Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2676

2026-08-25 Civiel recht 200.355.014/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.355.014/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Vraag of bank opgeëist openstaand kredietsaldo voldoende heeft onderbouwd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.260 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.355.014/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/672491 / HA ZA 24-785





Arrest van 25 augustus 2026




in de zaak van





[appellant]
,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. E.S. Ebels, kantoorhoudend in Den Haag,



tegen




ING Bank N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen, kantoorhoudend in Amsterdam.



Het hof noemt partijen hierna [appellant] en ING Bank.





1De zaak in het kort

1.1
ING Bank vordert, na opzegging van de kredietovereenkomst met [appellant] , betaling van het openstaande saldo. [appellant] meent dat ING Bank die vordering niet goed heeft onderbouwd en dat de vordering daarom moet worden afgewezen.


1.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering voldoende is onderbouwd en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan ING Bank van € 100.000,-. Het hof is het met die beslissing eens.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 2 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 april 2025;


het arrest van dit hof van 8 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);


de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;


de memorie van antwoord van ING Bank, met bijlagen;


de akte van [appellant] ;


de antwoordakte van ING Bank.






3Feitelijke achtergrond

3.1

[appellant] is sinds 1 maart 2009 eigenaar van de eenmanszaak “ [eenmanszaak] ”.


3.2
In oktober 2009 hebben ING Bank en [appellant] een kredietovereenkomst gesloten voor de financiering van de activa (het werkkapitaal) van de eenmanszaak van [appellant] . Met deze overeenkomst werd de bestaande kredietlimiet van [appellant] (op rekeningnummer NL 29 INGB 0004 2513 96, hierna: de zakelijke rekening) verruimd van € 10.000,- naar € 100.000,-. De looptijd van dit krediet was onbepaald en het krediet was dagelijks opzegbaar door [appellant] en ING Bank. Overschrijding van de kredietlimiet was niet toegestaan. De kredietlimiet kon periodiek worden herzien op basis van de bij ING Bank beschikbare gegevens over de financiële situatie van [appellant] .


3.3
Uit de jaarrekening over het jaar 2015 van de eenmanszaak van [appellant] volgt dat er op 31 december 2014 een schuld aan ING Bank bestond van € 98.731,- en op 31 december 2015 een schuld van € 99.997,-.


3.4

Bij e-mail van 19 juli 2016 heeft ING Bank aan [appellant] geschreven:

“Zoals afgesproken doe ik u een voorstel m.b.t. afbouw op uw kredietfaciliteit gekoppeld aan rekeningnummer NL29 INGB 0004 2513 96.


Hoogte limiet € 100.000


Gezien de beschikbare cash-flow in EZ en BV wil ik voorstellen om de limiet in 5 jaar terug te brengen naar 0,-.


Voorstel is onder voorbehoud van fiattering. (…)”




3.5

Bij e-mail van 25 augustus 2016 heeft [appellant] aan ING Bank gemaild:

“Mijn voorstel is het krediet - met ingang van 1 januari 2017 – per maand met € 500,00 terug te brengen tot maximaal € 75.000,00. (…)”




3.6
Per 1 september 2016 is de kredietlimiet maandelijks verlaagd met een bedrag van € 1.666,66.


3.7
Op 28 september 2016 heeft ING Bank aan [appellant] bericht dat op de zakelijke rekening een overschrijding is ontstaan. Ook is [appellant] erop gewezen dat bij niet voldoende saldo het krediet vervroegd kon worden beëindigd.


3.8
Bij brief van 21 november 2016 heeft ING Bank [appellant] nogmaals gewezen op het bestaan van een overschrijding en de mogelijkheid van het opeisen van het krediet.


3.9
Bij brief van 1 december 2016 heeft ING Bank aan [appellant] laten weten dat er nog steeds een overschrijding bestaat op de zakelijke rekening, dat het dossier wordt overgedragen aan Vesting Finance (de incassogemachtigde van ING Bank) en dat de zakelijke rekening wordt geblokkeerd voor uitgaand betalingsverkeer.


3.10
Bij brief van 10 januari 2017 heeft Vesting Finance namens ING Bank de kredietfaciliteit van [appellant] opgezegd en [appellant] gesommeerd de uitstaande kredietsom op de zakelijke rekening van € 99.097,44 vóór 24 januari 2017 te betalen. De brief heeft als kenmerk: 16049860.


3.11

[appellant] heeft (onder meer) Vesting Finance op 28 augustus 2017 gemaild dat hij in het dossier 16049860 maandelijks een bedrag van € 500,- zal voldoen.


