Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2559

2026-03-17 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.335.326/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-17
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.335.326/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Eisvermeerderingen. Tweeconclusieregel en goede procesorde. Uitleg finaal verrekenbeding, Vergoedingsrechten. Verdeling eenvoudige gemeenschap. Draagplicht schulden. Benadeling gemeenschap?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (61.784 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie


Zaaknummer hof : 200.335.326/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/628026 / HA ZA 22-340





Arrest van 17 maart 2026




in de zaak van





[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.C. Mens, kantoorhoudend in Hoofddorp,



tegen





[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens, kantoorhoudend in Bussum.



Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.





1De zaak in het kort

1.1
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2003 tot [datum] 2022 onder huwelijkse voorwaarden. Aan de orde is de afwikkeling daarvan.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 5 oktober 2023, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 12 juli 2023;


de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen;


de memorie van antwoord van de man tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen;


de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van de vrouw tevens houdende vermeerdering van eis.




2.2
De vrouw heeft vervolgens verzocht om arrest en het procesdossier gefourneerd. Het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 28 april 2023 is niet overgelegd.


2.3
Op verzoek van de man, heeft het hof de man eveneens de gelegenheid geboden om het procesdossier over te leggen. Hij heeft daaraan gevolg gegeven, waarbij het voormelde proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank met daaraan gehecht de zittingsaantekeningen wel is overgelegd.




3Feiten

3.1

Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2003 op huwelijkse voorwaarden. In de akte huwelijkse voorwaarden is , voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

“HUWELIJKSE VOORWAARDEN

Uitsluiting


Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.



(…)




Geschil met betrekking tot goederen.


Artikel 3.
Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewijzen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.




Vergoedingsrechten.


Artikel 4.

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.



(…)




Verrekening van inkomsten


Artikel 9


1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.
Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen.
2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomen groter is dan dat van de andere echtgenoot de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert.
3. De uitkering geschiedt in geld en vindt tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar.
4. Indien de in een jaar bespaarde inkomsten niet overeenkomstig lid 3 zijn verrekend, wordt de waarde van hetgeen met die besparingen is verkregen in de verrekening betrokken.
5. Indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, wordt het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen.
6. Indien een goed voor een deel met bespaard inkomen is gefinancierd, wordt het goed voor het deel dat uit de bespaarde inkomsten is betaald in de verrekening betrokken. Indien een goed met behulp van een lening is verkregen, wordt het goed tot het te verrekenen vermogen gerekend naar de mate waarin rente en/of aflossing van de lening uit de bespaarde inkomsten van een echtgenoot of van beide echtgenoten is voldaan.
(…)
8. De verrekening van hetgeen met de besparingen is verkregen moet, voor zover die niet tijdens het huwelijk is uitgevoerd, plaatsvinden binnen drie jaar na ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed. Indien partijen niet anders overeenkomen, moet de waarde van het te verrekenen vermogen worden vastgesteld per de datum waarop de verrekening plaats vindt. Deze waarde zal door partijen worden vastgesteld in onderling overleg en bij gebreke daarvan op de wijze als bepaald in artikel 679 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
9. De echtgenoten beogen met deze bepaling de toename van ieders vermogen tijdens het huwelijk, voor zover die toename niet het gevolg is van een verkrijging krachtens erfrecht of schenking of van waardestijging van de goederen die door hen ten huwelijk zijn aangebracht, aan ieder voor de helft ten goede te laten komen. In verband hiermee moeten ook verkrijgingen die niet of die mogelijk niet als inkomen kunnen worden gezien, zoals optierechten en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking, in de verrekening worden betrokken. Goederen die aan een echtgenoot op bijzondere wijze verknocht zijn zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 Burgerlijk Wetboek worden slechts in de verrekening betrokken voor zover de verknochtheid zich niet daartegen verzet.



Opheffing verrekenverplichting


Artikel 10

Er bestaat geen verplichting tot verrekening van inkomsten als bedoeld in het vorige artikel:-
(…)

d. voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.


(…)




Afrekening aan het einde van het huwelijk


Artikel 14


2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren met inachtneming van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Buiten de afrekening blijven echter alle aanbrengsten ten huwelijk, al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen.
3. (…) De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.
(…)
5. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert zo, dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van de beide vermogens.
6. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk.
7. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen partijen een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidstelling en al of niet met rente - treffen, waarbij de belangen van alle partijen in acht worden genomen.
(…)’


3.2
Op 19 juni 2020 heeft de vrouw een echtscheidingsverzoek ingediend. Bij beschikking van 8 oktober 2021 heeft de rechtbank Den Haag – voor zover van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op [datum] 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.





4Procedure bij de rechtbank

4.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, in conventie en reconventie,


de verdeling van de tussen bestaande eenvoudige gemeenschap en de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden vastgesteld als overwogen in 6.6 tot en met 6.67 van het bestreden vonnis;


de vrouw veroordeeld om de man € 48.088,97 te betalen uit hoofde van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap en verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden;


de proceskosten gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt;


het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;


het meer of anders gevorderde afgewezen.






5Vorderingen in hoger beroep

5.1
De vrouw vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen:


dat de man in verband met het flexibel krediet geen vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap en de vrouw uit deze hoofde niet aan de man een bedrag van € 42.500,- verschuldigd is en de vordering van de man op de vrouw, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis ad € 123.869,25 verminderd dient te worden met een bedrag ad € 42.500,-;


dat de vrouw niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de rekeningcourantschuld van de man aan zijn vennootschap [BV] , welk bedrag de rechtbank heeft vastgesteld op € 34.454,50 en ingeval geoordeeld mocht worden dat de vrouw wel voor de helft draagplichtig is voor deze schuld, te bepalen dat ingeval de man meer dan de helft van de rekening-courantschuld van de vennootschap heeft voldaan, hij voor dat meerdere regres zal kunnen nemen op de vrouw;


dat de inboedel van de woning in Italië aan de man wordt toegedeeld en de man uit deze hoofde € 7.500,- aan de vrouw dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 7.500,-;


dat de vrouw in verband met de schenking van haar ouders ad € 50.000,- een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft en de man € 25.000,- aan de vrouw dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 25.000,-;


dat de man in verband met de verkoop van de twee elektrische fietsen aan de vrouw € 1.900,- dient te betalen en de vordering van de vrouw ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 1.900,-;


