Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2698
2026-09-01
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.364.415/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2698 → ECLI:NL:RBROT:2025:12984 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
ontbinding, g- grond, - grond, niet goed tijdschrijven op advocaten- en notariskantoor
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.126 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.364.415/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11780116 VZ VERZ 25-4867
Beschikking van 1 september 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonend in [woonplaats],
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A. van Welie, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
Allen Overy Shearman Sterling LLP,
gevestigd in Londen (UK),
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N.T.A. Zeeuwen, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en A&O Shearman.
1Procesverloop in hoger beroep
1.1
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 29 januari 2026 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2025.
1.2
A&O Shearman heeft een verweerschrift ingediend dat op 3 juni 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. Met dit verweerschrift is tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Daartegen heeft [verzoekster] een verweerschrift ingediend dat op 17 juni 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.
1.3
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 23 juni 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
2Feitelijke achtergrond
2.1
A&O Shearman is een internationaal advocaten- en notariskantoor. [verzoekster] werkt sinds 1 februari 2022 bij A&O Shearman als Paralegal A binnen het notariële team van de sectie vastgoed. De heer [leidinggevende], partner Real Estate (hierna: [leidinggevende]), is haar leidinggevende.
2.2
[verzoekster] is verplicht om haar gewerkte uren te registreren in het tijdschrijfsysteem “Intapp” (hierna: Intapp). Het is de bedoeling dat de gehele werkdag verantwoord wordt in Intapp.
2.3
In april 2025 heeft A&O Shearman ontdekt dat [verzoekster] gedurende een periode van 13 maanden haar uren niet goed heeft geregistreerd. Zij heeft in die periode nauwelijks declarabele uren geschreven. A&O Shearman heeft [verzoekster] hiermee geconfronteerd in gesprekken op 28, 29 april 2025 en 6 mei 2025. Volgens A&O Shearman heeft [verzoekster] onjuiste en inconsistente verklaringen gegeven voor haar gedragingen.
2.4
Op 9 mei 2025 is [verzoekster] medegedeeld dat A&O Shearman had besloten haar arbeidsovereenkomst te willen beëindigen.
3Procedure bij de rechtbank
3.1
A&O Shearman heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond).
3.2
[verzoekster] heeft verzocht de verzoeken van A&O Shearman af te wijzen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch ontbindt, heeft [verzoekster] verzocht A&O Shearman te veroordelen een transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en een billijke vergoeding van € 104.024,40 bruto aan haar te betalen. Als de kantonrechter het ontbindingsverzoek toewijst op de i-grond, verzoekt [verzoekster] om de maximale extra vergoeding toe te kennen.
3.3
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2025, Allen & Overy Shearman veroordeeld aan [verzoekster] te betalen: een transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en een extra vergoeding van € 1.636,47 bruto, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd.
4Verzoeken in principaal en incidenteel hoger beroep
4.1
[verzoekster] verzoekt in principaal hoger beroep de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en:
primair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:683 lid 3 BW te veroordelen de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te herstellen met ingang van 1 december 2025;
Allen & Overy Shearman te veroordelen tot het betalen van het gebruikelijke salaris van [verzoekster] vanaf het herstel van de arbeidsovereenkomst totdat de arbeidsovereenkomst rechtmatig is geëindigd;
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld met ingang van een latere datum dan 1 december 2025, Allen & Overy Shearman bij wijze van voorziening als bedoeld in art. 7:682 lid 6 BW jo. 7:683 lid 4 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van het gebruikelijke salaris over de periode vanaf 1 december 2025 tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt hersteld;
subsidiair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:683 lid 3 BW te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van € 124.829,28 bruto, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 8 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van 50% van de toegekende transitievergoeding, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
meer subsidiair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 9 sub c BW te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van € 124.829,28 bruto, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 8 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van 50% van de toegekende transitievergoeding, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
in alle gevallen:
Allen & Overy Shearman te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
4.2
Allen & Overy Shearman verzoekt in principaal hoger beroep:
de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen,
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld: [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en de cumulatievergoeding van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld: te bepalen dat de arbeidsovereenkomst op een in de toekomst gelegen moment wordt hersteld en dat geen voorzieningen worden getroffen als bedoeld in art. 7:682 lid 6 BW jo. 7:683 lid 4 BW;
voor zover de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt hersteld: het aan [verzoekster] te betalen loon over de periode tussen het herstel en de beschikking te matigen tot nihil, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
te bepalen dat A&O Shearman eventuele aan [verzoekster] te betalen bedragen kan verrekenen met de door haar terug te betalen bedragen;
voor zover een billijke vergoeding wordt toegekend: de gevraagde vergoeding op nihil te stellen, althans te matigen tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
[verzoekster] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4.3
Allen & Overy Shearman verzoekt in incidenteel hoger beroep:
primair:
te bepalen dat (i) [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW, en (ii) de arbeidsovereenkomst op die grond had moeten worden ontbonden;
te bepalen dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten;
te bepalen dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding en haar te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 6.545,90 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
subsidiair:
te bepalen dat (i) tussen partijen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW, en (ii) de arbeidsovereenkomst op die grond had moeten worden ontbonden;
zowel primair als subsidiair:
te bepalen dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op de cumulatievergoeding en haar te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
meer subsidiair:
voor zover de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de cumulatiegrond van art. 7:669 lid 3 sub i BW in stand blijft: te bepalen dat geen aanspraak bestaat op een cumulatievergoeding, althans dat deze cumulatievergoeding lager is dan 25%, en [verzoekster] te veroordelen tot (gedeeltelijke) terugbetaling van het bedrag van €1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
in alle gevallen:
[verzoekster] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
5Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
5.1
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op basis van de i-grond. Met de principale grief 1 betoogt [verzoekster] dat de i-grond niet opgaat. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grieven 1 tot en met 8 dat de e-grond opgaat en met de incidentele grieven 11 en 12 (ook) de g-grond.