3.12
Op 12 september 2017 heeft Vesting Finance aan [appellant] geschreven dat zij zonder financiële onderbouwing het betalingsvoorstel niet in behandeling kan nemen.


3.13
Op 28 maart 2019 heeft Vesting Finance aan [appellant] geschreven dat het verschuldigde bedrag momenteel € 100.061,22 is (€ 98.661,04 + € 1.400,18 rente).


3.14
Bij brief van 9 juli 2020 heeft Vesting Finance [appellant] geschreven dat het uitstaande saldo op dat moment € 102.635,92 bedraagt en dat zij heeft besloten hem uitstel van betaling te geven voor een periode van twaalf maanden. [appellant] heeft deze brief voor akkoord ondertekend teruggezonden naar Vesting Finance.


3.15
Bij sommatie-exploot van 11 augustus 2022 heeft Vesting Finance de vordering gestuit, heeft zij [appellant] laten weten dat het uitstaande saldo € 106.881,55 bedroeg en heeft zij hem gesommeerd dat bedrag binnen twee dagen te betalen.


3.16
Op 8 mei 2023 heeft [appellant] ING Bank een verzoek om inzage van de registraties bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) gezonden. Daarop heeft Vesting Finance [appellant] op 24 mei 2023 (onder meer) laten weten dat de opeising van de zakelijke kredietfaciliteit niet geregistreerd stond, maar dat dit alsnog zou worden gedaan. Het openstaande saldo voor het zakelijke krediet bedroeg toen volgens opgave van Vesting Finance: € 109.485,70.


3.17
Daarop heeft [appellant] op 25 mei 2023 aan Vesting Finance zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over het niet reproduceerbaar zijn van stukken, niet-gedane BKR-meldingen, die alsnog worden gedaan en schulden die verdrievoudigen zonder onderbouwing. Hij heeft voorgesteld om na betaling van € 5.000,- de kwestie tegen finale kwijting af te wikkelen.


3.18
Op 24 augustus 2023 heeft [appellant] Vesting Finance laten weten dat het hem helaas niet gelukt was het kapitaal op te halen om Vesting Finance een materieel voorstel te doen voor de afkoop [van de zakelijke kredietfaciliteit] tegen finale kwijting en heeft hij aangekondigd de betalingsregeling te zullen hervatten.


3.19
Vesting Finance heeft [appellant] vervolgens bij e-mail van 29 augustus 2023 laten weten geen betalingsregeling met hem te hebben getroffen. Zij heeft [appellant] gevraagd een voorstel te doen en daartoe het bijgevoegde formulier in te vullen. Bij e-mail van 25 januari 2024 en 30 januari 2024 heeft Vesting Finance [appellant] eraan herinnerd dat er nog geen reactie op voornoemde mail was gegeven.


3.20
Op 30 april 2024 heeft Vesting Finance nogmaals om betaling gevraagd van het openstaande saldo (€ 115.789,66). Vesting Finance heeft daarbij te kennen gegeven dat bij niet-betaling een rechtszaak zou worden gestart.


3.21
Op 5 juli 2024 heeft ING Bank beslag laten leggen op de woning van [appellant] .




4Procedure bij de rechtbank

4.1
ING Bank heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van € 100.000,- te vermeerderen met wettelijke rente.


4.2
ING Bank heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij een kredietovereenkomst met [appellant] heeft gesloten ten behoeve van het werkkapitaal van zijn eenmanszaak, dat deze overeenkomst is opgezegd en opeisbaar is gesteld omdat de kredietlimiet was overschreden en dat [appellant] ondanks vele sommaties het openstaande saldo niet heeft aangezuiverd. Alhoewel het openstaande saldo meer bedraagt dan € 100.000,-, heeft ING Bank om haar moverende redenen ervoor gekozen om de vordering te beperken tot een bedrag van € 100.000,-.


4.3
De rechtbank heeft de vordering toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.




5Vordering in hoger beroep

5.1

[appellant] wil dat het hof de vordering van ING Bank alsnog afwijst. Hij stelt zich op het standpunt dat ING Bank haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd. Hij betwist dat het openstaande saldo op 15 december 2015 € 85.967,80 bedroeg (grief 1) en dat hij de debetstand met het ondertekenen van de brief van 9 juli 2020 heeft geaccordeerd (grief 2).




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het gaat in hoger beroep enkel om de vraag of ING Bank haar vordering op [appellant] tot betaling van € 100.000,- op basis van de opgezegde kredietovereenkomst voldoende heeft onderbouwd.


