmatig handelen van [appellante] en [betrokkene] het volgende geoordeeld.


De rechtbank sluit in haar motivering aan bij HR 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:20) (rov. 2.5). De rechtbank stelt voorop dat dit arrest ook geldt voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever. Verder neemt zij in aanmerking dat de funderingswerkzaamheden in het belang waren van [appellante] en [betrokkene] en voor [geïntimeerden] geen voordeel opleverden. Naar het oordeel van de rechtbank behoort de gestelde schade, alleen al door de omvang niet zonder meer tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander (rov. 2.6).


De rechtbank is van oordeel dat er een aanmerkelijk risico was dat de funderingswerkzaamheden aan [adres 1] schade zouden toebrengen aan [adres 2]. In het deskundigenbericht staat dat de enige constructief verantwoorde manier om de werkzaamheden uit te voeren het gelijktijdig van een paalfundering voorzien was van [adres 1] en [2]. Dit is niet gebeurd. In het deskundigenbericht van STAB staat dat de door [naam 1] gemaakte berekeningen voor het funderingsherstel van [adres 1] gebrekkig zijn. Dat betekent dat de gestelde schade een voorzienbaar gevolg was van de funderingswerkzaamheden (rov. 2.8)


De enkele omstandigheid dat de gestelde schade een voorzienbaar gevolg was van de funderingswerkzaamheden, is onvoldoende om de funderingswerkzaamheden in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te achten. De rechtbank gaat daarom in op de noodzaak van de funderingswerkzaamheden en de stelling van [appellante] en [betrokkene] dat [geïntimeerden] niet bereid waren om de werkzaamheden gezamenlijk uit te voeren (rov. 2.10).


Voor zover [appellante] aanvoert dat de noodzaak tot funderingsherstel aan [adres 1] is ontstaan doordat [adres 2] ernstiger verzakte dan [adres 1], heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Uit de metingen van FUGRO noch uit het rapport van [naam 2], waar [appellante] op heeft gewezen, kan worden afgeleid dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is (rov. 2.11).


De rechtbank overweegt dat uit het deskundigenbericht van STAB blijkt dat de noodzaak tot funderingsherstel er was nadat in 2016 de onderheide aanbouw was aangebracht aan [adres 1]. Naar het oordeel van de rechtbank komt het ontstaan van deze noodzaak voor risico van [appellante] en [betrokkene], die de onderheide aanbouw hebben geplaatst (rov. 2.13).


De omstandigheid dat het funderingsherstel onder de voorgevel en zijgevel aan [adres 1] nog één à twee jaar uitgesteld had kunnen worden bood, zoals [geïntimeerden] naar voren hebben gebracht, [appellante] en [betrokkene] de mogelijkheid om met [geïntimeerden] nader te overleggen over gezamenlijk funderingsherstel. Weliswaar hebben [appellante] en [betrokkene] begin 2019 aan [geïntimeerden] gemeld dat zij overwogen om een fundering onder hun woning aan te brengen, maar niet is gebleken dat zij [geïntimeerden] berekeningen hebben laten zien die inzicht gaven in de gevolgen van het al dan niet (gezamenlijk) verrichten van funderingsherstel voor [adres 2]. Van [geïntimeerden] kon niet worden gevergd om zonder dergelijke informatie mee te werken aan gezamenlijk funderingsherstel (rov. 2.15).


Onder deze omstandigheden hebben [appellante] en [betrokkene] naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt door opdracht te geven voor de funderingswerkzaamheden aan [adres 1] (rov. 2.17 en 2.18).




4.5
Grief 1 is gericht tegen een aantal onderdelen van dit oordeel. [appellante] voert aan dat zij het advies heeft gekregen om op korte termijn funderingswerkzaamheden uit te voeren aan haar woning. Er was volgens haar sprake van een acuut en reëel gevaar, waardoor de werkzaamheden niet langer konden wachten. De aannemer, [aannemer], heeft met [geïntimeerden] overlegd over de werkzaamheden en heeft voorgesteld deze gezamenlijk uit te voeren. [geïntimeerden] hebben dit voorstel echter van de hand gewezen en de (mogelijke) schade voor lief genomen, aldus [appellante].