5.2
Met de principale grief 3 betoogt [verzoekster] dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW van toepassing is en aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat (art. 7:671b lid 2 BW).
5.3
Naar het oordeel van het hof is sprake van een voldragen g-grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het hof is verder van oordeel dat er geen opzegverbod van toepassing is dat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Deze oordelen worden als volgt toegelicht.
Ontbindingsgrond(en)
5.4
A&O Shearman heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Er is meer subsidiair ook een i-grond aangevoerd, maar het hof zal daar verder niet inhoudelijk op ingaan omdat de g-grond opgaat.
5.5
De e-grond en de g-grond zijn door A&O Shearman als volgt onderbouwd.
[verzoekster] heeft haar verplichtingen tot het bijhouden van een deugdelijke tijdsregistratie grovelijk geschonden gedurende een periode van 13 maanden en heeft hierbij bewust de controles in het tijdschrijfsysteem omzeild.
Bij navraag aan [verzoekster] is zij niet open en eerlijk geweest en heeft zij voor haar gedragingen geen deugdelijke verklaring kunnen geven, maar heeft zij in plaats daarvan wisselende, onjuiste en/of ongeloofwaardige verklaringen afgegeven.
[verzoekster] treft hiervan een ernstig verwijt en A&O Shearman heeft het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking hierdoor onherstelbaar verloren.
5.6
Het hof overweegt als volgt.
5.7
Het geschil spitst zich toe op het niet goed bijhouden door [verzoekster] van een deugdelijke tijdregistratie. [verzoekster] heeft in een periode van 13 maanden zeer weinig declarabele uren geschreven. Onweersproken is dat deze registratie niet deugt. Het hof is het met de kantonrechter eens dat [verzoekster] hiervan een verwijt is te maken. Dat wordt als volgt toegelicht.
Tussen partijen is niet in geschil hoe het tijdschrijfsysteem Intapp werkt. Intapp kent een onderscheid tussen “captured time” (automatische suggestie op basis van computeractiviteit) en “closed time” (tijd die de medewerker zelf handmatig invoert en opslaat). Alleen closed time wordt gefactureerd; niet- omgezette captured time verdwijnt na verloop van tijd.
Evenmin is in geschil dat [verzoekster] voor de werking van Intapp een cursus/training heeft gehad en dat er voor het tijdschrijven instructies bestonden, de “Time Recording Policy”. Van [verzoekster] mocht daarom worden verwacht dat zij zich zou houden aan de instructie om zelf closed time op te slaan.
[verzoekster] voert aan dat de curus/training en instructies niet goed waren en dat Intapp verwarrend was. Het hof gaat hieraan voorbij omdat dit punt door [verzoekster] niet goed is onderbouwd. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van het hof het verschil tussen captured time en closed time eenvoudig is te doorgronden.
[verzoekster] voert verder aan dat zij dacht dat captured time automatisch zou worden omgezet in closed time. Waarom zij dit dacht is door haar onvoldoende onderbouwd. Op dit punt is van belang dat A&O Shearman onweersproken heeft gesteld dat in Intapp zichtbaar is – ook voor [verzoekster] – dat captured time niet werd opgeslagen als closed time.
Als het tijdschrijven voor [verzoekster] toch onduidelijk was had zij om hulp moeten vragen. Immers, bij een verdienmodel van ‘uurtje-factuurtje’ is deugdelijk tijdschrijven essentieel. Dat is door [verzoekster] ook niet weersproken. [verzoekster] heeft geen hulp gevraagd.
Het bijhouden van de gewerkte tijd is eerst en vooral de eigen verantwoordelijkheid van [verzoekster]. Dat bij meer en diepgaander controle door A&O Shearman het probleem eerder was ontdekt is van belang – waarover hierna meer in r.o. 5.9 – maar doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [verzoekster] om deugdelijk tijd te schrijven.