dat de man in verband met de verkoop van de boot aan de vrouw € 4.875,- dient te betalen en de vordering van de vrouw ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 4.875;


dat ingeval het hof van oordeel is dat de man in verband met het flexibel krediet wel een vergoedingsrecht heeft, de man ex artikel 22 Rv te bevelen zijn bankafschriften over te leggen vanaf september 2000 t/m de datum dat de man het flexibel krediet heeft afgelost, waarschijnlijk 2016;


dat de man in verband met het onttrekken van gemeenschapsgeld ten behoeve van zijn privéappartement een bedrag ad € 120.932,- aan de gemeenschap verschuldigd is en aan de vrouw een bedrag ad € 60.466,- dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 60.466,-;


dat de man in verband met het opnemen van contante bedragen van de en/of bankrekening [rekeningnummer] gedurende de periode 2009 t/m 2016 een bedrag ad € 123.870,- aan de gemeenschap verschuldigd is en aan de vrouw een bedrag van € 61.935,- dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 61.935,-;


dat de man geheel draagplichtig is met betrekking tot schulden uit hoofde van de geldleningen bij [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] en subsidiair ingeval het hof van oordeel is dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schulden te bepalen dat de gemeenschap een vordering op de vennootschap van de man en de man heeft ad € 56.166,- (€ 22.500,- + € 18.970,- + € 14.696,-) en de vennootschap en de man de helft van dit bedrag ad € 28.083,- aan de vrouw dienen te vergoeden en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 28.083,-;


dat de man veroordeeld wordt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 184.170,53, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.





5.2
De man verweert zich daartegen en vordert in het principale appel tot verwerping van het hoger beroep. In het incidentele appel vordert de man om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man gegrond te verklaren en het bestreden vonnis voor zoveel nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, te bekrachtigen. In het principale en incidentele appel vordert de man de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede in de nakosten voor zover deze ontstaan, te vermeerderen met de wettelijke rente, over de proceskosten en de nakosten vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen arrest, respectievelijk de betekening van het in deze te wijzen arrest.



5.3
De vrouw verzet zich daartegen. Zij vordert de grieven van de man ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis voor zover nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden te bekrachtigen en akte verzoekende van de vermeerdering van eis met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.






6Beoordeling in hoger beroep



Omvang rechtsstrijd in appel



6.1
Voordat het hof toekomt aan de beoordeling van het geschil zal het de omvang van de rechtsstrijd in appel bepalen.


6.2
Het hof acht de eiswijzigingen van de vrouw, die in het petitum van de memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep enkel worden aangeduid als “akte verzoekende van de vermeerdering van eis” en waarin bij de verweren op de grieven van de man in het incidentele hoger beroep slechts staat vermeld “De vrouw vermeerdert te dezer zake haar eis. Waarvan akte!”, allereerst in strijd met de tweeconclusieregel, aangezien geen van de in de jurisprudentie toegelaten uitzonderingen zich voordoen. Voor zover deze eiswijzingen al toelaatbaar zouden zijn, geldt bovendien het volgende. De vorderingen zijn niet volledig weergegeven in het petitum en ook uit het lichaam van de memorie van antwoord in het incidentele appel zijn de vorderingen niet duidelijk opgenomen. De vorderingen maken namelijk onderdeel uit van het verweer van de vrouw tegen de grieven van de man in het incidentele appel. Voor de wederpartij en het hof moet echter duidelijk zijn waartegen de wederpartij zich moet verweren. Het hof laat deze eisvermeerderingen dan ook wegens strijd met de tweeconclusieregel en de goede procesorde buiten beschouwing en zal alleen de vorderingen opgenomen in de memorie van grieven van de vrouw beoordelen.


6.3

Verder constateert het hof dat de man aan zijn incidentele grieven geen rechtsgevolgen heeft verbonden in zijn petitum en zelfs lijkt te concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. De strekking van de grieven is voor het hof en de vrouw niet bij iedere grief duidelijk omdat de man niet kenbaar maakt welke beslissing hij van het hof anders wil dan die is gegeven door de rechtbank. Zoals hiervoor is overwogen, moet voor de wederpartij en het hof duidelijk zijn waartegen de wederpartij zich moet verweren en waarop het hof moet beslissen. Het hof laat de grieven van de man voor zover deze onvoldoende duidelijk zijn, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Het hof zal dit bij iedere grief afzonderlijk beoordelen.

Ontbreken processen-verbaal van de regiezitting 9 januari 2023 en van de zitting van 28 april 2023




6.4

De man heeft zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden om alsnog grieven te nemen zodra de processen-verbaal zijn opgemaakt door de rechtbank. Uit het door de man overgelegde procesdossier volgt dat er een proces-verbaal is gemaakt van de zitting van 28 april 2023. Van de (regie)zitting van 9 januari 2023 is geen proces-verbaal opgemaakt, maar er is wel op 10 januari 2023 een e-mail verzonden met de tijdens de regiezitting gemaakte procesafspraken. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man zijn voorbehoud heeft prijsgegeven.

Uitleg huwelijkse voorwaarden




6.5

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, het volgende over finale verrekenbedingen overwogen:
“3.2.2 Finale verrekenbedingen bevatten veelal de bepaling dat aan het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof gemeenschap van goederen heeft bestaan. Door een zodanig finaal verrekenbeding (hierna ook: ‘alsof’-beding) overeen te komen, zoeken de echtgenoten kennelijk aansluiting bij regels voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van Boek 1 BW. De vraag kan rijzen of de echtgenoten daarbij slechts het oog hebben op de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap (in het bijzonder artikel 1:94 BW), dan wel of zij mede beogen de mogelijkheid van het ontstaan van vergoedingsrechten als bedoeld in (thans) artikel 1:95 lid 2 BW en artikel 1:96 lid 4 BW in het leven te roepen. Wat artikel 1:96 lid 4 BW betreft, zou het dan gaan om een vergoedingsrecht in verband met het voldoen van een schuld van de ‘pseudo-gemeenschap’ ten laste van niet tot die pseudo-gemeenschap behorende eigen goederen van een echtgenoot.


3.2.3
De hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. Of partijen met een ‘alsof’-beding niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Bij die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg kan, tegen de achtergrond van hetgeen voortvloeit uit de hiervoor in 3.2.1 genoemde wettelijke regels, bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel nader met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding reeds regelingen hebben getroffen voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals ter zake van de kosten van de huishouding.”