4.6
Volgens [appellante] is de acute noodzaak tot funderingsherstel aan [adres 1] ontstaan omdat [adres 2] ernstiger verzakte dan [adres 1]. In het kader van grief 2 is [appellante] nader ingegaan op deze stelling. Zij heeft verwezen naar een rapportage van ing. [naam 3] die op basis van gegevens uit het rapport van [naam 2] heeft vastgesteld dat de scheefstanden (rotaties) bij de zijgevel van [adres 2] 1:[1] en 1:72 zijn. Volgens [appellante] past bij de rotaties een schadetypering ‘constructief’ en benaming ‘zeer groot’. Voor [adres 1] blijkt hieruit voor de oorspronkelijke zijgevel een scheefstand/rotatie van 1:83 met schadetypering ‘constructief’ en benaming ‘groot/bijna zeer groot’. De stelling van STAB, dat funderingsherstel een à twee jaar had kunnen worden uitgesteld is niet juist, aldus [appellante].


4.7
Naar het oordeel van het hof volgt uit deze stellingen (indien al juist) niet dat er geen mogelijkheden waren om nader te overleggen met [geïntimeerden] Daarbij is van belang dat als algemene richtlijn geldt dat het funderingsherstel alleen verantwoord kan worden uitgevoerd als dit ook bij alle aangrenzende woningen behorende tot de constructieve eenheid gebeurt. [appellante] heeft niet aangevoerd dat en op welke wijze zij in 2019 over informatie beschikte op grond waarvan kon worden geconcludeerd dat er een acute noodzaak tot funderingsherstel was, laat staan dat zij deze informatie in deze procedure heeft overgelegd.


4.8
Van [appellante] en [betrokkene] had dus kunnen worden verlangd dat zij er alles aan zouden doen om gezamenlijk op te trekken met [geïntimeerden] omdat, zoals gezegd, werkzaamheden als deze in de bestaande situatie nooit zonder medewerking van de buren mogen worden verricht. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd betwist dat er serieus overleg heeft plaatsgevonden over de wens van [appellante] en [betrokkene] om een paalfundering aan te brengen. Zij stellen door [appellante] en [betrokkene] te zijn benaderd met hun wens om werkzaamheden aan hun woning uit te voeren. [appellante] en [betrokkene] hebben echter niet gemeld wat zij gingen doen, wanneer dat zou gaan gebeuren, of er adequate berekeningen waren gemaakt en wie de werkzaamheden zou gaan uitvoeren. [appellante] en [betrokkene] hebben beloofd met aanvullende informatie te komen en een specialist uit te nodigen om uitleg te geven en vragen te beantwoorden, maar dit is nooit gebeurd.


4.9
Gezien deze betwisting had van [appellante] verlangd mogen worden dat zij in haar memorie van grieven concreet had toegelicht wanneer er gesprekken hebben plaatsgevonden, wat er toen besproken is en welke concrete voorstellen (met berekeningen) er aan [geïntimeerden] zijn voorgelegd. Dit heeft [appellante] nagelaten.


4.10
De conclusie is dat grief 1 ongegrond is.



Gebrekkigheid van het rapport van STAB?




4.11
Met grief 2 heeft [appellante] aangevoerd dat het rapport van STAB gebrekkig is en dat het hof hierop geen acht zou moeten slaan.


4.12
Allereerst voert [appellante] aan dat het niet vaststaat dat de beide woningen (oorspronkelijk) op staal waren gefundeerd. Zij stelt dat de funderingswijze onbekend is en dat er een paar aanwijzingen zijn dat de woningen op palen zijn gefundeerd. Naar het oordeel van het hof kan [appellante] in dit stadium van de procedure niet volstaan met de suggestie dat het mogelijk is dat de woningen zijn voorzien van een paalfundering, nu alle deskundigen en beide partijen tot en met de procedure in eerste aanleg ervan uitgingen dat de woningen op staal waren gefundeerd. Het hof gaat daarom aan deze suggestie van [appellante] voorbij.