5.8
Het hof is ook van oordeel dat [verzoekster] een verwijt kan worden gemaakt van de inconsistente verklaringen die zij heeft gegeven voor het niet goed bijhouden van de tijdsregistratie. Dat wordt als volgt toegelicht.
Op 28 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat ze alle tijd gewoon had geschreven, maar de dag daarna dat ze dacht dat de tijd automatisch werd bijgehouden. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig, tenzij het eerste wordt verklaard door het tweede. Dat is niet door [verzoekster] aangevoerd.
[verzoekster] heeft als verklaring van het achterlopen in de tijdsregistratie ook aangevoerd dat ze de tijd eerste in het Nederlands schreef en nog moest vertalen naar het Engels. Dat is niet te rijmen met haar verklaring dat ze dacht dat captured time automatisch closed time werd.
Op 29 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat het in de zomer van 2024 rustig was en dat ze daarom weinig had geschreven. Op 6 mei 2025 heeft zij verklaard dat ze de uren niet had bijgehouden en er een timerprobleem was. Daarmee is haar verklaring voor dezelfde periode gewijzigd.
Op 29 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat zij 1 uur per dag noteerde voor “general administration”, terwijl zij op 6 mei 2025 verklaarde dit te doen om een timesheet te kunnen sluiten. A&O Shearman heeft onweersproken gesteld dat deze notering steeds een reactie was op het verzoek van [leidinggevende] om timesheets te sluiten. [leidinggevende] kreeg steeds een melding als timesheets niet waren gesloten.
Volgens [verzoekster] was het noteren van general administration terecht vanwege de administratie die zij moest doen. Zij kon echter niet verklaren waarom zij op dagen waarop zij wel declarabele tijd noteerde geen general administration noteerde. Dit wijst er op dat deze notering geen ander doel had dan om een timesheet te kunnen afsluiten.
[verzoekster] heeft enige malen closed time wel geschreven. Ter zitting heeft zij dat desgevraagd verklaard door er op te wijzen dat het om offline time ging, dus werk dat niet op de computer plaatsvond, zoals besprekingen, zodat er geen captured time was. A&O Shearman heeft daar tegenin gebracht dat haar werkzaamheden vooral zagen op het opstellen van pandaktes, volmachten en andere officiële documenten en dat dit bij uitstek op de computer gebeurde en dat offline activiteiten minimaal waren. Een verklaring voor de offline activiteiten heeft [verzoekster] niet gegeven. Evenmin heeft [verzoekster] toegelicht hoe het kon dat er dan een flinke periode kennelijk geen offline activiteiten waren.
5.9
Deze verwijten tezamen zijn in het licht van de navolgende omstandigheden echter onvoldoende zwaarwegend om tot het oordeel te komen dat [verzoekster] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van A&O Shearman in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is dus geen sprake van een voldragen e-grond. Het hof is het met de kantonrechter eens (r.o. 3.12 van de bestreden beschikking) dat van A&O Shearman verwacht had mogen worden dat zij veel eerder zou hebben geconstateerd dat [verzoekster] te weinig uren had geregistreerd en niet pas na 13 maanden, omdat van groot advocaten- en notariskantoor met een ‘uurtje-factuurtje verdienmodel’ en een aparte finance afdeling verwacht mag worden dat zij zicht heeft op de urenstaten van medewerkers en waarschuwt als de urenregistratie niet goed of onvolledig is, helemaal in dit geval, na de introductie van een nieuw tijdsregistratiesysteem. Verder is het hof het ook eens met de kantonrechter (r.o. 3.13 van de bestreden beschikking) dat de moeilijke persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] – in een kort tijdsbestek een echtscheiding, een auto-ongeluk en het overlijden van een dierbaar familielid – van invloed waren op het handelen van [verzoekster]. Dit klemt te meer omdat tussen partijen vaststaat dat [verzoekster] in de betreffende periode zowel kwalitatief als kwantitatief naar tevredenheid heeft gewerkt en dat zij, voordat werd overgestapt op het nieuwe tijdschrijfsysteem, op correcte wijze haar uren registreerde en voorts dat zij geen enkel voordeel had bij het niet juist registreren van de door haar gewerkte uren.
5.10
Het hof is het met de kantonrechter ook eens (r.o. 3.16 van de bestreden beschikking) dat [verzoekster] het vertrouwen van A&O Shearman heeft geschonden door de instructies niet op te volgen en gedurende 13 maanden haar tijd niet of niet goed te registreren, terwijl A&O Shearman dat wel van haar mocht verwachten en door het feit dat [verzoekster] vervolgens in de gesprekken met A&O Shearman meerdere, steeds wisselende, verklaringen heeft gegeven voor haar ondeugdelijke tijdsregistratie. [verzoekster] heeft daarbij onvoldoende inzicht getoond dat zij anders had kunnen en moeten handelen, hetgeen verder afbreuk heeft gedaan aan het vertrouwen van A&O Shearman in [verzoekster]. Ook tijdens de zitting gaf [verzoekster] wederom een andere, niet geloofwaardige, verklaring voor het slechts in zeer beperkte mate registeren van de door haar gewerkte uren. Het hof is het niet met de kantonrechter eens dat A&O Shearman meer had moeten doen om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. Door de handelswijze van [verzoekster] is de arbeidsrelatie niet alleen ernstig, maar ook duurzaam verstoord en kon van A&O Shearman in redelijkheid niet verlangd worden dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer zou voortzetten.