6.6

In onderhavige zaak is in het bestreden vonnis door de rechtbank het volgende overwogen:
“6.3 Partijen zijn het eens over de uitleg van hun huwelijkse voorwaarden. Die uitleg is als volgt. Tussen partijen ontstaat geen enkele goederenrechtelijke gemeenschap door het huwelijk. Wel worden de kosten van de huishouding naar rato van inkomen gedeeld. Ook krijgt de partij die iets voor de ander betaalt uit privévermogen een vergoedingsrecht voor die betaling. Partijen hebben de overeengekomen periodieke verrekening niet uitgevoerd. Dat betekent dat het finale verrekenbeding (artikel 14 HV) in werking treedt en zij nu met elkaar moeten afrekenen alsof zij in een algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren (een zogenoemde ‘pseudo-gemeenschap’). Buiten die finale verrekening blijven goederen die partijen voor het huwelijk hadden (aanbrengsten) en onder meer goederen die één van de partijen uit een erfenis of schenking verkregen heeft. Dit finaal verrekenbeding is slechts een methode van verrekening naar analogie van de verdeling van de gemeenschap van goederen. De verrekening heeft dus niet tot gevolg dat de partijen bij de verrekening moeten afrekenen alsof er tijdens het huwelijk of op het moment van de verrekening tussen hen daadwerkelijk een huwelijkse gemeenschap heeft bestaan. Goederen die tot een van beide privévermogens horen blijven daartoe behoren en worden niet aan de ander toebedeeld. Enkel de waarde van die goederen wordt betrokken bij de verrekening. Er zijn naast de privévermogens echter ook gemeenschappelijke eigendommen. Die moeten wel worden verdeeld. Daarnaast kunnen nog vergoedingsrechten bestaan. Partijen gaan er beiden vanuit dat verdeling van gemeenschappelijke eigendommen moet gebeuren vóórdat over wordt gegaan tot verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden.




6.4
Over de peildatum voor de omvang van de pseudo-gemeenschap zijn partijen het ook eens: dit is de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 19 juni 2020. Partijen maken géén onderscheid tussen die peildatum en de peildatum voor goederen die gemeenschappelijk eigendom zijn (die verdeeld moeten worden). Zij gaan ervan uit dat de peildatum ook voor de eenvoudige gemeenschappen 19 juni 2020 is. Daarmee wijken zij dus af van de hoofdregel voor eenvoudige gemeenschappen dat de peildatum de datum van feitelijke verdeling is. De rechtbank zal partijen ook in deze afwijkende uitleg volgen.”


Deze uitleg van het finaal verrekenbeding (artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden) is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof hiervan eveneens uitgaat.




6.7
Uit het partijdebat leidt het hof af dat het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen finaal verrekenbeding waardoor partijen bij echtscheiding afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, zo moet worden uitgelegd dat ook de bepalingen over de gemeenschap van goederen (artikel 1:93 tot en met 1:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) naar analogie van toepassing zijn. Het hof zal daar per onderwerp voor zover nodig verder op in gaan.





Vergoedingsrecht man en inzage ex artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (grief 1 p.a. en voorwaardelijke grief 6 p.a.)




6.8
Vast staat dat het appartement aan de [adres] in [plaats] behoorde tot het voorhuwelijkse vermogen van de man. Op grond van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is dit appartement privévermogen gebleven tijdens het huwelijk. Verder is niet in geschil dat bij het aangaan van het huwelijk op dit appartement een recht van hypotheek was gevestigd (het ABN AMRO Flexibel Hypotheek Krediet met rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: het flexibiel hypotheekkrediet)). In 2003 zijn partijen in het huwelijk getreden. Uit de overgelegde Financieel Jaaroverzichten 2002 en 2004 van de ABN AMRO (d.d. 14 februari 2003 en 28 januari 2005, overgelegd als productie q bij productie 6 van de inleidende dagvaarding) blijkt dat op 31 december 2002 het flexibel hypotheekkrediet € 23.464,14 en per 31 december 2003 € 50.137,04 bedroeg. Op 5 augustus 2016 is dit appartement voor een bedrag van € 253.000,- verkocht en geleverd aan een derde. Met de verkoopopbrengst is onder meer het flexibiel hypotheekkrediet afgelost ter hoogte van € 90.608,03 (zo blijkt uit de nota van afrekening, overgelegd als productie p bij productie 6 van de inleidende dagvaarding).


6.9
In het bestreden vonnis onder 6.13 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man recht heeft op een vergoedingsrecht van € 42.500,-. De man heeft namelijk op 13 maart 2016 vanuit het flexibel hypotheekkrediet een bedrag van € 85.000,- overgemaakt naar de en/of-rekening. Die en/of-rekening heeft de rechtbank aangemerkt als een eenvoudige gemeenschap. De rechtbank is er dan ook vanuit gegaan dat de man € 85.000,- privévermogen heeft ingebracht in de eenvoudige gemeenschap van de en/of-rekening, waardoor de man voor de helft van dit bedrag een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap en de vrouw aan de man de helft bij de verdeling van die gemeenschap moet betalen.


6.10
De vrouw bestrijdt de vaststelling van de rechtbank dat de man een bedrag van € 85.000,- aan privévermogen heeft gestort op de en/of-rekening. Volgens haar zijn er bedragen heen en weer geschoven door de man, maar is het bedrag oorspronkelijk afkomstig van de door partijen afgesloten hypothecaire geldlening ten behoeve van de echtelijke woning, waarvan een bedrag van € 126.996,84 op 4 december 2015 op de en/of-rekening is gestort. Vervolgens is op diezelfde datum van de en/of-rekening een bedrag van € 89.000,- naar het flexibel hypotheekkrediet overgeboekt en op 13 maart 2016 heeft de man van deze rekening een bedrag van € 85.000,- overgemaakt naar de en/-of rekening. Voor zover het hof van oordeel is dat de man wel degelijk een vergoedingsrecht heeft, dan handhaaft de vrouw haar verzoek om op grond van artikel 22 Rv de man te bevelen zijn afschriften van het flexibel hypotheekkrediet over te leggen van september 2000 tot en met de datum dat de man dit krediet heeft afgelost (waarschijnlijk 2016) (grief 6 voorwaardelijk).


