Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2622

2026-07-16 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.369.952/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.369.952/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Internationale Kinderontvoering. Onvoldoende aangetoond dat sprake is van de weigeringsgrond artikel 13 lid 1 sub b, nu gebleken is dat adequaat is gereageerd in Portugal op aangifte door moeder van bedreigingen en geweld.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.514 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie


zaaknummer : 200.369.952/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 26-3228
zaaknummer rechtbank : C/09/702557





beschikking van de meervoudige kamer van 16 juli 2026





inzake




[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht



tegen




[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres in Portugal,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.



Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.



In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.






1De zaak en de beschikking in het kort


1.1
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , Portugal (hierna ook te noemen: de minderjarige) vanuit Nederland naar Portugal. Op verzoek van de vader heeft de rechtbank Den Haag in de beschikking van 27 mei 2026 (hierna: de bestreden beschikking) de terugkeer van de minderjarige gelast naar Portugal op grond van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag). De moeder is het met deze beslissing niet eens.



1.2
Het hof wijst in deze beschikking het hoger beroep van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikking. Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en van hetgeen in hoger beroep in geschil is. Daarna zal het hof zijn beslissing motiveren.






2Het geding in hoger beroep


2.1
De moeder is op 10 juni 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.



2.2
De vader heeft op 26 juni 2026 een verweerschrift ingediend.



2.3
Het hof heeft daarnaast van de moeder op 19 juni 2026 een journaalbericht met bijlagen van diezelfde datum ontvangen.



2.4
Het hof heeft op 29 juni 2026 van de bijzondere curator het door haar opgemaakte verslag van diezelfde datum ontvangen.



2.5
De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Portugese taal, [tolk] ;


de bijzondere curator;


de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .








3De feiten


3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:


De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.


Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , Portugal.


De moeder heeft een kind uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] , van thans 8 jaar oud. De moeder heeft samen met de vader van [minderjarige 2] het gezag over haar.


De vader heeft de minderjarige erkend.


De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.


Op 10 augustus 2025 heeft de moeder met de minderjarige de woning van de ouders in Portugal verlaten en kort daarna is zij met de minderjarige naar Nederland vertrokken.


De vader heeft de Portugese en Kaapverdische nationaliteit, de moeder en de minderjarige hebben volgens de Basisregistratie Personen (BRP) de Nederlandse nationaliteit.


De vader heeft zich op 14 november 2025 gewend tot de Portugese Centrale Autoriteit.







4De omvang van het geschil


4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van de minderjarige naar Portugal uiterlijk op 15 juni 2026, waarbij de moeder de minderjarige terug moet brengen naar Portugal, en is bevolen dat, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Portugal, de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 15 juni 2026, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Portugal. Het meer of anders verzochte is afgewezen en er is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.



4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige naar Portugal alsnog af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het hof de proceskosten in beide instanties te compenseren, althans een beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.



4.3
De vader verzoekt het hof de grieven van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en opnieuw rechtdoende:


de onmiddellijke terugkeer te bevelen van de minderjarige, zo nodig met behulp van de sterke arm, op een door het hof in goede justitie te bepalen datum, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar haar woonadres te [adres] , [postcode/plaats] , Portugal en dient te overhandigen aan de vader;


dan wel – als de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen binnen de door het hof te stellen termijn – te gelasten dat de vader uiterlijk op een door (naar het hof begrijpt) het hof in goede justitie te bepalen datum de minderjarige ophaalt bij de moeder en zelf mee terug kan nemen naar [adres] , [postcode/plaats] , Portugal, onder afgifte van de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader;


de vader te machtigen, althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.








5De motivering van de beslissing



Inleiding




5.1
Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige is gebaseerd op het Verdrag, waarbij zowel Nederland als Portugal partij zijn.



5.2
Aangezien de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats heeft in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.



5.3
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.



Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding ex artikel 3 van het Verdrag





5.4
Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.



5.5
Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarige onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Portugal had, dat de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en dat zij dit gezag daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden op het tijdstip van de overbrenging, dan wel dat dit gezag gezamenlijk zou zijn uitgeoefend als de moeder niet met de minderjarige naar Nederland zou zijn vertrokken. Daarnaast is niet geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven aan de moeder voor de overbrenging van de minderjarige naar Nederland.



Onmiddellijke terugkeer ex artikel 12 lid 1 van het Verdrag





5.6
Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.



5.7
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en de indiening van het verzoek in eerste aanleg door de vader, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Portugal te volgen, tenzij sprake is van een van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden. De moeder beroept zich op de weigeringsgrond in artikel 13 sub b van het Verdrag.



Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag





Wat staat er in het Verdrag





5.8
Artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag bepaalt dat de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.



5.9
Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).



