Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2597

2026-08-18 Civiel recht 200.338.843/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.338.843/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Dexia / advisering / wetenschap / tussenpersoon

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.071 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel rechtTeam Handel


Zaaknummer gerechtshof: 200.338.843/01
Zaaknummer rechtbank: 9922531 EL 22-61




Arrest van 18 augustus 2026




in de zaak van




Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde] ,
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.





1De procedure in eerste aanleg


Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 november 2023.





2De procedure in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord.





2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De kern van de zaak


3.1.
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.



3.2.

[geïntimeerde] heeft (voor zover in hoger beroep van belang) gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en voor recht verklaard dat [geïntimeerde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [geïntimeerde] te vergoeden, alsmede gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld de schade van [geïntimeerde] (inclusief buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden.



3.3.
Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummer 28000149 en 39404820 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is,



3.4.
De kantonrechter heeft in conventie voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door [geïntimeerde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [geïntimeerde] niet alleen als klant aanbracht maar [geïntimeerde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, voor recht verklaard dat [geïntimeerde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [geïntimeerde] te vergoeden, alsmede Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rov. 4.13 van het vonnis. De kantonrechter heeft in reconventie de tegenvorderingen van Dexia afgewezen. Dexia is bij het voorgaande in de proceskosten veroordeeld.





4De beoordeling


4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.



4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.



4.3.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia in haar appel, althans tot afwijzing van haar vorderingen.



Verjaring




4.4.
Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] gaat niet op. Dexia voert aan dat de brieven die zij vanaf 2006 heeft ontvangen de vorderingen van [geïntimeerde] niet hebben gestuit. Anders dan Dexia heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat de brief van 13 januari 2006 voldoende duidelijk is. Hierin wordt vermeld om welke contracten het gaat en wordt aangevoerd dat Dexia terzake wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Dat de daaropvolgende stuitingsbrieven onvoldoende duidelijk waren, heeft Dexia niet gesteld.



Advisering Spaar Select




4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als cliëntenremisier optrad. Het stond Spaar Select niet vrij om op te treden als beleggingsadviseur omdat zij niet over de daarvoor benodigde vergunning beschikte.



4.6.
Het is Dexia niet toegestaan om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist, of behoorde te weten, dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden.



4.7.
In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke – als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren – activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht. De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet.



4.8.
In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “De feitelijke gang van zaken” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft zowel in 1997 als in 1999 een persoonlijk gesprek gevoerd met medewerker van Spaar Select. Daarbij is naar aanleiding van vragen van de medewerker besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen voor de studie van zijn zoons. Ook is besproken dat [geïntimeerde] een deel van zijn spaargeld zou kunnen inleggen in een effectenleaseovereenkomst. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de medewerker van Spaar Select geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. In 1999 heeft een tweede medewerker van Spaar Select contact opgenomen met [geïntimeerde] . Er heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden waarbij de medewerker heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen van [geïntimeerde] . De wensen van [geïntimeerde] waren ongewijzigd en hij had opnieuw spaargeld opgebouwd. De medewerker heeft hem geadviseerd om een deel van het spaargeld in een nieuwe effectenleaseovereenkomst te steken. Deze producten waren volgens de medewerker van Spaar Select geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van Spaar Select vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd, aldus [geïntimeerde] .



4.9.
Dexia voert aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan 20 jaar geleden afgespeeld hebben. Het hof is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stellingname van [geïntimeerde] Dexia meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit geval destijds geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren, of in bewijsnood is, omdat zij niet betrokken is geweest bij het gesprek en de betrokken tussenpersoon niet meer kan horen, komt daarbij voor haar rekening en risico, omdat Dexia destijds bewust heeft gekozen om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van deze tussenpersoon. Nu het aan Dexia als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, had het op haar weg gelegen om op dit punt controle uit te oefenen. Dit temeer omdat de tussenpersoon een provisie ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] .



4.10.
De door [geïntimeerde] beschreven gang van zaken duidt erop dat de medewerkers van Spaar Select gepersonaliseerde aanbevelingen tot het aangaan van specifieke effectenleaseovereenkomsten hebben gedaan. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt immers dat (i) de medewerkers van Spaar Select hebben geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de medewerkers kenbaar heeft gemaakt, en (iii) de medewerkers vervolgens specifieke effectenleaseproducten van (de rechtsvoorganger van) Dexia, hebben geadviseerd. De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar Spaar Select als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.



4.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door Spaar Select. Aan (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia wordt niet toegekomen, omdat Dexia de door [geïntimeerde] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.



Wetenschap Dexia




4.12.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten wist dat sprake was van deze advisering door Spaar Select of dit behoorde te weten. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.



4.13.

[geïntimeerde] heeft stukken in de procedure gebracht, welke documentatie in eerdere rechtspraak ook werd beoordeeld, waaruit kan worden afgeleid dat Dexia in de periode dat [geïntimeerde] de overeenkomsten sloot nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select. Daaruit volgt ook dat Dexia er in dat kader mee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Ook volgt uit die stukken dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] dat Dexia ook in dit geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van [geïntimeerde] door Spaar Select (zie: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882).



4.14.
Gezien deze onderbouwing van [geïntimeerde] heeft Dexia onvoldoende betwist dat zij op het moment dat Spaar Select [geïntimeerde] als cliënt bij Dexia aanbracht, van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn. In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, was het aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door Spaar Select, op grond waarvan Dexia de effectenleaseovereenkomst(en) met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningsplichtige advisering, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico. Voor het leveren van (tegen-)bewijs is op dit punt dan ook geen plaats.



4.15.
Dat betekent dat Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en onrechtmatig heeft gehandeld door met [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomsten te sluiten.



Omvang schade




4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia de schade van [geïntimeerde] volledig moet vergoeden. Het hof verwijst voor de omvang van de schade naar rov. 4.13. van het vonnis van de kantonrechter.



Conclusie en proceskosten




4.17.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.




5De uitspraak


Het hof:



5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;



5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.290,00 (1 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;


5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;


5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P.M. Verbeek en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.