6.11
De man bestrijdt de grieven van de vrouw.


6.12
Het hof overweegt als volgt. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de en/of-rekening een eenvoudige gemeenschap is. Dit is in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de man op 13 maart 2016 een bedrag van € 85.000,- heeft overgeboekt van het flexibel hypotheekkrediet naar de en/of-rekening. Ook dit staat in hoger beroep niet ter discussie. De overboeking van het bedrag van € 85.000,- naar de en/of-rekening heeft dus plaatsgevonden vóór de datum van de overdracht van het appartement aan een derde en vóór de aflossing van het flexibel hypotheekkrediet. Er is, zoals de rechtbank heeft overwogen en de man heeft erkend, veel geschoven met privégelden. Zo heeft de vrouw gesteld dat het bedrag van € 85.000,- oorspronkelijk afkomstig is van de door partijen afgesloten hypothecaire geldlening ten behoeve van de echtelijke woning, waarvan een bedrag van € 126.996,84 op 4 december 2015 op de en/of-rekening is gestort, waarmee vervolgens op diezelfde datum van de en/of-rekening een bedrag van € 89.000,- naar het flexibel hypotheekkrediet is overgeboekt. Dit blijkt ook uit de door de vrouw overgelegde stukken, bijlage G en H, overgelegd als productie 6 bij de akte van de vrouw van 17 mei 2023. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat hij vanuit privévermogen een bedrag van € 85.000,- heeft voldaan aan de – door partijen aangeduide – eenvoudige gemeenschap. Daarom kan hij geen aanspraak maken op een vergoedingsrecht.


6.13

Dit betekent dat grief 1 p.a. van de vrouw slaagt, het hof het bestreden vonnis op dit punt zal vernietigen en de door de rechtbank opgemaakte berekening zal wijzigen op dit punt. Het hof komt in verband met het slagen van de grief niet toe aan de voorwaardelijke grief 6 p.a. van de vrouw.

Draagplicht (gemeenschappelijke) schulden (rekening-courantschuld aan de vennootschap van de man, [geldverstrekker 1] , [geldverstrekker 2] , [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] (grief 2 p.a. en grief 9 p.a.)




6.14

De rechtbank heeft over de schulden onder meer het volgende overwogen:“6.57 De rechtbank volgt de vrouw niet in haar betoog dat de man op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid volledig draagplichtig is voor de schulden aan [geldverstrekker 1] en [geldverstrekker 2] , de vennootschap van de man, aan [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] . De vrouw stelt dat de man zonder dat de vrouw dit wist schulden is aangegaan en dat hij dit geld gebruikt heeft voor privé-uitgaven, maar dat betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen in 6.50, zijn partijen schulden aangegaan om hun gezamenlijke levensstijl te bekostigen. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken die maken dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen bij de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden in hun onderlinge verhouding gelijk draagplichtig zijn voor bovengenoemde schulden.6.58. Uitgangspunt is dus dat partijen beiden de helft van alle schulden dragen. De rechtbank licht hierna per schuld toe wat daarvan het gevolg is.
(…)



6.61.
De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat de discussie over de rekeningcourantschuld niet gaat over de hoogte daarvan. De rechtbank gaat er dus van uit dat de vrouw zich kan vinden in de door de man bijgevoegde jaarstukken van de vennootschap. Daaruit blijkt een. hoogte van de schuld op peildatum van € 68.909,-. Het is niet gesteld of gebleken dat deze schuld al is afbetaald. Deze schuld zal dus nog moeten worden afbetaald, waarbij de vrouw voor de helft draagplichtig is, dus voor (€ 68.909,- /2 =) € 34.454,50.


6.62.
De man vindt dat de vrouw de lening van [bank 2] vanaf 8 oktober 202 1 volledig moet dragen, omdat deze schuld volgens de man eerder was afgelost als de vrouw de woning sneller had overgenomen. De rechtbank volgt de man hierin niet, want het is niet gebleken dat de vertraging (volledig) aan de vrouw te wijten was (zie overweging 6.42). Partijen zijn gelijk draagplichtig voor de lening en te betalen aflossing en rente op deze lening. De man stelt dat hij de aflossing en rente gedeeltelijk van privégeld betaald heeft en dus een regresvordering heeft, maar dit is voor de rechtbank op basis van de bijgevoegde stukken niet na te gaan. De man stelt verder dat de vrouw het krediet bij [bank 2] na de peildatum heeft laten oplopen tot een bedrag van € 2.577,28 en dat de vrouw die schuld moet dragen. Omdat de man deze stelling niet met stukken onderbouwt gaat de rechtbank daaraan voorbij.


6.63.

Voor de schulden aan [bank 3] en [bank 1] geldt ook dat partijen beiden de helft van de schuld voor hun rekening moeten nemen. De saldi van deze schulden op de peildatum blijken niet uit het dossier. Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat zij deze schulden in onderling overleg afbetalen.
(…)

Conclusie: verdeling, verrekening en vergoedingsrechten




6.66.
Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom voor de posten die partijen ter beoordeling hebben voorgelegd. (…) Ook de interne draagplicht voor schulden blijft buiten dit overzicht, omdat daaruit geen vorderingen voortvloeien zolang een partij niet meer dan zijn deel aan de schuldenaar betaald heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de missende bedragen op basis van de in dit vonnis geformuleerde uitgangspunten in onderling overleg kunnen berekenen.”


6.15
De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij voor de helft, dus voor een bedrag van (€ 68.909,- : 2 =) € 34.454,50, draagplichtig is voor de rekening-courantschuld (grief 2). Zij betoogt – naar het hof begrijpt – dat het naar analogie van artikel 1:100 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschuld aan de vennootschap van de man. Verder voert de vrouw aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij voor de helft draagplichtig is voor de schulden bij [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] (grief 9). De man bestrijdt de grieven van de vrouw.


6.16
Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij bij het einde van het huwelijk door echtscheiding zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd (de zogeheten: ‘pseudo-gemeenschap) met inachtneming van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. De schulden dienen in beginsel dan ook te worden betrokken in het finaal te verrekenen vermogen. Het hof begrijpt het oordeel van de rechtbank ‘dat partijen gelijk draagplichtig zijn voor de schulden ook al is geen sprake van een gemeenschappelijke schuld, dan ook in die zin dat deze schulden per saldo door beide partijen gedragen worden aangezien deze van invloed zijn op het te verrekenen vermogen krachtens het finaal verrekenbeding waarbij immers gedaan wordt alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Het hof begrijpt verder het oordeel van de rechtbank dat bij het door de rechtbank gemaakte overzicht de ‘interne draagplicht voor schulden buiten dit overzicht [blijft], omdat daaruit geen vorderingen voortvloeien zolang een partij niet meer dan zijn deel aan de schuldenaar betaald heeft’, aldus dat weliswaar geen echte regresvordering kan ontstaan indien niet beide echtgenoten hoofdelijk schuldenaar zijn, maar dat in het kader van de finale verrekening – naar analogie – indien de schuldenaar meer dan ‘zijn deel’ betaalt, deze ‘regresvordering’ alsnog betrokken wordt in de finale verrekening.