5.11
Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een voldragen g-grond.
5.12
De principale grief 1 en de incidentele grieven 1 tot en met 8 falen daarom. De incidentele grieven 11 en 12 slagen.
Opzegverbod
5.13
Als gezegd betoogt [verzoekster] met de principale grief 3 dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW van toepassing is en aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat (art. 7:671b lid 2 BW).
5.14
Deze grief faalt, omdat de uitzondering van art. 7:671b lid 6 onderdeel a BW van toepassing is.
In art. 7:671b lid 6 onderdeel a BW is bepaald dat de kantonrechter – en dus in hoger beroep: het hof – ondanks het bestaan van een opzegverbod de arbeidsovereenkomst kan ontbinden “indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben”. Daarvan is in dit geval sprake. Het ontbindingsverzoek is gegrond op verstoorde verhoudingen, die zijn ontstaan voorafgaand aan de ziekmelding van 16 mei 2025. De verstoring van de verhoudingen staat op zichzelf en is niet het gevolg van de ziekmelding.
Ook anderszins staat het gedrag van [verzoekster] en/of de verstoring van de verhoudingen niet in verband met haar arbeidsongeschiktheid. Uit de overgelegde medische documentatie is dat verband niet af te leiden. Daar komt bij dat de medische documentatie wijst op klachten die voor een belangrijk deel al bestonden voordat [verzoekster] bij A&O Shearman in dienst trad (namelijk 2018) en [verzoekster] steeds inhoudelijk goed heeft gefunctioneerd en met het systeem Carpe Diem naar behoren haar tijd registreerde. Voor het overige is ook niets gebleken waaruit het verband tussen het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding en de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] kan worden afgeleid.
5.15
[verzoekster] was lid van de ondernemingsraad van A&O Shearman. Er is geen aanknoping in het debat en/of procesdossier voor de mogelijkheid dat het ontbindingsverzoek verband houdt met dit lidmaatschap (art. 7:670 lid 4 onderdeel 1 BW).
Herplaatsing
5.16
[verzoekster] betoogt met de principale grief 4 dat Allen & Overy Shearman niet aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Deze grief faalt. Het ligt bij een ernstige vertrouwensbreuk als hier aan de orde niet in de rede dat A&O Shearman [verzoekster] herplaatst (art. 7:669 lid 1 BW).
Transitievergoeding
5.17
Met de incidentele grieven 9 en 10 betoogt Allen & Overy Shearman dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding. Deze grieven falen omdat niet kan worden geoordeeld dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (art. 7:673 lid 7 onderdeel c BW).
Cumulatievergoeding
5.18
[verzoekster] betoogt met de principale grief 2 dat aan haar een te lage cumulatievergoeding is toegekend. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grief 13 dat aan [verzoekster] ten onrechte een cumulatievergoeding is toegekend. De principale grief 2 faalt en de incidentele grief 13 slaagt. Immers, aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i-grond wordt niet toegekomen omdat er sprake is van een voldragen g-grond.
Billijke vergoeding
5.19
Met de principale grief 5 betoogt [verzoekster] dat Allen & Overy Shearman ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zij daarom recht heeft op een billijke vergoeding. Deze grief faalt. De verstoorde verhouding is het gevolg van verwijtbaar gedrag van [verzoekster] en niet dat van A&O Shearman.
Proceskosten eerste aanleg
5.20
De principale grief 6 luidt dat de proceskosten in eerste aanleg ten onrechte zijn gecompenseerd en dat Allen & Overy Shearman in de proceskosten had moeten worden veroordeeld. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grief 14 dat [verzoekster] in de proceskosten van de eerste aanleg had moeten worden veroordeeld.
5.21
Beide grieven falen omdat partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld.
Conclusie en proceskosten
5.22
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van A&O Shearman slaagt gedeeltelijk. Daarom zal het hof de beschikking vernietigen, echter uitsluitend op het punt van de cumulatievergoeding en voor het overige bekrachtigen. [verzoekster] zal worden veroordeeld de cumulatievergoeding van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking terug te betalen aan A&O Shearman, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet binnen deze termijn wordt terugbetaald.
5.23
Het hof zal ook in hoger beroep de proceskosten compenseren omdat partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld.
6Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2025, uitsluitend op het punt van de cumulatievergoeding;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
compenseert de kosten van het hoger beroep;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, E.I. Mentink en
A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.364.415/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11780116 VZ VERZ 25-4867
Beschikking van 1 september 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonend in [woonplaats],
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A. van Welie, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
Allen Overy Shearman Sterling LLP,
gevestigd in Londen (UK),
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N.T.A. Zeeuwen, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en A&O Shearman.