Oordeel van het hof





5.10
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de minderjarige bij een terugkeer naar Portugal wordt blootgesteld aan enig lichamelijk of geestelijke gevaar en/of in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust, welke gronden het hof overneemt en na eigen afweging tot de zijne maakt. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.



5.11
Het hof is, net als de rechtbank en anders dan de moeder stelt, van oordeel dat het document van de Portugese officier van justitie onvoldoende onderbouwing is. Dit document en het daarin kennelijk door de officier van justitie ingenomen standpunt is (slechts) gebaseerd op verklaringen van en/of gegevens die door de moeder zijn verstrekt. De vader is niet gekend in deze procedure, op basis van de verklaringen kan niet worden vastgesteld wat er precies gebeurd is en ook in hoger beroep is nog geen beslissing genomen in deze strafrechtelijke procedure. Het hof voegt hier aan toe dat zelfs als op basis hiervan wel vast zou komen te staan dat er (eenmalig) sprake is geweest van huiselijk geweld, dat er dan niet is aangetoond dat er sprake was van een (langdurig) patroon.



5.12
Het hof laat verder in het midden of er al dan niet sprake is geweest van het door de moeder gestelde huiselijk geweld. Ook al zou hier sprake van zijn dan gaat het in deze zaak om een teruggeleiding naar een EU-land, Portugal. In dit land is voldoende hulpverlening en/of bescherming beschikbaar voor de moeder, de minderjarige en [minderjarige 2] , in het geval er in de toekomst nog sprake zou zijn van huiselijk geweld. Het verleden heeft immers aangetoond dat in Portugal adequaat is gereageerd op de melding van de moeder van huiselijk geweld. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de Portugese autoriteiten de moeder en de minderjarigen na terugkeer geen adequate bescherming (meer) zouden kunnen of willen bieden. De raad heeft ter zitting in hoger beroep opnieuw aangeboden om in dat kader een zorgmelding te doen bij de Portugese autoriteiten.



5.13
Tot slot is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de moeder niet (opnieuw) een bestaan zal kunnen opbouwen in Portugal. De moeder heeft immers jarenlang in Portugal gewoond, had een baan bij [werkgever] en de beide minderjarigen zijn in Portugal geboren en opgegroeid. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat de minderjarige bij een terugkeer naar Portugal mogelijk gescheiden zal worden van haar halfzus [minderjarige 2] . Op dit moment is namelijk nog geenszins duidelijk of [minderjarige 2] (wel) met de moeder in Nederland zal blijven zodat het hof hier niet op vooruit kan lopen.



5.14
Gelet hierop faalt het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.



Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag





Wat staat er in het Verdrag





5.15
Artikel 20 van het Verdrag bepaalt dat de terugkeer van een kind, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag, kan worden geweigerd wanneer deze terugkeer op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet zou zijn toegestaan.



Oordeel van het hof





5.16
Net als de rechtbank volgt het hof de moeder niet in haar stelling dat een terugkeer zich moeilijk verdraagt met de beschermingsgedachten van het Verdrag van Istanbul, het EVRM en het IVRK. Naar het oordeel van het hof zijn door de moeder geen dusdanig uitzonderlijke omstandigheden gesteld die een beroep op deze weigeringsgrond rechtvaardigen. Het hof merkt daarbij op dat Portugal net als Nederland partij is bij alle drie de voornoemde verdragen. Voor het overige zij verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen over de hulpverlening en/of bescherming die in Portugal is geboden en kan worden geboden.



Conclusie





5.17
Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof het hoger beroep van de moeder zal afwijzen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en, net als de rechtbank, de teruggeleiding van de minderjarige naar Portugal zal gelasten.



5.18
Nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding, als gevolg van dit hoger beroep, inmiddels is verstreken zal het hof bepalen dat de moeder de minderjarige op dinsdag 28 juli 2026 dient terug te brengen naar Portugal. Indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Portugal, beveelt het hof dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 28 juli 2026, zodat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Portugal.



5.19
Tot slot zal het hof, net als de rechtbank, het verzoek van de vader tot teruggeleiding naar het specifieke woonadres en zijn verzoek de teruggeleiding zo nodig met behulp van de sterke arm te gelasten afwijzen. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen nu de vader in dit kader in hoger beroep geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren heeft gebracht.



Proceskosten





5.20
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.



5.21
Dit leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat het hof:



de terugkeer gelast van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Portugal, naar Portugal uiterlijk op 28 juli 2026 waarbij de moeder [de minderjarige] dient terug te brengen naar Portugal en beveelt, indien de moeder nalaat om [de minderjarige] terug te brengen naar Portugal, dat de moeder [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 28 juli 2026, zodat de vader [de minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Portugal;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders verzochte af;



ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van de datum van teruggeleiding;



compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.




Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.C.C. Lückers, A. Zonneveld en J. van der Hoeven, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.