6.17
Partijen zijn het erover eens dat de regels van de wettelijke gemeenschap naar analogie gelden. Los van de vraag wie de schuldenaar is, geldt in dat geval dat de rekening-courantschuld in de interne verhouding tussen de echtgenoten een gemeenschappelijke schuld is waarvoor zij beiden voor de helft draagplichtig zijn, althans naar analogie in het kader van de finale verrekening. De door de vrouw aangedragen feiten en omstandigheden, zoals dat de vrouw niet weet waarvoor de rekening-courantschuld is aangegaan en dat de man deze schuld had kunnen aflossen met gelden van de en/of bankrekening of uit de leningen bij [bank 2] en [bank 3] , zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat een interne draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (naar analogie bij finale verrekening).


6.18
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de vrouw eveneens voor de helft draagplichtig is voor de schulden aan [geldverstrekker 1] , [geldverstrekker 2] , [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] . De vrouw stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. Zij voert daartoe onder meer aan dat zij het huishouden deed, geen zicht had op de uitgaven, de man vertrouwde en het onduidelijk is waarvoor de man het geld heeft aangewend. Zij stelt geen financiële ruimte te hebben om de schulden af te lossen. Zij heeft op dit moment een WIA-uitkering beneden bijstandsniveau terwijl de man een goed inkomen heeft en geen partneralimentatie betaalt. Het hof is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om van de interne draagplicht tussen echtgenoten af te wijken.


6.19
Anders dan de vrouw stelt, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de vrouw haar aandeel (in het kader van de finale verrekening) in de rekening-courantschuld direct zal moeten aflossen/verdisconteren bij het te verrekenen bedrag. De rechtbank heeft slechts overwogen dat partijen in hun interne verhouding (al dan niet in het kader van de finale verrekening) gelijk draagplichtig zijn voor alle schulden, waaronder de rekening-courantschuld. Dit betekent dat het hof geen aanleiding ziet om te bepalen dat de man pas regres kan nemen op de vrouw als hij het meerdere van de rekening-courantschuld heeft voldaan.


6.20
Nu het hof het oordeel van de rechtbank bekrachtigt dat de vrouw draagplichtig is voor de hiervoor genoemde schulden, komt het hof toe aan de subsidiaire stelling van de vrouw. De vrouw stelt dat de man aan de gemeenschap dient te vergoeden, en bij helfte dan ook aan de vrouw: a. de bedragen van € 22.500,-, € 10.000,-, € 3.970,- en € 8.696,- die de man van de geldlening bij [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] heeft overgeboekt en aangewend voor zijn vennootschap [BV] , en b. het bedrag van € 5.000,- dat de man van de geldlening bij [bank 2] contant heeft opgenomen en het bedrag van € 6.000,- dat de man van de geldlening bij [bank 3] contant heeft opgenomen. De vrouw vordert dan ook subsidiair te bepalen dat de gemeenschap een vordering op de vennootschap van de man heeft van € 56.166,- (€ 22.500,- + € 18.970,- + € 14.696,-) en de vennootschap en de man de helft van dit bedrag, te weten € 28.083,- aan de vrouw dienen te vergoeden en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 28.083,-. Aangezien de vennootschap van de man niet in deze procedure is betrokken, kan het hof niet vaststellen dat de vennootschap een schuld heeft aan de door de vrouw gestelde gemeenschap. Daarnaast is het onduidelijk op welke rechtsgrond de vrouw zich beroept voor wat betreft de door haar gestelde contante opname van de man van € 5.000,- en € 6.000,-.


6.21

De conclusie is dat de grief 2 p.a. en grief 9 p.a. niet slagen.

Woning, inboedel, tractor en toebehoren in Italië (grief 3 p.a. en grieven F en G i.a.)


Peildatum waardering




6.22
De woning in Italië hebben partijen gezamenlijk in eigendom verkregen. Ten aanzien van deze woning is dan ook sprake van een eenvoudige gemeenschap op de voet van artikel 3:166 BW. Ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW kan de rechter, voor zover de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelasten of zelf de verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. De rechtbank heeft deze woning aan de man toegedeeld onder de ontbindende voorwaarde dat hij binnen vier maanden aantoont dat hij de overname van de woning kan financieren. Als hij dit niet binnen vier maanden aantoont, dan moet de woning worden verkocht aan een derde, zo heeft de rechtbank beslist. In hoger beroep is de toedeling van de woning aan de man niet in geschil, maar wel de waarde waartegen dat dient plaats te vinden. Op 25 januari 2022 hebben partijen in een kort geding over dit onderwerp, zie rechtsoverweging 6.17 van het bestreden vonnis, een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij zijn uitgegaan van een waarde van € 250.000,- (productie 4 bij de inleidende dagvaarding). Om de discussie over de waarde van de woning in Italië en de inboedel te beslechten heeft de rechtbank in rechtsoverweging 6.19 van het bestreden vonnis de waarde van deze woning, de inboedel, een tractor en toebehoren samen begroot op € 250.000,-. Partijen zijn het daar allebei niet mee eens. De vrouw betoogt dat zij heeft ingestemd met het voorstel van de man de inboedel van de woning in Italië en het tuingereedschap, waaronder een tractor, met een totale waarde van € 15.000,- aan hem toe te delen, zodat hij uit dien hoofde aan de vrouw een bedrag van € 7.500,- moet betalen (zie punt 27 van de inleidende dagvaarding). Ter zitting van 28 april 2023 heeft de man laten weten dat hij bereid was de woning voor € 250.000,- over te nemen, aldus de vrouw. De vrouw meent dan ook dat de rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen. Zij maakt daarom alsnog aanspraak op een bedrag van € 7.500,-. De man schaart zich achter het oordeel van de rechtbank. Hij is het echter niet eens met gehanteerde waarde van de woning van € 250.000,-. Volgens hem hebben partijen geen overeenstemming bereikt over de peildatum en waren partijen niet bekend met de problemen van de fundering, waardoor de man in de waarde van de woning heeft gedwaald. Als het hof van oordeel is dat er redenen zijn om het bestreden vonnis op dit punt te vernietigen, dan vordert de man dat de woning opnieuw wordt getaxeerd. De vrouw betwist de stellingen van de man dat de woning een lagere waarde heeft en dat hij heeft gedwaald. Het door de man overgelegde taxatierapport kan niet worden gebruikt, aldus de vrouw.