1Procesverloop in hoger beroep
1.1
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 29 januari 2026 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2025.
1.2
A&O Shearman heeft een verweerschrift ingediend dat op 3 juni 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. Met dit verweerschrift is tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Daartegen heeft [verzoekster] een verweerschrift ingediend dat op 17 juni 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.
1.3
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 23 juni 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
2Feitelijke achtergrond
2.1
A&O Shearman is een internationaal advocaten- en notariskantoor. [verzoekster] werkt sinds 1 februari 2022 bij A&O Shearman als Paralegal A binnen het notariële team van de sectie vastgoed. De heer [leidinggevende], partner Real Estate (hierna: [leidinggevende]), is haar leidinggevende.
2.2
[verzoekster] is verplicht om haar gewerkte uren te registreren in het tijdschrijfsysteem “Intapp” (hierna: Intapp). Het is de bedoeling dat de gehele werkdag verantwoord wordt in Intapp.
2.3
In april 2025 heeft A&O Shearman ontdekt dat [verzoekster] gedurende een periode van 13 maanden haar uren niet goed heeft geregistreerd. Zij heeft in die periode nauwelijks declarabele uren geschreven. A&O Shearman heeft [verzoekster] hiermee geconfronteerd in gesprekken op 28, 29 april 2025 en 6 mei 2025. Volgens A&O Shearman heeft [verzoekster] onjuiste en inconsistente verklaringen gegeven voor haar gedragingen.
2.4
Op 9 mei 2025 is [verzoekster] medegedeeld dat A&O Shearman had besloten haar arbeidsovereenkomst te willen beëindigen.
3Procedure bij de rechtbank
3.1
A&O Shearman heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond).
3.2
[verzoekster] heeft verzocht de verzoeken van A&O Shearman af te wijzen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch ontbindt, heeft [verzoekster] verzocht A&O Shearman te veroordelen een transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en een billijke vergoeding van € 104.024,40 bruto aan haar te betalen. Als de kantonrechter het ontbindingsverzoek toewijst op de i-grond, verzoekt [verzoekster] om de maximale extra vergoeding toe te kennen.
3.3
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2025, Allen & Overy Shearman veroordeeld aan [verzoekster] te betalen: een transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en een extra vergoeding van € 1.636,47 bruto, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd.
4Verzoeken in principaal en incidenteel hoger beroep
4.1
[verzoekster] verzoekt in principaal hoger beroep de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en:
primair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:683 lid 3 BW te veroordelen de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te herstellen met ingang van 1 december 2025;
Allen & Overy Shearman te veroordelen tot het betalen van het gebruikelijke salaris van [verzoekster] vanaf het herstel van de arbeidsovereenkomst totdat de arbeidsovereenkomst rechtmatig is geëindigd;
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld met ingang van een latere datum dan 1 december 2025, Allen & Overy Shearman bij wijze van voorziening als bedoeld in art. 7:682 lid 6 BW jo. 7:683 lid 4 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van het gebruikelijke salaris over de periode vanaf 1 december 2025 tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt hersteld;
subsidiair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:683 lid 3 BW te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van € 124.829,28 bruto, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 8 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van 50% van de toegekende transitievergoeding, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
meer subsidiair:
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 9 sub c BW te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van € 124.829,28 bruto, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
Allen & Overy Shearman op grond van art. 7:671b lid 8 BW te veroordelen tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van 50% van de toegekende transitievergoeding, dan wel een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
in alle gevallen:
Allen & Overy Shearman te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
4.2
Allen & Overy Shearman verzoekt in principaal hoger beroep:
de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen,
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld: [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de transitievergoeding van € 6.545,90 bruto en de cumulatievergoeding van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
voor zover de arbeidsovereenkomst wordt hersteld: te bepalen dat de arbeidsovereenkomst op een in de toekomst gelegen moment wordt hersteld en dat geen voorzieningen worden getroffen als bedoeld in art. 7:682 lid 6 BW jo. 7:683 lid 4 BW;
voor zover de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt hersteld: het aan [verzoekster] te betalen loon over de periode tussen het herstel en de beschikking te matigen tot nihil, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
te bepalen dat A&O Shearman eventuele aan [verzoekster] te betalen bedragen kan verrekenen met de door haar terug te betalen bedragen;
voor zover een billijke vergoeding wordt toegekend: de gevraagde vergoeding op nihil te stellen, althans te matigen tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
[verzoekster] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4.3
Allen & Overy Shearman verzoekt in incidenteel hoger beroep:
primair:
te bepalen dat (i) [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW, en (ii) de arbeidsovereenkomst op die grond had moeten worden ontbonden;
te bepalen dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten;
te bepalen dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding en haar te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 6.545,90 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
subsidiair:
te bepalen dat (i) tussen partijen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW, en (ii) de arbeidsovereenkomst op die grond had moeten worden ontbonden;
zowel primair als subsidiair:
te bepalen dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op de cumulatievergoeding en haar te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
meer subsidiair:
voor zover de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de cumulatiegrond van art. 7:669 lid 3 sub i BW in stand blijft: te bepalen dat geen aanspraak bestaat op een cumulatievergoeding, althans dat deze cumulatievergoeding lager is dan 25%, en [verzoekster] te veroordelen tot (gedeeltelijke) terugbetaling van het bedrag van €1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente;
in alle gevallen:
[verzoekster] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
5Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
5.1
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op basis van de i-grond. Met de principale grief 1 betoogt [verzoekster] dat de i-grond niet opgaat. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grieven 1 tot en met 8 dat de e-grond opgaat en met de incidentele grieven 11 en 12 (ook) de g-grond.