4.13
Verder voert [appellante] aan dat STAB zich ter zake van de verzakking heeft gebaseerd op gebrekkige cijfers van [naam 2], dat niet had kunnen worden volstaan met een lintvoegwaterpassing, dat de lintvoegwaterpassing gebrekkig is uitgevoerd en dat de verschillen in de mate van verzakking niet zo groot zijn als in het rapport van STAB is vermeld. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] echter niet toegelicht waarom deze stellingen – als zij al juist zijn, wat door [geïntimeerden] is weersproken – relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. [appellante] heeft niet betwist dat de woningen verzakken, maar alleen dat de meetgegevens over de verzakkingen niet (volledig) juist zijn. Zij heeft ook niet betwist dat er – zoals STAB heeft vastgesteld – schade is te verwachten aan beide woningen omdat de dragende wanden van [adres 2] en de woningscheidende wand tussen [1] en [2] niet op een paalfundering geplaatst zijn, waardoor deze wanden meer blijven zakken dan de op palen gefundeerde delen van [adres 1].


4.14
Grief 2 is dan ook ongegrond.



Lijden [geïntimeerden] (in de toekomst) schade?




4.15
Met grief 3 voert [appellante] aan dat niet is gebleken dat [geïntimeerden] schade hebben geleden als gevolg van de funderingswerkzaamheden en dat ook niet vaststaat dat [geïntimeerden] in de toekomst schade zullen leiden. In dat verband heeft [appellante] erop gewezen dat [geïntimeerden] het voornemen hebbeb te verhuizen naar het appartementencomplex dat naast de huidige woning van [geïntimeerden] is gelegen. Het is dus mogelijk dat zij hun huidige woning zullen verkopen. Ook is het denkbaar dat die woning wordt gesloopt of dat deze afbrandt. De enige schade die [geïntimeerden] mogelijk lijden, is de schade wegens waardevermindering aan de woning, aldus [appellante].


4.16
Naar het oordeel van het hof is deze grief ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enige optie om schade te voorkomen is dat [adres 2] wordt voorzien van een nieuwe paalfundering (rov. 2.33). Uit het deskundigenrapport van STAB volgt dat die mogelijkheid zonder meer aanwezig is. De schade kan onder meer bestaan in (i) waardevermindering van de woning, in (ii) de kosten die [geïntimeerden] moeten maken omdat zij genoodzaakt zijn een paalfundering onder hun woning aan te brengen en/of in (iii) kosten voor het herstel van scheuren en dergelijke. De rechtbank heeft de zaak terecht naar de schadestaatprocedure verwezen omdat zij de mogelijkheid van schade aannemelijk achtte. Dat deze schade (geheel of gedeeltelijk) in de toekomst is gelegen, staat er niet aan in de weg dat de zaak naar de schadestaatprocedure wordt verwezen. De daadwerkelijke omvang van de (toekomstige) schade zal in de schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld.


4.17

De stelling van [appellante] dat het onaannemelijk is dat de vast te stellen schadevergoeding gebruikt gaat worden om een paalfundering onder [adres 2] aan te brengen, is onvoldoende onderbouwd. Ook als juist is dat [geïntimeerden] het voornemen hebben om binnen afzienbare tijd te verhuizen, sluit dat (vooralsnog) niet uit dat zij de funderingswerkzaamheden waarvoor zij in deze procedure schadevergoeding vorderen, zullen uitvoeren. Bovendien is die stelling irrelevant, gelet op het in rov. 4.16 onder (i) en (iii) overwogene. Grief 3 is dan ook ongegrond.

Is er causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade?




4.18
Over het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [appellante] en [betrokkene] en de schade van [geïntimeerden] overweegt de rechtbank het volgende. In het deskundigenbericht van STAB staat dat de in 2019 uitgevoerde funderingswerkzaamheden toekomstige schade veroorzaken aan de gemeenschappelijke fundering, bouwmuur en overige muren en dat binnen vijf tot tien jaar met zekerheid bouwkundige schade aan [adres 2] zal optreden. Verder staat in het deskundigenbericht dat de werkzaamheden die daardoor nodig zijn aanzienlijk eerder noodzakelijk zijn dan wanneer de funderingswerkzaamheden in 2019 niet hadden plaatsgevonden en de aanbouw van [adres 1] niet onderheid zou zijn (rov. 2.20). De rechtbank is van oordeel dat er geen alternatieve schadeoorzaken aannemelijk zijn. In het deskundigenbericht staat dat het extra gewicht dat door het aanbrengen van de broodjesvloer in de woning van [geïntimeerden] is toegevoegd, zo beperkt is dat dit niet tot bouwkundige schade aan de woningen heeft geleid. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [geïntimeerden] de trillingsschade (die het gevolg was van zwaar verkeer) niet hebben gerepareerd (rov. 2.26). Dat bouwwerkzaamheden naast [adres 2] kunnen leiden tot schade, hebben [appellante] en [betrokkene] onvoldoende geconcretiseerd (rov. 2.27).