6.23
In hoger beroep is niet in geschil dat in kort geding een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Een dergelijke overeenkomst strekt, aldus artikel 7:900 BW, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil langs contractuele weg over datgene wat juridisch gezien tussen partijen geldt. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst is bestemd om óók te gelden als deze afwijkt van hetgeen tussen partijen, achteraf, daadwerkelijk zou blijken te gelden. Het is immers het doel van de overeenkomst dat het geschil tussen partijen wordt beëindigd zodat partijen niet meer (verder) hoeven te procederen, ondanks dat de rechten en verplichtingen van partijen (nog) niet helder zijn. De vaststellingsovereenkomst is in beginsel zelfs dan geldig als deze in strijd blijkt te zijn met dwingend recht (artikel 7:904 BW). Partijen bij de vaststellingsovereenkomst binden zich dus aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is. Deze aard en bijzondere strekking van de vaststellingsovereenkomst laat weinig ruimte voor een beroep op dwaling en vereist dus dat met een dergelijk beroep terughoudend wordt omgegaan. Dit geldt zeker als het gaat om de onzekere of omstreden kwestie die juist het onderwerp is van de vaststellingsovereenkomst. In die gevallen is er in beginsel geen ruimte voor een beroep op dwaling.


6.24
Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de door partijen in het kort geding in de vaststellingsovereenkomst vervatte overeengekomen vraagprijs voor de woning in Italië van € 250.000,-. Verder is het juist dat de man heeft ingestemd met het bedrag van € 7.500,- (dagvaarding onder 27), zodat hij gehouden is dit nog aan de vrouw te voldoen.


6.25

Dit betekent dat grief 3 p.a. van de vrouw in zoverre slaagt en het hof in aanvulling op de door de rechtbank gemaakte berekening een bedrag van € 7.500,- in aanmerking zal nemen. De grieven F en G i.a. van de man slagen niet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding de woning in Italië opnieuw te laten taxeren.

Schenking ouders van de vrouw (grief 4 p.a. en grief A i.a.)




6.26
Het hof overweegt als volgt. De stelling van de vrouw dat zij een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft (het hof begrijpt gelet op het finale verrekenbeding: op de ‘pseudo-gemeenschap’) in verband met een schenking van haar ouders onder uitsluitingsclausule van € 50.000,- is juist. Schenkingen zijn krachtens de huwelijkse voorwaarden uitgesloten van de finale verrekening. De rechtbank heeft abusievelijk niet beslist op deze stelling. De man heeft in eerste aanleg immers erkend dat de vrouw ter zake een vergoedingsrecht heeft en hij uit dien hoofde € 25.000,- aan de vrouw dient te vergoeden (punt 107 van zijn conclusie van antwoord in reconventie). In de antwoordakte (productie 11) onder 25 heeft de man eveneens erkend dat de ouders van de vrouw aan haar een schenking hebben gedaan van € 50.000,. Dit betekent dat grief 4 slaagt. Voornoemd bedrag van € 25.000 moet worden meegenomen in de berekening van de vergoedingsrechten.


6.27

Verder heeft de rechtbank (in rov. 6.46 en 6.48) overwogen dat de drie administratieve schenkingen die door de ouders van de vrouw aan haar zijn voldaan, voldoende zijn onderbouwd en dat het totaal van de rente over die administratieve schenkingen die op de en/of-rekening is betaald, € 56.717,- bedraagt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de vrouw een vergoedingsrecht op de (pseudo-) gemeenschap heeft voor het totale bedrag van de rente. Voor zover de man in grief A i.a. hiertegen opkomt, faalt het reeds daarom. Verder is het hof niet duidelijk waartegen hij precies appelleert en welke conclusie hij hieraan verbindt (zoals in rechtsoverweging 6.3 is overwogen). Grief A i.a. van de man faalt derhalve ook om die reden in zoverre.

Benadeling gemeenschap (grief 5 p.a.)




6.28
De vrouw stelt – kort gezegd – dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door de elektrische fietsen en de boot kort voor het indienen van het verzoek tot echtscheiding te verkopen en de opbrengst in eigen zak te steken. De man verweert zich daartegen.


6.29
In artikel 1:164 lid 1 BW is bepaald dat, indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het (echtscheidings)geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen van de gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Nu partijen het erover eens zijn dat de regels van de wettelijke gemeenschap naar analogie gelden, zal het hof beoordelen of sprake is van benadeling door het handelen van de man.


6.30

Partijen beschikten tijdens het huwelijk beiden over een elektrische fiets. In geschil is of beide fietsen gemeenschappelijk eigendom waren, of dat één van die fietsen tot het ondernemingsvermogen van de vennootschap van de man behoorde. Los van die vraag, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is geweest van benadeling. Uit de overgelegde e-mailwisseling van 19 tot en met 21 mei 2020 (producties 10 en 11 antwoordakte wijziging en vermeerdering van eis d.d. 28 april 2023) blijkt dat de verkoop van de fietsen onderdeel uitmaakte van het bemiddelingstraject tussen partijen onder begeleiding van vrienden van partijen. De vrouw werd in die e-mailberichten betrokken. Volgens de vrouw zag dit bemiddelingstraject niet op het saneren van de (huwelijkse) schulden van partijen, maar op het herstel van de huwelijksrelatie. Het hof volgt de vrouw niet in dit betoog. Uit het e-mailbericht van de vrouw van 6 mei 2020 met onderwerp “Lijst met te bespreken punten en aktiepunten voor onze volgende afspraak medio Mei”, gericht aan voornoemde vrienden en de man, blijkt dat de schulden wel degelijk onderwerp van gesprek waren. In dat bericht is onder 4) “Overzicht openstaande rekeningen en prioritering af te lossen schulden” als te bespreken punt opgenomen (zie productie O bij productie 6 Inleidende dagvaarding). Dat de man de verkoopopbrengsten “in zijn eigen zak heeft gestoken”, heeft de vrouw in het geheel niet onderbouwd. Dit betekent dat grief 5 p.a. faalt.