5.2
Met de principale grief 3 betoogt [verzoekster] dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW van toepassing is en aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat (art. 7:671b lid 2 BW).
5.3
Naar het oordeel van het hof is sprake van een voldragen g-grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het hof is verder van oordeel dat er geen opzegverbod van toepassing is dat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Deze oordelen worden als volgt toegelicht.
Ontbindingsgrond(en)
5.4
A&O Shearman heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Er is meer subsidiair ook een i-grond aangevoerd, maar het hof zal daar verder niet inhoudelijk op ingaan omdat de g-grond opgaat.
5.5
De e-grond en de g-grond zijn door A&O Shearman als volgt onderbouwd.
[verzoekster] heeft haar verplichtingen tot het bijhouden van een deugdelijke tijdsregistratie grovelijk geschonden gedurende een periode van 13 maanden en heeft hierbij bewust de controles in het tijdschrijfsysteem omzeild.
Bij navraag aan [verzoekster] is zij niet open en eerlijk geweest en heeft zij voor haar gedragingen geen deugdelijke verklaring kunnen geven, maar heeft zij in plaats daarvan wisselende, onjuiste en/of ongeloofwaardige verklaringen afgegeven.
[verzoekster] treft hiervan een ernstig verwijt en A&O Shearman heeft het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking hierdoor onherstelbaar verloren.
5.6
Het hof overweegt als volgt.
5.7
Het geschil spitst zich toe op het niet goed bijhouden door [verzoekster] van een deugdelijke tijdregistratie. [verzoekster] heeft in een periode van 13 maanden zeer weinig declarabele uren geschreven. Onweersproken is dat deze registratie niet deugt. Het hof is het met de kantonrechter eens dat [verzoekster] hiervan een verwijt is te maken. Dat wordt als volgt toegelicht.
Tussen partijen is niet in geschil hoe het tijdschrijfsysteem Intapp werkt. Intapp kent een onderscheid tussen “captured time” (automatische suggestie op basis van computeractiviteit) en “closed time” (tijd die de medewerker zelf handmatig invoert en opslaat). Alleen closed time wordt gefactureerd; niet- omgezette captured time verdwijnt na verloop van tijd.
Evenmin is in geschil dat [verzoekster] voor de werking van Intapp een cursus/training heeft gehad en dat er voor het tijdschrijven instructies bestonden, de “Time Recording Policy”. Van [verzoekster] mocht daarom worden verwacht dat zij zich zou houden aan de instructie om zelf closed time op te slaan.
[verzoekster] voert aan dat de curus/training en instructies niet goed waren en dat Intapp verwarrend was. Het hof gaat hieraan voorbij omdat dit punt door [verzoekster] niet goed is onderbouwd. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van het hof het verschil tussen captured time en closed time eenvoudig is te doorgronden.
[verzoekster] voert verder aan dat zij dacht dat captured time automatisch zou worden omgezet in closed time. Waarom zij dit dacht is door haar onvoldoende onderbouwd. Op dit punt is van belang dat A&O Shearman onweersproken heeft gesteld dat in Intapp zichtbaar is – ook voor [verzoekster] – dat captured time niet werd opgeslagen als closed time.
Als het tijdschrijven voor [verzoekster] toch onduidelijk was had zij om hulp moeten vragen. Immers, bij een verdienmodel van ‘uurtje-factuurtje’ is deugdelijk tijdschrijven essentieel. Dat is door [verzoekster] ook niet weersproken. [verzoekster] heeft geen hulp gevraagd.
Het bijhouden van de gewerkte tijd is eerst en vooral de eigen verantwoordelijkheid van [verzoekster]. Dat bij meer en diepgaander controle door A&O Shearman het probleem eerder was ontdekt is van belang – waarover hierna meer in r.o. 5.9 – maar doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [verzoekster] om deugdelijk tijd te schrijven.
5.8
Het hof is ook van oordeel dat [verzoekster] een verwijt kan worden gemaakt van de inconsistente verklaringen die zij heeft gegeven voor het niet goed bijhouden van de tijdsregistratie. Dat wordt als volgt toegelicht.