4.19
Met grief 4 komt [appellante] op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat er meerdere schadeoorzaken mogelijk zijn. Meer in het bijzonder is [appellante] van mening dat (onder meer) voormalige, huidige en toekomstige bouwwerkzaamheden in de buurt van de woningen voor schade kunnen zorgen. Het hof is van oordeel dat indien en voor zover de door [appellante] genoemde evenementen (ook) voor schade aan [adres 2] hebben gezorgd of gaan zorgen, daarmee in de schadestaatprocedure rekening kan worden gehouden. Op basis van wat [appellante] in haar memorie van grieven heeft aangevoerd, kan het hof niet vaststellen dat de door haar genoemde evenementen een relevante invloed hebben op de omvang van de schadevergoeding die [geïntimeerden] in deze procedure vorderen. Wat betreft de broodjesvloer, waarvan [appellante] in hoger beroep zonder enige noemenswaardige onderbouwing stelt dat deze voor scheurvorming en/of soortgelijke problemen zorgt, sluit het hof zich aan bij de desbetreffende overwegingen (2.23-2.25) van de rechtbank.


4.20
In dit verband acht het hof van belang dat [appellante] in hoger beroep niet heeft bestreden dat de beslissing van haar en [betrokkene] om hun woning gedeeltelijk van een paalfundering te voorzien, ertoe zal leiden dat de beide woningen in de toekomst ongelijkmatig zullen zakken en dat dit zal leiden tot spanningen in de constructie, wat uiteindelijk schade tot gevolg zal hebben. Dit zakkingsgedrag is in het deskundigenrapport van STAB als volgt geïllustreerd en toegelicht ([adres 2] links en [adres 1] rechts):








“[De afbeelding] laat schematisch zien welk zakkingsgedrag in de toekomst verwacht wordt, wanneer wel rekening wordt gehouden met de aanpassingen aan de fundering van nummer [1]. De groene delen, in [adres 1], zijn gefixeerd doordat ze op palen gefundeerd zijn. Ze zullen niet of nauwelijks zakken. De oranje delen zijn niet op palen gefundeerd, maar zullen, doordat ze grenzen aan op palen gefundeerde muren, tegengehouden worden en aan de op palen gefundeerde delen gaan "hangen". Ze geven daarmee ook extra belasting op de gerealiseerde paalfundering.”



4.21

Grief 4 is dus ongegrond.

Levert funderingsherstel van [adres 2] een voordeel op in de zin van art. 6:105 BW?




4.22
De rechtbank heeft aan [geïntimeerden] een voorschot op de schadevergoeding toegekend van € 82.092,96. In dit verband is de rechtbank ingegaan op de omstandigheid dat de funderingswerkzaamheden aan [adres 2] die noodzakelijk zijn als gevolg van de funderingswerkzaamheden aan [adres 1], zullen leiden tot waardestijging van [adres 2] ten opzichte van de situatie waarin beide woningen niet zouden zijn voorzien van een paalfundering (rov. 2.38). De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat de waardestijging als gevolg van funderingswerkzaamheden niet moet worden gerekend tot de door [appellante] en [betrokkene] te vergoeden schade (rov. 2.39). Op basis van de in het deskundigenrapport van STAB genoemde bedragen voor de uit te voeren funderingswerkzaamheden, overweegt de rechtbank dat uitgaande van het prijspeil van het derde kwartaal van 2019, het zou moeten gaan om een waardestijging van (€ 198.000,00 - € 82.092,96 =) € 115.903,04. Uitgaande van het prijspeil van augustus 2023, zou het moeten gaan om een waardestijging van (€ 235.000,00 - € 82.092,96 =) € 152.903,04. De rechtbank overweegt dat [appellante] en [betrokkene] niet hebben betwist dat een waardestijging van [adres 2] als gevolg van funderingswerkzaamheden aan [adres 2] niet zodanig groot zal zijn, ongeacht van welk prijspeil wordt uitgegaan. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat [geïntimeerden] minimaal € 82.092,96 aan schade hebben geleden die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [appellante] en [betrokkene]. Daarmee is de hoogte van het gevorderde voorschot voldoende onderbouwd, aldus de rechtbank.