Appartement aan de [adres] in [plaats] (grief 7 p.a. en grief B i.a.)




6.31
Voor het aangaan van het huwelijk had de man een appartement aan de [adres] in [plaats] . Dit appartement is in 2016 verkocht. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 6.41 geoordeeld dat tussen partijen een stilzwijgende afspraak bestond om de lusten en lasten van het appartement tegen elkaar weg te strepen, waardoor – voor zover in hoger beroep van belang – de vrouw geen recht heeft op vergoeding voor uitgaven aan het appartement die gedaan zijn van de en/of-rekening.


6.32
De vrouw stelt in grief 7 dat de man gemeenschapsgeld heeft aangewend ten behoeve van dit appartement. De vrouw heeft de man verzocht om daarover informatie te verschaffen, maar dit heeft hij nagelaten. Volgens de vrouw is er van 2009 tot 2016 een bedrag van € 120.932,- aangewend van de en/of-rekening ten behoeve van het appartement van de man. De vrouw meent daarom dat de man een bedrag van € 120.932,- aan de gemeenschap dient te voldoen, en de man daarom de helft van dit bedrag (€ 60.466,-) aan de vrouw dient te voldoen. Pas als de man dit voldoet, kan het oordeel van de rechtbank dat de man in verband met de verkoopopbrengst van zijn appartement in [plaats] een vordering op de vrouw heeft van € 78.475,50 in stand blijven, aldus de vrouw.


6.33
De man verweert zich als volgt. Het door de vrouw genoemde bedrag is niet uitgegeven. Een groot deel van de kosten die de vrouw opvoert zijn kosten voor de echtelijke woning in [plaats] en niet voor het appartement in [plaats] . Daarnaast zijn de huuropbrengsten van de man altijd op de en-/of rekening gevloeid. Hij stelt dat de netto opbrengsten uit de verhuur ongeveer € 150,- netto per maand bedroegen en dat de vrouw dit erkent. De man hield tenminste een bedrag over van € 98.234,42. De man verwijst daarbij naar productie 5 bij wijziging/ aanvulling van eis d.d. 2 januari 2023.


6.34

Het hof overweegt als volgt. Als productie 6 bij de akte wijziging en vermeerdering van eis in eerste aanleg heeft de vrouw een Excel berekening overgelegd.
[afbeelding]



6.35

Deze berekening heeft de vrouw daaronder verder uitgewerkt met de gespecificeerde uitgaven per jaar. Daaruit lijkt te volgen dat er in totaal een bedrag van € 120.932,- is voldaan vanaf de en-/of-rekening (de gemeenschap) aan het appartement in [plaats] (het privévermogen van de man). Echter, zoals de rechtbank heeft overwogen en hiervoor is overwogen zijn er tijdens het huwelijk heel veel overboekingen geweest van privévermogen naar gemeenschappelijk vermogen en andersom. De vrouw heeft weliswaar veel, maar niet alle bankafschriften overgelegd. Bovendien heeft de vrouw inderdaad in de e-mail van 7 mei 2020 (overgelegd als productie o bij productie 6 van de inleidende dagvaarding) erkend dat de huuropbrengsten netto per maand € 150,- bedroegen. Dit betekent dat het hof niet kan vaststellen in hoeverre één van partijen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht omdat er gemeenschappelijk vermogen is geïnvesteerd in privé-eigendom, dan wel inkomsten uit privévermogen zijn gevloeid in het gemeenschappelijk vermogen. Hieruit volgt dat de grieven 7 p.a. en B i.a. niet slagen.

Geldopnames van de en-/of bankrekening (grief 8 p.a.)




6.36
In grief 8 voert de vrouw aan dat de man een bedrag van € 123.870,- aan de gemeenschap dient te vergoeden, aangezien hij in de periode van 2009 tot en met 2016 met zijn bankpas van de en/of-rekening een bedrag van € 123.870,- contant heeft opgenomen. Volgens de vrouw heeft de man niet aangetoond dat de vrouw ook vaak contante opnames van de bankrekening heeft gedaan, zij betwist dat. De man heeft niet onderbouwd en evenmin bewijsstukken overgelegd waarvoor hij dit bedrag heeft aangewend.


6.37
De man verweert zich daartegen. Er is geen juridische grondslag voor de vordering van de vrouw. De grief is niet onderbouwd en de vrouw deed zelf ook contante opnames, aldus de man.


6.38

Het hof is van oordeel dat grief 8 faalt, reeds omdat een rechtsgrond voor deze vordering ontbreekt. Het is in het geheel niet duidelijk waarom de man, die evenals de vrouw over het tegoed op de gemeenschappelijk bankrekening kon beschikken, gehouden is om contante opnames van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen te vergoeden.

Conclusie




6.39

Grief 10 p.a. bevat een concluderende grief voor het geval dat alle grieven van de vrouw in het principale appel slagen. Deze behoeft naar het oordeel van het hof geen aparte bespreking.

Vergoedingsrecht vrouw (grief A i.a.)




6.40

Het hof is van oordeel dat de stellingen die de man naar voren brengt in grief A i.a. niet duidelijk zijn. Zo stelt de man dat er in de periode 1999-2003 ook overboekingen van privérekeningen naar de en/of rekening hebben kunnen plaatsvinden. Het hof begrijpt niet tot welk rechtsgevolg dit standpunt zou moeten leiden. Immers, de periode van 1999 tot 2003 betreft de voorhuwelijkse periode en zonder nadere toelichting is niet duidelijk wat de relevantie is van deze stelling. Ook de overige stellingen van de man in grief A i.a. zijn voor het hof onvoldoende duidelijk. Het is niet duidelijk welke gronden hij aanvoert tegen het bestreden vonnis en welke conclusie hij wenst te verbinden aan deze grief, zodat deze grief niet slaagt.

Hond [hond] (grief C i.a.)




6.41
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank (in r.o. 6.36) de hond [hond] aan de vrouw toegedeeld. De man is echter van mening dat de hond aan hem moet worden toegedeeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij met de hond op cursus is geweest en hem tot jachthond heeft opgeleid, dat de kinderen dan vaker naar hem toe zullen gaan en de vrouw onvoldoende in staat is voor de hond te zorgen. De vrouw heeft die grief gemotiveerd weersproken.