Op 28 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat ze alle tijd gewoon had geschreven, maar de dag daarna dat ze dacht dat de tijd automatisch werd bijgehouden. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig, tenzij het eerste wordt verklaard door het tweede. Dat is niet door [verzoekster] aangevoerd.
[verzoekster] heeft als verklaring van het achterlopen in de tijdsregistratie ook aangevoerd dat ze de tijd eerste in het Nederlands schreef en nog moest vertalen naar het Engels. Dat is niet te rijmen met haar verklaring dat ze dacht dat captured time automatisch closed time werd.
Op 29 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat het in de zomer van 2024 rustig was en dat ze daarom weinig had geschreven. Op 6 mei 2025 heeft zij verklaard dat ze de uren niet had bijgehouden en er een timerprobleem was. Daarmee is haar verklaring voor dezelfde periode gewijzigd.
Op 29 april 2025 heeft [verzoekster] verklaard dat zij 1 uur per dag noteerde voor “general administration”, terwijl zij op 6 mei 2025 verklaarde dit te doen om een timesheet te kunnen sluiten. A&O Shearman heeft onweersproken gesteld dat deze notering steeds een reactie was op het verzoek van [leidinggevende] om timesheets te sluiten. [leidinggevende] kreeg steeds een melding als timesheets niet waren gesloten.
Volgens [verzoekster] was het noteren van general administration terecht vanwege de administratie die zij moest doen. Zij kon echter niet verklaren waarom zij op dagen waarop zij wel declarabele tijd noteerde geen general administration noteerde. Dit wijst er op dat deze notering geen ander doel had dan om een timesheet te kunnen afsluiten.
[verzoekster] heeft enige malen closed time wel geschreven. Ter zitting heeft zij dat desgevraagd verklaard door er op te wijzen dat het om offline time ging, dus werk dat niet op de computer plaatsvond, zoals besprekingen, zodat er geen captured time was. A&O Shearman heeft daar tegenin gebracht dat haar werkzaamheden vooral zagen op het opstellen van pandaktes, volmachten en andere officiële documenten en dat dit bij uitstek op de computer gebeurde en dat offline activiteiten minimaal waren. Een verklaring voor de offline activiteiten heeft [verzoekster] niet gegeven. Evenmin heeft [verzoekster] toegelicht hoe het kon dat er dan een flinke periode kennelijk geen offline activiteiten waren.
5.9
Deze verwijten tezamen zijn in het licht van de navolgende omstandigheden echter onvoldoende zwaarwegend om tot het oordeel te komen dat [verzoekster] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van A&O Shearman in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is dus geen sprake van een voldragen e-grond. Het hof is het met de kantonrechter eens (r.o. 3.12 van de bestreden beschikking) dat van A&O Shearman verwacht had mogen worden dat zij veel eerder zou hebben geconstateerd dat [verzoekster] te weinig uren had geregistreerd en niet pas na 13 maanden, omdat van groot advocaten- en notariskantoor met een ‘uurtje-factuurtje verdienmodel’ en een aparte finance afdeling verwacht mag worden dat zij zicht heeft op de urenstaten van medewerkers en waarschuwt als de urenregistratie niet goed of onvolledig is, helemaal in dit geval, na de introductie van een nieuw tijdsregistratiesysteem. Verder is het hof het ook eens met de kantonrechter (r.o. 3.13 van de bestreden beschikking) dat de moeilijke persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] – in een kort tijdsbestek een echtscheiding, een auto-ongeluk en het overlijden van een dierbaar familielid – van invloed waren op het handelen van [verzoekster]. Dit klemt te meer omdat tussen partijen vaststaat dat [verzoekster] in de betreffende periode zowel kwalitatief als kwantitatief naar tevredenheid heeft gewerkt en dat zij, voordat werd overgestapt op het nieuwe tijdschrijfsysteem, op correcte wijze haar uren registreerde en voorts dat zij geen enkel voordeel had bij het niet juist registreren van de door haar gewerkte uren.
5.10
Het hof is het met de kantonrechter ook eens (r.o. 3.16 van de bestreden beschikking) dat [verzoekster] het vertrouwen van A&O Shearman heeft geschonden door de instructies niet op te volgen en gedurende 13 maanden haar tijd niet of niet goed te registreren, terwijl A&O Shearman dat wel van haar mocht verwachten en door het feit dat [verzoekster] vervolgens in de gesprekken met A&O Shearman meerdere, steeds wisselende, verklaringen heeft gegeven voor haar ondeugdelijke tijdsregistratie. [verzoekster] heeft daarbij onvoldoende inzicht getoond dat zij anders had kunnen en moeten handelen, hetgeen verder afbreuk heeft gedaan aan het vertrouwen van A&O Shearman in [verzoekster]. Ook tijdens de zitting gaf [verzoekster] wederom een andere, niet geloofwaardige, verklaring voor het slechts in zeer beperkte mate registeren van de door haar gewerkte uren. Het hof is het niet met de kantonrechter eens dat A&O Shearman meer had moeten doen om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. Door de handelswijze van [verzoekster] is de arbeidsrelatie niet alleen ernstig, maar ook duurzaam verstoord en kon van A&O Shearman in redelijkheid niet verlangd worden dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer zou voortzetten.