4.23
Met grief 5 heeft [appellante] aangevoerd dat het aanbrengen van een paalfundering onder [adres 2] op kosten van [appellante] en [betrokkene] betekent dat [geïntimeerden] ongerechtvaardigd worden verrijkt, dan wel dat het funderingsherstel hun een onredelijk voordeel oplevert. Als herstel mogelijk en verantwoord is, heeft de schadelijdende partij recht op vergoeding van herstelkosten, maar daarbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat herstel kan leiden tot een waardevermeerdering van de woning. In het deskundigenrapport van STAB staat dat de funderingswerkzaamheden aan de woning van [geïntimeerden] zullen leiden tot een waardestijging, aldus [appellante].


4.24
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met de waardevermeerdering van de woning van [geïntimeerden] rekening gehouden. Uit de hiervoor verkort weergegeven overwegingen van de rechtbank blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of het reëel is dat de waardevermeerdering groter zal zijn dan de door STAB genoemde herstelkosten minus het door [geïntimeerden] gevorderde voorschot.


4.25
In het kader van grief 5 heeft [appellante] verder aangevoerd dat de offerte die [geïntimeerden] hebben overgelegd ter onderbouwing van het gevorderde voorschot, het aanbrengen van een geheel nieuwe constructievloer betreft met de functie van een nieuwe, herstelde fundering van de woning. Uit de offerte volgt verder dat er een betonvloer op stalen schroefinjectiepalen wordt gemaakt die gekoppeld is door middel van inkassingen; zie hiervoor de omschrijving in de offerte.


4.26
Het hof is van oordeel dat [appellante] met deze stellingen niet heeft onderbouwd waarom het gevorderde voorschot te hoog zou zijn. Grief 5 is dan ook ongegrond.



Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging




4.27

[appellante] heeft verzocht om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen voor de duur van het hoger beroep, waartegen [geïntimeerden] verweer hebben gevoerd. [appellante] heeft bij dit incident echter geen belang meer nu de procedure in hoger beroep met het wijzen van dit arrest is geëindigd.



Conclusie en proceskosten




4.28
Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van [appellante] omdat deze onvoldoende concreet dan wel niet ter zake dienend zijn.


4.29
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.


4.30
De kosten van het hoger beroep worden als volgt berekend. [geïntimeerden] hebben € 798,- aan griffierecht betaald. Verder zal voor de memorie van antwoord 0,5 punt (tarief IV, € 2.352,- per punt) worden gerekend, omdat [geïntimeerden] in het parallelle hoger beroep van [betrokkene] (met zaaknummer 200.347.997/01) dezelfde memorie van antwoord hebben ingediend. Tot slot rekent het hof 0,5 punt voor de laatste akte van [geïntimeerden] en een bedrag € 189,- aan nasalaris. Dit komt uit op een totaalbedrag van € 3.339,-.


4.31
Het hof zal [appellante] niet veroordelen in de kosten van het door haar opgeworpen incident. Het hof heeft hierover niet inhoudelijk beslist. In de zaak tussen [betrokkene] en [geïntimeerden] heeft het hof wel arrest gewezen over een zelfde incident dat door [betrokkene] was opgeworpen. [geïntimeerden] hebben in beide zaken een gelijkluidende conclusie ingediend. In die zaak heeft het hof [betrokkene] (volledig) in de kosten van het incident veroordeeld.




5Beslissing
Het hof:



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024, voor zover gewezen tussen [geïntimeerden] en [appellante];


veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 3.339,-;


bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.





Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P.M. Verbeek en A.J. Swelheim, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.