6.2
Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en legt hierna uit waarom.


6.3
Uit de correspondentie zoals hiervoor onder 3.7 e.v. weergegeven volgt dat ING Bank vanaf september 2016 herhaalde malen aan [appellant] heeft laten weten dat sprake was van een overschrijding van de kredietlimiet op de zakelijke rekening. Daarbij is (in elk geval vanaf januari 2017) steeds de hoogte van het openstaande saldo vermeld. ING Bank heeft er terecht op gewezen dat [appellant] toen niet kenbaar heeft gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de debetstand. Integendeel, hij heeft (in augustus 2016) een voorstel gedaan om het krediet te verlagen naar € 75.000,- en heeft daarna diverse betalingsvoorstellen gedaan ter aflossing van de schuld.


6.4
ING Bank heeft verder een overzicht met mutaties op de zakelijke rekening overgelegd over de periode 15 december 2015 - 5 maart 2017, het jaaroverzicht 2015 (met een debetsaldo per 30 december 2015 van € 99.138,05) en bankafschriften over de periode 1 januari 2017- 24 juli 2018. [appellant] heeft de juistheid van die stukken betwist. Hij heeft aangevoerd dat de administratie van ING Bank onbetrouwbaar zou zijn, dat eerder (mogelijk) sprake is geweest van een hack en dat een eerdere vordering van ING Bank niet bestond. Die stellingen zijn echter niet te rijmen met de omstandigheid dat [appellant] in de jaarrekening 2015 van zijn eenmanszaak zelf heeft laten opnemen dat de eenmanszaak een schuld had aan ING Bank van € 99.997,-. Dat bedrag komt (grotendeels) overeen met het bedrag dat te zien is op de bankmutaties over de periode 15 december 2015 tot 5 maart 2017 en het jaaroverzicht 2015. Ook in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2016 heeft [appellant] een schuld aan ING Bank vermeld per 1 januari 2016 van € 99.997,- en per 31 december 2016 een schuld van € 98.659,-. Gelet op het voorgaande valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom [appellant] niet op de hoogte kon zijn van het debetsaldo en ook niet waarom de omvang van het debetsaldo op 15 december 2015 onjuist zou zijn. Grief 1 slaagt dus niet.


6.5
Verder stelt [appellant] dat hij met de ondertekening van de brief van 9 juli 2020 alleen akkoord is gegaan met de toezegging van ING Bank om gedurende een periode van twaalf maanden geen incassomaatregelen te nemen en daarmee niet de vordering van ING Bank heeft erkend. Volgens [appellant] blijkt uit zijn e-mail aan ING Bank van 21 februari 2019 (productie 7 conclusie van antwoord), zijn e-mail van 24 mei 2023 aan Vesting Finance (productie 9 conclusie van antwoord), zijn e-mail van 20 juli 2023 aan Vesting Finance (productie 10 conclusie van antwoord) en zijn e-mail van 1 maart 2024 aan Vesting Finance (productie 12 conclusie van antwoord) dat hij de hoogte van de vordering toen al betwistte.


6.6

Met ING Bank is het hof van oordeel dat niet valt in te zien hoe het voor akkoord ondertekenen van de brief anders moet worden gezien dan als een expliciete erkenning van de vordering. [appellant] heeft in elk geval bij die gelegenheid niet geprotesteerd tegen de hoogte van het in de brief opgenomen uitstaande saldo. De stukken waarnaar [appellant] verwijst maken dat ook niet anders. De e-mail van 21 februari 2019 (productie 7 conclusie van antwoord) waarin staat: “Ik heb geen kredietfaciliteit op deze rekening en zo te zien staat er voldoende op de rekening. Wat is nu precies het probleem?” ziet, gelet op het onderwerp van het e-mailbericht, op een andere rekening (eindigend op 5944) en dus niet op de zakelijke rekening van de eenmanszaak. De overige e-mails dateren van na 2020 en kunnen dus geen betrekking hebben op de betwisting van de hoogte van de debetstand vóór 9 juli 2020. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [appellant] juist vóór 9 juli 2020 nooit geprotesteerd tegen de hoogte van de debetstand en zelfs een betalingsregeling voorgesteld. Ook grief 2 faalt.

Conclusie en proceskosten




6.7
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.


6.8
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van ING Bank op:


griffierecht € 2.255,-
salaris advocaat € 5.358,- (1,5 punt × tarief V)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.802,-





7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 april 2025;


veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ING Bank begroot op € 7.802,-;


bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.




Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, F.J. Verbeek en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.