5.11
Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een voldragen g-grond.
5.12
De principale grief 1 en de incidentele grieven 1 tot en met 8 falen daarom. De incidentele grieven 11 en 12 slagen.
Opzegverbod
5.13
Als gezegd betoogt [verzoekster] met de principale grief 3 dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW van toepassing is en aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat (art. 7:671b lid 2 BW).
5.14
Deze grief faalt, omdat de uitzondering van art. 7:671b lid 6 onderdeel a BW van toepassing is.
In art. 7:671b lid 6 onderdeel a BW is bepaald dat de kantonrechter – en dus in hoger beroep: het hof – ondanks het bestaan van een opzegverbod de arbeidsovereenkomst kan ontbinden “indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben”. Daarvan is in dit geval sprake. Het ontbindingsverzoek is gegrond op verstoorde verhoudingen, die zijn ontstaan voorafgaand aan de ziekmelding van 16 mei 2025. De verstoring van de verhoudingen staat op zichzelf en is niet het gevolg van de ziekmelding.
Ook anderszins staat het gedrag van [verzoekster] en/of de verstoring van de verhoudingen niet in verband met haar arbeidsongeschiktheid. Uit de overgelegde medische documentatie is dat verband niet af te leiden. Daar komt bij dat de medische documentatie wijst op klachten die voor een belangrijk deel al bestonden voordat [verzoekster] bij A&O Shearman in dienst trad (namelijk 2018) en [verzoekster] steeds inhoudelijk goed heeft gefunctioneerd en met het systeem Carpe Diem naar behoren haar tijd registreerde. Voor het overige is ook niets gebleken waaruit het verband tussen het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding en de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] kan worden afgeleid.
5.15
[verzoekster] was lid van de ondernemingsraad van A&O Shearman. Er is geen aanknoping in het debat en/of procesdossier voor de mogelijkheid dat het ontbindingsverzoek verband houdt met dit lidmaatschap (art. 7:670 lid 4 onderdeel 1 BW).
Herplaatsing
5.16
[verzoekster] betoogt met de principale grief 4 dat Allen & Overy Shearman niet aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Deze grief faalt. Het ligt bij een ernstige vertrouwensbreuk als hier aan de orde niet in de rede dat A&O Shearman [verzoekster] herplaatst (art. 7:669 lid 1 BW).
Transitievergoeding
5.17
Met de incidentele grieven 9 en 10 betoogt Allen & Overy Shearman dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding. Deze grieven falen omdat niet kan worden geoordeeld dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (art. 7:673 lid 7 onderdeel c BW).
Cumulatievergoeding
5.18
[verzoekster] betoogt met de principale grief 2 dat aan haar een te lage cumulatievergoeding is toegekend. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grief 13 dat aan [verzoekster] ten onrechte een cumulatievergoeding is toegekend. De principale grief 2 faalt en de incidentele grief 13 slaagt. Immers, aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i-grond wordt niet toegekomen omdat er sprake is van een voldragen g-grond.
Billijke vergoeding
5.19
Met de principale grief 5 betoogt [verzoekster] dat Allen & Overy Shearman ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zij daarom recht heeft op een billijke vergoeding. Deze grief faalt. De verstoorde verhouding is het gevolg van verwijtbaar gedrag van [verzoekster] en niet dat van A&O Shearman.
Proceskosten eerste aanleg
5.20
De principale grief 6 luidt dat de proceskosten in eerste aanleg ten onrechte zijn gecompenseerd en dat Allen & Overy Shearman in de proceskosten had moeten worden veroordeeld. Allen & Overy Shearman betoogt met de incidentele grief 14 dat [verzoekster] in de proceskosten van de eerste aanleg had moeten worden veroordeeld.
5.21
Beide grieven falen omdat partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld.
Conclusie en proceskosten
5.22
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van A&O Shearman slaagt gedeeltelijk. Daarom zal het hof de beschikking vernietigen, echter uitsluitend op het punt van de cumulatievergoeding en voor het overige bekrachtigen. [verzoekster] zal worden veroordeeld de cumulatievergoeding van € 1.636,47 bruto binnen 14 dagen na de beschikking terug te betalen aan A&O Shearman, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet binnen deze termijn wordt terugbetaald.
5.23
Het hof zal ook in hoger beroep de proceskosten compenseren omdat partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld.
6Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2025, uitsluitend op het punt van de cumulatievergoeding;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
compenseert de kosten van het hoger beroep;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, E.I. Mentink en
A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.