6.42
Op grond van artikel 3:2a lid 1 BW is een dier, dus ook hond [hond] , geen zaak. Lid 2 bepaalt dat bepalingen met betrekking tot zaken op dieren van toepassing zijn, met inachtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en goede zeden.


6.43

Het hof overweegt dat in het kader van de belangenafweging aan wie de hond moet worden toebedeeld, alle belangen, waaronder die van de hond, in aanmerking genomen dienen te worden. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het licht van die belangenafweging de hond aan de vrouw moet worden toebedeeld. Het hof neemt die gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt dan ook bekrachtigen.

Bang & Olufsen televisie (grief D i.a.)




6.44

Ook in hoger beroep heeft de man met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat dat de Bang & Olufsen televisie eigendom is van de BV van de man. Met de rechtbank (r.o. 6.23) is het hof daarom van oordeel dat op basis van het bepaalde in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden de Bang & Olofsen televisie wordt geacht een gemeenschappelijk goed te zijn. Verder onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat deze aan de vrouw moet worden toegedeeld, aangezien deze in gebruik is bij de vrouw en de kinderen. Dit betekent dat grief D i.a. faalt en het hof het bestreden vonnis op dit punt zal bekrachtigen.

Overige inboedel woning [adres] (grief E i.a.)




6.45
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 6.29 zonder waardevergoeding aan de vrouw toegedeeld: de trouwsieraden met uitzondering van de broche en de ring van wijlen de overgrootmoeder van de man, de wieg van de familie van de vrouw, een spiegel uit Afrika, alle digitale fotobestanden van de vrouw en alle persoonlijke papieren van de vrouw (diploma’s, getuigschriften, contracten, vaccinatiepapieren van haar en de kinderen). De rechtbank is er daarbij kennelijk van uitgegaan dat dit gemeenschappelijke inboedelgoederen betreffen. De man is het niet eens met deze beslissing. Hij voert het volgende aan: a) in eerste aanleg heeft hij bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis, en b) deze goederen heeft de man niet waardoor hij niet kan voldoen aan de beslissing van de rechtbank en een nieuw conflict verwacht.


6.46

Het hof is van oordeel dat deze grief van de man niet slaagt. De omstandigheid dat de rechtbank de wijziging van eis in aanmerking heeft genomen, acht het hof niet in strijd met de goede procesorde, nog daargelaten de eventuele herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep. Verder heeft de rechtbank de goederen aan de vrouw toegedeeld. Anders dan de man lijkt te veronderstellen, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de man deze goederen in zijn bezit heeft en uit dien hoofde gehouden is om deze aan de vrouw te overhandigen. Bovendien ziet deze grief op de uitvoering van het vonnis. Dit betreft een executiegeschil.

Zorgkosten (grief H i.a.)




6.47

Uit productie k bij productie 6 van de inleidende dagvaarding blijkt dat de man op 4 maart 2021 de door partijen als zorgkosten aangeduide kosten van € 885,- heeft voldaan. In de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, onder 30 en, zo blijkt uit pagina 12 van het proces-verbaal, tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat het verzoek van de man ter zake kan worden toegewezen. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis (in rov. 6.33) overwogen dat partijen het hier over eens zijn. Het hof kan de vrouw thans in hoger beroep dan ook niet volgen in haar stelling dat de man geen bewijsstukken van dit bedrag heeft overgelegd. De rechtbank heeft – kennelijk een verschrijving – overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de man de zorgkosten van € 442,50 heeft betaald, dat is de helft van € 885,- aan zorgkosten. Dit betekent dat grief H i.a. slaagt. Het hof zal dan ook in de berekening van de rechtbank meenemen dat de vrouw een bedrag van € 442,50 aan de man moet voldoen.

Conclusie en proceskosten




6.48
Het hof heeft de bedragen zoals hiervoor in r.o. 6.8 t/m 6.47 vermeld meegenomen in de door de rechtbank gemaakte berekening en komt tot de conclusie dat de man aan de vrouw een bedrag van € 26.689,78 (€ 108.220,28 -/- € 81.530,50) moet betalen uit hoofde van de verdeling, verrekening, regres en vergoedingsrechten.



Man betalen aan vrouw

Omschrijving Te betalen
Helft saldo Italiaanse en/of-rekening per peildatum € 42,14Helft saldo ABNA [rekeningnummer] per peildatum € 23,01Inboedel woning Italië en tuingereedschap (tractor) € 7.500,00Toedeling eettafel aan man € 375,00Helft eigen vermogen vennootschap na belasting € 14.894,00Helft verkoopopbrengst Volvo € 4.119,00Toedeling motorfiets aan man € 600,00Helft inbreng spaargeld vrouw € 27.308,63Helft schenking ouders aan vrouw € 25.000,00Helft rente administratieve schenking aan vrouw € 28.358,50Te betalen door de man € 108.220,28

Vrouw betalen aan man

Omschrijving Te betalen
Helft saldo ABNA [rekeningnummer] per peildatum € ntbHelft flexibel krediet € -Overbedeling B&O flatscreen € 250,00Helft zorgkosten € 442,50Helft financiële waarde [hond] € 612,50Helft kosten schilder [plaats] € 1.250,00Helft inbreng verkoopopbrengst appartement € 78.475,50Regres schuld [geldverstrekker 1] € 500,00Te betalen door de vrouw € 81.530,50



6.49
Evenals in het bestreden vonnis is de interne draagplicht voor de schulden buiten dit overzicht gehouden, omdat daaruit geen vorderingen voortvloeien zolang een partij niet meer dan zijn deel aan de schuldenaar betaald heeft. Voor zover een van partijen wel meer dan zijn deel van de schuld heeft betaald, moet deze ‘quasi-regresvordering’ alsnog worden betrokken in de finale verrekening.


6.50
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof zal de over en weer gedane verzoeken om elkaar in de proceskosten in beide instanties te veroordelen dan ook afwijzen.




7Beslissing
Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2023 voor zover daarin de vrouw is veroordeeld om de man € 48.088,97 te betalen;

- veroordeelt de man om de vrouw € 26.689,78 te betalen;

- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

- wijst af het meer of anders gevorderde.




Dit arrest is gewezen door mr. I. Reijngoud, mr. G.G.B. Boelens en mr. F.V. Marquenie en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.